Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2002, 433AMvB

Besluit van 24 juli 2002, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met enige omissies

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 maart 2002, AD2002/U63845, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 24 april 2002, no. WO4.02/0144/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juli 2002, PMR/AV 02/79435, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a, wordt «Ministers» vervangen door: ministers en staatssecretarissen;.

b. In onderdeel g, vervalt «(Stb. 1979, 16)».

2. Het derde lid, onderdeel e, komt als volgt te luiden:

e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.

B

In de artikelen:

4a,

6a, tweede lid,

9, twaalfde lid,

10, vierde lid,

11, zevende lid,

13, eerste en tweede lid,

18, vijfde lid

21, elfde en twaalfde lid,

33a, tweede lid,

33e, tweede lid,

47, tweede lid,

48, tweede lid,

49a, eerste lid,

51, derde lid,

58a, vierde lid,

69, tweede lid,

79, eerste lid,

97b, eerste en tweede lid,

105, eerste en derde lid,

106, derde lid,

107, eerste, tweede en derde lid,

107a,

108, eerste en tweede lid,

108b, eerste en derde lid,

109,

110, eerste lid,

110g, derde en vijfde lid,

110l, eerste lid,

111,

wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In artikel 6, derde lid, aanhef, wordt «het eerste lid» vervangen door: het tweede lid.

D

In artikel 7, vierde lid, wordt «inspecteur-generaal van het Onderwijs» vervangen door: inspecteur-generaal.

E

In de artikelen:

12a, onderdeel b,

20b, tweede lid,

68, tweede lid,

110g, zesde lid,

wordt «regelen» telkens vervangen door: regels.

F

In artikel 20d, eerste lid, vervalt «(Stb. 1964, 473)».

G

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. De leden 7a en 8a worden verletterd tot 7.a en 8.a.

2. In het achtste lid, onderdeel a, wordt «7 maal 24 uur» vervangen door : 7 maal 24 uren.

H

In artikel 22, twaalfde lid, vervalt «ingevolge het vierde en vijfde lid geldende».

I

In artikel 32, onderdeel a, vervalt «(Stb. 1964, 473)».

J

In artikel 33b, vierde lid, wordt «artikel 126b, derde en zesde lid» vervangen door: artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden.

K

In artikel 33d, tweede lid, wordt «vierde lid of» vervangen door: vierde lid, of.

L

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. De punten achter de onderdelen o, p en q, worden vervangen door een haakje.

2. In onderdeel u, wordt de punt veranderd in een puntkomma.

M

In artikel 35a wordt «het college» vervangen door: het College.

N

Artikel 36a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e vervalt onder gelijktijdige verlettering van de onderdelen f tot en met k, tot e tot en met j.

2. In het nieuwe onderdeel e, wordt «de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken» vervangen door : de Infectieziektenwet.

O

Artikel 36b komt als volgt te luiden:

Artikel 36b

  • 1. In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997 in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.

  • 2. Het medisch advies dat door de Arbo-dienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.

  • 3. De ambtenaar kan de Arbo-dienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De Arbo-dienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

  • 4. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.

  • 5. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.

P

Na artikel 36b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36c

  • 1. De leden van de commissie bedoeld in artikel 36b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze Minister. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

  • 2. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

    a) de ambtenaar;

    b) Onze Minister;

    c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 36b, vijfde lid.

Q

Na artikel 36c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36d

De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel 36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

R

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, op grond van zijn dienstbetrekking

    a. aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft:

    I) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en

    II) in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

    b. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, heeft:

    I) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging; en II) in de periode daarna aanspraak op doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging.

2. Het derde lid vervalt onder gelijktijdige vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot het derde tot en met het zesde lid.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt «zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval», vervangen door: zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering.

4. In het zesde lid wordt «bedoeld in het zesde lid» vervangen door: bedoeld in het vijfde lid.

S

Artikel 38, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en» vervangen door : zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering.

2. Onderdeel b komt als volgt te luiden:

b. indien hij na het tijdvak van 52 weken, zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan een tijdvak van 26 weken,

I) op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, en de WAO-uitkering; of

II) op grond van zijn arbeidsongeschiktheid geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

T

Artikel 41, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

Onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel b in een komma, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: verminderd met de dagen waarop de ambtenaar gedurende de termijn van 52 weken, als bedoeld in het tweede lid, volledig geschikt is geweest zijn arbeid te verrichten.

U

In artikel 42, het vijfde lid, onderdelen a en e, vervalt telkens «of de gewezen ambtenaar».

V

In artikel 43, eerste lid, onderdeel p, wordt de punt aan het eind van de zin vervangen door een puntkomma.

W

In artikel 44, derde lid, wordt «is op de aanspraak die de ambtenaar en de gewezen ambtenaar heeft» vervangen door: is op de aanspraak die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft.

X

Artikel 48a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedoeld in de artikelen 38 en 39» vervangen door: bedoeld in de artikelen 37, 38 en 39.

2. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:

    a. de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of

    b. de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

3. In het vierde lid worden tussen «het» en «derde» toegevoegd: tweede en.

Y

In artikel 49k, tweede volzin, wordt «vierde en vijfde lid» vervangen door: zesde en zevende lid.

Z

In artikel 70, eerste lid, wordt «de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken» vervangen door: de Infectieziektenwet.

AA

In artikel 79, tweede lid, eerste volzin, wordt «in het derde lid» vervangen door: in het eerste lid.

AB

In artikel 90 wordt «op grond van de Krankzinnigenwet» vervangen door: op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

AC

In artikel 96b, tweede lid, wordt «verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het derde en vijfde lid» vervangen door: verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het vierde en vijfde lid.

AD

Artikel 98, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt verstaan gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende arbeid, als bedoeld in artikel 35, onderdeel l, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid, als bedoeld in artikel 35, onderdeel e.

AE

In artikel 98a wordt «of een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966» vervangen door: , een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

AF

In artikel 102b, tweede lid, wordt een zin ingevoegd, luidende:

Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgende op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel van het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

AG

In artikel 107, eerste lid, wordt «ministerie van Binnenlandse Zaken» vervangen door: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

AH

In artikel 110b vervalt de aanduiding «1.» als vermeld voor de tekst.

AI

In artikel 132a wordt «36b, tweede en derde lid» vervangen door: artikel 36b, derde en vierde lid.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6, derde lid, aanhef, wordt «eerste» vervangen door: tweede.

B

In de artikelen:

6a, tweede lid,

10, vierde lid,

11, zevende lid,

26, vijfde lid,

34, elfde en twaalfde lid,

34a, zevende lid,

57, tweede lid,

82, tweede lid,

83, tweede lid,

84a, eerste lid,

86, derde lid,

93a, vierde lid,

104, tweede lid,

114, eerste lid,

138,

wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In artikel 7, twaalfde lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: het tot aanstelling bevoegde gezag.

D

In de artikelen:

13, onderdeel b,

30, tweede lid,

103, tweede lid,

wordt «regelen» telkens vervangen door: regels.

E

Artikel 24 komt als volgt te luiden:

Artikel 24

  • 1. Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem in zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college geniet, overschrijdt.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat:

    a. toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement;

    b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten die aan die werkzaamheden zijn verbonden.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de functie van substituut-ombudsman met de in het eerste lid bedoelde functie gelijkgesteld.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op degenen die een non-acitiviteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

F

In artikel 32, eerste lid, vervalt «(Stb. 1964, 473)».

G

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. De leden 7a en 8a worden verletterd tot 7. a. en 8. a.

2. In het achtste lid, onderdeel a, wordt «7 maal 24 uur» vervangen door: 7 maal 24 uren.

H

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

In het twaalfde lid, vervalt «op grond van het vierde en vijfde lid geldende».

I

In artikel 36, zevende lid, wordt «het derde lid» vervangen door: het tweede lid.

J

In artikel 53, onderdeel a, vervalt «(Stb. 1964, 473)».

K

In artikel 58, vierde lid, wordt «artikel 161, tweede en vijfde lid» vervangen door: artikel 18 van de Wet op de Ondernemingsraden.

L

In artikel 60, tweede lid, wordt «vierde lid of» vervangen door vierde lid, of.

M

Artikel 71a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e vervalt onder gelijktijdige verlettering van de onderdelen f tot en met k, tot e tot en met j.

2. In het nieuwe onderdeel e, wordt «de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken» vervangen door : de Infectieziektenwet.

N

Artikel 71b komt als volgt te luiden:

Artikel 71b

  • 1. In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997 in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.

  • 2. Het medisch advies dat door de Arbo-dienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 71a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en het tot aanstelling bevoegde gezag medegedeeld.

  • 3. De ambtenaar kan de Arbo-dienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De Arbo-dienst stelt het tot aanstelling bevoegde gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

  • 4. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.

  • 5. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.

O

Na artikel 71 b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71c

  • 1. De leden van de commissie bedoeld in artikel 71b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het tot aanstelling bevoegde gezag. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

  • 2. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

    a) de ambtenaar;

    b) het tot aanstelling bevoegde gezag;

    c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 71b, vijfde lid.

P

Na artikel 71c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71d

De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 71b, eerste lid, respectievelijk het hernieuwd onderzoek, bedoeld in het artikel 71b, derde lid, komen voor rekening van het tot aanstelling bevoegde gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

Q

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, op grond van zijn dienstbetrekking

    a. aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft:

    I) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en

    II) in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

    b. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, heeft:

    I) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging; en

    II) in de periode daarna aanspraak op doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging.

2. Het derde lid vervalt onder gelijktijdige vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot het derde tot en met het zesde lid.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt «zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval», vervangen door: zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering.

4. In het zesde lid wordt «bedoeld in het zesde lid» vervangen door: bedoeld in het vijfde lid.

R

Artikel 73, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en» vervangen door: zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering.

2. Onderdeel b komt als volgt te luiden:

b. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:

a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering; en

b. indien hij na het tijdvak van 52 weken, zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan een tijdvak van 26 weken,

I) op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, en de WAO-uitkering; of

II) op grond van zijn arbeidsongeschiktheid geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

S

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel b in een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: verminderd met de dagen waarop de ambtenaar gedurende de termijn van 52 weken, als bedoeld in het tweede lid, volledig geschikt is geweest zijn arbeid te verrichten.

2. In het vijfde lid wordt «Onze Minister» telkens vervangen door: het tot aanstelling bevoegde gezag.

T

In artikel 83, tweede lid, wordt na «kan omtrent het» ingevoegd: bepaalde in het eerste lid.

U

Artikel 83a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:

    a. de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of

    b. de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

2. In het vierde lid worden tussen «het» en «derde» toegevoegd: tweede en.

V

In artikel 84k, tweede volzin, wordt «vierde en vijfde lid» vervangen door: zesde en zevende lid.

W

In artikel 105, eerste lid, wordt «de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken» vervangen door: de Infectieziektenwet.

X

In artikel 114, tweede lid, wordt «in het derde lid» vervangen door: in het eerste lid.

Y

In artikel 120 wordt «op grond van de Krankzinnigenwet» vervangen door: op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

Z

Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «Onze Minister» vervangen door: het aanstelling bevoegd gezag.

2. Het vierde lid komt als volgt te luiden:

  • 4. Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt verstaan gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende arbeid, als bedoeld in artikel 70, onder l, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid, als bedoeld in artikel 70, onderdeel e.

AA

In artikel 130 wordt «of een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966» wordt vervangen door: , een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

AB

Artikel 149a wordt als volgt gewijzigd:

1. de aanduiding «1.» als vermeld voor de tekst vervalt.

2. in onderdeel b vervalt «(Stb. 1931, 248)».

ARTIKEL III

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 19843 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen:

1, derde lid,

5, derde lid,

5a, derde lid,

14, vierde lid,

18, vierde lid,

23, tiende lid,

25, eerste lid, onderdelen a en b,

26,

wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

In artikel 4, tweede lid, vervalt «(Stb. 1931, 248)».

C

In artikel 16, eerste lid, vervalt «(Stb. 1968, 657)».

D

In artikel 25 wordt het vierde lid vernummerd tot het derde lid.

E

In Bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende een aantal ambten en het daaraan verbonden salaris, vervalt met het daarbij vermelde salaris:

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Algemene Bestuursdienst

Directeur-generaal.

Artikel IV

Het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel4 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. betrokkene: de ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of het Ambtenarenreglement Staten-Generaal;

2. In onderdeel b vervalt «(Stb. 1983, 571)».

B

In de artikelen:

2, eerste, tweede en derde lid,

3, eerste lid,

3a, eerste lid,

4, derde lid

wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In artikel 2, tweede lid, vervalt «(Stb. 1968, 657)».

D

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, wordt «de vorige leden» vervangen door: het vorige lid.

2. In het derde lid vervalt «in het geval bedoeld in het tweede lid en».

ARTIKEL V

In artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel5 vervalt «, de werknemer in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit».

ARTIKEL VI

Het Rijkswachtgeldbesluit 19596 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

In artikel 3a, tweede lid, vervalt «(Stb. 1987, 93)».

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «(Stb. 1983, 571)».

2. In het derde lid vervalt «(Stb. 1983, 572)» en «(Stb. J 261)».

D

Artikel 6, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt «(Stb. 1987, 89)».

2. In onderdeel c vervalt «(Stb. 1972, 313)».

3. In onderdeel d vervalt «(Stb. 1987, 88)».

E

In artikel 7a, tweede lid, vervalt «(Stb. 1968, 657)».

F

In artikel 16, tweede lid, wordt «artikel 95, vijfde lid» vervangen door: artikel 95, achtste lid.

ARTIKEL VII

De Uitkeringsregeling 19667 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, vervalt.

C

In artikel 3a, tweede lid, vervalt «(Stb. 1987, 93)».

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «(Stb. 1983, 571)».

2. In het derde lid vervalt «(Stb. 1983, 572)» en «(Stb. J 261)».

E

Artikel 8, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt «(Stb. 1987, 89)».

2. In onderdeel c vervalt «(Stb. 1972, 313)».

3. In onderdeel d vervalt «(Stb. 1987, 88)».

F

In artikel 8d, tweede lid, vervalt «(Stb. 1968, 657)».

G

In artikel 16, tweede lid, wordt «artikel 95, vijfde lid» vervangen door: artikel 95, achtste lid.

H

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voorschriften» vervangen door: regels.

2. In het vijfde lid wordt «voorschriften» vervangen door: regels.

I

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «en artikel 32c, vijfde lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit zijn» vervangen door: is.

2. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Voor de uitvoering van het eerste lid is Hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenregelement voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VIII

De Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk8 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

ARTIKEL IX

De Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering9 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Onderdeel f wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel 1 vervalt «(Stb. 1986, 489)».

b. In onderdeel 2 vervalt «(Stb. 1986, 490)».

c. Onderdeel 3 vervalt «(Stb. 1987, 400)».

3. Onderdeel i vervalt.

4. De onderdelen j en k worden verletterd tot de onderdelen i en j.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966 en de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering» vervangen door: het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de Uitkeringsregeling 1966.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onder ontslag, bedoeld in artikel 8 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en artikel 9 van de Uitkeringsregeling 1966 wordt verstaan het ontslag als werknemer.

3. In het derde lid wordt «het wachtgeld, de uitkering of de WWV-vervangende uitkering» vervangen door: het wachtgeld of de uitkering.

4. In het vierde lid vervalt «(Stb. 1987, 88)» en «(WAO, Stb. 1987, 89)».

ARTIKEL X

Het Besluit herplaatsingsbeleid10 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «(Stb. 1986, 489)» en «(Stb. 1986, 490)».

2. In het tweede lid wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

In de artikelen 3 en 4, vierde lid, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In artikel 4 wordt «de gezamenlijke vacaturebank rijksoverheid» telkens vervangen door: de Mobiliteitsbank.

D

Artikel 5 wordt geschrapt.

ARTIKEL XI

Het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk11 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. In onderdeel g, onder e, tweede volzin, wordt «als bedoeld is» vervangen door: als bedoeld in.

B

In artikel 5, tweede lid, wordt «toepassing van artikel 31, tweede lid» vervangen door: toepassing van artikel 31, tweede lid, van de Ziektewet.

C

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, in de eerste volzin, wordt «zoals die luidden op 31 december 2002, blijven uitsluitend voor wat betreft», vervangen door: zoals die luidden op 31 december 2002, blijven uitsluitend gehandhaafd voor wat betreft.

2. Het eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

a. Tussen «anticumulatie» en «mits» wordt een komma toegevoegd.

b. «de datum van inwerkingtreding van dit besluit» en «de datum voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit» worden vervangen door: 31 december 2002.

ARTIKEL XII

De Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen12 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, vervalt «(Stb. 1966, 215)».

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. Deelnemer: De ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement die deelneemt aan een opleiding.

B

Artikel 3 vervalt.

C

In artikel 4 vervalt «of in de arbeidsovereenkomst».

D

Artikel 5 komt als volgt te luiden:

De artikelen 59 en 60 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn van toepassing op de deelnemer.

E

In artikel 8 vervalt «(Stb. 1983, 571)».

ARTIKEL XIII

De Rechtspositieregeling voor deelnemers aan initiële opleidingen13 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Onderdeel c komt te luiden:

c. Deelnemer: De ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in de zin van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal die minder dan twaalf maanden achtereen is bezoldigd volgens het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en die deelneemt aan de opleiding.

B

Artikel 3 vervalt.

C

In artikel 4 vervalt «of in de arbeidsovereenkomst».

D

Artikel 5 komt als volgt te luiden:

De artikelen 59 en 60 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk de artikelen 94 en 95 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, zijn van toepassing op de deelnemer.

ARTIKEL XIV

Het Reisbesluit binnenland14 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, onderdeel b, onder 1e, vervalt «, Arbeidsovereenkomstenbesluit».

B

In de artikelen 7, 8, 9 en 13, eerste en derde lid, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In de artikelen 12, eerste lid, aanhef, en 16 wordt «regelen» gewijzigd in: regels.

D

Artikel 12, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in het eerste lid bedraagt ten hoogste het bedrag vastgesteld krachtens artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964.

E

In artikel 17 wordt «het Sectoroverleg Rijkspersoneel» gewijzigd in: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

ARTIKEL XV

Het Reisbesluit buitenland15 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, onderdeel b, onder 1e vervalt «, het Arbeidsovereenkomstenbesluit».

B

In de artikelen 7, 10, tweede lid, 12, 13, tweede lid, 15 en 15a, eerste lid, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C

In artikel 17 wordt «het Sectoroverleg rijkspersoneel» gewijzigd in: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

ARTIKEL XVI

Het Verplaatsingskostenbesluit 198916 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, de aanhef, wordt «regelen» vervangen door: regels.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt een punt komma geplaatst ter vervanging van de komma punt.

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel f vervalt «(Stb. 1985, 110)».

b. In onderdeel h vervalt «(Stb. 1986, 611)».

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b, onder 1e, vervalt «of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht».

b. In onderdeel i volgt na 1e, 2e en 3e een punt.

c. In onderdeel k volgt na 1e en 2e een punt.

2. In het derde lid wordt «eerste lid, onderdeel i» vervangen door: eerste lid, onderdeel h.

C

Artikel 3, vierde lid, aanhef, vervalt «of in dienst is genomen».

D

In de artikelen 6, tweede lid,

8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,

8a,

9, derde lid,

11,

11a, derde lid,

12, achtste en negende lid,

wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» telkens vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

E

In de artikelen 6, tweede lid,

8, eerste lid, onderdeel c,

8a,

9, derde lid,

10, aanhef,

11,

11a, derde lid,

12, achtste en negende lid,

12b, eerste lid, aanhef,

15, eerste en tweede lid,

wordt «regelen» telkens vervangen door: regels.

F

Artikel 12b, zesde lid, komt als volgt te luiden:

  • 6. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per afgelegde kilometer ten hoogste het bedrag vastgesteld krachtens artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964.

G

Artikel 17 vervalt.

H

Artikel 18 vervalt.

ARTIKEL XVII

Het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk wordt17 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt «en bevoegd gezag».

2. In onderdeel b vervalt «of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht».

3. In onderdeel c wordt achter «Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren» toegevoegd: 1984.

B

In artikel 2, derde lid, onderdeel a, wordt «artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990» vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

ARTIKEL XVIII

Het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst18 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 7 wordt een derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel met ingang van de dag waarop de salariswijziging van kracht wordt.

XIX

Het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering19 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Onder vernummering van het vijfde en het zesde lid in het derde en vierde lid, worden het derde en het vierde lid geschrapt.

B

In artikel 6, tweede lid, wordt «dan wel artikel 33b van het Arbeidsovereenkomstenbesluit» geschrapt.

C

Aan artikel 7, wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De in het derde lid vermelde aanpassing wordt in een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde ministeriële regeling neergelegd.

D

In artikel 13 wordt «, onderscheidenlijk werknemer in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit» geschrapt.

XX

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel XVIII dat terugwerkt tot en met 1 januari 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 juli 2002

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

Uitgegeven de zevenentwintigste augustus 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij het voorliggende besluit zijn in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG) en enige andere rechtspositionele besluiten betreffende rijksambtenaren, een aantal omissies van technische aard hersteld. De wijzigingen van de bepalingen in het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) worden verwerkt in een algehele herziening van het RDBZ.

Het betreft onder meer het herstellen van typefouten, de correctie van onjuiste en het schrappen van achterhaalde verwijzingen.

De wijzigingen betreffen tevens aanpassingen aan de Aanwijzingen voor de regelgeving. In de plaats van het woord «regelen» wordt voortaan de term regels gehanteerd waarmee gedoeld wordt op het begrip algemeen verbindende voorschriften in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Een andere aanpassing van de Aanwijzingen voor de regelgeving betreft het schrappen van de verwijzingen naar het Staatsblad.

Daarnaast is overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 augustus 1998, Stcrt. 1998, nr. 145, de naam van het ministerie van Binnenlandse Zaken veranderd in het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Diverse bepalingen zijn overeenkomstig gewijzigd.

De Sectorcommissie overleg rijkspersoneel heeft ingestemd met dit besluit.

Artikelsgewijs

Artikel I Algemeen Rijksambtenarenreglement

Onderdelen A, onder 1, F en I

In diverse artikelen vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdelen B en AG

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, respectievelijk «ministerie van Binnenlandse Zaken» door: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel D

Met de wijziging in het vierde lid van artikel 7 wordt bepaald dat alle inspecteuren-generaal die zijn aangesteld, als lid van de topmanagementgroep worden beschouwd.

Onderdelen A, onder 1 en 2, C, G, H, J, K, L, M, V, X, onder 3, Y, AA, AC, AD, AF en AH

In diverse artikelen zijn onder meer typefouten hersteld, vernummeringen en verwijzingen tussengevoegd, gecorrigeerd en geschrapt.

Onderdeel E

Conform de Aanwijzigingen voor de regelgeving is het woord «regelen» vervangen door: regels.

Onderdelen N, onder 2 en Z

Op 19 maart 1999 is de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken vervangen door de Infectieziektenwet. Artikel 36a, eerste lid, onderdeel f, en artikel 70, eerste lid, zijn overeenkomstig aangepast.

Onderdelen N, onder 1, O, P, Q en AI

Bij het wijzigingsbesluit van 8 december 2000, houdende wijziging van het ARAR en enkele andere besluiten in verband met het onder de Ziektewet en de Werkloosheid brengen van het overheidspersoneel in de sector Rijk (Stb. 573) is per abuis geschrapt de regeling van het herniewd arbeidsgezondheidskundig onderzoek inclusief de procedure van de commissie van drie artsen (artikelen 36b en 36c oud). In het ARAR werd vanaf 1 januari 2001 slechts impliciet voorzien in een second opinion door een uitvoeringsinstelling in geval van een geschil tussen de werkgever en de werknemer over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. Met de wijzigingen in het ARAR wordt de regeling van het hernieuwd arbeidsgezondheidskundig onderzoek inclusief de procedure van de commissie van drie artsen teruggehaald en neergelegd in de artikelen 36b, tweede tot en met vijfde lid, en 36c. In de praktijk wordt de arts van de Arbo-dienst die betrokken is geweest bij het eerste onderzoek geïnformeerd over het medisch advies naar aanleiding van het hernieuwd onderzoek. Het is wenselijk om de arts van de Arbo-dienst die betrokken is geweest bij het eerste onderzoek eveneens te informeren over het resultaat van de second opinion. In de praktijk zal de arts door werkgever geïnformeerd dienen te worden. In artikel 36b, eerste lid, wordt verwezen naar de second opinion waarin in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, juncto artikel 41 van de Osv 1997 wordt voorzien. In artikel 36d wordt geregeld dat de kosten verbonden aan zowel de second opinion als het hernieuwd arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor rekening komen van Onze Minister. Artikel 132a van het ARAR is aangepast in die zin dat overeenkomstig de indeling van artikel 36b, verwezen wordt naar het derde en vierde lid van artikel 36b. Artikel 36a, eerste lid, onderdeel e, is geschrapt omdat deze bepaling verwarrend en overbodig is nu de ambtenaar voor het vragen om een hernieuwd onderzoek niet met het bevoegd gezag te maken heeft maar zich met deze vraag tot de Arbo-dienst dient te wenden.

Onderdelen R en S

Bij besluit van 9 december 1997 (Stb. 1998, 5) is hoofdstuk VI van het ARAR aangepast aan de WAO-bepalingen. De bedoeling was dat het tot dan toe bestaande aansprakenniveau niet te doen verminderen. In het ARAR was voor de voornoemde aanpassing geregeld dat de (gewezen) ambtenaren die minder dan 15% arbeidsongeschikt waren aanspraak hadden op doorbetaling van de bezoldiging. De artikelen 37, tweede en derde lid, en 38, eerste lid, (oud) van het ARAR waren zo geredigeerd dat alleen die ambtenaar respectievelijk de gewezen ambtenaar die aanspraak had op een WAO-uitkering aanspraak had op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor (gewezen) ambtenaren die minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn, was er geen regeling getroffen. Dezen worden conform artikel 19, vierde lid, van de WAO, namelijk niet als arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van de WAO. Er is dientengevolge geen recht op een WAO-uitkering hetgeen betekent dat daarmee de grondslag voor de toekenning van een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontbreekt. Voor de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn en voor wie de termijn van 52 weken is verstreken is in het huidige artikel 37, tweede lid, respectievelijke voor de gewezen ambtenaar in het huidige artikel 38, eerste lid, van het ARAR alsnog de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging neergelegd. In de artikelen 37, vijfde lid, onderdeel b, en 38, eerste lid, onderdelen a en b, van het ARAR zijn correcties aangebracht zodanig dat de zieke ambtenaar die herplaatst wordt respectievelijk de gewezen ambtenaar, niet een onbedoeld voordeel genieten ter grootte van de vakantie-uitkering. In artikel 37 wordt de verwijzing in het vernummerde zesde lid naar het oude zesde lid gewijzigd in een verwijzing naar het vernummerde vijfde lid.

Onderdeel T

De wijziging van artikel 41, derde lid, van het ARAR dient ter verduidelijking dat de dagen waarop de ambtenaar gedurende de eerste 52 weken volledig arbeidsgeschikt was, niet nog eens worden meegeteld bij het vaststellen van de termijn waarmee de 26-wekenperiode mag worden verlengd.

Onderdelen U en W

Met de aanpassingen in de artikelen 42, vijfde lid, onderdelen a en e, en in artikel 44, derde lid, is weggenomen de veronderstelling dat ook de gewezen ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, gedurende ziekte aanspraak zou hebben op doorbetaling van bezoldiging.

Onderdeel X, onder 2

De aanpassing van het tweede lid van artikel 48a betreft een reparatie van de oude tekst op verzoek van de uitvoerende departementen en Hoge Colleges van Staat. De gewijzigde tekst is ingevoerd bij besluit van 9 december 1997, houdende wijziging van het ARAR, het ARSG, het RDBZ en enige andere rechtspositionele regelingen, in verband met het onder de WAO brengen van de overheidswerknemers in de sector Rijk, en is thans geformuleerd conform de oude tekst.

Onderdeel AB

De kranzinnigenwet is op 17 januari 1994 vervangen door de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel 90 van het ARAR is dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel AE

Met de aanpassing van artikel 98a is geregeld dat deze bepaling eveneens geldt voor de ambtenaar die recht heeft op een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

Artikel II Ambtenarenreglement Staten-Generaal

Onderdelen A, C, E, G, H, I, K, L, S, U, onder 2, V, X, Z, en AB, onder 1

Bij deze wijzigingen zijn onder meer typefouten hersteld, vernummeringen en verwijzingen tussengevoegd, gecorrigeerd en geschrapt.

Onderdeel B

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel D

Conform de Aanwijzigingen voor de regelgeving is het woord «regelen» vervangen door: regels.

Onderdelen F, J, AB, onder 2

In diverse artikelen vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdelen Q en R

Bij besluit van 9 december 1997 (Stb. 1998, 5) is hoofdstuk VI van het ARSG aangepast aan de WAO-bepalingen. De bedoeling was dat het tot dan toe bestaande aansprakenniveau niet te doen verminderen. In het ARSG was voor de voornoemde aanpassing geregeld dat de (gewezen) ambtenaren die minder dan 15% arbeidsongeschikt waren aanspraak hadden op doorbetaling van de bezoldiging. De artikelen 72, tweede en derde lid, en 73, eerste lid, (oud) van het ARSG waren zo geredigeerd dat alleen die ambtenaar respectievelijk de gewezen ambtenaar die aanspraak had op een WAO-uitkering aanspraak had op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor (gewezen) ambtenaren die minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn, was er geen regeling getroffen. Dezen worden conform artikel 19, vierde lid, van de WAO, namelijk niet als arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van de WAO. Er is dientengevolge geen recht op een WAO-uitkering hetgeen betekent dat daarmee de grondslag voor de toekenning van een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontbreekt. Voor de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die minder dan 15% arbeidsongeschitk zijn en voor wie de termijn van 52 weken is verstreken is in het huidige artikel 72, tweede lid, respectievelijke voor de gewezen ambtenaar in het huidige artikel 73, eerste lid, van het ARAR alsnog de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging neergelegd. In de artikelen 72, vijfde lid, onderdeel b, en 73, eerste lid, onderdelen a en b, van het ARSG zijn correcties aangebracht zodanig dat de zieke ambtenaar die herplaatst wordt respectievelijk de gewezen ambtenaar, niet een onbedoeld voordeel genieten ter grootte van de vakantie-uitkering. In artikel 72 wordt de verwijzing in het vernummerde zesde lid naar het oude zesde lid gewijzigd in een verwijzing naar het vernummerde vijfde lid.

Onderdeel S, onder 1

De wijziging van artikel 76, derde lid, van het ARSG dient ter verduidelijking dat de dagen waarop de ambtenaar gedurende de eerste 52 weken volledig arbeidsgeschikt was, niet nog eens worden meegeteld bij het vaststellen van de termijn waarmee de 26-weken-periode mag worden verlengd.

Onderdeel U, onder 1

De aanpassing in het tweede lid van artikel 83a betreft een reparatie van de oude tekst op verzoek van de uitvoerende departementen en Hoge Colleges van Staat. De gewijzigde tekst is ingevoerd bij besluit van 9 december 1997, houdende wijziging van het ARAR, het ARSG, het RDBZ en enige andere rechtspositionele regelingen, in verband met het onder de WAO brengen van de overheidswerknemers in de sector Rijk, en is thans geformuleerd conform de oude tekst.

Onderdelen M, onder 2, en V

Bij besluit van 11 juni 1998, houdende regels ter afwending van de gevaren van infectieziekten, is de Infectieziektenwet afgekondigd. Bij besluit van 19 maart 1999 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Infectieziektenwet, is de Infectieziektenwet in werking getreden en is de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken ingetrokken. De artikelen 71a en 105, eerste lid, zijn overeenkomstig aangepast.

Onderdelen M, onder 1, N, O en P

Bij het wijzigingsbesluit van 8 december 2000, houdende wijziging van het ARAR en enkele andere besluiten in verband met het onder de Ziektewet en de Werkloosheid brengen van het overheidspersoneel in de sector Rijk (Stb. 573) is per abuis geschrapt de regeling van het herniewd arbeidsgezondheidskundig onderzoek inclusief de procedure van de commissie van drie artsen (artikelen 71b en 71c oud). In het ARAR werd vanaf 1 januari 2001 slechts impliciet voorzien in een second opinion door een uitvoeringsinstelling in geval van een geschil tussen de werkgever en de werknemer over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. Met de wijzigingen in het ARAR wordt de regeling van het hernieuwd arbeidsgezondheidskundig onderzoek inclusief de procedure van de commissie van drie artsen teruggehaald en neergelegd in de artikelen 71b, tweede tot en met vijfde lid, en 71c. In de praktijk wordt de arts van de Arbo-dienst die betrokken is geweest bij het eerste onderzoek geïnformeerd over het medisch advies naar aanleiding van het hernieuwd onderzoek. Het is wenselijk om de arts van de Arbo-dienst die betrokken is geweest bij het eerste onderzoek eveneens te informeren over het resultaat van de second opinion. In de praktijk zal de arts door werkgever geïnformeerd dienen te worden. In artikel 71b, eerste lid, wordt verwezen naar de second opinion waarin in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, juncto artikel 41 van de Osv 1997 wordt voorzien. In artikel 71d wordt geregeld dat de kosten verbonden aan zowel de second opinion als het hernieuwd arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor rekening komen van Onze Minister. Artikel 71a, eerste lid, onderdeel e, is geschrapt omdat deze bepaling verwarrend en overbodig is nu de ambtenaar voor het vragen om een hernieuwd onderzoek niet met het bevoegd gezag te maken heeft maar zich met deze vraag tot de Arbo-dienst dient te wenden.

Onderdeel Y

De Krankzinnigenwet is op 17 januari 1994 vervangen door de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel 120 van het ARSG is dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel AA

Met de aanpassing van artikel 130 is geregeld dat deze bepaling eveneens geldt voor de ambtenaar die recht heeft op een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeetelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

Artikel III Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984

Onderdeel A

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdelen B en C

In de artikelen 4, tweede lid, en 16, eerste lid, vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdeel D

De vernummering in artikel 25 betreft een reparatie.

Onderdeel E

In Bijlage A is het ambt directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst geschrapt omdat dit ambt als lid van de topmanagementgroep moet worden beschouwd.

Artikel IV Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel

Onderdelen A en C

De wijziging in artikel 1, onderdeel a, betreft het vervallen van de verwijzing naar het Arbeidsovereenkomstenbesluit, dat in 1995 is ingetrokken. In de artikelen 1, onderdeel b, en 2, tweede lid, vervalt conform de Aanwijzingen voor de regelgeving de aanduiding van Staatsbladen.

Onderdeel B

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel D

In artikel 3, tweede en derde lid, worden twee technische wijzigingen doorgevoerd.

Artikel V Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel

De verwijzing naar het Arbeidsovereenkomstenbesluit in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, is geschrapt omdat dit besluit in 1995 is ingetrokken.

Artikel VI Rijkswachtgeldbesluit 1959

Onderdeel A

In artikel 1, onderdeel a, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdelen B, C, D en E

In de artikelen 3a, tweede lid, 4, eerste en derde lid, 6, vierde lid, en 7a, tweede lid, vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdeel F

Bij deze wijziging in artikel 16, tweede lid, is een foutieve verwijzing hersteld.

Artikel VII Uitkeringsregeling 1966

Onderdeel A

In artikel 1, onderdeel a, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel B

Omdat het Arbeidsovereenkomstenbesluit in 1995 is ingetrokken, is in artikel 2, onderdeel c, de tekst «krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht», vervallen.

Onderdelen C, D, E en F

In de artikelen 3a, tweede lid, 4, eerste en derde lid, 8, vierde lid, en 8d, tweede lid, vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdeel G

Bij deze wijziging in artikel 16, tweede lid, is een foutieve verwijzing hersteld.

Onderdeel H

Conform de Aanwijzigingen voor de regelgeving is het woord «regelen» in artikel 17 vervangen door: regels.

Onderdeel I

Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, is geschrapt omdat de Uitkeringsregeling 1966 met het intrekken van het Arbeidsovereenkomstenbesluit in 1995, niet langer als betrokkene definieert, hij die in burgerlijke Rijksdienst werkzaam is krachtens een arbeidsovereenkomst in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit. Artikel 19, tweede lid, is overeenkomstig aangepast.

Artikel VIII Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk

In artikel 1, onderdeel a, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel IX Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering

Onderdeel A, onder 1

In artikel 1, onderdeel a, is het zinsdeel «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdelen A, onder 2, en B, onder 4

Conform de Aanwijzingen voor de regelgeving vervallen in de artikelen 1 en 6 de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdelen A, onder 3 en 4, en B, onder 1, 2 en 3

Omdat de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering is vervallen, zijn de artikelen 1 en 6 overeenkomstig aangepast.

Artikel X Besluit herplaatsingbeleid

Onderdeel A, onder 1

Conform de Aanwijzingen voor de regelgeving vervallen van de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdelen A, onder 2, en B

In de artikelen 2, tweede lid, en 3 en 4, vierde lid, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel C

Op 11 maart 1999 is voor de gezamenlijke vacaturebank rijksoverheid in de plaats gekomen de Mobiliteitsbank. Artikel 4 is overeenkomstig aangepast.

Onderdeel D

Deze wijziging is een gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit van 24 maart 1998 (Stb. 224) houdende regeling inzake de bevoegdheden met betrekking tot de inrichting van organisaties en formaties in de rijksdienst dat met ingang van die datum geldt in plaats van het Besluit Coördinatie Rijkspersoneelsaangelegenheden 1958. Dit besluit is met ingang van 24 maart 1998 in de plaats gekomen van het Besluit Coördinatie Rijkspersoneelsaangelegenheden 1958. Dientengevolge is de verwijzing in artikel 5 van het Besluit herplaatsingsbeleid naar het Besluit Coördinatie Rijkspersoneelsaangelegenheden 1958 overbodig geworden en is het artikel geschrapt.

Artikel XI Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk

Onderdeel A, onder 1

In artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdelen A, onder 2, B en C

Deze wijzigingen betreffen omissies. In artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder e, is een typefout hersteld. Daarnaast is de tekst van de artikelen 5, tweede lid, en 22 aangepast ter verduidelijking van de bedoeling van de bepalingen.

Artikel XII Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen

Onderdeel A, onder 1, en E

In de artikelen 1, onderdeel a, en 8, vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdelen A, onder 2, B, C

De artikelen 1, onderdeel b, 3 en 4, worden aangepast in verband met het feit dat het Arbeidsovereenkomstenbesluit in 1995 is ingetrokken.

Onderdeel D

Bij besluit van 4 december 1997 (Stb. 655) zijn de artikelen 59 en 60 in het ARAR opgenomen waarmee 66a en 75 van het ARAR zijn komen te vervallen. De onderhavige rechtspositieregeling is toentertijd niet aan deze wijzigingen aangepast. In dit besluit is dat alsnog gedaan door in artikel 5 naar de artikelen 59 en 60 van het ARAR te verwijzen, waarin de bepalingen ten aanzien van scholing in het belang van de dienst respectievelijk in het persoonlijk belang, van toepassing worden verklaard op de deelnemer.

Onderdeel E

In artikel 8 is, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduiding van het Staatsblad geschrapt.

Artikel XIII Rechtspositieregeling voor deelnemers aan initiële opleidingen

Onderdeel A, onder 1

In artikel 1, onderdeel a, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdelen A, onder 2, B en C

De artikelen 1, onderdeel c, 3 en 4, worden aangepast in verband met het feit dat het Arbeidsovereenkomstenbesluit in 1995 is ingetrokken.

Onderdeel D

Bij besluit van 4 december 1997 (Stb. 655) zijn de artikelen 59 en 60 in het ARAR opgenomen waarmee 66a en 75 van het ARAR zijn komen te vervallen. De onderhavige rechtspositieregeling is toentertijd niet aan deze wijzigingen aangepast. In dit besluit is dat alsnog gedaan door in artikel 5 naar de artikelen 59 en 60 van het ARAR respectievelijk 94 en 95 van het ARSG te verwijzen, waarin de bepalingen ten aanzien van scholing in het belang van de dienst respectievelijk in het persoonlijk belang, van toepassing worden verklaard op de deelnemer.

Artikel XIV Reisbesluit binnenland

Onderdeel A

In artikel 2, onderdeel b, onder 1e, is de verwijzing naar het in 1995 ingetrokken Arbeidsovereenkomstenbesluit, geschrapt.

Onderdeel B

In de artikelen 7, 8, 9 en 13, eerste en derde lid, is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel C

In de artikelen 12, eerste lid, aanhef, en 16, is, conform de Aanwijzigingen voor de regelgeving het woord «regelen» vervangen door: regels.

Onderdeel D

In Stb. 2000, 216, is de Wet op de loonbelasting 1964, bij de Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001, gewijzigd. In artikel 12, tweede lid, is de verwijzing terzake de tegemoetkoming in reiskosten dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel E

De benaming van het Sectoroverleg Rijkspersoneel is gewijzigd in Sectorcommissie overleg Rijkspersoneel. Artikel 17 is overeenkomstig aangepast.

Artikel XV Reisbesluit buitenland

Onderdeel A

In artikel 2, onderdeel b, onder 1e, is de verwijzing naar het in 1995 ingetrokken Arbeidsovereenkomstenbesluit, geschrapt.

Onderdeel B

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel C

De benaming van het Sectoroverleg Rijkspersoneel is gewijzigd in Sectorcommissie overleg Rijkspersoneel. Artikel 17 is overeenkomstig aangepast.

Artikel XVI Verplaatsingskostenbesluit 1989

Onderdelen A, onder 1, en E

In de diverse artikelen is, conform de Aanwijzigingen voor de regelgeving, het woord «regelen» vervangen door: regels.

Onderdelen A, onder 2, B en C

Bij deze wijzigingen in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, 2, eerste lid, onderdelen i, k, en het derde lid, en 3, zijn enige typefouten hersteld.

Onderdeel A, onder 3

In artikel 1, derde lid, vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, de aanduidingen van Staatsbladen.

Onderdeel B, onder 1, punt a

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 1e, is de verwijzing naar het Arbeidsovereenkomstenbesluit, dat in 1995 is komen te vervallen, geschrapt.

Onderdeel D

In diverse artikelen is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeel F

In Stb. 2000, 216, is de Wet op de loonbelasting 1964, bij de Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001, gewijzigd. In artikel 12b, zesde lid, is de verwijzing terzake de tegemoetkoming per afgelegde kilometer dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel G

Artikel 17 vervalt omdat de intrekking van genoemde besluiten heeft plaatsgevonden in 1993 waarmee dit artikel overbodig is.

Onderdeel H

Artikel 18 vervalt omdat het overgangsrecht bevat dat reeds is uitgewerkt.

Artikel XVII Besluit Maaltijdvergoeding bij overwerk

Onderdeel A, onder 1

In het Verplaatsingskostenbesluit 1989 is het begrip bevoegde gezag in verband met de derde tranche van het Algemene wet bestuursrecht omtrent mandaat en delegatie per 23 oktober 1998 komen te vervallen. Gelet daarop vervalt ook het zinsdeel «en bevoegde gezag» vermeld in artikel 1, onderdeel a. In artikel 1, onderdeel b, vervalt het zinsdeel «of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht», omdat het Arbeidsovereenkomstenbesluit is ingetrokken.

Onderdeel A onder 2 en 3

In artikel 1, onderdeel b, is de verwijzing naar «een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht» geschrapt. In onderdeel c is een omissie hersteld.

Onderdeel B

In artikel 2, derde lid, onderdeel a, is doorgevoerd de verwijzing naar de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 die in de plaats is getreden van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990.

Artikel XVIII Besluit personenchauffeurs Rijksdienst

Op basis van artikel 7 ontvangt de personenchauffeur met een volledige arbeidsduur een vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren ten bedrage van f 250,- (€ 113,45) bruto per maand. Deze vaste toelage is niet geïndexeerd. Uit bijlage 3 van de circulaire arbeidstijden personenchauffeurs sector Rijk, AD97/U1250, blijkt dat het bedrag van f 250,– (€ 113,45) een onderdeel is van het inkomensplaatje van de personenchauffeurs zoals dat gold in december 1997. Indexering van de vaste toelage is daarom op zijn plaats omdat deze toelage een vast onderdeel is van het inkomen van de personenchauffeur. De indexering wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 ingevoerd.

Artikel XIX Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering

In de artikelen 1 en 6, tweede lid, en 13, worden aanpassingen doorgevoerd in verband met het feit dat het Arbeidsovereenkomstenbesluit is geschrapt. In artikel 1 is «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel XX

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juli 2002, Stb. 415.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juli 2002, Stb. 415.

XNoot
3

Stb. 1983, 571, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2002, Stb. 216.

XNoot
4

Stb. 1983. 574, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 1998, Stb. 598.

XNoot
5

Stb. 1993, 452, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2002, Stb. 216.

XNoot
6

Stb. 1991, 332, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, Stb. 573.

XNoot
7

Stb. 1991, 333, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, Stb. 573.

XNoot
8

Stb. 1996, 1, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, Stb. 573.

XNoot
9

Stb. 1989, 303, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 1995, Stb. 1996, 2.

XNoot
10

Stb. 1993, 194, gewijzigd bij besluit van 18 juli 1995, Stb. 377.

XNoot
11

Stb. 1996, 352, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
12

Stb. 1986, 291, gewijzigd bij besluit van 25 april 1994, Stb. 346.

XNoot
13

Stb. 1988, 514, gewijzigd bij besluit van 25 april 1994, Stb. 346.

XNoot
14

Stb. 1993, 144, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 juni 2002, Stb. 369.

XNoot
15

Stb. 1994, 600, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 juni 2002, Stb. 369.

XNoot
16

Stb. 1989, 424, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 februari 2001, Stb. 99.

XNoot
17

Stb. 1973, 386, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
18

Stb. 1998, 662, gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
19

Stb. 1974, 480, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juli 1996, Stb. 418.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.