Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2002, 431Wet

Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit evaluatie van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gebleken dat er behoefte bestaat aan een wettelijke mogelijkheid patiënten buiten de inrichting te behandelen ter afwending van gevaar dat zonder behandeling slechts in een inrichting kan worden afgewend;

Overwegende voorts, dat het wenselijk is een mogelijkheid te scheppen voor een observatiemachtiging;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onder m, wordt vervangen door:

m. patiëntenvertrouwenspersoon:

– a. persoon die in een psychiatrisch ziekenhuis werkzaam is om, onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van het ziekenhuis, aan patiënten in het ziekenhuis op hun verzoek advies en bijstand te verlenen in aangelegenheden, samenhangend met hun opneming en verblijf in het ziekenhuis;

– b. persoon die onafhankelijk van de behandelaar aan patiënten op hun verzoek advies en bijstand verleent in aangelegenheden samenhangend met een voorwaardelijke machtiging.

B

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

Indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de gevorderde niet passender is, kan zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar maken; zo nodig bepaalt de rechtbank daarbij dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet.

C

In artikel 14 wordt na «de verklaringen, bedoeld in artikel 5» ingevoegd: en artikel 14a, vierde lid.

D

Na artikel 14 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 1a. Voorwaardelijke machtiging

Artikel 14a
  • 1. De rechter kan op vordering van de officier van justitie met betrekking tot een persoon die gestoord is in zijn geestvermogens en twaalf jaar of ouder is, een voorwaardelijke machtiging verlenen.

  • 2. Een voorwaardelijke machtiging kan slechts worden verleend, indien naar het oordeel van de rechter:

    a. de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken, en

    b. het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een verpleeginrichting, slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.

  • 3. Artikel 4 is van toepassing, met dien verstande dat de betrokkene ook zelf een verzoek tot het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging kan indienen.

  • 4. Bij een verzoek, gericht op het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging, moet worden overgelegd een verklaring van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was. Uit de verklaring dient te blijken dat de persoon op wie de verklaring betrekking heeft, gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in het tweede lid zich voordoet. De verklaring verschaft inzicht in de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene. De verklaring is met redenen omkleed en ondertekend. Artikel 5, derde tot en met zesde lid, en de artikelen 6 tot en met 8a zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de griffier tevens een afschrift van de beschikking inzake de voorwaardelijke machtiging aan de inspecteur zendt. Artikel 10, eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De rechter verleent een voorwaardelijke machtiging slechts indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling, verder te noemen de behandelaar, is opgesteld. Het behandelingsplan bevat de therapeutische middelen die zullen worden toegepast teneinde buiten de inrichting het gevaar af te wenden. Het behandelingsplan regelt de wijze waarop de behandelaar er op toeziet dat het gevaar buiten de inrichting wordt afgewend. Artikel 38, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. Het krachtens artikel 38, derde lid, omtrent het behandelingsplan, bedoeld in artikel 38, eerste lid, bepaalde is op dit behandelingsplan van overeenkomstige toepassing. In het behandelplan wordt mededeling gedaan van het psychiatrisch ziekenhuis dat bereid is de betrokkene op te nemen als deze de voorwaarden niet naleeft of het gevaar niet langer buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden.

  • 6. Het verlenen van een voorwaardelijke machtiging geschiedt in elk geval onder de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar, overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan.

  • 7. Naast de in het zesde lid bedoelde voorwaarde kan de rechter bij de voorwaardelijke machtiging voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de betrokkene, voorzover dit gedrag het gevaar, voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt. De voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken.

  • 8. De rechter geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden.

  • 9. Vanaf het moment dat voor betrokkene een voorwaardelijke machtiging geldt, verleent de patiëntenvertrouwenspersoon op verzoek van betrokkene advies en bijstand.

  • 10. De behandelaar draagt ervoor zorg dat betrokkene zo spoedig mogelijk in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk overzicht van de op grond van deze wet aan hem toekomende rechten; de behandelaar draagt er tevens zorg voor dat betrokkene een mondelinge toelichting terzake ontvangt.

Artikel 14b
  • 1. Het behandelingsplan kan met instemming van de betrokkene door de behandelaar worden gewijzigd. Afschrift van een gewijzigd behandelingsplan wordt terstond gezonden aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend, en aan de officier van justitie bij die rechtbank.

  • 2. Het bij de artikelen 37, eerste lid, derde volzin, en 56, eerste lid, onderdelen a tot en met c, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, alsmede het krachtens artikel 37, vierde lid, en artikel 56, vierde lid, omtrent het patiëntendossier bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De betrokkene of de behandelaar kan de officier van justitie verzoeken de beslissing van de rechter omtrent het wijzigen van de voorwaarden of het aanwijzen van een andere behandelaar te vorderen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.

  • 4. De officier van justitie vordert na ontvangst zo spoedig mogelijk de beslissing van de rechter.

  • 5. De rechter kan op vordering van de officier van justitie de voorwaarden wijzigen of een andere behandelaar aanwijzen. De artikelen 8 en 14a, zesde tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14c
  • 1. Een voorwaardelijke machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening, onverminderd de artikelen 14f en 14g.

  • 2. De rechter kan op vordering van de officier van justitie telkens een nieuwe voorwaardelijke machtiging verlenen met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar, onverminderd de artikelen 14f en 14g.

  • 3. Een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt slechts verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na het verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken en het afwenden van het gevaar een nieuwe voorwaardelijke machtiging vereist.

  • 4. De personen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, alsmede de behandelaar kunnen de officier van justitie bij de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft afgegeven, schriftelijk verzoeken een vordering in te stellen tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging.

  • 5. Bij de vordering moet worden overgelegd een verklaring van een psychiater die betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was, waaruit blijkt dat het geval, bedoeld in het derde lid, zich voordoet. Tevens wordt door de behandelaar een beschrijving overgelegd van de geestelijke en lichamelijke toestand van de betrokkene, van de op hem toegepaste behandeling en de effecten daarvan.

  • 6. De vordering tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt ingesteld tijdens de zesde of de vijfde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.

  • 7. De artikelen 14a en 14b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14d
  • 1. De geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, doet de betrokkene opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis, indien buiten de inrichting het gevaar niet langer kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden. De geneesheer-directeur kan de betrokkene doen opnemen, wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft of op verzoek van de betrokkene. De opneming geschiedt niet dan nadat de geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, de betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord en niet dan nadat hij betrokkene kort tevoren heeft onderzocht of doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was. Deze psychiater verschaft aan de behandelaar een schriftelijke verklaring ter zake van zijn instemming.

  • 2. De opneming geschiedt voor ten hoogste de termijn van de resterende geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, welke van de beslissing van de geneesheer-directeur af geldt als voorlopige machtiging. De geneesheer-directeur stelt de betrokkene uiterlijk vier dagen na zijn beslissing tot opneming daarvan schriftelijk in kennis onder mededeling van de redenen van de beslissing. Een afschrift van de mededeling wordt gezonden aan de officier van justitie bij de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend.

  • 3. De personen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kunnen de geneesheer-directeur verzoeken toepassing te geven aan het eerste lid.

  • 4. De geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis doet van de opneming mededeling aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend.

  • 5. De artikelen 10, tweede lid, en 12, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14e
  • 1. Met betrekking tot de beslissing van de geneesheer-directeur tot opneming staat voor de betrokkene en voor ieder van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde personen de mogelijkheid open de officier van justitie te verzoeken de beslissing van de rechter te vorderen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan; bij het verzoek wordt gevoegd een afschrift van de beslissing van de geneesheer-directeur. Artikel 49, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De inspecteur geeft desgevraagd of eigener beweging aan de officier van justitie schriftelijk zijn oordeel over de beslissing van de geneesheer-directeur.

  • 3. De officier van justitie vordert na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende stukken zo spoedig mogelijk de beslissing van de rechter. Aan de verzoeker wordt schriftelijk medegedeeld dat de vordering is ingesteld.

  • 4. Artikel 49, zevende en negende lid, is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het voorschrift dat het verzoek wordt behandeld door de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank.

Artikel 14f

Artikel 14d, eerste lid, vindt geen toepassing indien:

a. de in artikel 14g, eerste lid, bedoelde verklaring, al dan niet na toepassing van artikel 14g, vierde lid, is verschaft;

b. de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een vordering is ingesteld tot het verlenen van een aansluitende machtiging, zolang niet op die vordering afwijzend is beschikt en zolang de termijn voor het geven van de beschikking niet is verstreken;

c. ten aanzien van betrokkene een inbewaringstelling is gelast.

Artikel 14g
  • 1. De behandelaar verschaft aan de betrokkene, indien deze niet langer in zijn geestvermogens is gestoord of gevaarlijk is, in het geval, bedoeld in artikel 14f, onderdeel b, of indien de rechter na toepassing van artikel 14g, vierde lid, zulks heeft bevolen, een schriftelijke verklaring ter zake. Artikel 45, eerste lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De betrokkene, ieder van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde personen alsmede de inspecteur en de officier van justitie in wier ambtsgebied de woonplaats van de betrokkene is gelegen, kunnen aan de behandelaar verzoeken een verklaring als bedoeld in het eerste lid, te verschaffen.

  • 3. De beslissing op het verzoek wordt aan de inspecteur medegedeeld. Voor de toepassing van het vierde lid wordt met een afwijzende beslissing van de behandelaar gelijkgesteld het niet beslissen binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

  • 4. In geval van een afwijzende beslissing kan degene die de beslissing heeft verkregen, de officier van justitie verzoeken de beslissing van de rechter te vorderen. Artikel 14e, eerste lid, tweede volzin, en tweede tot en met vierde lid, en artikel 49, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 1b. Observatiemachtiging

Artikel 14h
  • 1. De rechter kan op vordering van de officier van justitie een observatiemachtiging verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven, indien het ernstig vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken. Artikel 2, tweede lid, onder b, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De observatiemachtiging strekt ertoe te onderzoeken of:

    a. een stoornis van de geestvermogens aanwezig is en

    b. de stoornis betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken.

  • 3. De observatiemachtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie weken na de dag waarop de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, onverminderd de artikelen 48 en 49.

  • 4. Op de observatiemachtiging zijn de artikelen 4 tot en met 7, eerstelid, 8, 9, eerste lid, eerste volzin, tweede tot en met vijfde lid, 10, eerste tot en met derde lid, en 11 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uit de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 5, moet blijken dat een geval als bedoeld in het eerste lid zich voordoet.

  • 5. De observatiemachtiging schort op indien ten aanzien van betrokkene een inbewaringstelling is gelast.

Artikel 14i
  • 1. Zolang de geldigheidsduur van de observatiemachtiging nog niet is geëindigd, kan de officier van justitie vorderen dat een aansluitende machtiging als bedoeld in het vijfde lid wordt verleend. De officier van justitie neemt onverwijld een beslissing over het instellen van een vordering tot het verlenen van een aansluitende machtiging, indien uit het onderzoek blijkt dat een stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken.

  • 2. De griffier dient de ontvangst van de vordering terstond mee te delen aan de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene krachtens de observatiemachtiging is opgenomen.

  • 3. De rechter beslist binnen twee weken na het instellen van de vordering. In afwachting van de beslissing van de rechter wordt het gedwongen verblijf met ten hoogste twee weken na het instellen van de vordering voortgezet.

  • 4. Indien de officier van justitie beslist om geen vordering als bedoeld in het eerste lid in te stellen, doet hij daarvan terstond mededeling aan de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene krachtens de observatiemachtiging is opgenomen.

  • 5. De machtiging die volgt op een observatiemachtiging, is een machtiging als bedoeld in artikel 2, een machtiging als bedoeld in artikel 14a, dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 32.

E

In artikel 17 wordt het tweede lid vervangen door:

  • 2. De rechter beslist binnen vier weken na het instellen van de vordering. De artikelen 8, 8a, 9, tweede tot en met vijfde lid, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing.

F

In artikel 20, tweede lid, onderdeel c, wordt na «paragraaf 1» ingevoegd: of paragraaf 1b.

G

In artikel 31 wordt «8 tot en met 13 en 16» vervangen door: 8 tot en met 13, 14a tot en met 14c en 16.

H

Artikel 33, zevende lid, wordt vervangen door:

  • 7. Met betrekking tot de behandeling van de vordering door de rechter zijn de artikelen 8, 8a en 11 tot en met 14, van overeenkomstige toepassing.

I

In hoofdstuk III wordt voor artikel 36 een artikel 35a ingevoegd, luidende:

Artikel 35a

De artikelen 38, vijfde lid, derde en vierde volzin, 39 en 40 zijn niet van toepassing op personen die krachtens een observatiemachtiging zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

J

In artikel 38, vijfde lid, derde volzin, vervalt het woord: ernstig.

K

Artikel 45, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Aan het verlof kunnen voorwaarden betreffende de behandeling of het gedrag van de patiënt, voorzover dit gedrag het gevaar voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt, worden verbonden. De voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken. De geneesheer-directeur verleent slechts verlof indien de patiënt zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden.

L

In artikel 46, tweede lid, wordt de zinsnede die begint met «het bepaalde in artikel 49» en eindigt met »de meervoudige kamer» vervangen door: artikel 14e, derde en vierde lid.

M

In artikel 47, tweede lid, eerste volzin, wordt «derde lid, laatste volzin» vervangen door: derde lid.

N

Artikel 48, eerste lid, onder b, subonderdeel 1, komt te luiden:

1°. zodra op een vordering is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf;.

O

Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis verzoeken» vervangen door: het voorwaardelijk ontslag of het ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis verzoeken.

2. In het tweede lid wordt «van artikel 48» vervangen door: van artikel 47, onderscheidenlijk artikel 48.

3. Onder vernummering van het tiende lid tot het elfde lid wordt een nieuw tiende lid ingevoegd, luidende:

  • 10. Indien een beschikking tot ontslag onder voorwaarden wordt genomen, is artikel 45, eerste lid, tweede volzin, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. In het elfde lid, eerste volzin, wordt «ontslag» vervangen door: ontslag onder voorwaarden dan wel ontslag.

5. In het elfde lid, tweede volzin, wordt «negende lid is» vervangen door: negende en tiende lid zijn.

P

Artikel 53, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen c tot en met h worden geletterd: d tot en met i.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. een afschrift van een beslissing van de geneesheer-directeur en een afschrift van een verklaring als bedoeld in artikel 14d, eerste lid, alsmede een afschrift van de rechterlijke beschikking, houdende een voorwaardelijke machtiging;.

Q

Na artikel 58 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 58a

De behandelaar doet aan de inspecteur en aan de officier van justitie in wier ambtsgebied de woonplaats van de betrokkene is gelegen, zo spoedig mogelijk mededeling van de naam van degene aan wie hij een verklaring als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, heeft verschaft.

R

Aan artikel 66, eerste lid, wordt aan het slot voor de punt een zinsnede ingevoegd, luidende: en van de beslissingen, genomen krachtens artikel 14d, eerste lid.

S

In artikel 70, eerste lid, wordt na het tweede gedachtenstreepje ingevoegd:

– geen gevolg geeft aan een beschikking van de rechter, houdende een bevel tot het verschaffen van een verklaring als bedoeld in artikel 14g, eerste lid;.

ARTIKEL II

Indien de wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 180) in werking is getreden, wordt in artikel I, onderdeel D, van deze wet in artikel 14b, tweede lid, «56, eerste lid, onderdelen a tot en met c, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid,» vervangen door: 56, eerste lid, onderdelen a tot en met c, tweede lid, onderdelen b en c, derde en vijfde lid,.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 juni 2001 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Kamerstukken II 2001/02, 27 824)2 tot wet is verheven en in werking treedt voordat of op hetzelfde tijdstip als deze wet in werking treedt, wordt deze wet gewijzigd als volgt:

1. In artikel I, onderdeel B, wordt «de gevorderde» in het nieuw ingevoegde artikel 8a vervangen door: de verzochte.

2. Artikel I, onderdeel D, wordt gewijzigd als volgt:

a. In artikel 14a, eerste lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

b. In artikel 14a, vierde lid, eerste volzin, wordt «een verzoek» vervangen door: een verzoek als bedoeld in artikel 4.

c. In artikel 14b, derde lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

d. In artikel 14b, derde lid, tweede volzin, wordt «Het verzoek» vervangen door: Het verzoek van de betrokkene of de behandelaar.

e. In artikel 14b, vierde lid, wordt «vordert» vervangen door: verzoekt.

f. In artikel 14b, vijfde lid, eerste volzin, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

g. In artikel 14c, tweede lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

h. In artikel 14c, vierde lid, wordt «een vordering in te stellen» vervangen door: een verzoek te doen.

i. In artikel 14c, vijfde lid, eerste volzin, wordt «de vordering» vervangen door: het verzoek van de officier van justitie.

j. In artikel 14c, zesde lid, wordt «De vordering» vervangen door «Het verzoekschrift van de officier van justitie» en wordt «ingesteld» vervangen door: ingediend.

k. In artikel 14e, eerste lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

l. In artikel 14e, eerste lid, tweede volzin, wordt «Het verzoek» vervangen door: Het verzoek van een van deze personen.

m. In artikel 14e, derde lid, eerste volzin, wordt «vordert» vervangen door «verzoekt» en wordt «het verzoek» vervangen door: het verzoek van een van deze personen.

n. In artikel 14e, derde lid, tweede volzin, wordt «de vordering is ingesteld» vervangen door: het verzoekschrift is ingediend.

o. In artikel 14f, onder b, wordt «een vordering is ingesteld» vervangen door «een verzoekschrift is ingediend» en wordt «die vordering» vervangen door: dat verzoekschrift.

p. In artikel 14g, vierde lid, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

q. In artikel 14h, eerste lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

r. In artikel 14i, eerste lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

s. In artikel 14i, eerste lid, tweede volzin, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

t. In artikel 14i, tweede lid, wordt «de vordering» vervangen door: het verzoekschrift.

u. In artikel 14i, derde lid, wordt «het instellen van de vordering» telkens vervangen door: het indienen van het verzoekschrift.

v. In artikel 14i, vierde lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

3. In artikel I, onderdeel E, wordt met betrekking tot de vervanging van artikel 17, tweede lid, «het instellen van de vordering» vervangen door: het indienen van het verzoekschrift.

4. In artikel I, onderdeel H, wordt met betrekking tot de wijziging van artikel 33, zevende lid, «de vordering» vervangen door: het verzoekschrift.

5. Artikel I, onderdeel N, komt te luiden:

N

Artikel 48, eerste lid, onder b, subonderdeel 1, komt te luiden:

1°. zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 juni 2001 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Kamerstukken II 2001/02, 27 824) tot wet wordt verheven en in werking treedt nadat deze wet in werking treedt, wordt op het tijdstip waarop de eerstgenoemde wet in werking treedt, de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen gewijzigd als volgt:

A

In artikel 8a wordt «de gevorderde» vervangen door: de verzochte.

B

Artikel 14a wordt gewijzigd als volgt:

1. In artikel 14a, eerste lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

2. In het vierde lid, eerste volzin, wordt «een verzoek» vervangen door: een verzoek als bedoeld in artikel 4.

C

Artikel 14b wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

2. In het derde lid, tweede volzin, wordt «Het verzoek» vervangen door: Het verzoek van de betrokkene of de behandelaar.

3. In het vierde lid wordt «vordert» vervangen door: verzoekt.

4. In het vijfde lid, eerste volzin, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

D

Artikel 14c wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

2. In het vierde lid wordt «een vordering in te stellen» vervangen door: een verzoek te doen.

3. In het vijfde lid, eerste volzin, wordt «de vordering» vervangen door: het verzoek van de officier van justitie.

4. In het zesde lid wordt «De vordering» vervangen door «Het verzoekschrift van de officier van justitie» en wordt «ingesteld» vervangen door: ingediend.

E

Artikel 14e wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

2. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «Het verzoek» vervangen door: Het verzoek van een van deze personen.

3. In het derde lid, eerste volzin, wordt «vordert» vervangen door «verzoekt» en wordt «verzoek» vervangen door: het verzoek van een van deze personen.

4. In het derde lid, tweede volzin, wordt «de vordering is ingesteld» vervangen door: het verzoekschrift is ingediend.

F

In artikel 14f, onder b, wordt «een vordering is ingesteld» vervangen door «een verzoekschrift is ingediend» en wordt «die vordering» vervangen door: dat verzoekschrift.

G

In artikel 14g, vierde lid, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

H

In artikel 14h, eerste lid, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

I

Artikel 14i wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «vorderen» vervangen door: verzoeken.

2. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

3. In het tweede lid wordt «de vordering» vervangen door: het verzoekschrift.

4. In het derde lid wordt «het instellen van de vordering» telkens vervangen door: het indienen van het verzoekschrift.

5. In het vierde lid wordt «vordering» vervangen door: verzoek.

J

In artikel 17, tweede lid, wordt «het instellen van de vordering» vervangen door: het indienen van het verzoekschrift.

K

In artikel 33, zevende lid, wordt «de vordering» vervangen door: het verzoekschrift.

L

Artikel 48, eerste lid, onder b, subonderdeel 1, komt te luiden:

1°. zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf.

ARTIKEL V

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht3, onderdeel H, onder 1, wordt «De artikelen 20, eerste lid, 38, 39 en 40» vervangen door: De artikelen 14d, eerste lid, 14g, eerste lid, 20, eerste lid, 38, 39 en 40.

ARTIKEL VI

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie twee jaar na de inwerkingtreding van paragraaf 1b van hoofdstuk II van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze paragraaf in de praktijk.

ARTIKEL VII

Paragraaf 1b van hoofdstuk II van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, zoals deze bij deze wet is ingevoerd, vervalt een jaar na het uitbrengen van het in artikel VI bedoelde verslag, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald.

ARTIKEL VIII

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 13 juli 2002

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de twintigste augustus 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1992, 671, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

XNoot
2

Stb. 2001, 580.

XNoot
3

Stb. 1994, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2002, Stb. 374.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 27 289.

Handelingen I 2000/2001, blz. 6144–6185; 6209–6277; 2001/2002, blz. 2866–2887; 3358–3368; 3493–3496.

Kamerstukken I 2001/2002, 27 289 (239, 239a, 239b, 239c, 239d, 239e, 239f).

Handelingen I 2001/2002, blz. 1651–1661; 1705–1714; 1715–1717.