Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2002
Nr. 427

Gepubliceerd op 22 augustus 2002



Beschikking van de Minister van Justitie van 16 augustus 2002, houdende plaatsing in het Staatsblad van de vernummerde tekst van de wet van 18 april 2002, Stb. 228 tot vaststelling van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte

De Minister van Justitie,

Gelet op Artikel I, vierde en vijfde lid van Hoofdstuk VI van de wet van 18 april 2002, Stb. 230;

Besluit:

de vernummerde tekst van de wet van 18 april 2002, Stb. 228 tot vaststelling van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte, in het Staatsblad wordt geplaatst als bijlage bij deze beschikking.

's-Gravenhage, 16 augustus 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de tweeëntwintigste augustus 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

ARTIKEL I

In Boek 4, vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969, Stb. 392, laatstelijk gewijzigd bij de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte, en de Wet tot vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2 komt te luiden:

  • 2. Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens met voorrang voldaan:

    1°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;

    2°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder f;

    3°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder g.

    Ontbreken schulden als bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c, en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1 onder d, e en g, met voorrang voldaan.

b. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

  • 3. In de nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een verplichting tot overdracht van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld.

B

Aan artikel 8 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onder stiefkind van de erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater, van welk kind de erflater niet zelf ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is geëindigd.

C

Artikel 11 leden 2 en 3 komen te te luiden:

  • 2. In afwijking van lid 1 is het erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zuster of een ouder.

  • 3. Wanneer het erfdeel van een ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd tot een kwart en worden de erfdelen van de overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 3 onder a komt te luiden:

a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;.

b. Onder vernummering van lid 5 tot lid 6 wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Is de vordering, bedoeld in lid 3, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.

E

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan lid 1 wordt een zin toegevoegd, luidende:

In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot.

b. Lid 2 komt te luiden:

  • 2. Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot.

c. Lid 3 komt te luiden:

  • 3. Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden.

d. Na lid 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De uit lid 1, tweede zin, voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd artikel 184 lid 2.

F

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 3 komt te luiden:

  • 3. Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met 233 van overeenkomstige toepassing.

b. In lid 4 wordt het woord «verdeling» vervangen door: vaststelling.

G

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 2, tweede zin, vervalt de komma na «bepalen».

b. In lid 3 worden in de eerste zin de woorden «de artikelen 673–676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» vervangen door: de artikelen 673 tot en met 676 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

H

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 1 wordt na de woorden «de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering» ingevoegd: en de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.

b. Aan lid 1 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

Een betaling wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald.

c. Lid 2 komt te luiden:

  • 2. Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot voldoening dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25 lid 3.

I

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

Lid 3, derde zin, komt te luiden:

Is de echtgenoot in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator, door de bewindvoerder, onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de bewindvoerder.

J

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a. De tweede zin van lid 3 komt te luiden:

Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 13 en lid 1 van artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van het ontstaan van de vordering.

b. Lid 6 komt te luiden:

  • 6. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden van de nalatenschap of schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren. In geval van zodanige uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van toepassing.

K

Na artikel 23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 24
  • 1. De in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste zin heeft de in de artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht geen betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen.

  • 2. De in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft mede goederen die in de plaats zijn gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1, eerste zin. Indien een goed is verkregen met middelen die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de eerste zin bedoelde verplichting. Is een goed mede met middelen uit een lening verkregen, dan blijven deze middelen voor de toepassing van de tweede zin buiten beschouwing.

  • 3. Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te zijn gekomen.

L

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1 vervalt. De leden 2 tot en met 7 worden vernummerd tot de leden 1 tot en met 6.

b. De eerste zin van lid 1 (nieuw) komt te luiden: De waarde van de over te dragen goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging, tenzij door de erflater of bij de overdracht anders is bepaald.

c. In lid 3 (nieuw), tweede zin, wordt na «over» en na «doen» een komma geplaatst.

d. De tweede zin van lid 4 (nieuw) vervalt.

M

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

Lid 2, derde zin, komt te luiden:

Is het kind in staat van faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan rust de verplichting op de curator, op de bewindvoerder, onderscheidenlijk op het kind met medewerking van de bewindvoerder.

N

In artikel 28 lid 2 wordt de zinsnede «die tot de nalatenschap behoren» vervangen door: die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren.

O

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan lid 1 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

De eerste zin geldt niet voor zover de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 33 lid 2, onder a, heeft toegepast.

b. In lid 2 worden de woorden «artikel 7 onder a-f» vervangen door: artikel 7 lid 1 onder a tot en met f.

P

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan lid 2 worden vier zinnen toegevoegd, luidende:

Voorts is lid 1 mede van toepassing op een geldvordering als bedoeld in artikel 13 lid 3, indien de erflater bij uiterste wilsbeschikking de gronden voor opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld in de tweede zin eindigt in elk geval indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. In het laatstbedoelde geval herleeft door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik op de vordering, voorzover deze onvoldaan is gebleven. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.

b. Aan lid 3 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

Onder goederen als bedoeld in de eerste zin worden mede begrepen ingevolge een legaat of een testamentaire last verkregen geldsommen en beperkte rechten op goederen van de nalatenschap.

Q

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1 komt te luiden:

  • 1. Op het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f. De uitwinning is echter niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap aanwijst die voldoende verhaal bieden.

b. Toegevoegd wordt een vierde lid, luidende:

  • 4. Heeft de erflater bij uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in afwijking van lid 2, de mogelijkheid om ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door verloop van drie maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. In dat geval verjaart de rechtsvordering tot vestiging van het vruchtgebruik door verloop van een jaar en drie maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt.

R

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32

De echtgenoot kan geen aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan worden aangerekend.

S

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2 komt te luiden:

  • 2. De kantonrechter kan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft:

    a. op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen, of

    b. op verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen.

b. In lid 3 wordt het woord «hoofdgerechtigden» vervangen door: rechthebbenden.

c. Na lid 3 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Een rechthebbende kan te allen tijde, ter afwering van een vordering of andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming van een verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor opheffing van die verplichting.

  • 5. De kantonrechter houdt bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening met:

    a. de leeftijd van de echtgenoot;

    b. de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort;

    c. de mogelijkheden van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;

    d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.

T

Na artikel 33 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 34
  • 1. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige toepassing van artikel 89, leden 2 en 3, en artikel 90, leden 1 en 3. De artikelen 66, 68 en 69 zijn van overeenkomstige toepassing. Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich verhalen op hetgeen een legitimaris door inkorting heeft verkregen.

  • 2. De echtgenoot verkrijgt door uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid 1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Zo nodig kan het vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over alle goederen der nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften kunnen worden ingekort.

  • 4. Geschillen over de toepassing van het onderhavige artikel en de artikelen 35 tot en met 37 worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door de kantonrechter.

U

Artikel 35 lid 1 komt te luiden:

  • 1. Een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor:

    a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor:

    b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren.

V

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2, tweede zin, vervalt.

b. In lid 4 wordt «a-e» vervangen door: a tot en met e.

c. In lid 5 wordt de zinsnede «artikel 87 lid 2, aanhef en onder a» vervangen door: artikel 87 lid 2, tweede zin.

W

Artikel 4.2A.2.8a vervalt.

X

Artikel 38 lid 4 komt te luiden:

  • 4. Het recht om een verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.

Y

In artikel 39 worden de woorden «de artikelen 29–36 en 38» vervangen door: de artikelen 29 tot en met 33, 35, 36 en 38.

Z

In artikel 44 lid 1 vervalt de komma na «wilsbeschikking».

AA

In artikel 56 lid 2 wordt «een afstammeling van zijn vader of moeder» vervangen door: een afstammeling van een ouder van de erflater.

BB

Artikel 64 lid 3 vervalt.

CC

In artikel 65, eerste zin, wordt de zinsnede «de in artikel 7 onder a-c en f vermelde schulden» vervangen door: de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.

DD

Aan artikel 74 lid 1 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

Met een beroep of bedrijf van de erflater wordt gelijkgesteld een onderneming, gedreven door een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield.

EE

Artikel 75 lid 4 komt te luiden:

  • 4. Staan goederen onder bewind waarvan de waarde krachtens artikel 70 in mindering van de legitieme komt en vermeldt de akte waarbij het bewind is ingesteld een grond als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing. Vermeldt de akte niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de legitimaris aanspraak maken op ontvangst van zijn legitieme in geld op de wijze als voorzien in lid 3, met dien verstande dat de aldaar bedoelde verklaring binnen drie maanden na het overlijden van de erflater moet worden afgelegd.

FF

In artikel 76 wordt «de artikelen 70–75» vervangen door: de artikelen 70 tot en met 75.

GG

Artikel 77, tweede zin, vervalt.

HH

In paragraaf 3 van afdeling 3 van titel 4 wordt voor artikel 80 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 79

Terzake van zijn legitieme portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen:

a. op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel

b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in artikel 89.

II

In artikel 80 lid 2 worden de woorden «in artikel 7» vervangen door: in artikel 7 lid 1.

JJ

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2 onder a komt te luiden:

a. de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;.

b. Aan lid 2 wordt een zin toegevoegd, luidende:

Voorzover de vordering ten laste komt van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit lid 1.

c. Aan lid 3 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

Bij de toepassing van de eerste zin blijft artikel 31 lid 4, eerste zin, buiten beschouwing.

d. Lid 4, tweede zin, komt te luiden:

In geval van faillissement van de echtgenoot of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen wordt de vordering opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden.

e. Lid 6 komt te luiden:

  • 6. Is de vordering, bedoeld in artikel 80 lid 1, opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.

KK

Artikel 82, eerste zin, komt te luiden:

Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens overlijden.

LL

Na artikel 82 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 83

Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris, voorzover deze ten laste zou komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede zin, bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn in de artikelen 81 lid 2 en 82.

MM

In artikel 85 lid 1 wordt de zinsnede «en uiterlijk vijf jaren nadat hij de in artikel 80 lid 1 bedoelde vordering geheel of ten dele had kunnen opeisen» vervangen door: en uiterlijk vijf jaar na het overlijden van de erflater.

NN

Artikel 87 komt te luiden:

Artikel 87
  • 1. De voldoening van de schulden aan de legitimarissen komt als eerste ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen of legaten heeft beschikt. Erft een afstammeling van een onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan wordt voor de vordering van die legitimaris als eerste het aan de afstammeling toekomende gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.

  • 2. Indien inkorting overeenkomstig lid 1 onvoldoende is, worden de makingen ingekort. Tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen en legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking, met dien verstande dat voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking komt.

  • 3. Het gedeelte van de nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven gaat, kan in afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste worden ingekort. De inkorting van dat gedeelte geschiedt alsdan, met vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat beide legitimarissen een zelfde evenredig deel van hun legitieme porties verkrijgen.

  • 4. Inkorting van een legaat geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de erflater. Artikel 120 lid 4, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Voor zover de schuld aan een legitimaris ten laste komt van het erfdeel van de echtgenoot of andere levensgezel van de erflater en haar voldoening eerst kan worden verlangd op een met toepassing van artikel 81 lid 2, 82 of 83 vast te stellen tijdstip, is de echtgenoot of andere levensgezel daarvoor met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de nalatenschap beneficiair had aanvaard.

  • 6. Voor zover de schuld aan een legitimaris ten laste komt van een aan de echtgenoot of andere levensgezel gemaakt legaat waaraan een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde voorwaarde, door voldoening van het legaat en een verklaring overeenkomstig lid 4 op de echtgenoot of andere levensgezel te rusten.

  • 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat.

OO

Na artikel 87 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 88

Voor zover de vordering van de legitimaris ingevolge artikel 81 lid 2 of een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 niet opeisbaar is, is de echtgenoot of de andere levensgezel, bedoeld in artikel 82, op verzoek van de legitimaris verplicht tot voldoening voor hem van de belasting, geheven ter zake van de verkrijging van zijn vordering. De vordering van de legitimaris wordt verminderd met het ingevolge de eerste zin voor de legitimaris voldane bedrag.

PP

Artikel 89 lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste zin wordt de zinsnede «hetgeen een legitimaris op grond van het vorige artikel kan verkrijgen» vervangen door: hetgeen een legitimaris op grond van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde vordering kan verkrijgen.

b. De tweede zin wordt vervangen door twee zinnen, luidende:

Bij de bepaling van de vordering, bedoeld in de eerste zin, wordt rekening gehouden met een eventuele vermindering ingevolge de artikelen 80 lid 2 en artikel 87 lid 3. Buiten beschouwing blijven de verhoging, bedoeld in artikel 84, alsmede het deel van de vordering dat ingevolge artikel 85 lid 2 is vervallen.

QQ

Na artikel 90 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 91
  • 1. Indien de erflater makingen of giften heeft gedaan aan een stiefkind, wordt in afwijking van de artikelen 80 tot en met 89 op die makingen en giften niet ingekort, behoudens voorzover de waarde daarvan hoger is dan twee maal hetgeen de legitieme portie van een kind van de erflater had belopen, indien de door de erflater aldus bevoordeelde stiefkinderen diens eigen kinderen waren geweest. De in de eerste zin bedoelde waarde wordt vermeerderd met de waarde van hetgeen alsdan overeenkomstig artikel 70 lid 3 met een gift gelijkgesteld zou worden.

  • 2. Voorzover voor de in artikel 80 bedoelde vordering van de legitimaris in verband met lid 1 niet overeenkomstig artikel 87 kan worden ingekort, wordt deze verminderd.

  • 3. De erflater kan bij een gift aan een stiefkind of bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat lid 1 geheel of ten dele buiten toepassing blijft.

RR

Artikel 92 lid 2 komt te luiden:

  • 2. In het geval van faillissement van de legitimaris of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen kunnen zijn bevoegdheden worden uitgeoefend door de curator in het faillissement onderscheidenlijk de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling.

SS

Artikel 97 komt te luiden:

Artikel 97

Bij een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot:

a. het maken van legaten van:

1°. kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden;

2°. bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken;

b. bepaling dat goederen, bedoeld onder a, buiten een huwelijksgemeenschap vallen;

c. aanwijzing van een persoon als bedoeld in artikel 25, tweede en vierde lid, van de Auteurswet 1912 en artikel 5, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten.

TT

Artikel 102 komt te luiden:

Artikel 102

Op plaatsen waar voor de erflater het normale verkeer met een notaris of bevoegde consulaire ambtenaar verboden of verbroken is als gevolg van rampen, gevechtshandelingen, besmettelijke ziekten of andere buitengewone omstandigheden, kan hij een uiterste wil maken ten overstaan van een Nederlandse consulaire ambtenaar, ook indien deze niet krachtens de gewone regelen bevoegd is, of de burgemeester, de secretaris of een wethouder der gemeente, een kandidaat-notaris, een advocaat, een procureur, een officier van de krijgsmacht of van een noodwacht of noodwachtstaf, of een daartoe door de minister van justitie bevoegd verklaarde ambtenaar.

UU

In artikel 106 worden de woorden «Centraal Testamenten-register» vervangen door: testamentenregister.

VV

In artikel 120 lid 4, eerste zin, worden de woorden «een verklaring aan de legataris» vervangen door: een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de erflater.

WW

In artikel 127 wordt na de eerste zin een zin ingevoegd, luidende:

Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is de in de eerste zin bedoelde vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot van de erflater.

XX

Aan artikel 133 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Artikel 140 lid 1 is van overeenkomstige toepassing.

YY

In artikel 134 komt onderdeel b van lid 1 te luiden als volgt:

b. op grond dat de last door inkorting of vermindering van de last, of van de making waaraan hij is verbonden, bezwaarlijk of onmogelijk uitvoerbaar is geworden;.

ZZ

Artikel 143 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1, derde zin, vervalt.

b. In lid 2 worden de woorden «zij die in staat van faillissement verkeren» vervangen door: zij die in staat van faillissement verkeren of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.

AAA

Artikel 147 lid 2, tweede zin, vervalt.

BBB

Artikel 149 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1 onder c komt te luiden:

c. door zijn dood, het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen;.

b. Lid 2, derde zin, vervalt.

c. In lid 4, eerste zin, wordt het gedeelte vanaf de puntkomma vervangen door: eindigt de hoedanigheid van executeur door het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die gevallen optredende bewindvoerder.

CCC

In artikel 150 lid 2, onder b, vervalt de laatste zin.

DDD

In artikel 153 lid 1 worden de woorden «uiterste wil» vervangen door: uiterste wilsbeschikking.

EEE

Artikel 157 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 2 worden de woorden «zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in Titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, zij die in staat van faillissement verkeren of aan wie surséance van betaling is verleend» vervangen door: zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, zij die in staat van faillissement verkeren of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.

b. In lid 4 wordt vervalt de zinsnede «; tegen een zodanige benoeming is geen hogere voorziening toegelaten».

FFF

Artikel 160 lid 2 komt te luiden:

  • 2. Tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald, moet de bewindvoerder het bewind en zijn benoeming doen inschrijven:

    a. in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, indien het bewind betrekking heeft op registergoederen;

    b. in het register van aandeelhouders, bedoeld in de artikelen 85 en 194 van Boek 2, indien het bewind betrekking heeft op aandelen op naam in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;

    c. in het handelsregister indien het bewind betrekking heeft op een onderneming of een aandeel in een vennootschap.

GGG

Artikel 161 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 1, eerste zin, vervalt de komma na de eerste vermelding van het woord «bewind».

b. In lid 4 wordt de zinsnede «de afdelingen 12 en 13 van titel 15 van Boek 1» vervangen door: de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 van Boek 1.

HHH

Artikel 164 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1 onder c komt te luiden:

c. door zijn dood, het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen;.

b. Lid 2, derde zin, vervalt.

III

In artikel 165 lid 3, eerste zin, wordt het gedeelte vanaf de puntkomma vervangen door: eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die gevallen optredende bewindvoerder.

JJJ

In artikel 169 lid 1, onder c, wordt «f 1500» vervangen door: EUR 700.

KKK

Artikel 173, vierde zin, vervalt.

LLL

Artikel 182 lid 1 komt te luiden:

  • 1. Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De eerste zin geldt niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13 wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater.

MMM

Aan artikel 183 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende:

Is de nalatenschap verdeeld overeenkomstig artikel 13, dan komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid uitsluitend toe aan de echtgenoot van de erflater.

NNN

Artikel 184 lid 2, onder a, komt te luiden:

a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de schuld niet op hem rust en onverminderd de artikelen 14 lid 3 en 87 lid 5;.

OOO

Artikel 185 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2, tweede zin, vervalt.

b. Lid 3, derde zin, vervalt.

PPP

Aan artikel 186 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de openbare boedelregisters, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid door een ander of door anderen dan de griffiers van de rechtbanken worden gehouden. Bij algemene maatregel van bestuur kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking van gegevens ter inschrijving in het openbaar boedelregister door degenen die daartoe bevoegd of die daartoe gehouden zijn, uitsluitend op een in die maatregel aan te geven wijze plaats vindt.

QQQ

Artikel 188 wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef van lid 1 wordt «geschrift» vervangen door: notariële akte.

b. Lid 1, onder b, komt te luiden:

b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de erflater het vruchtgebruik van een of meer tot de nalatenschap behorende goederen krachtens afdeling 2 van titel 3 toekomt, met vermelding of aan hem een machtiging tot vervreemden of bezwaren of een bevoegdheid tot vervreemding en vertering is verleend, alsmede of en tot welk tijdstip de echtgenoot een beroep toekomt op artikel 29 leden 1 en 3;

RRR

Artikel 191 lid 2, tweede zin, vervalt.

SSS

Artikel 192 lid 2, derde zin, vervalt.

TTT

Artikel 193 wordt als volgt gewijzigd:

a. De tweede zin van lid 1 komt te luiden:

Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt.

b. Na de tweede zin van lid 1 wordt een zin toegevoegd, luidende:

Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede zin, worden verlengd.

c. In lid 2, eerste zin, wordt «erfenis» vervangen door: nalatenschap.

d. Na lid 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing in het geval, bedoeld in artikel 41 van de Faillissementswet.

UUU

Artikel 196 wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste zin worden de woorden «Nederlandse Staatscourant» worden vervangen door: Staatscourant.

b. De tweede zin vervalt.

VVV

Artikel 197 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2, eerste zin, komt te luiden:

Op een verzoek, uiterlijk een maand na die kennisgeving gedaan door de meerderheid van de erfgenamen of door een of meer erfgenamen die samen voor meer dan de helft gerechtigd zijn in de nalatenschap, kan de kantonrechter een andere notaris, die daartoe bereid is, als boedelnotaris aanwijzen.

b. Lid 2, derde zin, vervalt.

WWW

Artikel 201 lid 2, tweede zin, vervalt.

XXX

Artikel 202 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 1, onder a vervalt de zinsnede «, tegen wiens beschikkingen geen hogere voorziening is toegelaten».

b. Lid 3 wordt gelezen als volgt:

  • 3. Een nalatenschap die overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, wordt in afwijking van lid 1 onder a slechts vereffend volgens de wet wanneer de echtgenoot van de erflater haar beneficiair heeft aanvaard.

YYY

Artikel 204 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

  • 2. Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is lid 1, onder b en c, van overeenkomstige toepassing op het geheel van de goederen die hebben behoord tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen daarvoor in de plaats is getreden.

ZZZ

Artikel 206 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 5, tweede zin vervalt de zinsnede «; tegen haar beschikking is geen rechtsmiddel toegelaten».

b. Lid 5, derde zin, komt te luiden:

De taak van de vereffenaar eindigt door zijn dood, het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of indien een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen wordt ingesteld.

c. In lid 6, tweede zin worden de woorden «Nederlandse Staatscourant» vervangen door: Staatscourant.

AAAA

Artikel 208 lid 3 vervalt.

BBBB

Artikel 211 lid 4, tweede zin, vervalt.

CCCC

Artikel 213 komt te luiden:

Artikel 213

Is de erflater gehuwd geweest in een gemeenschap van goederen, dan kan de rechtbank op verzoek van de vereffenaar van de nalatenschap een vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap benoemen, in welk geval zij met overeenkomstige toepassing van het in deze afdeling bepaalde wordt vereffend. De eerste zin is niet van toepassing indien de huwelijksgemeenschap reeds voor het overlijden van de erflater was verdeeld.

DDDD

Artikel 215 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 2, derde zin, vervalt.

b. In lid 5 worden de woorden «levensverzekeringen welke niet door zijn overlijden tot uitkering zijn gekomen» vervangen door: sommenverzekeringen zonder onherroepelijk geworden aanwijzing van een derde als begunstigde.

EEEE

Artikel 216 wordt als volgt gewijzigd:

a. De woorden «artikel 7 onder a-g» worden vervangen door: artikel 7 lid 1 onder a tot en met g.

b. Een tweede zin wordt toegevoegd, luidende:

Artikel 122 lid 1 is van overeenkomstige toepassing.

FFFF

Artikel 218 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1, derde zin, vervalt.

b. In lid 4 wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende:

De vordering van een legitimaris wordt, indien zij ingevolge artikel 81 lid 2, een voorwaarde als bedoeld 82 of een beschikking als bedoeld in artikel 83 niet opeisbaar is, niet in de uitdelingslijst opgenomen.

GGGG

Artikel 220 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 3 worden de woorden «artikel 7 onder a-g» vervangen door: artikel 7 lid 1 onder a tot en met g.

b. Na lid 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Wanneer een ingevolge artikel 218 lid 4, derde zin, niet in de uitdelingslijst opgenomen vordering van een legitimaris opeisbaar wordt, kan de legitimaris, onverminderd zijn verhaal overeenkomstig de leden 2 en 3, voor het gedeelte van de schuld aan hem dat overeenkomstig artikel 87 leden 5 en 6 op een erfgenaam of legataris rust, deze erfgenaam of legataris aanspreken.

HHHH

Artikel 221 lid 2, derde zin, vervalt.

IIII

Na artikel 221 wordt een bepaling toegevoegd, luidende:

Artikel 222

Gedurende de vereffening zijn van titel 7 van Boek 3 slechts van toepassing de artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194 lid 2.

JJJJ

Artikel 223 lid 1, tweede zin, komt te luiden: De artikelen 57 tot en met 60 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in de artikelen 58 lid 1, 59a leden 3 en 5 en 60 lid 3 bedoelde bevoegdheden van de rechter-commissaris, zo ter zake van de vereffening geen rechter-commissaris is benoemd, uitgeoefend worden door de kantonrechter.

KKKK

Artikel 226 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 1 wordt aan het slot van de eerste zin voor de punt ingevoegd: , dan wel, indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 is verdeeld, aan de echtgenoot van de erflater.

b. Lid 3, tweede zin, vervalt.

LLLL

In artikel 228 lid 2 worden de woorden «artikel 7 onder f-h» vervangen door: artikel 7 lid 1 onder f tot en met h.

MMMM

Artikel 4.5.4.3 vervalt.

NNNN

Artikel 229 wordt als volgt gewijzigd:

a. Lid 1 komt te luiden:

  • 1. Erfgenamen zijn verplicht ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven.

b. In lid 2 worden de woorden «bij uiterste wil» vervangen door: bij uiterste wilsbeschikking.

OOOO

Aan het slot van de tweede zin van artikel 233 lid 1 wordt toegevoegd: vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen.

ARTIKEL II

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (19 529), tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden of treedt, wordt artikel 215 van Boek 4, zoals vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969, Stb. 392, en laatstelijk gewijzigd bij deze wet, als volgt gewijzigd:

In lid 5 wordt de zinsnede «artikel 21a Faillissementswet» vervangen door: artikel 22a Faillissementswet.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (26 855), tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden of treedt, worden in Boek 4, zoals vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969, Stb. 392, en laatstelijk gewijzigd bij deze wet, de volgende wijzigingen aangebracht:

a. In artikel 134 lid 1 wordt in de aanhef de zinsnede «, of op vordering van het openbaar ministerie» vervangen door: of van het openbaar ministerie.

b. In artikel 149 lid 2, eerste zin, wordt de zinsnede «of een erfgenaam, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve» vervangen door: , een erfgenaam of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

c. In artikel 164 lid 2, eerste zin, wordt «of van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld, dan wel op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve» vervangen door: , van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

d. In artikel 169 lid 1, onder c, wordt «artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» vervangen door: artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

e. In artikel 203 lid 1, onder b, vervallen de woorden «op vordering».

f. In artikel 204 lid 1, onder b, vervallen de woorden «op vordering».

g. Artikel 206 wordt als volgt gewijzigd:

1. In lid 1 vervallen de woorden «of de vordering».

2. In lid 5, eerste zin, wordt de zinsnede «of een schuldeiser van de nalatenschap, dan wel op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve» vervangen door: , een schuldeiser van de nalatenschap of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

ARTIKEL IV

Indien het in artikel III genoemde voorstel van wet tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden of treedt, brengt Onze Minister van Justitie de in onderdeel d van artikel III voorkomende aanhaling van het daargenoemde artikel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in overeenstemming met de nummering, vastgesteld ingevolge artikel VIII, tweede lid, van die wet en wordt het aldus gewijzigde onderdeel d van artikel III in het Staatsblad geplaatst.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL VI

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl