Wet van 27 juni 2002 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met het oog op het optimaal gebruik van de nationale luchthaven Schiphol als kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid en het milieu noodzakelijk zijn, teneinde een duurzame balans te bewaren tussen het gebruik van de luchthaven en de kwaliteit van het leefmilieu, alsmede dat deze grenzen zodanig gesteld moeten worden dat er sprake is van een gelijkwaardige overgang van het huidige naar het nieuwe stelsel;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I (WIJZIGING WET LUCHTVAART)

De Wet luchtvaart1 wordt als volgt gewijzigd.

A

Na hoofdstuk 6 wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd dat luidt:

HOOFDSTUK 8. DE LUCHTHAVEN SCHIPHOL

TITEL 8.1. ALGEMEEN
Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. luchthaven: een samenstel van in elkaars nabijheid gelegen voorzieningen ten behoeve van:

1°. het opstijgen en het landen van luchtvaartuigen en de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de grond;

2°. de afwikkeling van het in onderdeel 1° bedoelde luchtverkeer;

3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkeling van het in onderdeel 1° bedoelde luchtverkeer;

b. luchthavenluchtverkeer: het in onderdeel a, onderdeel 1°, bedoelde luchtverkeer;

c. luchthavenindelingbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.4;

d. luchthavenverkeerbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.15;

e. luchtverkeerweg: een ten behoeve van geleiding van het luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim;

f. exploitant van de luchthaven: de N.V. Luchthaven Schiphol;

g. inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Artikel 8.2

Dit hoofdstuk is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol.

Artikel 8.3

De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit dit hoofdstuk is gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting noodzakelijk zijn.

TITEL 8.2. DE RUIMTELIJKE INDELING VAN EN ROND DE LUCHTHAVEN
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Artikel 8.4

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenindelingbesluit vastgesteld.

Artikel 8.5
  • 1. In het luchthavenindelingbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld.

  • 2. Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor gebruik als luchthaven.

  • 3. Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond.

  • 4. Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.

  • 5. De gebieden worden vastgesteld met behulp van kaarten waarop de ligging van de gebieden is aangegeven. De kaarten voor het luchthavengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000. De kaarten voor het beperkingengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner verhoudingsgetal.

Artikel 8.6

Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.

Artikel 8.7
  • 1. Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

  • 2. Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van:

    a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;

    b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;

    c. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer;

    d. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.

  • 3. Bij de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.

  • 4. Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenindelingbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid en geluidbelasting, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.

Artikel 8.8
  • 1. Bij de vaststelling of de herziening van een bestemmingsplan voor een gebied dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.

  • 2. Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, waarvoor geen bestemmingsplan geldt dat in overeenstemming is met het besluit, geldt het besluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor zover het besluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing.

  • 3. De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het besluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig het besluit vast te stellen of te herzien.

  • 4. Indien een bestemmingsplan niet in overeenstemming is met het besluit, is het gemeentebestuur verplicht aan degenen die inzage verlangen in het bestemmingsplan, tevens inzage te verlenen in het besluit.

Artikel 8.9
  • 1. Bij de toepassing van de artikelen 17, 19 en 46, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en van artikel 50, vierde, vijfde en zesde lid, van de Woningwet, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.

  • 2. In afwijking van de artikelen 46, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en 50, tweede en derde lid, van de Woningwet, duurt de in die artikelen bedoelde aanhouding totdat een bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het besluit in werking is getreden.

  • 3. Bij de toepassing van de artikelen 17, 19 en 46, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en van artikel 50, vierde, vijfde en zesde lid, van de Woningwet kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft.

  • 4. De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het luchthavengebied kan worden geweigerd met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.

  • 5. De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

Artikel 8.10

Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit zijn artikel 23, eerste lid, onder c, en artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing.

Artikel 8.11

Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.

Artikel 8.12
  • 1. Dit artikel is van toepassing op het oprichten of plaatsen van objecten waar geen bouwvergunning of aanlegvergunning voor is vereist.

  • 2. Het is verboden een object op te richten of te plaatsen indien dit in strijd is met een regel in het luchthavenindelingbesluit omtrent de maximale hoogte van objecten.

  • 3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de veiligheid.

  • 4. De ontheffing wordt voor een bepaalde periode verleend. Aan de ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid.

  • 5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt regels omtrent de vergoeding die de aanvrager van een ontheffing verschuldigd is voor de kosten van het verlenen van de ontheffing.

§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
Artikel 8.13

De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschiedt, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 8.14

Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het luchthavenindelingbesluit.

TITEL 8.3. HET LUCHTHAVENLUCHTVERKEER
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Artikel 8.15

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenverkeerbesluit vastgesteld.

Artikel 8.16

Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de luchtverkeerwegen.

Artikel 8.17
  • 1. Het luchthavenverkeerbesluit bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting.

  • 2. Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent:

    a. de gevallen waarin van een luchtverkeerweg gebruik gemaakt wordt;

    b. een op beperking van belasting gerichte wijze van gebruik van het luchtruim in andere gevallen;

    c. de beschikbaarheid van de luchthaven voor het luchthavenluchtverkeer.

  • 3. Het besluit kan regels bevatten omtrent:

    a. de wijze van gebruik van de luchtverkeerwegen;

    b. de tijdstippen waarop, de frequentie waarmee en de categorieën van luchtvaartuigen waarmee van het luchtruim gebruik gemaakt wordt.

  • 4. De regels bevorderen het realiseren van een beschermingsniveau, waarbij de in het besluit beschreven grenswaarden met betrekking tot de door het luchthavenluchtverkeer veroorzaakte belasting ten aanzien van veiligheid, geluid en lokale luchtverontreiniging niet worden overschreden.

  • 5. Het besluit bevat in ieder geval:

    a. de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico;

    b. de grenswaarden voor de geluidbelasting, waarbij in ieder geval punten in of aan de rand van woonbebouwing in de nabijheid van de luchthaven bepaald worden met de grenswaarden die op ieder van die punten van toepassing zijn;

    c. de grenswaarden voor de emissie van de stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken.

  • 6. Het besluit kan ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde onderwerpen, grenzen stellen aan de maatregelen die de inspecteur-generaal op grond van artikel 8.22 kan treffen.

  • 7. Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenverkeerbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.

Artikel 8.18

De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdienstverlening en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt.

Artikel 8.19

De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.20

Luchtverkeersdienstverlening wordt verleend overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de dienstverlening kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.21
  • 1. De gezagvoerder neemt deel aan het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit.

  • 2. De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid op advies van de verlener van luchtverkeersdienstverlening.

  • 3. De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Artikel 8.22
  • 1. Zodra de inspecteur-generaal constateert dat de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.

  • 2. De maatregelen hebben betrekking op de in artikel 8.17, tweede en derde lid, bedoelde onderwerpen en vallen binnen de in artikel 8.17, zesde lid, bedoelde grenzen.

  • 3. De inspecteur-generaal trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.

  • 4. Voordat de inspecteur-generaal een maatregel voorschrijft stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.

  • 5. De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen.

Artikel 8.23
  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:

    a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenverkeerbesluit;

    b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt vervangen door een andere grenswaarde.

  • 2. Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.

  • 3. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

§ 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
Artikel 8.24

De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit.

TITEL 8.4. DE EXPLOITATIE VAN DE LUCHTHAVEN
Artikel 8.25
  • 1. De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten.

  • 3. De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.

TITEL 8.5. INFORMATIEVOORZIENING
§ 8.5.1. Algemeen
Artikel 8.26

Een ministeriële regeling op grond van deze titel wordt vastgesteld door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

§ 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
Artikel 8.27
  • 1. De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn.

  • 2. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.

§ 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
Artikel 8.28
  • 1. De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:

    a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;

    b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.

  • 2. De exploitant, de verlener van luchtverkeersdienstverlening en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.

  • 3. De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van luchtverkeersdienstverlening verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking.

Artikel 8.29
  • 1. De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van:

    a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;

    b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging.

Artikel 8.30
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van gegevens als bedoeld in artikel 8.28.

  • 2. De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving van de gegevens of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien alleen van de zakelijke inhoud kennis wordt gegeven, worden de gegevens tegelijk ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de gegevens ter inzage liggen.

TITEL 8.6. FINANCIËLE ASPECTEN
Artikel 8.31
  • 1. Indien een belanghebbende ten gevolge van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2. Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.32

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.

Artikel 8.33

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte bestemmingsplannen.

TITEL 8.7. DE COMMISSIE REGIONAAL OVERLEG LUCHTHAVEN SCHIPHOL
Artikel 8.34
  • 1. Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol.

  • 2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vertegenwoordigers van:

    a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;

    b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies;

    c. de exploitant van de luchthaven;

    d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening;

    e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik maken.

Artikel 8.35

De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34 bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.

Artikel 8.36

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.

Artikel 8.37
  • 1. De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2. Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt.

  • 3. De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.

Artikel 8.38

De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 8.39

De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld.

Artikel 8.40

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

B

Het opschrift van hoofdstuk 11 komt te luiden: Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving

C

Na het opschrift van hoofdstuk 11 wordt een opschrift ingevoegd dat luidt: Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving

D

Na artikel 11.14 wordt een nieuwe titel ingevoegd die luidt:

TITEL 11.2. BESTUURSRECHTELIJKE HANDHAVING

Artikel 11.15

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 11.16
  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:

    a. artikel 8.12, 8.19, 8.20 of 8.21 of van een beperking of voorschrift als bedoeld in artikel 8.23;

    b. een maatregel als bedoeld in artikel 8.22.

  • 2. Een boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd.

  • 3. De boete bedraagt ten hoogste:

    a. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

    b. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 4. Een boete wordt niet opgelegd indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.

  • 5. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete wordt in ieder geval rekening gehouden met de ernst en de duur van de overtreding en zo nodig met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

  • 6. De bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt vijf jaren na het plegen van de overtreding. Indien tegen de boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 11.17
  • 1. De boete wordt opgelegd aan degene aan wie de overtreding kan worden toegerekend. Geen boete wordt opgelegd indien aan de betrokkene wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.

  • 2. De overtreding wordt toegerekend aan de rechtspersoon waarbij de pleger van de overtreding in dienst is, indien de overtreding plaatsvindt tijdens de uitoefening van zijn dienst.

  • 3. In andere gevallen wordt de overtreding toegerekend aan degene die de overtreding pleegt.

Artikel 11.18
  • 1. Van de overtreding wordt een rapport opgemaakt. Het rapport vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

  • 2. De overtreder wordt in de gelegenheid gesteld over het voornemen tot het opleggen van een boete zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij de uitnodiging daartoe wordt de overtreder het rapport toegezonden of uitgereikt.

  • 3. Degene die aan een handeling vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd, is niet langer verplicht ten behoeve van deze oplegging inlichtingen omtrent de overtreding te verstrekken. Hij wordt hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd inlichtingen te verstrekken en in ieder geval wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot oplegging van de boete zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 4. Aan degene die van de overtreding een rapport heeft opgemaakt, wordt geen mandaat verleend tot het opleggen van de boete.

Artikel 11.19
  • 1. De boete wordt opgelegd bij beschikking. De beschikking vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en het bedrag van de boete.

  • 2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen twaalf weken vanaf de dag waarop de boetebeschikking is bekendgemaakt.

  • 3. De boete en de rente zijn verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.

  • 4. De boete en de rente worden betaald binnen zes weken nadat zij verschuldigd zijn geworden.

  • 5. Indien niet is betaald binnen de in het vierde lid genoemde termijn, wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, de rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.

Artikel 11.20
  • 1. Bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 11.19, vijfde lid, kan van de overtreder de boete, de rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel worden ingevorderd.

  • 2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat.

  • 4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

ARTIKEL II (WIJZIGING LUCHTVAARTWET)

De Luchtvaartwet2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 77, eerste lid, wordt na «artikel 26d» ingevoegd: en de kosten van de uitvoering van titel 8.6 van de Wet luchtvaart.

B

Na artikel 80 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:

Artikel 80a

  • 1. Hoofdstuk IV van deze wet, met uitzondering van de artikelen 36 en 37 en van de afdelingen 3A en 5, is niet van toepassing op de luchthaven Schiphol.

  • 2. Bij toepassing van deze wet op de luchthaven Schiphol moet onder «luchtvaartterrein» en «exploitant van het luchtvaartterrein» verstaan worden: luchthavengebied onderscheidenlijk exploitant van de luchthaven als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

ARTIKEL III (WIJZIGING ALGEMENE WET BESTUURSRECHT)

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht3 wordt aan de opsomming onder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een onderdeel toegevoegd dat luidt:

  • 3. De artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart.

ARTIKEL IV (WIJZIGING WET GELUIDHINDER)

De Wet geluidhinder4 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 108, derde lid, wordt na de zinsnede «artikel 25a van de Luchtvaartwet» ingevoegd: of hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

B

In artikel 157, eerste lid, wordt na de eerste zin een zin ingevoegd die luidt: De voorgaande zin is van overeenkomstige toepassing op woningen ten aanzien waarvan maatregelen in verband met de geluidbelasting getroffen kunnen worden op grond van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

ARTIKEL V (WIJZIGING WET MILIEUBEHEER)

In de bijlage bij de Wet milieubeheer5 wordt in de opsomming na de Luchtvaartwet toegevoegd: Wet luchtvaart.

ARTIKEL VI (VERVALLEN VAN PKB SCHIPHOL EN OMGEVING)

Op het tijdstip waarop het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit in werking treden vervalt de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving.

ARTIKEL VII (VERVALLEN VAN AANWIJZING LUCHTVAARTTERREIN SCHIPHOL)

Op het tijdstip waarop het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit in werking treden vervalt de in hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet bedoelde aanwijzing van het luchtvaartterrein Schiphol.

ARTIKEL VIII (OVERGANGSBEPALING MILIEUEFFECTRAPPORT)

  • 1. Bij de voorbereiding van het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit wordt een milieueffectrapport gemaakt. De paragrafen 7.5 tot en met 7.7 van de Wet milieubeheer zijn op dit rapport van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het rapport wordt gemaakt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 3. Het rapport is gericht op een vergelijking van het beschermingsniveau, zoals dat wordt geboden bij de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde besluiten, met het beschermingsniveau zoals dat voor de inwerkingtreding van artikel VI ten aanzien van het vijfbanenstelsel is beschreven in de PKB Schiphol en Omgeving.

  • 4. Het rapport bevat in ieder geval de informatie, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEG L 175), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 (PbEG L 397).

ARTIKEL IX

Vanwege het streven naar een duurzame ontwikkeling moet verbetering plaatsvinden van de kwaliteit van het leefmilieu. Daartoe mag in de omgeving van Schiphol de situatie vanaf 2003 ten opzichte van 1990 niet verslechteren voor de parameters externe veiligheid en lokale luchtverontreiniging en moet de situatie verbeteren voor luchtvaartgeluid, zoals vastgesteld in de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving en op de wijze zoals voorzien in de artikelen X tot en met XIII. Binnen het kader van deze milieugrenzen krijgt Schiphol de ruimte zich optimaal te ontwikkelen.

ARTIKEL X (OVERGANGSBEPALING BEPERKINGENGEBIED)

Bij de vaststelling in het eerste luchthavenindelingbesluit van de regels voor het beperkingengebied worden bij de regels, bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet luchtvaart, in ieder geval de gronden aangewezen die in de PKB Schiphol en Omgeving als vrijwaringszone zijn aangeduid, behoudens voor zover die gronden in de PKB tevens als rijksbufferzone zijn aangeduid en voor die gronden geen beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

ARTIKEL XI (OVERGANGSBEPALING EXTERNE VEILIGHEID)

  • 1. Ten behoeve van de vaststelling van het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit met betrekking tot de externe veiligheid worden de volgende berekeningen gemaakt:

    a. voor het individueel risico worden de 10-6 contouren berekend;

    b. deze contouren omvatten tezamen niet meer woningen dan de overeenkomstige 10-6 contouren voor individueel risico, berekend op basis van de gegevens over 1990;

    c. aan de hand van de gegevens die gebruikt zijn voor de onder a bedoelde berekening, worden de 10-5 contouren voor het individueel risico bepaald.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde berekeningen worden uitgevoerd aan de hand van het rekenmodel zoals dat is vastgelegd in het rapport van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium NLR CR 93372 L, nadien gewijzigd bij rapport NLR-CR-2000–147.

  • 3. Bij de vaststelling van het eerste luchthavenindelingbesluit worden de gronden, bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de Wet luchtvaart, zodanig bepaald dat zij in ieder geval de gronden gelegen binnen de in het eerste lid, onder c, bedoelde contouren omvatten.

  • 4. Bij de vaststelling van het eerste luchthavenverkeerbesluit worden de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico afgestemd op de in het eerste lid, onder c, bedoelde gegevens.

  • 5. Ten behoeve van het luchthavenindelingbesluit en het luchthavenverkeerbesluit wordt een statistisch-causaal model ontwikkeld voor interne en externe veiligheid (groepsrisico voor de mensen op de grond) van de luchtvaart, zoals aagegeven in artikel XVI. Dit model moet in 2005 klaar zijn en worden toegevoegd aan beide besluiten. Vanaf 2005 mogen de risico's, als berekend met dit nieuwe model niet groter zijn dan de met dit model herberekende risico's 1990.

ARTIKEL XII (OVERGANGSBEPALING GELUIDBELASTING)

  • 1. Bij de vaststelling in het eerste luchthavenverkeerbesluit van de grenswaarden voor de geluidbelasting wordt voor wat betreft de belasting gedurende het gehele etmaal in de in artikel 8.17, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet luchtvaart bedoelde punten, gebruik gemaakt van de Lden als geluidbelastingindicator. Daarbij worden de volgende regels gehanteerd in verband met de overgang van Ke naar Lden:

    a. op een wijze die overeenstemt met de voorschriften zoals die gelden tot de inwerkingtreding van artikel II worden een 20 Ke-contour en een 35 Ke-contour berekend;

    b. het aantal ernstig gehinderden binnen de 20 Ke-contour bedraagt maximaal 45 000, vastgesteld overeenkomstig de wijze waarop dit aantal in de PKB Schiphol en Omgeving is vastgesteld;

    c. de 35 Ke-contour omvat maximaal 10 000 woningen, vastgesteld overeenkomstig de wijze waarop dit aantal in de PKB Schiphol en Omgeving is vastgesteld;

    d. de ligging van deze contour vormt het uitgangspunt voor de bepaling van de ligging van de punten waarop de grenswaarden van toepassing zijn;

    e. aan de hand van de gegevens die gebruikt zijn voor de berekening van deze contour, wordt voor deze punten een berekening gemaakt van de geluidbelasting met de Lden als geluidbelastingindicator;

    f. de aldus gevonden geluidbelastingen in deze punten vormen de grondslag voor de bepaling van de hoogte van de grenswaarden in de punten.

  • 2. Bij de vaststelling in het eerste luchthavenverkeerbesluit van de grenswaarden voor de geluidbelasting wordt voor wat betreft de belasting gedurende de nacht in de in artikel 8.17, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet luchtvaart bedoelde punten, gebruik gemaakt van de Lnight als geluidbelastingindicator. Daarbij worden de volgende regels gehanteerd in verband met de overgang van LAeq naar Lnight:

    a. op een wijze die overeenstemt met de voorschriften zoals die gelden tot de inwerkingtreding van artikel II worden een 20 dB(A) LAeq-contour en een 26 dB(A) LAeq-contour berekend;

    b. het aantal mensen dat slaapverstoring ondervindt binnen de 20 dB(A) LAeq-contour bedraagt maximaal 39 000, vastgesteld overeenkomstig de wijze waarop dit aantal in de PKB Schiphol en Omgeving is vastgesteld;

    c. de 26 dB(A) LAeq-contour omvat maximaal 10 100 woningen, vastgesteld overeenkomstig de wijze waarop dit aantal in de PKB Schiphol en Omgeving is vastgesteld;

    d. de ligging van deze contour vormt het uitgangspunt voor de bepaling van de ligging van de punten waarop de grenswaarden van toepassing zijn;

    e. aan de hand van de gegevens die gebruikt zijn voor de berekening van deze contour, wordt voor deze punten een berekening gemaakt van de geluidbelasting met de Lnight als geluidbelastingindicator;

    f. de aldus gevonden geluidbelastingen in deze punten vormen de grondslag voor de bepaling van de hoogte van de grenswaarden in de punten.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling van een grenswaarde voor het totale volume van de geluidbelasting, met dien verstande dat:

    a. bij de vaststelling in onderdeel c van die leden geen toeslag voor wisselende meteorologische omstandigheden wordt gehanteerd;

    b. ten aanzien van de verzameling van punten, bedoeld in onderdeel d van die leden, slechts één grenswaarde wordt vastgesteld;

    c. de ligging van deze punten mede bepaald kan worden door een herschikking met het oog op een vaststelling van een grenswaarde die onafhankelijk is van de verdeling van de geluidbelasting over de omgeving.

ARTIKEL XIII (OVERGANGSBEPALING LOKALE LUCHTVERONTREINIGING)

  • 1. Bij de vaststelling van het eerste luchthavenverkeerbesluit worden de grenswaarden voor de emissie van stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken zodanig bepaald dat de prognoses van dat moment ten aanzien van de emissies ten gevolge van luchtvaart, wegverkeer, industrie, land- en tuinbouw en ruimteverwarming in het studiegebied de volgende waarden niet overschrijden.

    StofMaximum emissie per jaar
    CO45 701 ton
    NOx19 771 ton
    VOS21 173 ton
    SO2 1 274 ton
    PM10 1 208 ton
  • 2. De emissies worden berekend overeenkomstig de methode zoals die is vastgelegd in de TNO-rapporten R 2000/100 en R 2000/496.

ARTIKEL XIV (WIJZIGING GRONDSLAG UITVOERINGSREGELING)

Na de inwerkingtreding van dit artikel berust de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 voor wat betreft de toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol op artikel 8.32 van de Wet luchtvaart.

ARTIKEL XV (EVALUATIE INSPECTIE VERKEER EN WATERSTAAT)

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt voor 1 januari 2008 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid van de handhaving van titel 8.3 van de Wet luchtvaart door de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

ARTIKEL XVI (IMPLEMENTATIE VEILIGHEIDSMODEL)

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevordert de implementatie voor 1 januari 2005 van een statistisch-causaal model met betrekking tot de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer, dat mede als grondslag dient voor de implementatie voor die datum van een op het luchthavenluchtverkeer toegesneden maat voor het bepalen van groepsrisico.

ARTIKEL XVII

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 27 juni 2002

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Uitgegeven de zestiende juli 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Artikel I (Wijziging Wet luchtvaart)

A

Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol

Titel 8.1. Algemeen

Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven

§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit

§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit

Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer

§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit

§ 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit

Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven

Titel 8.5. Informatievoorziening

§ 8.5.1. Algemeen

§ 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting

§ 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking

Titel 8.6. Financiële aspecten

Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol

B

C

D

Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel II (Wijziging Luchtvaartwet)

A

B

Artikel III (Wijziging Algemene wet bestuursrecht)

Artikel IV (Wijziging Wet geluidhinder)

A

B

Artikel V (Wijziging Wet milieubeheer)

Artikel VI (Vervallen van PKB Schiphol en Omgeving)

Artikel VII (Vervallen van aanwijzing luchtvaartterrein Schiphol)

Artikel VIII (Overgangsbepaling milieueffectrapport)

Artikel IX

Artikel X (Overgangsbepaling beperkingengebied)

Artikel XI (Overgangsbepaling externe veiligheid)

Artikel XII (Overgangsbepaling geluidbelasting)

Artikel XIII (Overgangsbepaling lokale luchtverontreiniging)

Artikel XIV (Wijziging grondslag uitvoeringsregeling)

Artikel XV (Evaluatie Inspectie Verkeer en Waterstaat)

Artikel XVI (Implementatie veiligheidsmodel)

Artikel XVII (Inwerkingtreding)


XNoot
1

Stb. 1999, 274, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 april 2001, Stb. 180.

XNoot
2

Stb. 1996, 26, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 244.

XNoot
3

Stb. 1998, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 318.

XNoot
4

Stb. 1992, 625, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 mei 2002, Stb. 288.

XNoot
5

Stb. 2002, 239, gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 347.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2000/2001, 2001/2002, 27 603.

Handelingen II 2001/2002, blz. 743–760; 797–813; 873–876; 971.

Kamerstukken I 2001/2002, 27 603 (88, 88a, 88b, 88c, 88d, 88e, 88f, 88g, 88g, 88i, 88j, 88k, 88l).

Handelingen I 2001/2002, zie vergadering d.d. 25 juni 2002.

Naar boven