Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2002, 330Wet

Wet van 20 juni 2002 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in verband met de invoering van bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 tot wijziging van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 275) in de Wet toezicht kredietwezen 1992 te verwerken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet toezicht kredietwezen 19921 wordt als volgt gewijzigd:

A

1. In artikel 2, eerste lid, onder c, wordt het tweede woord «kredietinstellingen» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

2. In de artikelen 7, 12, eerste volzin, 16, eerste lid, eerste volzin, 18, 25, eerste lid, 25a, eerste lid, 32, eerste lid, aanhef, 33, tweede en vierde lid, 34, 35, 36, 37, 56, eerste en tweede lid, 84, derde lid, 112 en 115 wordt «kredietinstelling» telkens vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

3. In artikel 25a, eerste lid, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

4. In de artikelen 4, eerste lid, 84, eerste lid en 85 wordt «kredietinstellingen» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

B

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a van het eerste lid komt te luiden:

a. kredietinstelling:

1°. een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen; dan wel

2°. een onderneming of instelling, anders dan bedoeld onder 1°, die gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

2. In onderdeel b van het eerste lid wordt «een kredietinstelling» vervangen door: een kredietinstelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°.

3. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel o, een onderdeel toegevoegd, luidende:

p. elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager.

4. Het derde en vierde lid vervallen.

C

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Op een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 is verleend, is het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 51 niet van toepassing.

D

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

  • 1. Het is een in Nederland gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.

  • 2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

E

Na artikel 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, niet toegestaan naast het ter beschikking krijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven andere dan de volgende werkzaamheden te verrichten:

    a. het verrichten van met de uitgifte van elektronisch geld samenhangende diensten;

    b. het uitgeven en beheren van andere betaalmiddelen, met uitsluiting van de werkzaamheden bedoeld onder punt 2 van bijlage I van de Richtlijn;

    c. het vastleggen van informatie op een elektronische drager ten behoeve van andere ondernemingen of instellingen.

  • 2. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, houdt uitsluitend een deelneming in een andere onderneming of instelling, indien die onderneming of instelling werkzaamheden verricht, die samenhangen met de bedrijfsvoering van de kredietinstelling.

  • 3. Onder een deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van de stemrechten in een onderneming.

F

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 10, 11, of 30» telkens vervangen door: de artikelen 7a, 10, 11 of 30.

2. In het eerste lid wordt aan het slot van onderdeel b na de puntkomma toegevoegd: onderscheidenlijk.

3. In het eerste lid vervalt onderdeel d.

4. Aan het slot van het eerste lid wordt «, de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar, onderscheidenlijk wordt voldaan aan het krachtens artikel 85a bepaalde» vervangen door: onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.

5. Onder vernummering van het tweede lid tot het zesde lid worden na het eerste lid vier leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 4. Een overdracht als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    a. hij dient in staat te zijn de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

    b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

  • 5. Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

G

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder c, wordt «de artikelen 10, 11 of 30» vervangen door: de artikelen 7a, 10, 11 of 30.

2. In het eerste lid vervalt onderdeel f en worden de onderdelen g en h verletterd tot f en g.

H

Onder vernummering van artikel 16a tot 16b wordt in paragraaf 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 na artikel 16 een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

  • 1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.

  • 2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

    a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

    b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

    c. het adres van het bijkantoor; en

    d. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

  • 3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

  • 4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.

  • 5. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

  • 6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

  • 7. Artikel 16, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

I

Vervallen

J

In hoofdstuk II komt het opschrift van afdeling 3 te luiden:

AFDELING 3 TOEZICHT OP HET UITOEFENEN VAN HET BEDRIJF VAN KREDIETINSTELLING ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1, EERSTE LID, ONDERDEEL A, ONDER 1°

K

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

2. In het vierde lid wordt de zinsnede «bij het toezicht op kredietinstellingen wordt betrokken» vervangen door: bij het toezicht op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt betrokken.

L

In hoofdstuk II wordt na afdeling 3 een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 4 TOEZICHT OP HET UITOEFENEN VAN HET BEDRIJF VAN KREDIETINSTELLING ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1, EERSTE LID, ONDERDEEL A, ONDER 2°

Artikel 30a

De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Artikel 30b
  • 1. De Bank kan, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de liquiditeit en de solvabiliteit van die instellingen.

  • 2. De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.

  • 3. De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden:

    a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;

    b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van:

    1°. de beleggingen en overige activa;

    2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;

    3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

    c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.

  • 4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 5. In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.

Artikel 30c
  • 1. De Bank kan aan de kredietinstellingen aanbevelingen en algemene richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle, alsmede met het oog op het voorkomen van belangenconflicten.

  • 2. De aanbevelingen en algemene richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de aanbevelingen en algemene richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De aanbevelingen en algemene richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.

  • 3. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de algemene richtlijnen verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 4. In de aanbevelingen en algemene richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent de aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven.

  • 5. De aanbevelingen worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 30d
  • 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is gedaan.

  • 2. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.

  • 3. Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid deelt zij de natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.

  • 4. Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

  • 5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming de mededeling, bedoeld in het derde lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

Artikel 30e
  • 1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

  • 2. Artikel 28, tweede lid, derde lid, onder a en b, en vierde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30f

De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kredietinstellingen, bedoeld in deze afdeling.

M

Aan artikel 31 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 5. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

N

Aan artikel 32 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

O

Na artikel 32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32a

Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, tenzij;

a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, benodigde vergunning heeft verkregen; en

b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke een opgave van de voorgenomen werkzaamheden bevat.

P

Aan artikel 38 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

P1

Na artikel 38 wordt een artikel ingevoegd, luidende

Artikel 38a

  • 1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

  • 2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Q

Artikel 41 komt te luiden:

Artikel 41

  • 1. De artikelen 20 tot en met 23 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

  • 2. De artikelen 30b en 30c zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

Q1

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Artikel 30e is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

R

In artikel 52, tweede lid, onder d, en derde lid, onder d, wordt «artikel 32» vervangen door: artikel 32 of 32a.

S

In artikel 55, vierde lid, wordt «de artikelen 20, vierde lid, of 21, vierde lid» vervangen door: de artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, derde lid.

T

Aan artikel 56 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 30b of 30c.

U

Artikel 67, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 6 met betrekking tot een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

V

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt onder verlettering van onderdeel c tot d een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.

2. In het eerste lid wordt in onderdeel d (nieuw) na «32» ingevoegd: dan wel 32a.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.

V1

In artikel 82, tweede lid, wordt in onderdeel a na «ondernemingen en instellingen» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

W

Artikel 85a, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

X

Na paragraaf 5 van hoofdstuk 12 wordt, onder vernummering van paragraaf 6 tot en met 9, tot paragraaf 7 tot en met 10, een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 6 Omwisseling elektronisch geld

Artikel 85b
  • 1. Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld vertegenwoordigt een waarde die ten minste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

  • 2. Een kredietinstelling wisselt, op verzoek van een houder van elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in munten of bankbiljetten of door storting op een rekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten mogen worden berekend.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omwisseling, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 6. Een overdracht als bedoeld in het vijfde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    a. hij dient in staat te zijn de in het vijfde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

    b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het vijfde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.

  • 7. Aan de overdracht, bedoeld in het vijfde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Y

In artikel 88 wordt «30, derde lid» vervangen door: 30, derde lid, 30e.

Z

In artikel 89a, eerste lid, wordt de zinsnede «een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 1, derde lid, of een vrijstelling als bedoeld in artikel 82, derde lid, of artikel 83, derde lid» vervangen door: een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, 31, vierde lid, 32, derde lid, 38, derde lid, 38a, tweede lid, 82, derde lid, of 83, derde lid.

Z1

In artikel 90, tweede lid, wordt na «29,» ingevoegd: 30e,.

AA

Artikel 90b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «6,» ingevoegd: «eerste, tweede en derde lid,», wordt na «7,» ingevoegd «7a, eerste en tweede lid,», wordt «14, eerste en tweede lid» vervangen door «14, eerste, tweede en zesde lid», wordt na «16, zesde en achtste lid,» ingevoegd «16a, zesde lid,», wordt na «30, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin,» ingevoegd «30d, eerste, tweede en vierde lid,», wordt «31, eerste lid, onder a, en tweede lid» vervangen door «31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid», wordt «32, eerste lid, onder a, en tweede lid,» vervangen door «32, eerste lid, onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a,», wordt «38,» vervangen door «38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid,», en wordt «85 en 85a, «vervangen door «85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid,».

2. Na het derde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een last onder dwangsom worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

    b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

  • 6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

BB

Artikel 90c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «6,» ingevoegd «eerste, tweede en derde lid,», wordt na «7,» ingevoegd «7a, eerste en tweede lid,», wordt «14, eerste en tweede lid» vervangen door «14, eerste, tweede en zesde lid», wordt «16a, eerste lid,» vervangen door «16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste lid,», wordt na «30, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, vierde en vijfde lid,» ingevoegd «30d, eerste, tweede en vierde lid,», wordt «31, eerste lid, onder a, en tweede lid» vervangen door «31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid», wordt «32, eerste lid, onder a, onder b, en tweede lid,» vervangen door «32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b,» wordt «38,» vervangen door «38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid,», wordt «56, eerste en tweede lid,» vervangen door «56, eerste, tweede en derde lid,», en wordt «85 en 85a,» vervangen door «85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid,»

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vierde en vijfde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.

CC

In artikel 90d, vijfde lid, wordt «de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 85a» vervangen door: «de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 85a en 85b».

DD

De bijlage, bedoeld in artikel 90d, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In tabel 1 wordt na «7» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «7a, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «7a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» wordt na «14, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «14, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», wordt na «16a, eerste lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «16a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «1», «16a, vijfde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «1», «16a, zesde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4» en «16b, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «1» wordt na «30, tweede lid, eerste volzin» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «30d, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «2» wordt na «37» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «38, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», wordt na «56, tweede lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «56, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», en wordt na «85» en het daarbij behorende tariefnummer toegevoegd «85b, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4» en «85b, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4».

2. In tabel 2 wordt «6»vervangen door «6, eerste lid», wordt na «6, eerste lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «6, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «6, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», wordt «14, tweede lid» vervangen door «14, zesde lid», wordt na «30, vijfde lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «30d, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «30d, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «2», wordt na «31, eerste lid, onder a» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «31, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «31, vijfde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», wordt na «32, eerste lid, onder b» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «32, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «32, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «32a, eerste lid, onder a» met het daarbij behorende tariefnummer «4» en «32a, onder b» met het daarbij behorende tariefnummer «1» wordt «38» vervangen door «38, eerste lid», wordt na «38, eerste lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «38, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «38, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «38a, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», «38a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «38a, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3».

EE

Na artikel 112 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 112a

  • 1. Een onderneming of instelling die op het tijdstip dat dit artikel in werking treedt, in Nederland het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht over een vergunning als bedoeld in artikel 6 te beschikken.

  • 2. Een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 32a.

  • 3. Een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, meldt zich binnen één maand na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt bij de Bank en verstrekt binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt aan de Bank alle gegevens die de Bank nodig heeft om te beoordelen of de onderneming of instelling voldoet aan deze wet.

  • 4. Indien de Bank op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het derde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.

  • 5. Indien een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste en het tweede lid, niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, heeft voldaan aan het bepaalde in het derde lid zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.

Artikel 112b

  • 1. Indien een Lid-Staat richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (Pb EG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2000 tot wijziging van Richtlijn 2000/12/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (Pb EG L 275) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen en instellingen het tweede en derde lid gelden.

  • 2. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van artikel 31, eerste lid, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.

  • 3. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32a, artikel 82a van toepassing.

  • 4. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c. De aan deze onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

  • 5. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 82a, tweede lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32a. De aan deze onderneming of instelling verleende ontheffing als bedoeld in artikel 82a, tweede lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

ARTIKEL II

A

In titel 11 van de Faillissementswet2 komt het opschrift van de Tweede afdeling B te luiden: Van de verlening van surséance van betaling aan een kredietinstelling, die ingevolge artikel 6, tweede of derde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een kredietinstelling, die ingevolge artikel 31, vierde of vijfde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een kredietinstelling, die ingevolge artikel 38, derde of vierde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een financiële instelling, een effecteninstelling of een andere instelling, genoemd in artikel 281g.

B

Artikel 281 g van de Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 6, eerste lid, van die wet;.

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 31, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 31, eerste lid, van die wet;.

3. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met g tot g tot en met k worden vier nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

c. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 38, eerste lid, van die wet;

d. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid, van die wet;

e. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid, van die wet;

f. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid, van die wet;.

ARTIKEL III

In artikel 2, tweede lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën3 wordt «artikel 2» vervangen door: artikel 6.

ARTIKEL IV

In artikel 1, onder 2°, van de Wet op de economische delicten4 wordt «de Wet toezicht kredietwezen 1992,» en de daarbij behorende opsomming vervangen door: de Wet toezicht kredietwezen 1992, de artikelen 6, eerste lid, 7a, eerste en tweede lid, 14, 15, vierde en vijfde lid, 16, eerste, zevende en achtste lid, 16a, eerste lid, 23, eerste, vierde en vijfde lid, 24, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, vierde en vijfde lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a en eerste lid, onder b, 32, eerste lid, onder a, onder b, 32a, eerste lid, onder a, onder b, 36, 38, eerste lid, 38a, eerste lid, 43, 55, vierde, zesde en zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 58, tweede lid, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 64, tweede lid, 66, tweede en derde lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en vierde lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede en vierde lid en 85.

ARTIKEL V

In artikel 4, tweede lid, onder c en d en artikel 12, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren5 wordt «kredietinstelling» vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Va

In artikel 15, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Algemene bijstandswet6 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

ARTIKEL Vb

Het Burgerlijk Wetboek7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 345, tweede lid, van Boek 1 wordt na «kredietinstellingen» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 436, vierde lid, van Boek l wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In artikel 89a, tweede lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

4. In artikel 93a, derde lid, van Boek 2 wordt na de woorden «afgelegd door een bankier» ingevoegd: , die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

5. In artikel 98, zevende lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

6. In artikel 98c, derde lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

7. In artikel 203a, derde lid, van Boek 2 wordt na de woorden «afgelegd door een bankier» ingevoegd: , die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

ARTIKEL Vc

In artikel 18a, zesde lid, van de Brandweerwet 19858 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vd

De Coördinatiewet sociale verzekering9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 16a, vierde lid, wordt na de woorden «Wet toezicht kredietwezen 1992» ingevoegd: en die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,.

2. In artikel 16b, vijfde lid, wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Ve

In artikel 19, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet10 wordt na «kredietinstelling» in de eerste volzin ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vf

De Wet inkomstenbelasting 200111 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 5.14, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 5.15, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In artikel 5.18a, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vg

De Invorderingswet 199012 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 34, derde lid, wordt na de woorden «Wet toezicht kredietwezen 1992» ingevoegd: en die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,.

2. In artikel 35, vijfde lid, wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vh

In artikel 59, tweede lid, van de Onteigeningswet13 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vi

In artikel 2, tweede lid, van de Vestigingswet bedrijven 195414 worden in het onderdeel bankbedrijf de woorden «handelsbank, spaarbank, hypotheekbank, landbouwkredietbank» vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vj

In artikel 27, eerste lid, onderdeel c, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften15 wordt «artikel 1» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

ARTIKEL Vk

In artikel 15, zevende lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen16 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vl

In artikel 75, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering17 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vm

In artikel 25, eerste lid, van de Wet op het notarisambt18 wordt in de eerste volzin na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vn

In artikel 10, vijfde lid, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank19 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vo

In artikel 18, vijfde lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer20 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vp

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 445 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 1001, zevende lid, wordt «bank» vervangen door: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vq

In artikel 576 van het Wetboek van Strafvordering22 wordt «artikel 1» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

ARTIKEL Vr

Indien het bij koninklijk boodschap van 23 juli 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met de invoering van eigenrisicodragen door de werkgever (kamerstukken II 2000/2001, 27 873, nr. 2) tot wet wordt verheven en in werking treedt na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt met ingang van het tijdstip waarop die wet in werking treedt in artikel 63, vierde lid, van de Ziektewet «geregistreerde kredietinstelling» vervangen door: geregistreerde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

ARTIKEL Vs

Indien het bij koninklijk boodschap van 23 juli 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met de invoering van eigenrisicodragen door de werkgever (kamerstukken II 2000/2001, 27 873, nr. 2) tot wet wordt verheven en in werking treedt voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt met ingang van het tijdstip waarop deze wet in werking treedt in artikel 63, vierde lid, van de Ziektewet «geregistreerde kredietinstelling» vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

ARTIKEL VI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

1 Stb. 1992, 722, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2001, Stb. 2002, 21.

2 Stb. 1893, 140, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 230.

3 Stb. 1996, 98, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 mei 2000, Stb. 216.

4 Stb. 1950, K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 mei 2002, Stb. 272.

5 Stb. 1994, 903, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 2001, Stb. 666.

6 Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2001, Stb. 692.

7 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 230.

8 Stb. 1985, 87, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

9 Stb. 1987, 552, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2001, Stb. 695.

10 Stb. 2001, 70, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 318.

11 Stb. 2001, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 mei 2002, Stb. 248.

12 Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 230.

13 Stb. 1851, 125, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 mei 2002, Stb. 292.

14 Stb. 1964, 66, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2000, Stb. 314.

15 Stb. 1997 275, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 januari 2002, Stb. 55.

16 Stb. 1995, 198, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 november 2001, Stb. 625.

17 Stb. 1999, 23, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2001, Stb. 695.

18 Stb. 1999, 190, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 318.

19 Stb. 1993, 714, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 mei 2002, Stb. 288.

20 Stb. 1997, 514.

21 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 230.

22 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 316.


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2001/2002, 28 189.

Handelingen II 2001/2002, blz. 4399.

Kamerstukken I 2001/2002, 28 189 (308, 308a, 308b).

Handelingen I 2001/2002, zie vergadering d.d. 18 juni 2002.