Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2002, 230Wet

Wet van 18 april 2002, houdende vaststelling van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte (aanpassing van de wetgeving aan het nieuwe erfrecht en schenkingsrecht)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving aan te passen aan Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. WIJZIGING VAN WETTEN OP HET TERREIN VAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE

ARTIKEL I

Het Burgerlijk Wetboek1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Boek 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 94, eerste lid, wordt na de woorden «buiten de gemeenschap vallen» een zinsnede toegevoegd, luidende: , en met uitzondering van het vruchtgebruik, bedoeld in afdeling 4.2A.2 van Boek 4.

2. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

a. De tweede zin van het eerste lid komt te luiden: Afdeling 3 van titel 5 van Boek 4 betreffende de vereffening van nalatenschappen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

b. Het derde lid vervalt.

3. Artikel 145 wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste zin van het tweede lid wordt de zinsnede «benevens de wettelijke rente» vervangen door: al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente.

b. De derde zin van het tweede lid komt te luiden: Aan een inwilliging van het verzoek kan de voorwaarde worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke of persoonlijke zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente wordt gesteld.

c. Aan het artikel wordt, onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De rechtbank die een beschikking als bedoeld in het tweede lid heeft gegeven, kan deze op verzoek van een der partijen wijzigen op grond van ten tijde van de beschikking niet voorziene omstandigheden.

4. Afdeling 3 van titel 8 vervalt.

5. Artikel 203, eerste lid, onder b, komt te luiden:

b. bij notariële akte.

6. In artikel 292, eerste lid, vervalt de zinsnede «of bij uitsluitend hiertoe verleden notariële akte».

7. Artikel 353 komt te luiden:

Artikel 353

De voogd kan niet zonder machtiging van de kantonrechter van een de minderjarige toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.

8. Artikel 406b vervalt.

9. In het vijfde lid van artikel 441 wordt het woord «erfenis» vervangen door: nalatenschap.

B

Boek 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 88 lid 3 wordt toegevoegd: Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op de voet van artikel 4.2A.1.11 lid 4 anders wordt bepaald.

2. Aan artikel 197 lid 3 wordt toegevoegd: Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op de voet van artikel 4.2A.1.11 lid 4 anders wordt bepaald.

3. In artikel 286 lid 2 worden in de derde zin de woorden «bij openbaar testament dat in een vreemde taal is verleden» vervangen door: door een uiterste wilsbeschikking, gemaakt bij een notariële akte die in een vreemde taal is verleden.

4. Artikel 288 vervalt.

C

Boek 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 17 lid 1 onder b komt te luiden:

b. erfopvolgingen die registergoederen betreffen, daaronder begrepen de opvolging door de Staat krachtens de artikelen 4.5.1.5b en 4.5.3.16a lid 4, en de afgifte van registergoederen aan de Staat krachtens artikel 4.5.3.16a leden 1 en 2.

2. Artikel 168 lid 5, eerste zin, komt te luiden: Op een overeenkomstig lid 2 ingesteld bewind zijn, voor zover de kantonrechter niet anders heeft bepaald, de artikelen 4.4.7.1a, 4.4.7.1c tot en met 4.4.7.1l, 4.4.7.1n, 4.4.7.1r, 4.4.7.1s en 4.4.7.1t van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 4.4.7.1e bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 4.4.7.1f bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen.

3. Artikel 193 komt te luiden:

Artikel 193
  • 1. Een schuldeiser wiens vordering op de goederen der gemeenschap kan worden verhaald, kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen wanneer tot verdeling van de gemeenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de gemeenschap gaat verhalen. Afdeling 3 van titel 5 van Boek 4 betreffende de vereffening van een nalatenschap is van toepassing of overeenkomstige toepassing.

  • 2. Ook een schuldeiser van een deelgenoot kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen, wanneer zijn belangen door een gedraging van de deelgenoten ernstig worden geschaad.

  • 3. Voor de ontbonden gemeenschap van een maatschap of vennootschap zijn de leden 1 en 2 niet van toepassing en gelden de volgende zinnen. Een schuldeiser wiens vordering op de goederen van de gemeenschap kan worden verhaald, is bevoegd zich tegen verdeling van de gemeenschap te verzetten. Een verdeling die na dit verzet is tot stand gekomen, is vernietigbaar met dien verstande dat de vernietigingsgrond slechts kan worden ingeroepen door de schuldeiser die zich verzette en dat hij de verdeling slechts te zijnen behoeve kan vernietigen en niet verder dan nodig is tot opheffing van de door hem ondervonden benadeling.

4. Artikel 204 vervalt.

5. Artikel 215 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 1 worden de woorden «Komt de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding of vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen toe» vervangen door: Is bij de vestiging van een vruchtgebruik of daarna aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid gegeven tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen.

b. Lid 2, eerste zin, komt te luiden: Bij verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering kunnen een of meer personen worden aangewezen, wier toestemming voor de vervreemding en voor de vertering nodig is.

c. In lid 3 worden de woorden «Komt de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding of vertering toe» vervangen door: Is aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en vertering verleend.

6. Artikel 219 wordt als volgt gewijzigd:

a. Na «Boek 2» wordt ingevoegd: en artikel 123 van Boek 5.

b. Aan het slot wordt een zin toegevoegd, luidende: Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op de voet van artikel 4.2A.1.11 lid 4 anders wordt bepaald.

7. Artikel 221 lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. De tweede zin komt te luiden: Op het bewind zijn voor het overige de artikelen 4.4.7.1a, 4.4.7.1c tot en met 4.4.7.1l, 4.4.7.1n, 4.4.7.1p, 4.4.7.1r, 4.4.7.1s, 4.4.7.1t en 4.4.7.1w lid 1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 4.4.7.1e bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 4.4.7.1f bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen.

2. Na de tweede zin wordt een zin toegevoegd, luidende: Het bewind kan door een gezamenlijk besluit van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op verzoek van een hunner door de rechtbank worden opgeheven.

8. In artikel 288 wordt onder b «de stand en het fortuin van de overledene» vervangen door: de omstandigheden van de overledene.

D

Boek 4 wordt vervangen door Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, zoals dat is vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969 tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 392, en nadien is gewijzigd bij de Wet van 21 april 1987, houdende regeling van de fusie van verenigingen en van stichtingen, Stb. 209, de Wet van 24 december 1997 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de regeling van de splitsing van rechtspersonen, Stb. 776, de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte, de Wet tot vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte.

E

Boek 6 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 249 wordt een zin toegevoegd, luidende: In het geval van verdeling van een nalatenschap ingevolge artikel 4.2A.1.1 gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

F

Boek 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na titel 7.1 wordt ingevoegd titel 7.3, zoals vastgesteld wanneer het bij koninklijke boodschap van 1 december 1981 ingediende voorstel van wet 17 213 tot vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek wet zal zijn geworden.

2. Aan het slot van artikel 423 lid 2 wordt een volzin toegevoegd, luidende: Wanneer de nalatenschap van de lastgever ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

3. Aan het slot van artikel 438 lid 2 wordt een volzin toegevoegd, luidende: Wanneer de nalatenschap van de principaal ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

4. Aan het slot van artikel 675 wordt een volzin toegevoegd, luidende: Wanneer de nalatenschap van de werkgever ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

G

Boek 7A wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1623i wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 6 wordt na de tweede volzin een volzin toegevoegd, luidende: Wanneer de nalatenschap van de huurder ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

b. In lid 7 wordt de zinsnede «de erfgenamen bedoeld in het vorige lid» vervangen door: de erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of geregistreerde partner, bedoeld in het zesde lid,.

2. In artikel 1632 wordt in de eerste volzin na de woorden «kunnen zij» en voor de woorden «ongeacht enig andersluidend beding» ingevoegd: , onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld,.

3. In artikel 1648 lid 2 wordt na de woorden «aan de erfgenamen» ingevoegd: van de aannemer, onderscheidenlijk aan diens echtgenoot of geregistreerde partner in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld,.

4. Titel 11 vervalt.

5. Artikel 1780 lid 1 komt te luiden:

  • 1. De verbintenissen, welke uit de bruiklening voortspruiten, gaan over op de erfgenamen van degene die ter leen geeft, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, en van hem die ter leen ontvangt.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, onder 6°, onder b, wordt de zinsnede «of de woonplaats van de executeur-testamentair» vervangen door: of de woonplaats van een executeur of door de rechtbank benoemde vereffenaar van de nalatenschap.

B

Artikel 141, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van Boek 1 of van artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.

C

In artikel 341 worden de woorden «of, zoo zij van het regt van beraad gebruik maken, binnen eene maand na afloop van den daarvoor gestelden termijn» vervangen door: of binnen een maand na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek.

D

Artikel 403 tweede lid komt te luiden:

  • 2. In ieder geval kan het beroep nog worden ingesteld binnen een maand na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek.

E

Artikel 429c wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid worden de woorden «de leden 2–9» vervangen door: het tweede tot en met veertiende lid.

b. Aan het elfde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De eerste en tweede zin zijn niet van toepassing in geval van een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.9, 4.2A.2.2, 4.2A.2.3 en 4.2A.2.5a van het Burgerlijk Wetboek.

c. Na het elfde lid wordt, met vernummering van het twaalfde tot en met vijftiende lid tot het dertiende tot en met zestiende lid, een twaalfde lid ingevoegd, luidende:

  • 12. In zaken die volgens Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, is de rechter van het sterfhuis bevoegd. In afwijking van de eerste zin is in zaken die volgens afdeling 4.4.7 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende.

F

Aan artikel 429n wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De termijn loopt in zaken die volgens afdeling 4.4.7 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de dagtekening van de beschikking, behoudens voor zover het niet verschenen belanghebbenden betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen onbekend waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de vorige zin bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de betekening van de beschikking of het tijdstip waarop de beschikking hun op andere wijze bekend geworden is. Hetzelfde geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een nalatenschap.

G

Artikel 660, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde onderdeel, onder a, worden de woorden «door de uitvoerders van een uiterste wilsbeschikking» vervangen door: door een executeur van de nalatenschap.

b. In het derde onderdeel wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. zo de nalatenschap onder bewind staat: door de bewindvoerder;.

c. Onder vervanging aan het slot van het vierde onderdeel van de punt door een puntkomma wordt een vijfde onderdeel toegevoegd, luidende:

5°. door een door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of gemeenschap.

H

Na de vierde afdeling van de tweede titel van het derde Boek wordt een afdeling ingevoegd, luidende als volgt:

VIERDE AFDELING A RECHTSMIDDELEN TEGEN BESCHIKKINGEN IN PROCEDURES BETREFFENDE EEN NALATENSCHAP
Artikel 676a

Geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet staat open tegen beschikkingen ingevolge:

a. artikel 4.2A.1.12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

b. artikel 4.3.3.8h van het Burgerlijk Wetboek;

c. artikel 4.4.6.2 lid 1, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

d. artikel 4.4.6.3c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

e. artikel 4.4.6.5, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

f. artikel 4.4.6.5a lid 2, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

g. artikel 4.4.7.1c, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

h. artikel 4.4.7.1j, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

i. artikel 4.4.7.1s, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend;

j. artikel 4.5.1.4 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

k. artikel 4.5.1.4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

l. artikel 4.5.2.2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

m. artikel 4.5.2.3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

n. artikel 4.5.2.5a van het Burgerlijk Wetboek;

o. artikel 4.5.2.5b, tweede lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek;

p. artikel 4.5.2.7, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

q. artikel 4.5.3.1, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek;

r. artikel 4.5.3.5, vijfde lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

s. artikel 4.5.3.8, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

t. artikel 4.5.3.10, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

u. artikel 4.5.3.11, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

v. artikel 4.5.3.13, tweede lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek;

w. artikel 4.5.3.14, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek;

x. artikel 4.5.3.16a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend.

Artikel 676b

Van de beschikkingen van de rechter-commissaris ingevolge afdeling 3 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank toegelaten, behoudens voor zover het beschikkingen betreft waartegen, indien zij door de kantonrechter waren gegeven, geen hogere voorziening is toegelaten.

I

Artikel 814, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Artikel 429c, zestiende lid, is niet van toepassing.

ARTIKEL III

Het Wetboek van Strafrecht3 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 323 wordt de zinsnede «uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen» vervangen door: executeurs van een nalatenschap, door de rechter benoemde vereffenaars van een nalatenschap of gemeenschap.

ARTIKEL IV

De Faillissementswet4 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 62 vervalt.

B

De negende afdeling van Titel I vervalt.

C

In artikel 206 vervalt de zinsnede «, ook in geval van artikel 198,».

D

Het tweede lid van artikel 229 komt te luiden:

  • 2. Artikel 61 vindt overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, tweede zin, wordt het woord «executeur-testamentair» vervangen door: executeur van een nalatenschap.

b. In het derde lid worden de woorden «de artikelen 954, 991 en 1000 van Boek 4» vervangen door: de artikelen 4.3.2.7 en 4.3.2.8, eerste lid, van Boek 4.

B

Na artikel 20 wordt een nieuw artikel 20a ingevoegd, luidende:

Artikel 20a

Notariële akten die uiterste wilsbeschikkingen inhouden, bevatten geen andere rechtshandelingen.

C

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De notaris kan in alle gevallen de tegenwoordigheid van twee getuigen verlangen indien hij dit wenselijk acht.

b. In het derde lid vervallen de woorden: van superscriptie of.

c. De aanhef van het vierde lid komt te luiden: Geen getuigen kunnen zijn:.

D

Artikel 47 komt te luiden:

Artikel 47

Na de dood van de erflater moet de notaris een onderhandse uiterste wil die hem gesloten is ter hand gesteld, aanbieden aan de kantonrechter van het sterfhuis. De kantonrechter zal de uiterste wil openen en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening van de uiterste wil, alsmede van de staat waarin deze zich bevindt, en dit stuk daarna aan de notaris die de aanbieding heeft gedaan, teruggeven.

E

In artikel 48, eerste lid, worden de woorden «de artikelen 979, 984, 987 en 989» vervangen door: artikel 4.3.5.4.

F

Na artikel 49 worden twee nieuwe artikelen 49a en 49b ingevoegd, luidende:

Artikel 49a

De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de in artikel 49, eerste lid, bedoelde afschriften, uittreksels en grossen van zijn uiterste wil niet mogen worden uitgegeven noch inzage in zijn uiterste wil mag worden verleend, voor zijn lijk is begraven of verbrand, met dien verstande dat zodanig uitstel niet meer mag bedragen dan vijf dagen na het overlijden van de erflater.

Artikel 49b
  • 1. De notaris geeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht desverlangd afschriften uit aan degenen die daarbij belang hebben in verband met een rechtsverhouding waarin zij tot de erflater stonden. Eveneens geeft de notaris van tot zijn protocol behorende notariële akten, houdende uiterste wilsbeschikkingen, desverlangd uittreksels uit aan personen als bedoeld in de eerste zin, doch alleen voor wat betreft dat gedeelte van de akte dat betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Artikel 49a is van overeenkomstige toepassing.

G

Aan artikel 50 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Geen grossen mogen worden uitgegeven van een verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek of een notariële verklaring als bedoeld in de artikelen 26, 27, derde lid, 30, 31, onder b, juncto 26, eerste lid, 34, 35 en 36 van de Kadasterwet.

H

In artikel 51, eerste lid, wordt achter «verklaringen van erfrecht» gevoegd: als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL VI

De Wet tarieven in burgerlijke zaken6 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 9a onder b wordt na «van een ontbonden rechtspersoon» ingevoegd: , van een gemeenschap of van een nalatenschap.

ARTIKEL VII

De Wet op het centraal testamentenregister7 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Er is een testamentenregister waarin worden opgenomen de in het volgende artikel vermelde gegevens van:

    a. notariële akten bevattende uiterste willen of herroeping van uiterste willen;

    b. akten bevattende bewaargeving of teruggave van uiterste willen;

    c. uiterste willen als bedoeld in artikel 4.3.5.12a van het Burgerlijk Wetboek;

    d. akten van benoeming ingaande bij overlijden.

    e. notariële akten bevattende schenkingsovereenkomsten of andere giften met de strekking dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever zullen worden uitgevoerd, bedingen als bedoeld in artikel 4.4.2.7b, tweede lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek en omzettingen als bedoeld in artikel 4.4.2.7b, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek;

    f. akten als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onder a tot en met e, van de Consulaire Wet die overeenkomstig de voorschriften van het Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse recht zijn opgemaakt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, aanhef, wordt «artikel 998» vervangen door: artikel 4.3.5.12b.

b. In het tweede lid, onder b, wordt «de artikelen 993–997» vervangen door: de artikelen 4.3.5.8 tot en met 4.3.5.12.

C

In artikel 5 wordt «artikel 998, eerste lid,» vervangen door: artikel 4.3.5.12b, eerste lid,.

ARTIKEL VIII

De Auteurswet 19128 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 25, tweede lid en vierde lid, tweede zin, vervallen telkens de woorden: of bij codicil.

ARTIKEL IX

In artikel 5, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten9 vervallen de woorden: of bij codicil.

HOOFDSTUK II. WIJZIGING VAN WETTEN OP HET TERREIN VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN

ARTIKEL I

De Successiewet 195610 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vervanging in het eerste lid, onder 1°, van de punt aan het slot van de eerste volzin door een puntkomma, vervalt de tweede volzin.

b. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat, alsmede de verkrijging ingevolge een overeenkomst met betrekking tot rentevergoeding als bedoeld in artikel 4.2A.1.1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek indien een dergelijke rentevergoeding binnen de met inachtneming van artikel 45 vastgestelde aangiftetermijn wordt overeengekomen. Hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.8, 4.2A.1.9 en 4.2A.1.10 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van deze wet niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht.

c. Het tot derde lid vernummerde tweede lid komt te luiden:

  • 3. Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 7.3.12, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 4.2A.1.6 van het Burgerlijk Wetboek.

d. Na het tot derde lid vernummerde tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 4.2A.1 van het Burgerlijk Wetboek geldvorderingen of wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als de geldvorderingen en wilsrechten, bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, onderscheidenlijk de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.8, 4.2A.1.9 en 4.2A.1.10 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 7 wordt de zinsnede «meer verblijft dan de helft in de gemeenschappelijke goederen» vervangen door: meer toekomt dan de helft der gemeenschap.

C

In artikel 8, derde lid, onder 2°, wordt de zinsnede «als executeur-testamentair of als bewindvoerder» vervangen door: als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder.

D

In artikel 9, tweede lid, wordt «testament» vervangen door: uiterste wil.

E

In artikel 16 wordt «artikel 288, tweede en derde lid, van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 4.4.4.1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

F

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen naar de waarde van die goederen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen.

b. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Bij verkrijging door de vervulling van een opschortende voorwaarde welke zich aansluit bij de ontbindende voorwaarde van het overlijden van een eerdere verkrijger, is voor de bepaling van de aard en waarde van het verkregene beslissend het tijdstip waarop het genot voor de verwachter aanvangt.

c. Na het negende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Een geldvordering als bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek alsmede, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek, een geldvordering als bedoeld in artikel 4.3.3.11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt in aanmerking genomen als een renteloze vordering, indien daarop het rentepercentage, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2A.1.1, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3.3.11c van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde geldvorderingen.

G

Aan artikel 30, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

De eerste volzin is niet van toepassing indien op de voet van artikel 4.2A.1.6 van het Burgerlijk Wetboek wordt afgezien van een wettelijke verdeling van de nalatenschap overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek.

H

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a. De woorden «fideï-commissair vermogen» worden vervangen door: vermogen verkregen onder een in artikel 21, tweede lid, bedoelde voorwaarde.

b. De woorden «krachtens het fideï-commissair verband» worden vervangen door: krachtens de vervulling van de voorwaarde.

I

Artikel 45, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden loopt niet gedurende de tijd dat de nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd. Indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding nadat eerst verwerping had plaatsgehad, van een afstand door een verkrijger onder een ontbindende voorwaarde als bedoeld in artikel 21, tweede lid, ten behoeve van de verwachters, van de uitoefening van een wilsrecht voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, dan wel ten gevolge van de toepassing van artikel 4.2A.2.5 van het Burgerlijk Wetboek, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden in op de dag waarop één van die gebeurtenissen plaatsvindt.

J

Artikel 53, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Behalve in de gevallen bij deze wet voorzien, wordt vermindering van de aanslag verleend, indien en voorzover ten gevolge van een beroep op de legitieme portie, van de vervulling van een voorwaarde, van de uitoefening van een op de wet berustend terugvorderingsrecht, van de toepassing van artikel 4.2A.2.5 van het Burgerlijk Wetboek of van de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging reeds bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, anders dan door opvolging krachtens een voorwaarde als bedoeld in artikel 21, tweede lid, wijziging wordt gebracht in de persoon van de verkrijger of in het verkregene. De eerste volzin is niet van toepassing bij de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.8, 4.2A.1.9 en 4.2A.1.10 van het Burgerlijk Wetboek.

K

Artikel 71, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «of het gebruik maken van het recht van beraad» vervalt.

b. Toegevoegd wordt een zin, luidende: De verplichtingen worden niet geschorst gedurende de in artikel 4.5.2.3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn.

L

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «Uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen» vervangen door: Executeurs van nalatenschappen.

b. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

c. In het tot tweede lid vernummerde derde lid wordt «Curators van onbeheerde nalatenschappen» vervangen door: Door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen.

M

In artikel 74, eerste lid, worden de woorden «de executeur-testamentair» vervangen door: de executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap.

N

Aan artikel 78, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:

De eerste en tweede volzin zijn niet van toepassing met betrekking tot geldvorderingen als bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, en artikel 4.3.3.11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL II

De Wet op belastingen van rechtsverkeer11 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Als verkrijging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, wordt niet aangemerkt hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.8, 4.2A.1.9 en 4.2A.1.10 van het Burgerlijk Wetboek.

B

Artikel 15, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel d wordt «artikel 1703 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 7.3.1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

b. onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel w door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

x. krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7, 4.2A.1.8, 4.2A.1.9 en 4.2A.1.10 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover de totale waarde van de verkrijging uit de nalatenschap niet meer bedraagt dan het bedrag van de geldvordering, bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met de rentevergoeding waarmee ingevolge artikel 1, tweede of vierde lid, van de Successiewet 1956 voor de heffing van het recht van successie rekening is gehouden. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft bij het bepalen van de waarde van een verkrijging een door de ouder of stiefouder op grond van artikel 4.2A.1.7, onderscheidenlijk artikel 4.2A.1.9, van het Burgerlijk Wetboek voorbehouden vruchtgebruik buiten beschouwing.

ARTIKEL III

De Registratiewet 197012 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Uiterste willen en de daarop of op omslagen daarvan gestelde aantekeningen, andere akten welke uitsluitend uiterste wilsbeschikkingen of de herroeping van uiterste wilsbeschikkingen inhouden, zomede akten van bewaargeving, superscriptie of teruggaaf van uiterste willen moeten door de notaris onder wie zij berusten, ter registratie worden aangeboden binnen een maand na de dag waarop het overlijden of de verklaring van vermoedelijk overlijden van de beschikker te zijner kennis is gekomen, met dien verstande dat deze termijn niet eerder aanvangt, dan met de dag, volgende op die waarop de akten onder de notaris zijn komen te berusten.

b. In het tweede lid wordt de zinsnede «artikel 982» vervangen door: artikel 4.3.5.7 van Boek 4.

ARTIKEL IV

De Algemene wet inzake rijksbelastingen13 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 44 wordt in het eerste lid aan het slot van de eerste zin de zinsnede «de executeur-testamentair of de bewindvoerder over de nalatenschap» vervangen door: de executeur, de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder over de nalatenschap.

ARTIKEL V

De Invorderingswet 199014wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 23 wordt de zinsnede «met fideï-commis bezwaarde goederen» vervangen door: goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit.

B

In artikel 47 wordt de zinsnede «Uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen» vervangen door: Executeurs en door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen.

HOOFDSTUK III. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

ARTIKEL I

De Wet van 1 mei 1925 tot herziening in het algemeen belang van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen (Stb. 174) wordt ingetrokken.

ARTIKEL II

De Kadasterwet15 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 27 komt te luiden:

Artikel 27
  • 1. Ter inschrijving van erfopvolgingen die registergoederen betreffen, wordt een verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek aangeboden, waaruit van de erfopvolging blijkt, dan wel een authentiek afschrift van die verklaring.

  • 2. Ter inschrijving van een executele, een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind of de benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap wordt een verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek aangeboden, waaruit van de executele, het bewind, onderscheidenlijk de benoeming blijkt, dan wel een authentiek afschrift van die verklaring. De eerste zin laat onverlet de mogelijkheid van inschrijving van de benoeming van een vereffenaar door inschrijving van de desbetreffende rechterlijke uitspraak.

  • 3. Ter inschrijving van een verkrijging door de Staat van registergoederen krachtens artikel 4.5.1.5b van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een verklaring van een notaris waarin deze vermeldt dat het registergoed door de Staat krachtens artikel 4.5.1.5b van dat wetboek is verkregen, dan wel een authentiek afschrift van die verklaring.

  • 4. Ter inschrijving van afgifte aan de Staat van registergoederen krachtens artikel 4.5.3.16a, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een verklaring van de vereffenaar waarin deze vermeldt op welk tijdstip het registergoed aan de Staat is afgegeven.

  • 5. Ter inschrijving van het verval aan de Staat van registergoederen of hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen krachtens artikel 4.5.3.16a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een verklaring van de Minister van Financiën, inhoudende dat tijdens het in dat artikel genoemde tijdvak van twintig jaren die goederen niet zijn opgeëist.

B

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28

Ter inschrijving van de aanvaarding van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving of de verwerping van een nalatenschap wordt een door de griffier getekend uittreksel uit het boedelregister aangeboden, inhoudende de verklaring betreffende de aanvaarding of de verwerping die krachtens artikel 4.5.2.2 van het Burgerlijk Wetboek in het boedelregister is ingeschreven.

C

Na artikel 37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 37a

Een notariële verklaring als bedoeld in de artikelen 26, 27, derde lid, 30, 31, onder b, juncto 26, eerste lid, 34, 35 en 36, wordt opgemaakt bij notariële akte.

ARTIKEL III

De Onteigeningswet16 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 45, tweede lid, worden de woorden «onteigening van fideicommissaire goederen» vervangen door: onteigening van goederen die zijn vermaakt onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende opschortende voorwaarde.

ARTIKEL IV

De Visserijwet17 wordt als volgt gewijzigd:

Aan het slot van artikel 34 wordt een zin toegevoegd, luidende: Is de nalatenschap ingevolge artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek verdeeld, dan loopt de overeenkomst gedurende de in de eerste zin bedoelde termijn met de echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater door.

ARTIKEL V

De Landinrichtingswet18 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 66, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste zin wordt achter «een verklaring van erfrecht» ingevoegd: als bedoeld in artikel 4.5.1.5a van het Burgerlijk Wetboek,.

b. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, luidende: Is de nalatenschap ingevolge artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek verdeeld, dan wordt met de in de vorige zin bedoelde eigenaar, onderscheidenlijk pachter, gelijkgesteld de in de verklaring van erfrecht genoemde echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater.

c. De aanhef van de derde zin komt te luiden: Is de nalatenschap niet in Nederland opengevallen, dan wordt de verklaring van erfrecht vervangen door een, door de ter plaatse bevoegde autoriteit opgestelde en ondertekende, verklaring houdende:.

d. In de derde zin, onderdeel d, worden de woorden «het testament» vervangen door: de uiterste wil.

ARTIKEL VI

De Wet op de lijkbezorging19 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 19, tweede lid, wordt de zinsnede «herroeping van een uiterste wilsbeschikking» vervangen door: herroeping van uiterste wilsbeschikkingen.

HOOFDSTUK IV. WIJZIGING VAN AANHANGIGE WETSVOORSTELLEN

ARTIKEL I

Met ingang van het tijdstip dat zowel deze wet wet zal zijn geworden als het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende wetsvoorstel 19 529 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tot wet is verheven, wordt artikel I van laatstgenoemde wet als volgt gewijzigd:

Aan artikel 7.17.2.5b wordt een zin toegevoegd, luidende:

Wanneer de nalatenschap van de verzekeringnemer ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

ARTIKEL II

Met ingang van het tijdstip dat zowel deze wet wet zal zijn geworden als het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende wetsvoorstel 26 85520 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, tot wet is verheven, wordt laatstgenoemde wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1.6.9, onder b, wordt de zinsnede «of de woonplaats van de executeur-testamentair» vervangen door: of de woonplaats van een executeur of door de rechtbank benoemde vereffenaar van de nalatenschap.

b. Artikel 2.4.4, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het derde lid kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van Boek 1 of van artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.

c. In artikel 3.2.6 vervalt het woord «mede» en wordt een zin toegevoegd, luidende: In afwijking van de eerste zin is in zaken die volgens afdeling 4.4.7 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende.

B

Artikel I, onderdeel M, komt te luiden:

M

Artikel 341 komt te luiden:

Artikel 341

Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de termijn voor het hoger beroep, kan het beroep door haar erfgenamen of rechtverkrijgenden nog worden ingesteld binnen drie maanden na het overlijden, of binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek.

C

Artikel I, onderdeel Y, wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 358, tweede lid, wordt met vernummering van het derde en vierde lid tot het vierde en vijfde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De termijn loopt in zaken die volgens afdeling 4.4.7 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de dag van de uitspraak, behoudens voor zover het niet verschenen belanghebbenden betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen onbekend waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de vorige zin bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de betekening van de beschikking of het tijdstip waarop de beschikking hun op andere wijze bekend geworden is. Hetzelfde geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een nalatenschap.

D

Artikel I, onderdeel GG, komt te luiden:

GG

Artikel 403, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In ieder geval kan het beroep nog worden ingesteld binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4.5.1.4 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL III

Met ingang van het tijdstip dat zowel deze wet wet zal zijn geworden als het bij koninklijke boodschap van 2 juni 1998 ingediende wetsvoorstel 26 089 tot vaststelling van titel 7.4 (Huur) van het Burgerlijk Wetboek, tot wet is verheven, wordt artikel I van laatstgenoemde wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel 229 lid 2 wordt na de woorden «kunnen zij» en voor de woorden «gedurende zes maanden» ingevoegd: , onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld,.

B

Aan artikel 230 lid 3 wordt een zin toegevoegd, luidende: De eerste zin is niet van toepassing indien de nalatenschap ingevolge artikel 4.2A.1.1 is verdeeld.

C

Het voorgestelde artikel 268 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 6 wordt na de tweede volzin een volzin toegevoegd, luidende: Wanneer de nalatenschap van de huurder ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

b. In lid 7 wordt de zinsnede «de erfgenamen bedoeld in lid 6» vervangen door: de erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of geregistreerde partner, bedoeld in lid 6,.

ARTIKEL IV

Met ingang van het tijdstip dat zowel deze wet wet zal zijn geworden als het bij koninklijke boodschap van 30 november 1999 ingediende wetsvoorstel 26 932 tot vaststelling van afdeling 7.4.6 van het Burgerlijk Wetboek (huur van bedrijfsruimte), tot wet is verheven, wordt artikel I van laatstgenoemde wet als volgt gewijzigd:

In artikel 302 wordt «de erfgenamen van de huurder» vervangen door: de erfgenamen van de huurder, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner,.

HOOFDSTUK V. OVERGANGSRECHT

ARTIKEL I

De artikelen 68a tot en met 75 en 79 tot en met 81 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de door deze wet aangebrachte wijzigingen in de wetgeving buiten de Boeken 3 tot en met 7 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL II

Met betrekking tot giften bij huwelijkse voorwaarden, gedaan ingevolge afdeling 3 van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zoals deze afdeling gold tot aan het tijdstip van in werking treden van deze wet, blijft artikel 62, tweede zin, van de Faillissementswet zoals deze bepaling gold tot aan het tijdstip van in werking treden van deze wet, van toepassing in faillissementen die na het in werking treden van deze wet worden uitgesproken alsmede in gevallen waarin de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen na het in werking treden van deze wet van toepassing is verklaard.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL I

  • 1. Deze wet, de Wet van 11 september 1969 tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 392) alsmede de Wet tot vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Artikel II, leden 2 tot en met 4, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid, van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte, vervallen.

  • 3. Onze Minister van Justitie kan deze wet en andere gedeelten van de Invoeringswetgeving betreffende Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek splitsen en samenvoegen tot de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 nieuw BW, zulks met de daartoe nodige vernummering.

  • 4. Onze Minister van Justitie stelt de nummering van de artikelen, afdelingen en titels van Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, zoals vastgesteld en gewijzigd bij de Wet van 11 september 1969 tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 392), de Wet tot vaststelling van titel 7.3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de opeenvolgende gedeelten van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, opnieuw vast, en brengt in die boeken en in de opeenvolgende gedeelten van de genoemde Invoeringswet voorkomende aanhalingen met de nummering in overeenstemming.

  • 5. Onze Minister van Justitie draagt er zorg voor dat de overeenkomstig het vierde lid bijgewerkte tekst van Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 en van de opeenvolgende gedeelten van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in het Staatsblad wordt geplaatst.

ARTIKEL II

Op het tijdstip, bedoeld in artikel I lid 1, treden tevens de artikelen 429a tot en met 429r van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking voor zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid of waarin de rechter op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve een beschikking geeft ingevolge het bij of krachtens Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde. Op dat tijdstip treedt met betrekking tot die zaken artikel 345 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering buiten werking.

ARTIKEL III

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 18 april 2002

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de drieëntwintigste mei 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

1 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 227.

2 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 maart 2002, Stb. 152.

3 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2002, Stb. 148.

4 Stb. 1893, 140, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 215.

5 Stb. 1999, 190, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

6 Stb. 1844, 39, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

7 Stb. 1977, 25, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1999, Stb. 190.

8 Stb. 1912, 308, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2002, Stb. 186.

9 Stb. 1993, 178, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 581.

10 Stb. 1984, 546, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 maart 2002, Stb. 152.

11 Stb. 1990, 422, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 januari 2002, Stb. 116.

12 Stb. 1970, 610, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 oktober 1998, Stb. 621.

13 Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 januari 2002, Stb. 53.

14 Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2001, Stb. 643.

15 Stb. 1996, 473, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 januari 2002, Stb. 116.

16 Stb. 1851, 125, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 januari 2002, Stb. 115.

17 Stb. 1999, 338, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 november 2001, Stb. 2002, 4.

18 Stb. 1985, 299, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

19 Stb. 1991, 133, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 april 2001, Stb. 194.

20 Stb. 2001, 580.


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 2000/2001, 27 245.

Handelingen II 2000/2001, blz. 5999.

Kamerstukken I 2000/2001, 27 245 (336); 2001/2002, 27 245 (113, 113a, 113b); (114c).

Handelingen I 2001/2002, blz. 1279–1280.