Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2002, 150AMvB

Besluit van 14 maart 2002, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 17 december 2001, nr. 5139506/01/6;

Gelet op de artikelen 37, 39 en 41 van de Wet op de rechtsbijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 2002, nr. W03.01.0685/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 4 maart 2002, nr. 5151725/02/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 20001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt komma door een komma aan het einde van «– de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure;» op een nieuwe regel toegevoegd:

– de Minister van Justitie in het kader van het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een beslissing te nemen met betrekking tot een verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 39 en 41 van de Vreemdelingenwet 2000;

B

In de bijlage wordt «– vreemdelingenrecht» onder «Bestuursrechtelijke zaken» vervangen door:

– vreemdelingenrecht algemeen 8

– asiel

– voornemen 7

– beroep 8

– hoger beroep 5

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 14 maart 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek

Uitgegeven de tweede april 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 veranderen de rechtsmomenten ten behoeve waarvan rechtsbijstand kan worden verleend. Daarbij gaat het om de voornemenregeling en het hoger beroep. Het voornemen heeft betrekking op het voornemen van de Minister van Justitie om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan af te wijzen (artikel 39 van de Vreemdelingenwet 2000). Tevens kan het voornemen betrekking hebben op de intrekking van de verblijfsvergunning (artikel 41 van de Vreemdelingenwet 2000). In al deze gevallen wordt de vreemdeling van dit voornemen op de hoogte gesteld. De vreemdeling kan alsdan zijn mening schriftelijk naar voren brengen. Vervolgens beslist de Minister van Justitie. Tegen deze beslissing staat beroep open (artikel 79 Vreemdelingenwet 2000).

Indien het onderhavige besluit niet wordt gewijzigd, zou ten behoeve van het vaststellen van de vergoeding voor het verlenen van rechtsbijstand aan de voornemenregeling én het beroep gezamenlijk 8 punten worden toegekend. Op grond van de oude regeling zou het voornemen immers als een advies worden aangemerkt, hetgeen betekent dat daarvoor 8 punten worden verstrekt. Zou vervolgens tegen de beslissing op dit voornemen in beroep worden gegaan dan wordt de voornemenregeling op grond van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand geacht tot de (beroeps)procedure te behoren met als gevolg dat voor de voornemenprocedure en het beroep gezamenlijk 8 punten worden verleend. Voor het hoger beroep ontvangt de advocaat vervolgens weer 8 punten.

Verwacht wordt dat de advocaat het grootste deel van de werkzaamheden verricht tijdens de voornemenprocedure en tijdens het beroep daartegen. Naar verwachting zal het aantal hoger beroepen relatief beperkt zijn. In het onderhavige besluit wordt de puntentoedeling op deze verwachting afgestemd. Daarbij is niet uitgegaan van drie maal 8 punten, aangezien daarmee geen recht wordt gedaan aan het uitgangspunt dat één punt gelijk staat met één uur werk. Wel is het daarmee in overeenstemming dat de beginfase beter wordt gehonoreerd dan het hoger beroep. Dit heeft geresulteerd in het toekennen van 15 punten aan het voornemen en het beroep gezamenlijk. In vergelijking met het oude recht is het aantal punten voor beide fasen gezamenlijk met 7 toegenomen. Immers hierboven is uiteengezet dat op grond van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand aan het voornemen en het beroep gezamenlijk 8 punten werden toegekend.

Aan het voornemen afzonderlijk worden 7 punten toegekend. Deze procedure kan qua werkbelasting gelijk worden gesteld met de vroeger gevoerde bezwaarprocedure. Onder de oude Vreemdelingenwet werd de bezwaarprocedure met 8 punten vergoed. Omdat bij procedures – waaronder de bezwaarprocedure gerekend wordt – over het algemeen een zitting voorkomt is dit gegeven forfaitair verdisconteerd in de vergoeding met 2 punten. Het voornemen kent in principe echter geen zittingen. Het is aannemelijk dat de overige werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener moet verrichten voor bezwaar en voornemen qua tijdsbesteding ongeveer met elkaar overeenkomen. Het is derhalve acceptabel het voornemen met 7 punten te vergoeden.

Het hoger beroep wordt op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 aangemerkt als een bestuursrechterlijke zaak op het terrein van het vreemdelingenrecht. Dergelijke zaken werden onder de oude regeling met 8 punten vergoed. Voor het hoger beroep geldt thans echter de verwachting dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de meeste zaken schriftelijk zal afdoen. Dit zou evenals bij het voornemen tot de conclusie kunnen leiden het hoger beroep eveneens met 7 punten te vergoeden. Daartegen zijn echter twee bezwaren.

Het instellen van hoger beroep heeft geen opschortende werking. In de praktijk zal waarschijnlijk in alle gevallen een voorlopige voorziening op grond van artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Awb worden aangevraagd bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Te verwachten is dat de voorzitter op grond van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 uitspraak doet zowel op een verzoek om voorlopige voorziening als in de hoofdzaak. In die gevallen zal bij de vaststelling van de vergoeding voor beide toevoegingen samen artikel 11 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 moeten worden toegepast. Ingevolge het derde lid van dit artikel is het aantal punten dat wegens samenhang wordt toegekend gelijk aan het aantal punten dat wordt toegekend aan het hoger beroep vermeerderd met 50%. De totale vergoeding wordt dan, uitgaande van 7 punten voor hoger beroep, 10,5 punten voor hoger beroep en de voorlopige voorziening samen.

Gezien de aard van de extra werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener moet verrichten voor de voorlopige voorziening lijkt 10,5 punten voor beide rechtsmomenten gezamenlijk te ruim. Het tweede bezwaar tegen de toekenning van 7 punten aan het hoger beroep, dus 10,5 punten voor het hoger beroep en de voorlopige voorziening, is het feit dat – zeker in verhouding tot de te verwachten werkzaamheden – niet het belang van de rechtzoekende, maar uitsluitend de hoogte van de vergoeding, een prikkel kan geven om door te procederen.

Met het oog op voornoemde bezwaren is in het onderhavige besluit bepaald dat het hoger beroep wordt gehonoreerd met 5 punten. Indien uit een nog op te starten monitoronderzoek blijkt dat de gemiddelde tijdbesteding in het hoger beroep ten gevolge van veel zittingen groter is, wordt bezien of een extra punt kan worden toegekend.

Samengevat komt dit erop neer dat de vergoeding voor het voornemen, het beroep en het hoger beroep (inclusief de voorlopige voorziening) wordt gebaseerd op respectievelijk 7, 8 en 7,5 punten.

De Nederlandse orde van advocaten is over de onderhavige wijziging geconsulteerd. De Orde sprak de voorkeur uit voor een betere honorering voor het voornemen en het beroep. Daarbij was hun voorstel het voornemen, het beroep en het hoger beroep (inclusief voorlopige voorziening) te waarderen met respectievelijk 8, 8 en 5 punten. Gelet op de hiervoor aangehaalde argumenten stemt dit niet overeen met de uitgangspunten van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, namelijk een reële vergoeding voor de gemiddelde te verrichten werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener. Het voorstel van de Nederlandse orde van advocaten is om die reden niet overgenomen. Wel is afgesproken met de Orde dat op grond van artikel 39 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 het mogelijk wordt om een extra punt toe te kennen aan het voornemen als de advocaat bereid is het voornemen te behandelen in een rechtsbijstandkantoor. Deze advocaten verrichten immers ten behoeve van het realiseren van de ketenstroomlijning extra inspanningen.

De vergoeding van de rechtsbijstand in asielzaken wordt betrokken bij de algemene monitoring van het vergoedingenstelsel. Niet uitgesloten is dat dit er te zijner tijd toe kan nopen de puntenwaardering aan te passen.

Hierboven is aangegeven dat onder het oude recht de vergoeding voor het voornemen, het beroep en het hoger beroep uitkomt op twee maal 8 punten. Daarbij werd aan het voornemen en het beroep gezamenlijk 8 punten toegekend. Het hoger beroep leverde ook 8 punten op. Deze waardering doet geen recht aan de feitelijke werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener verricht gedurende de voornemenprocedure en het beroep. Om tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit voor deze procedures een redelijke vergoeding te geven werd aan het voornemen en het beroep een toeslag van 6 punten gegeven, indien de rechtsbijstandverlener zowel het voornemen als het beroep had behandeld. Indien de zaak na afloop van het voornemen was beëindigd is de adviestoevoeging van 8 punten toegekend. Op deze wijze is uitsluitend ten voordele van de rechtsbijstandverlener van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 afgeweken.

Ter uitvoering van de voorhangprocedure als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de rechtsbijstand is een concept van het onderhavige besluit op 12 november 2001 aan de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal gezonden. De vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer heeft het concept voor kennisgeving aangenomen.

Tevens is het ontwerp gepubliceerd in de Staatscourant van 12 november 2001, nr. 219. Naar aanleiding van deze publicatie zijn geen reacties ontvangen.

Artikelsgewijs

ARTIKEL I

Het voornemen van de Minister van Justitie om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlenen van de geldigheidsduur daarvan af te wijzen of het voornemen om een verblijfsvergunning in te trekken wordt gelijk gesteld met een procedure. In de bijlage worden aan deze procedure 7 punten toegekend. Het beroep en het hoger beroep worden gehonoreerd met respectievelijk 8 en 5 punten.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek


XNoot
1

Stb. 1999, 580, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 december 2001, Stb. 614.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat zonder meer instemmend luidt.