Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2002, 140AMvB

Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van de formulieren, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 november 2001, nummer 5133202/01/6, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 7, 9 en 10 van de Wet op de lijkbezorging;

De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2001, nr. WO3.01.0611/l);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 februari 2002, nr. 5151602/02/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Het model-formulier van de mededeling van de behandelende arts aan de gemeentelijk lijkschouwer betreffende het overlijden ten gevolge van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, luidt als volgt:

Aan de gemeentelijk lijkschouwer der gemeente ;

De ondergetekende ,

arts te ;

verklaart te zijn behandelend arts van

(naam en voornamen voluit)

geboren op te ,

gewoond hebbende te , overleden op ;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart geen verklaring van overlijden af te geven;

verklaart dat de dood van de overledene is ingetreden ten gevolge van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek/het verlenen van hulp bij zelfdoding*;

verklaart in verband met dit overlijden wel/geen* schriftelijke wilsverklaring van de overledene te hebben ontvangen;

verklaart in verband met dit overlijden wel/geen* schriftelijke verklaring van een geconsulteerde arts te hebben ontvangen;

verklaart bij dit formulier te hebben overgelegd een verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, volgens het model in de Bijlage bij besluit houdende vaststelling van de formulieren, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek;

verklaart, indien ontvangen, de schriftelijke wilsverklaring van de overledene en de schriftelijke verklaring van de geconsulteerde arts te hebben overgelegd;

(datum) (ondertekening)

Krachtens artikel 6, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging is het de behandelende arts niet toegestaan als lijkschouwer op te treden, indien tussen hem en de overledene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of bestaat.

* doorhalen hetgeen niet van toepassing is

Artikel 2

Het model-formulier van de mededeling van de behandelende arts aan de gemeentelijke lijkschouwer betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak niet zijnde levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging, luidt als volgt:

Aan de gemeentelijke lijkschouwer der gemeente ;

De ondergetekende ,

arts te ;

verklaart te zijn behandelend arts van

(naam en voornamen voluit)

geboren op te ,

gewoond hebbende* te , overleden op ;

wonende* te ,

uit wie op , te ;

een zoon/dochter* dood is geboren;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart geen verklaring van overlijden af te geven;

verklaart dat de reden van het niet afgeven van de verklaring van overlijden niet is gelegen in de uitvoering van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding.

(datum) (ondertekening)

Krachtens artikel 6, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging is het de behandelende arts niet toegestaan als lijkschouwer op te treden, indien tussen hem en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of bestaat.

* doorhalen hetgeen niet van toepassing is

Artikel 3

Het model-formulier van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer aan de officier van justitie, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging, betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, luidt als volgt:

Aan de officier van justitie in het arrondissement

De ondergetekende ,

lijkschouwer der gemeente ;

verklaart gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het gebied van de geneeskunst te hebben verricht ten aanzien van:

naam

voornamen (voluit)

geboren op te ,

gewoond hebbende* te , overleden op ;

wonende* te ,

uit wie op , te

een zoon/dochter* dood is geboren;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; in verband waarmee hij de in artikel 14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gewaarschuwd;

Bijzonderheden:

(Datum) (Ondertekening)

Krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging is het de gemeentelijke lijkschouwer niet toegestaan als zodanig op te treden, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen deze en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of bestaat.

* Doorhalen hetgeen niet van toepassing is

Artikel 4

Het model-formulier van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer aan de regionale toetsingscommissie, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, betreffende het overlijden ten gevolge van de toepassing door een arts van levensbeëindiging op verzoek of het verlenen van hulp bij zelfdoding, luidt als volgt:

Aan de toetsingscommissie in de regio

De ondergetekende ,

lijkschouwer der gemeente ;

verklaart gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het gebied van de geneeskunst te hebben verricht ten aanzien van:

naam

voornamen (voluit)

geboren op te ,

gewoond hebbende te , overleden op ;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart dat de behandelend arts van de overledene hem heeft medegedeeld dat de dood is ingetreden ten gevolge van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek/ het verlenen van hulp bij zelfdoding*:

verklaart te hebben geverifieerd hoe en met welke middelen het leven is beëindigd;

verklaart van de behandelend arts te hebben ontvangen een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, volgens het model in de Bijlage, die een onderdeel vormt van dit besluit;

verklaart in dit verband van de behandelend arts met dit overlijden wel/geen* schriftelijke wilsverklaring van de overledene te hebben ontvangen;

verklaart in dit verband van de behandelend arts met dit overlijden wel/geen* schriftelijke verklaring van een geconsulteerde arts te hebben ontvangen;

verklaart bij dit formulier te hebben overgelegd een verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, en, indien ontvangen, de schriftelijke wilsverklaring van de overledene, en de schriftelijke verklaring van de geconsulteerde arts;

verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; in verband waarmee hij de in artikel 14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gewaarschuwd;

Bijzonderheden:

(Datum) (Ondertekening)

Krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging is het de gemeentelijke lijkschouwer niet toegestaan als zodanig op te treden, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen deze en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of bestaat.

* Doorhalen hetgeen niet van toepassing is

Artikel 5

In het Besluit op de lijkbezorging1 wordt in het eerste en tweede lid van artikel 2 na «bedoeld in artikel 9» telkens ingevoegd:, eerste lid,

Artikel 6

Het besluit van 19 november 1997, Stb. 550, houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, wordt ingetrokken.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 6 maart 2002

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de negentiende maart 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

BIJLAGE

MODELVERSLAG

VOOR DE BEHANDELENDE ARTS IN VERBAND MET EEN MELDING AAN DE GEMEENTELIJKE LIJKSCHOUWER VAN HET OVERLIJDEN ALS GEVOLG VAN DE TOEPASSING VAN LEVENSBEEINDIGING OP VERZOEK OF HULP BIJ ZELFDODING, BEDOELD IN ARTIKEL 7, TWEEDE LID

Bij melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van een niet-natuurlijke dood als gevolg van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding verstrekt de behandelende arts aan de gemeentelijke lijkschouwer een beredeneerd verslag dat is opgesteld volgens onderstaand model.

NOTA BENE: Opdat de toetsingscommissies een goed oordeel kunnen geven, wordt U verzocht de antwoorden op de gestelde vragen te motiveren. Daarbij kan nadere informatie in bijlagen een waardevolle bijdrage leveren. Indien de ruimte voor beantwoording van een vraag tekortschiet maakt U dan ook gebruik van een bijlage. Vergeet niet op de bijlage duidelijk aan te geven op welke vraag of vragen deze betrekking heeft.

GEGEVENS BETREFFENDE DE ARTS

Achternaam:

Voorletters: geslacht: M/V

Functie:

○ huisarts

○ verpleeghuisarts

○ specialist: (naam specialisme)

○ andere arts, namelijk

Instellingsnaam (voorzover van toepassing):

Werkadres:

Postcode/Plaats:

GEGEVENS BETREFFENDE DE OVERLEDENE

Achternaam:

Voorletters: geslacht: M/V

Leeftijd op moment van overlijden:

Gemeente waarin overleden:

Waar heeft het overlijden plaatsgevonden?

○ thuis

○ ziekenhuis

○ verpleeghuis

○ verzorgingshuis

○ anders, namelijk

I DE ZIEKTEGESCHIEDENIS

1. Aan welke aandoening(en) leed de patiënt en sinds wanneer?

2. Welke medische therapieën zijn beproefd?

3. Was genezing van de patiënt nog mogelijk?

4. Waarin bestond het lijden van de patiënt?

4a. Kan het lijden van patiënt als ondraaglijk worden aangemerkt? (a.u.b. uw antwoord motiveren).

4b. Kan het lijden van patiënt als uitzichtloos worden aangemerkt? (a.u.b. uw antwoord motiveren).

5a. Wat is er op het gebied van palliatie gedaan?

5b. En wat was daarvan het resultaat?

5c. Waren er nog (andere) mogelijkheden om het lijden van patiënt te verlichten?

5d. Zo ja, hoe stond de patiënt tegenover deze alternatieven?

6. Op welke termijn werd naar schatting het overlijden verwacht indien niet tot levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding was overgegaan?

7. Op welke wijze is de patiënt voorgelicht over het ziekteproces (huidige situatie, verloop, de prognose enz.) ?

II VERZOEK TOT LEVENSBEËINDIGING OF HULP BIJ ZELFDODING

7a. Wanneer heeft de patiënt voor het eerst concreet om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding verzocht?

7b. Wanneer is dit verzoek herhaald?

7c. Ten overstaan van wie werd dit verzoek geuit?

7d. In het bijzijn van wie werd dit verzoek geuit?

8. Is al eerder over levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding gesproken? Zo ja, in welk verband?

9a. Is een schriftelijke wilsverklaring aanwezig?

9b. Zo ja, van welke datum? (svp. deze verklaring bij het verslag voegen)

9c. Weet u of de patiënt al eerder een wilsverklaring heeft opgesteld? Zo ja, hoe vaak en van welke datum?

9d. Indien er geen schriftelijke wilsverklaring is, wat is daarvan de reden?

10. Zijn er aanwijzingen dat het verzoek door de patiënt is geuit onder druk of invloed van anderen?

11. Was de patiënt zich ten tijde van het verzoek ten volle bewust van de strekking van zijn/haar verzoek en van zijn/haar lichamelijke situatie?

11a. Uit welke omstandigheden kan dat worden opgemaakt?

NB: Levensbeëindigend handelen ten aanzien van patiënten wier lijden van psychische oorsprong is en niet in een medische context geplaatst kan worden, alsmede patiënten wier vermogen tot het uiten van een weloverwogen verzoek gestoord geweest kan zijn, bijvoorbeeld als gevolg van een depressie of dementie, behoort te worden gemeld volgens de procedure voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek. Volgens die procedure behoort ook de melding van levensbeëindigend handelen ten aanzien van minderjarige patiënten die jonger zijn dan twaalf jaar plaats te vinden.

12a. Is er over de levensbeëindiging overleg geweest met verplegend of verzorgend personeel?

12b. Zo ja, met wie en wat waren hun opvattingen?

12c. Zo nee, waarom niet?

13a. Heeft u over de levensbeëindiging overleg gehad met naasten?

13b. Zo ja, met wie en wat waren hun opvattingen?

13c. Zo nee, waarom niet?

III CONSULTATIE

14. Welke arts(en) is/zijn geraadpleegd?

15a. Wat is/zijn hun hoedanighe(i)d(en)?

○ huisarts

○ scen-arts

○ specialist

○ anders, nl.

15b. Was/waren deze medebehandelaar?

15c. Wat is/zijn hun verhouding tot u?

15d. Heeft de geraadpleegde arts een familieband met de patiënt

16. Wanneer heeft/hebben de geraadpleegde arts(en) de patiënt gezien?

17. NB: U wordt verzocht het schriftelijk verslag van de geconsulteerde arts(en) betreffende zijn/hun oordeel met betrekking tot

a. de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt;

b. de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek van de patiënt;

c. de voorlichting aan de patient over diens vooruitzichten;

d. de overtuiging dat geen redelijke andere oplossing meer aanwezig was;

e. zijn/hun relatie met de patiënt en de arts,

bij dit verslag te voegen.

IV DE UITVOERING VAN DE LEVENSBEËINDIGING OP VERZOEK OF DE HULP BIJ ZELFDODING

18a. Kruis aan:

Was sprake van:

○ levensbeëindiging op verzoek (ga naar vraag 18b.)

of

○ hulp bij zelfdoding?

18b. Door wie werd de levensbeëindiging op verzoek feitelijk toegepast?

19. Met welke middelen en op welke wijze werd het leven beëindigd?

20. Wie waren, behalve uzelf, bij de levensbeëindiging aanwezig?

V OVERIGE OPMERKINGEN

22. Zijn er nog punten die u onder de aandacht van de regionale toetsingscommissie wilt brengen en die u bij de beantwoording van de vragen niet kwijt kon?

Datum: Handtekening:

Naam:

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is euthanasie en hulp bij zelfdoding niet strafbaar, indien de arts de zorgvuldigheidseisen, die in die wet zijn genoemd, in acht heeft genomen. Bovendien moet zijn handelwijze zijn gemeld aan de gemeentelijke lijkschouwer. Deze melding moet door de behandelend arts op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging door middel van een speciaal formulier worden gedaan. De gemeentelijke lijkschouwer meldt op grond van artikel 10, tweede lid, van laatstgenoemde wet op zijn beurt op een speciaal formulier de levensbeëindigende handeling aan de toetsingscommissie.

Vroeger werd euthanasie of hulp bij zelfdoding gemeld aan de toetsingscommissie. De toetsingscommissie zond het dossier aan het College van procureurs-generaal met daarbij een advies over de toepassing van de zorgvuldigheidsnormen. Het openbaar ministerie oordeelde of tot vervolging werd overgegaan. Op grond van de huidige regeling spreekt de toetsingscommissie min of meer een eindoordeel uit. Luidt het oordeel ten aanzien van de toepassing van de zorgvuldigheidsnormen positief, dan is de arts niet strafbaar en komt het openbaar ministerie er niet aan te pas. Pas als het oordeel negatief is, wordt de zaak doorgezonden naar het openbaar ministerie, die vervolgens alsnog beslist over de vervolging. Bij een negatief oordeel wordt de zaak ook naar de regionaal inspecteur voor de gezondheidszorg gezonden.

De hierboven geschetste verandering in de procedure ten aanzien van levensbeëindigend handelen noodzaakt tot aanpassing van de reeds bestaande formulieren. In het onderhavige besluit wordt in modellen van die formulieren voorzien. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de reeds bestaande model-formulieren.

Uit een oogpunt van overzichtelijkheid is ervoor gekozen om in het onderhavige besluit alle model-formulieren die betrekking hebben op een niet-natuurlijke dood niet zijnde levensbeëindiging niet op verzoek op te nemen. Om die reden kan het Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (Stb. 550), worden ingetrokken.

Aan de regionale toetsingscommissies en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (de KNMG) is advies gevraagd over een concept van het besluit. Dit heeft geleid tot een aanpassing van de model-formulieren. De KNMG heeft voorgesteld om het beredeneerd verslag van de arts in zijn geheel te herzien. Met het oog op het opdoen van de nodige ervaringen is hiervan voorlopig afgezien. Wel ligt het in de bedoeling om een werkgroep in het leven te roepen die zich gaat buigen over de vraag of, en zo ja, hoe het beredeneerd verslag wordt herzien.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In het eerste lid van artikel 7 van de Wet op de lijkbezorging wordt bepaald dat degene die de schouwing heeft verricht een verklaring van overlijden afgeeft, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. In het tweede lid wordt bepaald dat de behandelende arts ingeval van euthanasie of hulp bij zelfdodinggeen verklaring van overlijden afgeeft. Het betreft hier immers geen overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Op grond van de oude regeling was de behandelende arts slechts gehouden een niet-natuurlijke dood onverwijld mee te delen aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. In de nieuwe regeling is aan deze mededeling een formulier verbonden. Ingeval van euthanasie of hulp bij zelfdoding doet de behandelende arts door invulling van een formulier mededeling daarvan aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Het model van dit formulier is in artikel 1 opgenomen. Aangezien bij de mededeling het beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen moet worden gevoegd, wordt in het modelformulier gevraagd naar dit verslag alsmede naar de bij dit verslag behorende schriftelijke bescheiden, waaronder de schriftelijke wilsverklaring en het schriftelijk verslag van de consulent.

Artikel 2

In artikel 7, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging, is bepaald dat ook een niet-natuurlijke dood, niet zijnde euthanasie of hulp bij zelfdoding, door de behandelende arts door invulling van een formulier moet worden medegedeeld aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Een model van dit formulier is weergegeven in artikel 2. Opdat de behandelende arts zich niet vergist in het betreffende formulier moet in het onderhavige formulier expliciet verklaard worden dat de niet-natuurlijke dood niet als oorzaak heeft euthanasie of hulp bij zelfdoding. Immers in dat geval moet het formulier, vermeld in artikel 1, worden ingevuld.

Artikel 3

Artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging is qua strekking gelijk aan het voorheen geldende artikel 10. Wel is aan het nieuwe artikel 10 toegevoegd dat de gemeentelijke lijkschouwer mededeling doet van de euthanasie of de hulp bij zelfdoding aan de regionale toetsingscommissie.

In het eerste lid van artikel 10 wordt bepaald dat de gemeentelijke lijkschouwer door invulling van een formulier aan de officier van justitie meldt dat hij geen verklaring van overlijden heeft afgegeven. De gemeentelijke lijkschouwer geeft geen verklaring van overlijden af, indien de dood een niet-natuurlijke oorzaak heeft. Dit kan zijn euthanasie of hulp bij zelfdoding alsmede bijvoorbeeld een ongeval. In het formulier hoeft niet zonder meer melding gemaakt te worden van het feit dat de oorzaak euthanasie of hulp bij zelfdoding is. Het is immers niet langer de officier van justitie die de zorgvuldigheidseisen in eerste instantie beoordeelt, maar de regionale toetsingscommissie. Dit is alleen dan anders als de gemeentelijke lijkschouwer de officier van justitie in kennis stelt van ernstige onregelmatigheden bij de melding van een niet-natuurlijke dood of een derde aangifte doet van een strafbaar feit. In deze gevallen geldt het oordeel van de toetsingscommissie niet meer als eindoordeel maar als voorlopig oordeel. In het vak «bijzonderheden» kan de gemeentelijke lijkschouwer melding maken van bijvoorbeeld geconstateerde onregelmatigheden.

Evenals vroeger zal de officier van justitie met een vermelding euthanasie of hulp bij zelfdoding, behoudens de hiervoor geschetste situaties, niets doen, aangezien de regionale toetsingscommissie daarover oordeelt.

Het formulier voor de melding van een niet-natuurlijke dood is bijna gelijkluidend aan het formulier, bedoeld in artikel 1 van het Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (Stb. 550). Het enige verschil is dat laatstbedoeld formulier geen betrekking had op euthanasie of hulp bij zelfdoding. Deze doodsoorzaak moest op een apart formulier,opgenomen in artikel 2 van dat besluit, aan de officier van justitie gemeld worden. Een aparte melding is, zoals hierboven is aangegeven, thans niet meer nodig.

Artikel 4

In artikel 4 is een model-formulier opgenomen voor de melding van euthanasie of hulp bij zelfdoding door de gemeentelijke lijkschouwer aan de regionale toetsingscommissie. Dit formulier is wat betreft de inhoud gelijk aan het oude formulier waarin de levensbeëindigende handeling werd gemeld aan de officier van justitie.

Artikel 5

In artikel 5 wordt artikel 2 van het Besluit op de lijkbezorging technisch aangepast.

Artikel 6

Aangezien in het onderhavige besluit alle noodzakelijke modellen van formulieren ingeval van een niet-natuurlijke dood zijn opgenomen kan het Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (Stb. 550) worden ingetrokken.

Bijlage

In de bijlage is het modelverslag voor de behandelende arts in verband met een melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van het overlijden als gevolg van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding opgenomen.

Het modelverslag, zoals opgenomen in het Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (Stb. 550), is in zijn geheel overgenomen. Op basis van de ervaringen van de regionale toetsingscommissies is een aantal vragen opnieuw geformuleerd. Verder zijn aan sommige vragen deelvragen toegevoegd. Deze aanvullingen zijn de belangrijkste wijzigingen ten aanzien van het oude modelverslag. Zo is aan de vraag waarin het lijden van de patiënt bestond (vraag 4) toegevoegd of dit lijden als uitzichtloos en als ondraaglijk kan worden aangemerkt. Vraag 15d gaat in op de mogelijke familieband tussen de consulent en de patiënt.

Daarnaast zijn er nieuwe vragen toegevoegd aan het modelverslag. In vraag 5a wordt specifiek gevraagd naar de toepassing van palliatieve zorg. Vraag 7 gaat over de wijze van voorlichting over het ziekteproces. Vraag 8 betreft de vraag of al eerder met de patiënt over levensbeëindigend handelen is gesproken.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XNoot
1

Stb. 1997, 647, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1998, Stb. 340.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 2002, nr. 68.