Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2002, 138AMvB

Besluit van 4 maart 2002 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO (Regres en premievermindering WAO)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 7 september 2001, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/AVF/2001/58585;

Gelet op artikel 78, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering;

De Raad van State gehoord (advies van 31 januari 2002, No.W12.01.0477/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 27 februari 2002, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/W&F/2002/8564;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I. Wijziging Besluit premiedifferentiatie WAO

Het Besluit premiedifferentiatie WAO1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt vervangen door:

Artikel 6. Regres en premievermindering

  • 1. Indien blijkt dat een in artikel 4, tweede lid, bedoelde arbeids-ongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien, het in artikel 4, tweede lid, bedoelde totaalbedrag verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 2. Indien de in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde schadevergoeding is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een tijdvak van vijf jaren, het in artikel 4, tweede lid, bedoelde totaalbedrag verminderd met een compensatiebedrag.

  • 3. Het in het tweede lid bedoelde compensatiebedrag wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende vijf jaar te vermenigvuldigen met een getal dat is verkregen door het bedrag van de in het tweede lid bedoelde schadevergoeding te delen door het loon over het tijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het getal bedoeld in de eerste zin bedraagt niet meer dan 1.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde, bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet, het in het tweede lid bedoelde compensatiebedrag vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met een getal dat is verkregen door het bedrag van het ontvangen verhaal dat is verkregen op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld.

  • 5. De uitkomst van de in het derde en vierde lid bedoelde berekening wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

  • 6. Indien voor een kleine werkgever het door toepassing van het eerste of tweede lid verkregen percentage lager is dan de minimumpremie, wordt dit percentage vermeerderd met de minimumpremie. Indien deze vermeerdering leidt tot een percentage dat hoger is dan de minimumpremie, wordt dit percentage vastgesteld op de minimumpremie.

B

In artikel 9, tweede lid, wordt «artikel 6, onderdeel a,» vervangen door: artikel 6.

C

Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Artikel 6, tweede, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde ingaat op of na 1 januari 2002.

Artikel II. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 4 maart 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de negentiende maart 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Inleiding

Op grond van artikel 90, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) voor de op grond van de WAO gemaakte kosten, een verhaalsrecht op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijke recht tot schadevergoeding verplicht is (regresrecht). Sinds de invoering van premiedifferentiatie in de WAO, krijgen werkgevers die geen eigenrisicodrager zijn, een opslag op de WAO-premie opgelegd bij arbeidsongeschiktheid van hun werknemers. Het wordt als onbillijk ervaren dat, als het UWV de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkering kan verhalen, de werkgevers niettemin deze premie-opslag moeten betalen. Met de voorliggende wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt geregeld dat het individuele werkgeversrisico verlaagd wordt naar de mate waarin de werkgever met succes regres heeft genomen voor zijn loondoorbetalingsverplichting.

Uitwerking van de regeling

In de praktijk zal het soms enkele jaren duren voordat bekend is of, en in welke mate het UWV regres heeft kunnen nemen voor de WAO-lasten. Omdat het als onwenselijk wordt ervaren dat de werkgever pas na afronding van de verhaalsprocedure in verband met de WAO-lasten, gecompenseerd zou worden voor deze WAO-lasten, is geregeld dat de werkgever al in een eerder stadium gecompenseerd kan worden, door een verlaging van de gedifferentieerde WAO-premie, naar de mate waarin hij er in geslaagd is om de lasten te verhalen die samenhangen met de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte.

Uitgangspunt van de regeling is dus dat de verlaging van de gedifferentieerde WAO-premie plaats vindt onder de voorwaarde dat de werkgever zelf regres genomen heeft voor zijn loondoorbetalingsverplichting in het eerste ziektejaar en dat door de werkgever ook daadwerkelijk het gedeclareerde bedrag, geheel of gedeeltelijk, ontvangen is in verband met dit regres. De voorwaarde dat de werkgever zelf regres moet nemen, past in het denken dat de werkgever een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de ziekte en arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Voorts wordt met deze koppeling voorkomen dat de werkgever, zonder zelf de moeite te hebben genomen regres te nemen, bezwaar zal instellen tegen de beslissing van het UWV af te zien van het nemen van regres, vanwege bijvoorbeeld het procesrisico. Het daadwerkelijk door de werkgever ontvangen bedrag in verband met regres vormt zo het uitgangspunt voor de berekening van de verlaging van de gedifferentieerde premie. Als er door de werkgever geen bedrag is ontvangen in verband met regres of er geen regres is genomen, bijvoorbeeld in verband met de proceskosten, kan die verlaging niet plaats vinden. Het onder die omstandigheden wel verlagen van de gedifferentieerde premie zou er toe kunnen leiden dat werkgevers, in samenspraak met een derde waarvan bijvoorbeeld bij voorbaat al vaststaat dat deze insolvent is, die derde aansprakelijk stellen om zo in aanmerking te komen voor de verlaging.

Door de compensatie afhankelijk te maken van hetgeen de werkgever daadwerkelijk in verband met regres heeft ontvangen, wordt bereikt dat deze compensatie in overeenstemming is met hetgeen het UWV naar verwachting aan arbeidsongeschiktheidslasten zal kunnen verhalen. Het is bijvoorbeeld niet aannemelijk dat het UWV de arbeidsongeschiktheidslasten kan verhalen indien de werkgever daarin eerder niet geslaagd is ten aanzien van de loondoorbetalingskosten, bijvoorbeeld vanwege insolventie van de aansprakelijk gestelde derde.

Bij de berekening van de verlaging van de gedifferentieerde premie moet dus eerst worden vastgesteld welk deel van het loon, dat in verband met de verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte in het eerste ziektejaar is betaald, met succes verhaald is door de werkgever of door de verzekeraar bij wie de werkgever het risico van de loondoorbetaling bij ziekte verzekerd heeft. Door wie de schadevergoeding is ontvangen is daarbij niet van belang. Dat wil zeggen ook indien de verzekeraar de schadevergoeding van de veroorzakende partij heeft ontvangen, wordt de werkgever gecompenseerd. In de schadevergoeding zal, naast een vergoeding van de loondoorbetalingskosten, veelal ook de wettelijke rente en een vergoeding voor de afwikkelingskosten opgenomen zijn. Deze laatste bedragen worden buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de mate waarin de werkgever er in geslaagd is het loon te verhalen. Het UWV zal toetsen of het bedrag ook feitelijk door de werkgever of zijn verzekeraar is ontvangen en of niet sprake is van bijvoorbeeld een voorschot dat door de verzekeraar betaald is, vooruitlopend op de definitieve vaststelling en betaling van de schade.

Bij de vaststelling van de mate waarin de werkgever gecompenseerd zal worden, wordt vervolgens de berekening in artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO als uitgangspunt genomen. In dit artikel is geregeld dat het totaalbedrag van de arbeidsongeschiktheidslasten die ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas, uitgangspunt vormen bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage.

Het totaalbedrag van de arbeidsongeschiktheidslasten wordt verminderd met een compensatiebedrag. Dit compensatiebedrag wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer, jaarlijks gedurende vijf jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het ontvangen schadebedrag te delen door de loondoorbetalingskosten. In het voorbeeld dat de werkgever 70% van zijn loondoorbetalingslasten wist te verhalen, zal het UWV dus 70% van de arbeidsongeschiktheidslasten van de individuele werknemer in mindering brengen op de arbeidsongeschiktheidslasten.

Het UWV brengt de lasten ten gunste van het saldo van arbeidsongeschiktheidslasten van deze werkgever, in het jaar waarin het regres in verband met de loondoorbetalingsverplichting met succes is afgerond. Dit is het systeem dat ook al gevolgd wordt bij de herziening en intrekking van uitkeringen achteraf. Bij de intrekking van uitkeringen komen de verminderde arbeidsongeschiktheidslasten in het daaropvolgende jaar tot uitdrukking in de premie. De werkgever kan daardoor zelfs een negatieve premie opgelegd krijgen. Voor de kleine werkgever geld het premiepercentage berekend met inachtneming van de arbeidsongeschiktheidslasten die in mindering gebracht worden, vermeerderd met de minimumpremie. Dit hangt samen met het feit dat de gedifferentieerde WAO-premie voor kleine werkgevers gebonden is aan een maximum en een minimum. De grote werkgever krijgt de voor hem berekende premie opgelegd zonder bijtelling van de minimumpremie. De reeds over voorgaande jaren uitgereikte premienota's blijven in deze systematiek in stand.

In die gevallen waarin de werkgever geen regres kan nemen omdat hij geen loondoorbetalingsverplichting heeft (de ZW-vangnetgevallen), wordt de werkgever gecompenseerd na succesvol regres nemen door het UWV voor de ZW. De compensatie vindt plaats volgens dezelfde systematiek als voor de werkgevers met een loondoorbetalingsverplichting, dus naar de mate waarin het UWV de ZW-uitkeringslasten heeft weten te verhalen. Dit laat overigens onverlet dat het UWV de bevoegdheid heeft om een eigen afweging te maken over het al dan niet nemen van regres. Indien bijvoorbeeld de procesrisico's daartoe aanleiding geven, kan het UWV er van afzien om regres nemen voor de ZW of de WAO.

Administratieve lasten en gevolgen rechterlijke macht

Werkgevers die de kosten samenhangend met de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte verhalen op een derde, kunnen, voorzover zij geen eigenrisicodrager zijn, een beroep doen op de onderhavige regeling indien de betrokken werknemer is doorgestroomd naar de WAO. In 2000 werden circa 3300 regreszaken door de uitvoeringsinstellingen in behandeling genomen, waarvan er circa 100 met succes werden afgerond. Aangenomen mag worden dat het aantal regreszaken dat door werkgevers wordt aangespannen om de loondoorbetalingskosten te verhalen op een derde, in dezelfde orde van grootte ligt. Er vanuit gaande dat werkgevers even succesvol zijn in hun regreszaken als het UWV, betekent dit dat werkgevers nu in circa 100 à 400 gevallen per jaar met succes regres halen voor hun loondoorbetalingsverplichting.

Bij de beoordeling van de administratieve lasten, die samenhangen met de voorliggende wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO, moet worden opgemerkt dat sprake is van een regeling die voor de betrokken werkgevers gunstiger uitpakt dan voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit het geval was. De werkgever zal bij de beslissing of hij het UWV verzoekt om zijn individuele werkgeversrisico te verlagen met een compensatiebedrag, een afweging kunnen maken tussen de baten enerzijds en de administratieve lasten anderzijds. Een verzoek tot verlaging van het individuele werkgeversrisico met het compensatiebedrag zal vergezeld moeten gaan van bewijsstukken waaruit blijkt hoe hoog de loondoorbetalingskosten van de werkgever zijn en welk bedrag terzake is verhaald op een derde partij. Het UWV zal op basis van deze gegevens een berekening kunnen maken van het compensatiebedrag en de doorwerking in de gedifferentieerde WAO-premie. De administratieve lasten zijn berekend op circa € 60 per individueel geval en zijn in relatie tot de financiële voordelen gering. In totaal zullen de administratieve lasten voor alle werkgevers toenemen met tussen de € 6000 en € 24 000.

Het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) heeft vastgesteld dat hiermee sprake is van een beperkte toename van de administratieve lastendruk. Het college vraagt zich voorts af of geen alternatieven overwogen zijn die mogelijk minder administratieve lasten met zich mee brengen. Ter voorbereiding van dit besluit zijn verschillende varianten nader onderzocht. In alle varianten moet de werkgever ten minste een aanvraag voor premieverlaging indienen en aantonen dat een derde aansprakelijk is voor de loondoorbetalingskosten. Dit impliceert dat de administratieve lasten van deze varianten in dezelfde orde van grootte zullen liggen.

Naar verwachting zullen de gevolgen van de regeling voor de rechterlijke macht gering zijn omdat werkgevers ook nu al regres nemen voor hun loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Het is niet te verwachten dat er een grote toename van werkgevers zal zijn die nu geen regres halen voor hun loondoorbetalingsverplichting en dat straks wel gaan doen vanwege de compensatie in de gedifferentieerde premie. Immers, de compensatie komt pas na verloop van tijd in de gedifferentieerde WAO-premie tot uitdrukking. Voorzover er al een toename is van werkgevers die regres halen voor hun loondoorbetalingsverplichting, zal slechts een deel niet tot overeenstemming komen met (de verzekeraar van) de derde partij en er toe overgaan om regres te nemen via de rechter.

De regeling inzake het meedelen in regres werkt terug tot en met 1 januari 2002 voor die gevallen waarin de WAO-uitkering na de datum van 1 januari 2002 is ingegaan. Er is niet voor gekozen om die regeling betrekking te laten hebben op WAO-uitkeringen die voor de inwerkingtreding van de regeling zijn ingegaan, omdat dit een registratie met terugwerkende kracht betekent van uitkeringen, waarop het regres betrekking heeft. De automatisering van het UWV is hier niet op ingericht, waardoor dit handmatig zou moeten geschieden hetgeen een te grote belasting voor het UWV zou betekenen.

Op termijn zal worden bezien in hoeverre de regeling voldoet en tegemoet komt aan de bezwaren van werkgevers. Hiertoe zal de regeling worden geëvalueerd.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

Stb. 1997, 338, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 687.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 2002, nr. 68.