Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2001, 700AMvB

Besluit van 17 december 2001 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten mede in het kader van het Belastingplan 2002

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 15 november 2001, nr. WDB 2001/659M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 6.16 en 6.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 15, 15a en 35c van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 5, 6, 9 en 29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 28 van de Invorderingswet 1990 en hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001;

De Raad van State gehoord (advies van 30 november 2001, nr. W06.01.0605/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2001; nr. WDB2001/724U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 20011 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, wordt «6.25» vervangen door: 6.16, 6.25.

B. Artikel 20 wordt vervangen door:

Artikel 20 Definities ernstig gehandicapt en zorgafhankelijk

  • 1. Voor de toepassing van de artikelen 6.16 en 6.25 van de wet wordt iemand als ernstig gehandicapt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde intramurale inrichting.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 6.16 van de wet wordt iemand als zorgafhankelijk beschouwd indien hij, zo hij niet bij de belastingplichtige zou inwonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp of verzorging in een verzorgingsinrichting of verpleeginrichting.

C. Na artikel 25 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25a Overgangsbepaling vermenigvuldigingsfactoren buitengewone uitgaven

Indien bij de berekening van het inkomen in het jaar 2000 van de belastingplichtige of dat van zijn partner uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn gekomen en bij de berekening van het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige of dat van zijn partner in het jaar 2001 buitengewone uitgaven in aanmerking zijn gekomen, worden, voor het jaar 2002 voor de toepassing van artikel 6.24, tweede lid, onderdeel b, van de wet, in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het inkomen uit werk en woning buitengewone uitgaven geacht in aanmerking te zijn gekomen.

ARTIKEL II

Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 19652 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «34 en 35c» vervangen door: 34, 35, 35f, 35g en 35n.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door: Wet op de loonbelasting 1964.

3. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. gezelschap: een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als artiest in Nederland optreden of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen.

B. In artikel 9, eerste lid, onderdeel a, wordt «regelmatig genoten loon» vervangen door: loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

C. In artikel 10f, eerste lid, wordt «artikel 15» vervangen door: artikel 15b.

D. Het opschrift van Hoofdstuk 6 wordt vervangen door:

Belastingheffing van artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen (hoofdstuk VII en VIIA van de wet)

E. Artikel 12a wordt vervangen door:

Artikel 12a

  • 1. De in artikel 35, vierde lid, van de wet bedoelde kostenvergoedingsbeschikking kan betrekking hebben op een artiest of beroepssporter (individuele kostenvergoedingsbeschikking), dan wel op een gezelschap (gezelschapskostenvergoedingsbeschikking). De in artikel 35g, vierde lid, van de wet bedoelde kostenvergoedingsbeschikking is een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking.

  • 2. De individuele kostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen, door de artiest of de beroepssporter.

  • 3. De gezelschapskostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen, door het gezelschap of de leden van het gezelschap.

  • 4. Een verzoek om een kostenvergoedingsbeschikking kan bij de inspecteur worden ingediend door:

    a. voorafgaande aan een optreden of sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen: de artiest, de beroepssporter, de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dan wel de inhoudingsplichtige;

    b. uiterlijk een maand na afloop van een optreden of sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen: de inhoudingsplichtige.

  • 5. De inspecteur kan op eigen initiatief dan wel op initiatief van degene die heeft verzocht om de kostenvergoedingsbeschikking, deze intrekken of vervangen door een andere kostenvergoedingsbeschikking.

  • 6. De inhoudingsplichtige neemt een kostenvergoedingsbeschikking slechts in aanmerking indien hij beschikt over een kopie daarvan en deze bij de loonadministratie bewaart. De inhoudingsplichtige neemt een individuele kostenvergoedingsbeschikking niet in aanmerking indien hij met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening beschikt over een kopie van een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking voor een gezelschap waartoe de artiest of beroepssporter behoort.

  • 7. Indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening niet beschikt over een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking, wordt hij geacht te beschikken over:

    a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot een bedrag van € 136 per optreden of sportbeoefening;

    b. in het geval van een gezelschap: een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot een bedrag van € 136 per optreden of sportbeoefening, vermenigvuldigd met het aantal leden van het gezelschap.

  • 8. Indien zulks door of namens de artiest of beroepssporter dan wel het gezelschap wordt aangegeven, wordt het in het zevende lid, onderdeel a of b, genoemde bedrag van € 136 per optreden of sportbeoefening, vervangen door een lager bedrag of blijft toepassing van het zevende lid achterwege.

  • 9. Een verzoek als bedoeld in het vierde lid bevat ten minste:

    a. indien het wordt ingediend door een in Nederland wonende artiest, beroepssporter of leider dan wel vertegenwoordiger van een buitenlands gezelschap dan wel een inhoudingsplichtige: zijn naam, adres, woonplaats en sociaal-fiscaal nummer;

    b. indien het wordt ingediend door een niet in Nederland wonende artiest, beroepssporter of leider dan wel vertegenwoordiger van een buitenlands gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de wet: zijn naam, adres, woonplaats, woonland en geboortedatum;

    c. indien het wordt ingediend door een inhoudingsplichtige: zijn naam, adres, woonplaats en het loonbelastingnummer, alsmede – bij een verzoek voor een artiest of beroepssporter – de naam, adres, woonplaats en, indien deze in Nederland woont, het sociaal-fiscaalnummer, en – bij een verzoek voor een gezelschap – de naam, adres, woonplaats en, indien deze in Nederland woont, het sociaal-fiscaalnummer van de leider dan wel vertegenwoordiger van het gezelschap, en voorts

    d. bij een gezelschap: de naam van het gezelschap en het aantal leden van het gezelschap;

    e. de datum van het optreden of de sportbeoefening dan wel, in geval van een reeks van optredens of sportbeoefeningen, de periode waarin die optredens of sportbeoefeningen plaatsvinden;

    f. een opgave van de gage, de gemaakte en nog te maken kosten, alsmede een toelichting op deze kosten.

F. Artikel 12b wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid, tweede volzin, vervalt «, alsmede, indien een artiest of beroepssporter beschikt over een kostenvergoedingsbeschikking ter zake van het optreden dan wel de sportbeoefening, een kopie van die beschikking.».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De in het eerste lid bedoelde gageverdelingsverklaring bevat ten minste de volgende gegevens:

    a. van de inhoudingsplichtige: naam, adres, woon- of vestigingsplaats en loonbelastingnummer;

    b. van het gezelschap, niet zijnde een gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de wet: naam, adres en woonplaats van de leden van het gezelschap, alsmede van de in Nederland wonende leden van het gezelschap het sociaal-fiscaalnummer;

    c. van het gezelschap, bedoeld in artikel 5b van de wet: naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap, alsmede de namen van de leden van het gezelschap en het sociaal-fiscaalnummer van de in Nederland wonende leden van het gezelschap;

    d. de naam van het gezelschap;

    e. datum, plaats en naam van de locatie van het optreden of de sportbeoefening;

    f. het bedrag van de brutogage, waaronder begrepen gage anders dan in geld en kostenvergoedingen;

    g. het deel van de brutogage, bedoeld in onderdeel f, dat op grond van het eerste lid volgens de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap aan het optreden van de artiest dan wel de sportbeoefening van de beroepssporter kan worden toegerekend;

    h. het bedrag dat elk lid van het gezelschap als kosten in aanmerking kan nemen op grond van een kostenvergoedingsbeschikking.

ARTIKEL III

Het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 19713 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, wordt na de komma ingevoegd: 9,.

B. In de artikelen 5, 6 en 7 wordt «€ 5899» vervangen door: € 7500. Voorts wordt «€ 29 496» vervangen door: € 37 500.

C. Onder vernummering van artikel 7aa tot artikel 7ab wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7aa

  • 1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de wet komen slechts in aftrek indien deze zijn gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verkregen.

  • 2. De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, worden op verzoek reeds in aanmerking genomen in het boekjaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verkregen.

  • 3. De kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de wet komen slechts in aftrek indien het lichaam deze in zijn administratie heeft gespecificeerd naar de in dat onderdeel bedoelde personen onder opgave van hun naam, adres, woonplaats en de daadwerkelijk aan hen verstrekte beloningen.

ARTIKEL IV

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit van 20 augustus 1971 houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (Stb. 559)4, wordt vervangen door:

  • 1. Een in artikel 6 van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits, zo winst wordt behaald, deze:

    a. in het jaar niet meer bedraagt dan € 7500, dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 37 500;.

ARTIKEL V

In artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit invorderingswet 19905 wordt «artikel 25, achtste, negende of elfde lid, van de wet dan wel artikel 26, elfde lid, van de wet» vervangen door: artikel 25, achtste, negende, elfde of zeventiende lid, van de wet.

ARTIKEL VI

In hoofdstuk 2, artikel II, van het Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten (Stb. 640), wordt na het zesde lid, onder vernummering van het zevende lid in achtste lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 7. Ingeval op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan een emissie van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid, alle uitstaande aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid voldoen aan de in hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, vierde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 gestelde voorwaarden, worden de bij die emissie uitgegeven aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid voor de toepassing van genoemd onderdeel B, voor zover ze zijn uitgegeven aan op het moment van de emissie bestaande aandeelhouders of houders van bewijzen van deelgerechtigdheid, geacht bij die aandeelhouders of houders van bewijzen van deelgerechtigdheid reeds drie jaren in bezit te zijn.

ARTIKEL VII

Het Besluit voorkoming dubbele belasting 20016 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 16 wordt vervangen door:

Artikel 16 Uiteindelijk gerechtigde

  • 1. Bij de toepassing van artikel 15 wordt geen vermindering verleend indien de belastingplichtige niet de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden, interest of royalty's waarop door een andere Mogendheid belasting is geheven. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd de belastingplichtige die in samenhang met de ontvangen opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:

    a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering van Nederlandse belasting dan de belastingplichtige die de tegenprestatie heeft verricht; en

    b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in rechten waaruit de opbrengst is genoten op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke rechten voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid:

    a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde effectenbeurs of markt;

    b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of rentetermijnen, of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op rechten.

B. In artikel 25 wordt het vierde lid wordt vervangen door:

  • 4. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting en volgens artikel 24, ten hoogste het bedrag aan berekende belasting op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

C. Na artikel 25 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25a Voortwenteling niet verrekende belasting

Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting, bedoeld in artikel 25, dat door de toepassing van het vierde lid van dat artikel niet leidt tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

D. In artikel 28 wordt «volgens de artikelen 14, 17 en 20» vervangen door: volgens de artikelen 14, 17, 20 en 25a.

ARTIKEL VIII

Artikel 25a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 vervalt met ingang van 1 januari 2003.

ARTIKEL IX

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel II, onderdelen B en C, in werking met ingang van 1 januari 2002 en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

  • 3. De artikelen III en IV vinden voor het eerst toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VII, onderdeel A, in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 30 augustus 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers (Kamerstukken II 2001/2002, 27 896, nrs. 1–2) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 17 december 2001

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de achtentwintigste december 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het onderhavige besluit bevat aanpassingen van enige uitvoeringsbesluiten op fiscaal terrein.

Een aantal aanpassingen die in dit besluit zijn opgenomen, zijn aanpassingen van technische aard. De onderwerpen die nu in de uitvoeringsbesluiten worden uitgewerkt en ook inhoudelijk van belang zijn worden hierna kort aangeduid en nader toegelicht onder de artikelen.

In het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt voor artiesten en beroepssporters het instrument van de kostenvergoedingsbeschikking uitgebreid alsmede de zogenoemde kleine vergoedingsartiestenregeling geïntroduceerd. Deze aanpassingen strekken ertoe de administratieve lasten te beperken. Voorts wordt in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de 30%-regeling in die zin gewijzigd dat het gehele loon ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst tot de grondslag voor de toepassing van deze regeling wordt gerekend.

In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 en het Besluit van 20 augustus 1971 houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (Stb. 559), worden de winstgrenzen voor de vrijstelling van de vennootschapsbelasting aangepast aan de geldontwaarding. In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 wordt voor fondswervende instellingen bepaald dat uitkeringen aan goed-doelinstellingen slechts aftrekbaar zijn, indien deze zijn gedaan binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de gelden zijn verkregen. Die uitkeringen kunnen dan op verzoek van belastingplichtige reeds in dat boekjaar in aftrek worden gebracht. In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 wordt voorts bepaald welke gegevens een lichaam dat een algemeen maatschappelijk of sociaal belang behartigt, moet administreren zodat de inspecteur een geclaimde aftrekpost wegens bespaarde loonkosten van vrijwilligers kan beoordelen. In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt een beperking aangebracht bij de verrekening van buitenlandse bronbelasting op dividenden, interest en royalty's uit ontwikkelingslanden die in de inkomstenbelasting in box III vallen. Daarnaast wordt dit besluit in overeenstemming gebracht met het inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers (Handelingen II 2001/2002, blz. 1735).

De uitbreiding van het instrument van de kostenvergoedingsbeschikking en de introductie van de kleine vergoedingsregeling (tot nu toe aangeduid als kleine artiestenregeling) is voorgesteld in de brief van 11 mei 2001 (kenmerk WDB 2001-00245M en -00246M) aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en opgenomen in het goedkeuringsbesluit van 13 augustus 2001, nr. RTB2001/2602M, dat ter vervanging dient van het besluit van 17 mei 2001, nr. RTB2001/1914M. Beide regelingen, die de beperking van de administratieve lasten tot doel hebben, zijn tot stand gekomen in overleg met diverse vertegenwoordigers en organisaties van artiesten, alsmede met een aantal vertegenwoordigers en organisaties van (grote) poppodia en podiumkunsten. De regelingen worden vormgegeven in het vervangen artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Het wordt mogelijk gemaakt dat de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap een kostenvergoedingsbeschikking voor het gezelschap aanvraagt, zodat niet elk lid van het gezelschap afzonderlijk zijn eigen kostenvergoedingsbeschikking hoeft aan te vragen. Door de verwachte daling van het aantal verzoeken om een kostenvergoedingsbeschikking zullen de administratieve lasten voor zowel het gezelschap als de belastingdienst aanzienlijk worden beperkt.

Voorts kan de inhoudingsplichtige tot uiterlijk een maand na afloop van het optreden of de sportbeoefening de inspecteur verzoeken om afgifte van een kostenvergoedingsbeschikking voor de soloartiest, individuele beroepssporter of het gezelschap. De verwachting is dat met name niet in Nederland wonende artiesten, beroepssporters of gevestigde gezelschappen hierbij baat zullen hebben.

Voor zowel de verzoeker als de inspecteur is de mogelijkheid om een kostenvergoedingsbeschikking te herzien, toegevoegd. De voorwaarde voor afgifte van een kostenvergoedingsbeschikking dat de in te houden loonbelasting het bedrag van de over de gage verschuldigde inkomstenbelasting in betekende mate moet overtreffen, is komen te vervallen. De reden hiervoor is onder meer de aanpassing van het tarief voor in Nederland wonende artiesten en beroepssporters, alsmede het toegenomen maatwerk voor artiesten en beroepssporters in de Wet op de loonbelasting 1964.

Ter vermindering van de administratieve lasten voor artiesten die zich nog – op weg naar de professionaliteit – in het amateur-stadium bevinden, maar ook voor hen die nooit professioneel zullen of willen worden en waarbij het voor de hand ligt dat sprake is van het beoefenen van een hobby, alsmede voor hun opdrachtgevers/inhoudingsplichtigen, wordt in artikel 12a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de zogenaamde kleine vergoedingsartiestenregeling uitgewerkt. De wijzigingen van artikel 12b van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 houden verband met de introductie van de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking.

Ten slotte wordt in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een wijziging aangebracht in de 30%-regeling, die onder bepaalde voorwaarden geldt voor uit het buitenland aangetrokken schaars personeel en voor naar het buitenland uitgezonden personeel. De wijziging houdt in dat het gehele loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst tot de grondslag voor de toepassing van deze regeling wordt gerekend en niet alleen het regelmatig genoten loon.

In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 en Besluit van 20 augustus 1971 houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (Stb. 559) (hierna: Vrijstellingsbesluit), worden de winstgrenzen voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting aangepast aan de geldontwaarding.

In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 wordt voor fondswervende instellingen bepaald dat uitkeringen aan goed-doelinstellingen slechts aftrekbaar zijn, indien deze zijn gedaan binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de gelden zijn verkregen. Die uitkeringen kunnen dan op verzoek van belastingplichtige reeds in dat boekjaar in aftrek worden gebracht.

In het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 wordt voorts bepaald welke gegevens een lichaam dat een algemeen maatschappelijk of sociaal belang behartigt, moet verstrekken omtrent de aan vrijwilligers verstrekte beloningen, zodat de inspecteur een geclaimde aftrekpost wegens bespaarde loonkosten kan beoordelen.

Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt op twee onderdelen gewijzigd. De eerste wijziging ziet op de verrekening van buitenlandse bronbelasting op dividenden, interest en royalty's uit ontwikkelingslanden die in de inkomstenbelasting in box III vallen. Achtergrond bij de per 1 januari in 2001 ingevoerde zeer ruime verrekeningsmogelijkheid voor buitenlandse bronbelasting op box III-opbrengsten vormt onder meer de heffing volgens het forfaitaire rendement in box III. Inmiddels hebben mij signalen bereikt dat er in de fiscale praktijk zeer serieus wordt gekeken naar mogelijkheden om op deze ruime regeling in te spelen. Het gaat dan om het kunstmatig in Nederland laten neerslaan van buitenlandse opbrengsten, uitsluitend om de buitenlandse bronbelasting te kunnen verrekenen. Op voorhand valt niet met zekerheid te zeggen of dergelijke constructies in de uitvoeringssfeer, bij voorbeeld met toepassing van de in artikel 16 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 opgenomen eis van uiteindelijke gerechtigdheid, in voldoende mate kunnen worden bestreden. Hierbij dient te worden bedacht dat volgens de in 2001 ingevoerde regeling, indien de belasting over het inkomen uit sparen en beleggen onvoldoende is voor volledige verrekening, de buitenlandse belasting ook kan worden verrekend met de (Nederlandse) belasting over box I en box II. In incidentele gevallen waarin ook die belasting onvoldoende is, kan zelfs uitbetaling plaatsvinden van de buitenlandse bronbelasting. In de literatuur zijn bij deze benadering, mede vanuit het oogpunt van mogelijke constructies, vraagtekens gezet. Vanwege het, bij nader inzien, toch te grote risico van oneigenlijk gebruik, wordt er thans voor gekozen om de mogelijkheid tot verrekening met ingang van 1 januari 2002 enigszins te beperken door deze maximaal te stellen op de in box III verschuldigde belasting. Buitenlandse bronbelasting die op grond hiervan in een jaar niet kan worden verrekend, mag worden doorgeschoven naar volgende jaren.

De aangebrachte wijziging betekent dus dat derhalve geen verrekening met box I- en box II-inkomsten meer mogelijk is, en dat geen uitbetaling meer kan plaatsvinden. Deze wijziging is overigens in lijn overeenstemming met het advies van de Raad van State bij het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, waarin de Raad vraagtekens zette bij de toen ingevoerde doorbreking van het boxenstelsel op dit punt. Benadrukt zij dat de regeling, in vergelijking met hetgeen gangbaar is bij de verrekening van buitenlandse bronbelasting, nog steeds ruim blijft omdat de buitenlands belasting zonder verdere (tweede) limiet met de gehele belasting over het box III-inkomen kan worden verrekend.

De tweede wijziging ziet op de in artikel 16 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 opgenomen «anti-stripping» bepaling. De oorspronkelijk in artikel 16 opgenomen regeling betreffende het begrip uiteindelijk gerechtigde is afkomstig van het eerder voorstel inzake het tegengaan van dividendstripping in het kader van het Belastingplan 2001. Voor de inkomsten-, vennootschaps- en dividendbelasting is deze maatregel tegen dividendstripping toen niet ingevoerd. Vanwege de zeer ruime verrekeningsmogelijkheden voor buitenlandse belasting op box III-opbrengsten, is er echter voor gekozen om de regeling van artikel 16 toch per 1 januari 2001 in werking te laten treden. Met de onderhavige wijziging wordt artikel 16 in overeenstemming gebracht met het inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel tot wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers (Handelingen II 2001/2002, blz. 1735). Voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging is aansluiting gezocht bij het tijdstip van inwerkingtreding van laatstbedoelde wet.

Voor zover de wijzigingen van de verschillende besluiten voortvloeien uit het Belastingplan 2002 zijn de effecten daarvan op de administratieve lasten voor het bedrijfsleven reeds meegenomen bij de in de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2002 I vermelde effecten van alle in het kader van het Belastingplan 2002 voorgestelde maatregelen. De daar vermelde effecten zijn namelijk, conform de bestaande praktijk, inclusief de effecten van met de wetswijzigingen samenhangende lagere regelgeving (uitvoeringsbesluiten en uitvoeringsregelingen).

De wijziging die niet uit het Belastingplan 2002 voortvloeit betreft de wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting. Aangezien deze wijziging ziet op verrekening van buitenlandse belasting bij niet-ondernemers is deze niet relevant voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel B (artikel 20 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

Artikel 20 van het Uitvoeringsbesluit Inkomstenbelasting 2001 bevatte oorspronkelijk de uitwerking van de delegatiebepaling uit artikel 6.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), met een omschrijving van het begrip ernstig gehandicapt kind voor de aftrek van weekenduitgaven voor ernstig gehandicapte kinderen. Met ingang van 1 januari 2002 is de kring van verwanten waarvoor krachtens artikel 6.16 van de Wet IB 2001 aftrek van buitengewone uitgaven mogelijk is, uitgebreid met de tot het huishouden van de belastingplichtige behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder. Voor de definitie van het begrip ernstig gehandicapt wordt aangesloten bij de definitie van dat begrip voor weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen van artikel 6.25 van de Wet IB 2001. Het gaat daarbij om iemand die vanwege zijn handicap in aanmerking komt voor opname in een AWBZ-instelling. In de oude tekst was tevens als voorwaarde opgenomen dat het kind doorgaans in de instelling verblijft. Voor de ernstig gehandicapten waar artikel 6.16 van de Wet IB 2001 op ziet, gaat het juist om personen met een zodanige handicap dat zij voor opname in een dergelijke instelling in aanmerking komen, maar die tot het huishouden van de belastingplichtige behoren. In verband daarmee vervallen de woorden «en daar doorgaans verblijft». Voor de aftrekbaarheid van weekenduitgaven voor kinderen die in een AWBZ-instelling verblijven, heeft deze wijziging geen betekenis. Op grond van de tekst van artikel 6.25 van de Wet IB 2001 zijn slechts aftrekbaar de weekenduitgaven van ernstig gehandicapte kinderen die doorgaans in een (AWBZ-)inrichting verblijven. De herhaling van die voorwaarde in artikel 20 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 had geen materiële betekenis. De vervanging van «in een in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of in de op die wet berustende bepalingen geregelde» door «in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde» heeft geen inhoudelijke betekenis.

Het nieuwe tweede lid van artikel 20 bevat de definitie van zorgafhankelijk, een begrip dat voorkomt in het nieuwe onderdeel g van artikel 6.16, eerste lid, van de wet. Het gaat hier om zorgafhankelijke ouders, broers en zusters die bij de belastingplichtige inwonen vanwege die zorgafhankelijkheid. Voor deze definitie is teruggegrepen naar vóór 1990 en gekeken naar de toekenning van de alleenstaande(ouder)aftrek. Voorwaarde voor die aftrek was het voeren van een huishouding voor zich alleen. Als gevolg daarvan kon die aftrek niet worden genoten indien een familielid inwoonde. Om hieraan tegemoet te komen is toen bepaald dat de aftrek kon worden verleend indien een hulpbehoevend familielid inwoonde in verband met de zorgbehoefte van dat familielid. Als criterium voor hulpbehoevendheid werd de eis gesteld dat het familielid inwoonde omdat het, zo het niet zou hebben ingewoond, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp, eventueel verzorging in een inrichting. Dit criterium is naar artikel 20 overgeplant als criterium voor zorgafhankelijk.

Artikel I, onderdeel C (artikel 25a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001) en artikel VIII

Met ingang van 2001 gelden er in bepaalde gevallen vermenigvuldigingsfactoren voor de buitengewone uitgaven (uitgaven ter zake van ziekte enz.) indien bij de belastingplichtige of zijn partner in het voorafgaande jaar respectievelijk in de twee voorafgaande jaren buitengewone uitgaven in aanmerking zijn gekomen. Voor het jaar 2002 zijn derhalve de jaren 2000 en 2001 relevant. Met betrekking tot het jaar 2000 was de Wet IB 2001 nog niet in werking getreden en konden uitgaven ter zake van ziekte enz. op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aftrek komen als buitengewone lasten. In de onderhavige bepaling wordt daarvoor een overgangsregeling gegeven. Indien in het jaar 2000 aftrek van buitengewone lasten vanwege ziektekosten enz. heeft plaatsgevonden, worden voor de bepaling van het recht op toepassing van de vermenigvuldigingsfactor geacht in 2000 buitengewone uitgaven in aanmerking te zijn gekomen.

Met ingang van 2003 is in de twee voorafgaande jaren de Wet IB 2001 van toepassing geweest. De overgangsbepaling in artikel 25a kan dan ook met ingang van 1 januari 2003 vervallen.

Artikel II, onderdeel A (artikel 1 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Met de aanpassing van artikel 1, eerste lid, wordt aangegeven dat uitvoering wordt gegeven aan de delegatiebepalingen die zijn opgenomen in het vierde lid van de artikelen 35 en 35g van de Wet op de loonbelasting 19 654 met betrekking tot de kostenvergoedingsbeschikking, alsmede aan de artikelen 35f en 35n van die wet ten behoeve van de uitwerking van de kleine vergoedingsregeling en de gageverdelingsverklaring.

Het tweede lid betreft een redactionele aanpassing.

In het derde lid wordt de definitie van het gezelschap weergegeven. Deze definitie is zoveel mogelijk gelijk aan de definitie voor buitenlandse gezelschappen in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 en ziet op zowel binnenlandse gezelschappen als buitenlandse gezelschappen. Zoals is toegelicht in de memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV – Herziening successie- en schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige aanpassingen) (Kamerstukken II 2001/2002, 28 015, nr. 3, blz. 18) is van een groep sprake als bijvoorbeeld – al dan niet incidenteel – onder een zelfde naam of benaming als musicus of anderszins als artiest wordt opgetreden dan wel als beroep een tak van sport wordt beoefend. De leden van het gezelschap hoeven niet gezamenlijk dezelfde activiteiten te verrichten. Zo kan het bijvoorbeeld bij een buitenlands atletiekgezelschap voorkomen dat de sporters als een gezelschap deelnemen aan een atletiektoernooi, terwijl ieder lid toch individueel zijn eigen tak van sport beoefent. Tot het gezelschap behoren steeds de artiesten en sportbeoefenaars in enge zin. Alle andere bij het gezelschap aanwezige personen, zoals technici, kleedsters, trainers, masseurs en coaches behoren niet tot het gezelschap. Een gezelschap behoeft voor het overige geen zelfstandige rechtspersoon of juridische entiteit te zijn. Doorgaans zal het gezelschap worden vertegenwoordigd door een leider of iemand anders die voor de leden van het gezelschap de uit de fiscale wet- en regelgeving voortvloeiende rechten en plichten uitoefent en nakomt.

Artikel II, onderdeel B (artikel 9 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Met deze wijziging wordt de grondslag voor de toepassing van de zogenoemde 30%-regeling verruimd. Deze regeling geldt onder bepaalde voorwaarden voor uit het buitenland aangetrokken schaars personeel en voor naar het buitenland uitgezonden personeel en bevat onder meer een bewijsregel voor de als vrije vergoedingen te beschouwen vergoedingen van extraterritoriale kosten. Op grond van de oude tekst van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 worden vergoedingen en verstrekkingen aan deze werknemers in elk geval als vergoeding voor extraterritoriale kosten beschouwd tot 30% van de grondslag, waarbij de grondslag is de som van het regelmatig genoten loon ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst – voor zover ter zake geen recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting– en de vergoeding voor extraterritoriale kosten. Aangezien incidentele (bijzondere) beloningen, zoals bonussen, optierechten, tekengelden en bindingspremies niet tot het regelmatig genoten loon behoren, tellen deze volgens de oude tekst niet mee bij de vaststelling van de grondslag voor de 30%-regeling. In de praktijk is gebleken dat de koppeling aan het regelmatig genoten loon een obstakel kan vormen voor de flexibilisering van beloningen. Met name in die situaties vormt het «regelmatig genoten loon» bij nader inzien een minder goede grondslag dan het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

De bepaling dat alleen regelmatig genoten loon tot de grondslag voor de 30%-regeling mag worden gerekend, hing samen met de veronderstelling dat de hoogte van de jaarlijkse extra kosten in het algemeen wel gerelateerd zal zijn aan de hoogte van het vaste (gegarandeerde) loon, maar niet aan de variabele, veelal onzekere loonbestanddelen. Bij nader inzien ligt het in deze situaties echter meer voor de hand, dat de hoogte van de door de werknemer te maken extra kosten ook deels wordt beïnvloed door zijn verwachtingen omtrent de hoogte van de variabele loonbestanddelen. Het besluit is om die reden in die zin gewijzigd, dat het feitelijk genoten loon inclusief de variabele bestanddelen tot de grondslag wordt gerekend. Het zou ook denkbaar zijn geweest om uit te gaan van een fictief gemiddeld genoten loon. Het voordeel van de thans gekozen optie ten opzichte van de optie waarbij wordt uitgegaan van een fictief gemiddeld genoten loon is dat de gekozen optie aanmerkelijk eenvoudiger is, terwijl deze in beginsel (over de jaren heen) tot dezelfde uitkomst leidt.

Voor de toepassing van deze regeling wordt onder loon verstaan het loon voor de loonbelasting. Dat betekent dat bijvoorbeeld aanspraken ingevolge een pensioenregeling niet tot het loon behoren.

Artikel II, onderdeel C (artikel 10f Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De wijziging van dit onderdeel betreft het herstel van een onjuiste verwijzing.

Artikel II, onderdeel E (artikel 12a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

In het eerste lid worden twee soorten kostenvergoedingsbeschikkingen onderscheiden: de individuele kostenvergoedingsbeschikking en de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking. Door de introductie van de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking hoeven de leden van een gezelschap in tegenstelling tot de oude regeling niet elk afzonderlijk een kostenvergoedingsbeschikking aan te vragen, doch kan de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap voor het gezelschap een kostenvergoedingsbeschikking aanvragen.

Op grond van het tweede en derde lid kan alleen een kostenvergoedingsbeschikking worden aangevraagd voor kostenvergoedingen voorzover die geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen. Voor het gezelschap gaat het om de algemene kosten en de individuele kosten van de leden voorzover die het gezelschap aangaan. Beide soorten kostenvergoedingsbeschikkingen kunnen worden aangevraagd voor een reeks van optredens of sportbeoefeningen. De kosten, lasten en afschrijvingen worden dan verdeeld over meerdere optredens of sportbeoefeningen.

In het vierde lid wordt bepaald welke personen of lichamen bij de inspecteur een verzoek om een kostenvergoedingsbeschikking kunnen indienen. Het verzoek wordt ingediend bij de inspecteur onder wiens ambtsgebied de verzoeker valt. Van genoemde personen of lichamen kan alleen de inhoudingsplichtige tot uiterlijk een maand na het optreden of de sportbeoefening een verzoek indienen. Indien de inhoudingsplichtige de kostenvergoedingsbeschikking aanvraagt, aanvaardt hij het risico dat de inspecteur een kostenvergoedingsbeschikking voor een lager bedrag kan afgeven dan het gevraagde bedrag. Heeft de inhoudingsplichtige reeds loonbelasting ingehouden en afgedragen, dan is hij gehouden zo spoedig mogelijk alsnog de aanvullende loonbelasting te betalen. Hij vermeldt dat op een aanvullende aangifte (suppletie-aangifte) die betrekking heeft op het tijdvak waarin of het tijdstip waarop de loonbelasting verschuldigd is geworden. De aanvullende loonbelasting dreigt op deze wijze ten laste van de inhoudingsplichtige te komen. Teneinde te voorkomen dat het tot de gage behorende bedrag moet worden gebruteerd, zal de inhoudingsplichtige er verstandig aan doen (een deel van) de gage pas na afgifte van de kostenvergoedingsbeschikking uit te betalen aan de artiest, de beroepssporter of het gezelschap.

De inspecteur kan de afgegeven kostenvergoedingsbeschikking intrekken of vervangen op grond van het vijfde lid. De inspecteur kan dit bijvoorbeeld doen indien hij naderhand er achter komt dat de in het verzoek vermelde gegevens niet juist zijn of niet meer juist zijn, dan wel de verklaring haar belang heeft verloren. Voorts kan degene die om afgifte van de kostenvergoedingsbeschikking heeft verzocht de inspecteur verzoeken de kostenvergoedingsbeschikking te herzien. Er is bijvoorbeeld een kostenvergoedingsbeschikking afgegeven voor een reeks van optredens of sportbeoefeningen. Na een aantal optredens/sportbeoefeningen zijn er minder of meer kosten dan wel andersoortige kosten gemaakt of te verwachten. De artiest, beroepssporter of de leider dan wel vertegenwoordiger van het gezelschap die om afgifte had verzocht, kan dan bij dezelfde inspecteur om vervanging van de kostenvergoedingsbeschikking vragen. In dat geval dient de inhoudingsplichtige bij de bepaling van de in te houden loonbelasting met de nieuwe beschikking rekening te houden voorzover nog geen inhouding van loonbelasting heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt als de kostenvergoedingsbeschikking is ingetrokken. De inhoudingsplichtige bewaart een kopie van de kostenvergoedingsbeschikking in zijn loonadministratie. Overigens houdt de inhoudingsplichtige geen rekening met de individuele kostenvergoedingsbeschikking van de leden van een gezelschap indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot dat optreden of die sportbeoefening beschikt over een kopie van de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking voor hun gezelschap. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat met betrekking tot een bepaald optreden of bepaalde sportbeoefening tweemaal dezelfde kosten in aanmerking worden genomen.

Het zevende lid geeft uitvoering aan de delegatiebepaling van de artikelen 35f en 35n van de Wet op de loonbelasting 1964. In dit lid is de aangekondigde kleine artiestenregeling vastgelegd. Omdat de regeling ook van toepassing is op beroepssporters, wordt de regeling voortaan de kleine vergoedingsregeling genoemd. Ingevolge deze regeling wordt de inhoudingsplichtige geacht te beschikken over een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking voor een artiest, beroepssporter of gezelschap tot een bedrag van € 136 per optreden of sportbeoefening respectievelijk € 136 per optreden of sportbeoefening, maal het aantal leden dat tot het gezelschap behoort, indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot dat optreden of die sportbeoefening niet over een kopie van een reële kostenvergoedingsbeschikking beschikt. De aanwezigheid van een (kopie van een) «echte» kostenvergoedingsbeschikking sluit derhalve de toepassing van de kleine vergoedingsregeling uit.

De kleine vergoedingsregeling kan worden toegepast per optreden of per sportbeoefening. In dat kader wordt onder meer het op één dag op verschillende momenten voor hetzelfde publiek optreden als artiest in beginsel aangemerkt als een enkel optreden. Hetzelfde geldt bij deelname aan een sporttoernooi waarbij op één dag als onderdeel van hetzelfde evenement diverse wedstrijden worden gespeeld: er is dan sprake van een enkele sportbeoefening. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden kan sprake zijn van meerdere optredens op een dag of in een bepaalde periode. Hiervan zal in het algemeen sprake zijn indien ten aanzien van verschillende optreden telkens met een andere opdrachtgever een overeenkomst van korte duur is gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over gage, kostenvergoedingen, locatie, tijd etc. Hoewel de verwachting is dat het zich minder vaak zal voordoen, geldt het voorgaande ook voor sportbeoefening.

Het bedrag van € 136 komt in mindering op de gage waarover loonbelasting wordt ingehouden. De artiest of beroepssporter wordt voor de heffing van de loonbelasting geacht bij een optreden ten minste tot dit bedrag kosten te hebben gemaakt. De kleine vergoedingsregeling is slechts een praktisch hulpmiddel voor een zo eenvoudig mogelijke inhouding van loonbelasting van artiesten en beroepssporters. Dit hulpmiddel heeft geen gevolgen voor de inkomstenbelasting. Het bedrag dat voor de loonbelasting is vrijgelaten op grond van de kleine vergoedingsregeling, moet voor de inkomstenbelasting worden opgegeven als omzet van de artiest of beroepssporter. Hierop komen de werkelijke kosten in mindering volgens de bepalingen van het regime van winst uit onderneming of het regime van resultaat uit overige werkzaamheden. Indien in plaats van de kleine vergoedingsregeling gebruik wordt gemaakt van een kostenvergoedingsbeschikking geldt overigens dezelfde systematiek. Een artiest of beroepssporter die wel inhouding van loonbelasting over de totale gage wenst, of tot een hoger bedrag, kan op grond van het achtste lid de inhoudingsplichtige verzoeken de kleine vergoedingsregeling niet of tot een lager bedrag toe te passen.

Het negende lid bepaalt de gegevens die in het verzoek vermeld dienen te worden. Niet in Nederland wonende artiesten of beroepssporters hoeven geen sociaal-fiscaalnummer op te geven. In plaats daarvan vermelden zij de geboortedatum. Het verzoek dient een opgave te bevatten van de gage, de gemaakte en nog te maken kosten. Deze kosten moeten worden onderbouwd.

Artikel II, onderdeel F (artikel 12b Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De wijzigingen van artikel 12b houden verband met de introductie van de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, en de verduidelijking van de gegevens die een gageverdelingsverklaring ten minste moet bevatten.

Artikelen III en IV (artikelen 1, 5, 6, 7 en 7aa Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 en artikel 1 Besluit van 20 augustus 1971, Stb. 559)

De in artikel 5, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aangeduide lichamen, werkzaam op het gebied van de landbouw, van de schadeverzekering op onderlinge grondslag of de verzorging van uitvaarten, zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien de winst in het jaar niet meer bedraagt dan € 5899, of in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 29 496. Deze voorwaarde geldt ook voor lichamen die op grond van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn vrijgesteld, omdat het streven naar winst hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is en de behartiging van een algemeen maatschappelijk of sociaal belang op de voorgrond staat. Deze bedragen gelden sinds 28 december 1990.

In de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 april 1999 aan de Tweede Kamer naar aanleiding van vragen van het lid Reitsma (Aanhangsel Handelingen II 1998/98, nr. 1172), is aangegeven dat zou worden bezien of het wenselijk is deze bedragen te wijzigen. Gelet op de geldontwaarding in het tijdvak 1991–2001 is besloten de bedragen te verhogen naar € 7500 respectievelijk € 37 500.

In artikel 9, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat uitkeringen door fondswervende instellingen onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar zijn. Deze aftrekpost geldt voor instellingen waarvan de ondernemingsactiviteiten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn gericht op verkrijging van gelden die worden uitgekeerd aan lichamen die onder de reikwijdte van de giftenaftrek vallen. Kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke en het algemeen nut beogende instellingen vallen onder de reikwijdte van de giftenaftrek. De fondswervende instelling moet ingevolge de statuten of op grond van een schriftelijke overeenkomst verplicht zijn om deze gelden aan de goed-doelinstelling af te dragen.

In artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een bepaling opgenomen op grond waarvan zogenoemde fictieve kosten voor de werkzaamheden van vrijwilligers in aftrek kunnen worden gebracht. Deze bepaling geldt voor lichamen waarbij een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat. De bepaling is ook van toepassing op lichamen waarbij een sociaal belang op de voorgrond staat en die hun inkomsten hoofdzakelijk behalen met de activiteiten van vrijwilligers die minder dan 70% van het gebruikelijke loon verdienen.

Op grond van het zesde lid van artikel 9 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van de genoemde onderdelen i en j.

Voor de toepassing van onderdeel i is als voorwaarde voor de aftrek van uitkeringen aan goed-doelinstellingen door fondswervende instellingen opgenomen dat deze slechts aftrekbaar zijn, indien ze zijn gedaan binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verkregen. Daarbij is de mogelijkheid opgenomen dat de uitkeringen op verzoek worden teruggewenteld naar het boekjaar waarin de gelden zijn verkregen. De achtergrond hiervan is, dat de aftrekpost van onderdeel i niet kan leiden tot een verlies. Als na afloop van een jaar waarin fondsen zijn verworven, uitkeringen aan gifteninstellingen worden gedaan, zou men kunnen aanlopen tegen de regel dat er geen verliezen kunnen ontstaan. Vandaar dat de instelling de mogelijkheid krijgt de aftrekbare uitkeringen aan de gifteninstellingen nog terug te wentelen naar het jaar waarin de fondsen zijn verworven.

Voor de toepassing van onderdeel j is een voorwaarde opgenomen over de wijze waarop de belastingplichtige opgaaf moet doen van aan vrijwilligers verstrekte beloningen, zodat de inspecteur de aftrekpost wegens zogenoemde fictieve kosten kan beoordelen.

De tekst van artikel 1, eerste lid, van het Vrijstellingsbesluit is in overeenstemming gebracht met de onlangs gewijzigde tekst van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel V (artikel 6 Uitvoeringsbesluit invorderingswet 1990)

De wijziging van artikel 6 betreft een aanpassing van de verwijzingen naar artikel 25 van de Invorderingswet 1990 en het schrappen van de verwijzing naar artikel 26 van deze wet. Deze wijziging houdt verband met de in de Successiewet 1956 opgenomen nieuwe faciliteit voor bedrijfsopvolging alsmede met het nieuwe zeventiende lid van artikel 25 van de Invorderingswet 1990. Dit artikellid strekt ertoe dat voor een periode van tien jaar renteloos uitstel van betaling kan worden verkregen voor de in een conserverende belastingaanslag begrepen inkomstenbelasting die is verschuldigd bij staking door overlijden als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel VI (hoofdstuk 2, artikel II, Besluit van 20 december 2000, Stb. 640)

In hoofdstuk 2 van het Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten (Stb. 640) is in artikel II een nieuw lid ingevoegd. Dit lid voorziet in een oplossing voor eventuele problematiek wat betreft nieuw geëmitteerde aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid. Deze aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen in beginsel pas na drie jaar voldoen aan het bezitsvereiste van artikel IV, onderdeel B, vierde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, dat recht geeft op een evenredige vermindering van de verschuldigde overgangsheffing vennootschapsbelasting. Bij de parlementaire behandeling is onderkend dat het niet in alle gevallen noodzakelijk is de hand te houden aan de driejaarstermijn. In het nieuwe zevende lid is dit uitgewerkt. Bepaald is wanneer bestaande aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid voldoen aan het bezitsvereiste van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, vierde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, dat nieuw geëmitteerde aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid kwalificeren als reeds drie jaren in bezit, voor zover ze zijn uitgegeven aan op het moment van de emissie bestaande aandeelhouders of houders van bewijzen van deelgerechtigdheid.

Artikel VII, onderdeel A (artikel 16 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

Met deze wijziging wordt de regeling betreffende het begrip uiteindelijk gerechtigde in lijn gebracht met de regeling tegen dividendstripping zoals die is opgenomen in de Wet wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers. Zie hiervoor het algemeen deel van de toelichting.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 25 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

Voor de achtergrond van de aanpassing van artikel 25 zij verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.vindt haar grond in het grote risico van oneigenlijk gebruik. Het nieuwe vierde lid bepaalt dat de verrekening van buitenlandse (bron)belasting nooit meer kan bedragen dan de verschuldigde belasting in box III (na toepassing van de verminderingen volgens belastingverdragen en de vrijstelling van artikel 24). Om dit risico tot aanvaardbare proporties terug te brengen is boxenoverstijgende verrekening is derhalve niet langer mogelijk. Dit voorkomt dat de bronbelasting die drukt op (met geleend geld gefinancierd) inkomen in box III, de verschuldigde inkomstenbelasting in box I en II vermindert. Voor zover het bedrag aan buitenlandse bronbelasting niet tot verrekening komt, kan het op grond van artikel 25a onbeperkt in de tijd vooruit worden gewenteld naar toekomstige jaren. Doordat naast de voorgestelde wijziging in artikel 25 een nieuw artikel 25a over voortwenteling van niet verrekende belasting wordt geïntroduceerd wordt bewerkstelligd dat bronbelasting die niet met belasting in box III kan worden verrekend kan worden doorgeschoven. De mogelijkheid om de bronbelasting te verrekenen in latere jaren blijft uiteraard eveneens echter beperkt tot box III, zodat het boxensysteem ook dan niet wordt doorbroken.

Het vierde lid bepaald derhalve dat de verrekening nooit meer kan bedragen dan de verschuldigde belasting in box III. De verrekening kan dus niet leiden tot een negatief bedrag aan verschuldigde belasting. Voor zover het bedrag aan buitenlandse bronbelasting niet tot verrekening komt, kan het op grond van artikel 25a onbeperkt in de tijd vooruit worden gewenteld naar toekomstige jaren.

Artikel VII, onderdeel C (artikel 25a Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

Onvoldoende te betalen belasting in box III kan er, eventueel in samenhang met eenandere verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting, toe leiden dat niet alle bronbelasting kan worden verrekend (zie ook de toelichting op artikel 25, vierde lid). Overeenkomstig de in artikel 17 opgenomen regeling voor niet verrekende buitenlandse bronbelasting in box I, mag volgens artikel 25a ook de niet verrekende buitenlandse bronbelasting op in box III vallende dividenden, interest en royalty's onbeperkt in de tijd worden voortgewenteld naar volgende jaren. De niet verrekende belasting wordt daartoe aangemerkt als vanwege een andere Mogendheid geheven belasting van een volgend jaar.

In overeenstemming met de wijziging van artikel 25 blijft, net als de verrekening zelf, ook de doorschuif van niet verrekende bronbelasting binnen box III. Het is niet mogelijk om niet verrekende buitenlandse bronbelasting op dividenden, interest en royalty's die in een jaar binnen de reikwijdte van artikel 25 is gevallen, in een later jaar te verrekenen met eventuele resterende verrekeningsruimte in box I of box II. Voor de voortwenteling van niet verrekende bronbelasting is vereist dat het naar volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (zie artikel 28).

Artikel VII, onderdeel D (artikel 28 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001)

In dit artikel worden de formele aspecten geregeld voor de vaststelling van de voor bezwaar vatbare beschikking van de niet verrekenbare belasting die kan worden voortgewenteld.

Artikel IX (Inwerkingtreding)

Artikel IX regelt de inwerkingtreding. De wijzigingen van de diverse uitvoeringsbesluiten treden in werking met ingang van 1 januari 2002. De wijziging van de artikelen 9 en 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 werken evenwel terug tot en met 1 januari 2001 teneinde aansluiting te verkrijgen bij de datum van inwerkingtreding van de belastingherziening 2001. De wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 en van het Vrijstellingsbesluit vinden voor het eerst toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002; daarmee wordt voorkomen dat deze wijzigingen in de loop van een boekjaar in werking treden. De wijziging van artikel 16 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 treedt in werking op het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers (Kamerstukken II 2001/2002, 27 896, nrs. 1–2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos


XNoot
1

Stb. 2000, 641.

XNoot
2

Stb. 1965, 202, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 687.

XNoot
3

Stb. 1971, 558, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 645.

XNoot
4

Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 645.

XNoot
5

Stb. 1990, 223, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 december 2000, Stb. 640.

XNoot
6

Stb. 2000, 642, gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 645.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 januari 2002, nr. 5.