Besluit van 20 januari 2001, houdende vaststelling van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 14 november 2000, nr. AB/PSW/2000/44665, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 33, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs; artikel 33, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; de artikelen 38a en 153, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; de artikelen 4.1.2, tweede lid, en 4.3.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. W05.00.0567/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 16 januari 2001, nr. AB/PSW/2001/1036;

hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

    a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

    b. betrokkene: degene die in dienstbetrekking staat of heeft gestaan als:

    1. personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 68 van de Wet op het primair onderwijs;

    2. personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 69 van de Wet op de expertisecentra;

    3. personeelslid als bedoeld in de artikelen 39a, 53b, 154 en 187 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    4. personeelslid van een school waarvoor ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs de formatie wordt vastgesteld;

    5. personeelslid van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.4, 1.5.1, 12.3.8 en 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    6. personeelslid van een hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onder a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met inachtneming van het tweede lid;

    7. lid van het college van bestuur of van de centrale directie van een hogeschool;

    8. benoemd lid van het algemeen bestuur van de organisatie genoemd in de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;

    9. personeelslid van een lichaam, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel derde lid, onderdeel b, van de Wet privatisering ABP, indien dat lichaam geheel of gedeeltelijk wordt gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting en waarop deze wet door Onze Minister van toepassing is verklaard;

    10. personeelslid in dienst van de instelling van wetenschappelijk theologisch onderwijs, uitgaande van de Stichting Theologische Faculteit, gevestigd te Tilburg, van de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde kerken in Nederland, gevestigd te Kampen (Oudestraat), van de bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs, uitgaande van de Stichting Humanistisch Instituut voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek te Utrecht, van de Stichting Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te 's-Gravenhage, of van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee te Texel;

    11. personeelslid in de zin van de Wet op de onderwijsverzorging zoals deze wet luidde op 31 december 1996, dan wel een personeelslid werkzaam bij een instelling als bedoeld in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten voorzover hij voor of uiterlijk op 31 december 1998 werkloos is geworden;

    12. personeelslid benoemd aan een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke, provinciale of landelijke instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie ten aanzien waarvan dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard.

    c. de OOW: de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;

    d. fase 2 en fase 3 van de OOW: fase 2 respectievelijk fase 3, bedoeld in artikel 94, tweede lid, OOW;

    e. het BWOO: het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel;

    f. de WW: de Werkloosheidswet;

    g. de ZW: de Ziektewet;

    h. diensttijd: de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking als bedoeld onder b of de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking bij een universiteit, een hogeschool of een onderzoeksinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen, waaronder begrepen een dienstbetrekking als overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP bij een rechtsvoorganger van een werkgever als bedoeld onder b, met uitzondering van de tijd voorafgaand aan een aaneengesloten periode van meer dan 14 maanden waarin de betrokkene niet een zodanige dienstbetrekking had. Voor de periode van 14 maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had op een uitkering op grond van een wet als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW, of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten beschouwing;

    i. ongemaximeerde berekeningsgrondslag: het dagloon dat geldt voor de WW, waarbij echter:

    1. de maximumdagloongrens van artikel 9 Coördinatiewet sociale verzekering buiten beschouwing wordt gelaten;

    2. een bijdrage strekkende tot betaling van de premie van een door de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, en artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, niet wordt aangemerkt als loon;

    3. een loonsuppletie, verstrekt op grond van artikel 15, tot het loon wordt gerekend.

    j. gemaximeerde berekeningsgrondslag: de berekeningsgrondslag bedoeld onder i, maar ten hoogste f 453,01;

    k. aanvulling op de WW-uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, bedoeld in artikel 4;

    l. aanvulling op de ZW-uitkering: de aanvulling op de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 6;

    m. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in artikel 8;

    n. bovenwettelijke uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, de aanvulling op de ZW-uitkering en de aansluitende uitkering;

    o. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de WW;

    p. eerste werkloosheidsdag: de eerste werkloosheidsdag, bedoeld in artikel 16, achtste en negende lid, WW;

    q. pensioenreglement: het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;

    r. pensioen: een pensioen in de zin van het Pensioenreglement;

    s. suppletie: een suppletie op grond van hoofdstuk 3 Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs;

    t. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, WW;

    u. loongerelateerde uitkering: de loongerelateerde uitkering, bedoeld in hoofdstuk IIA, afdeling II van de WW;

    v. vervolguitkering: de vervolguitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIA, afdeling III van de WW;

    w. kortdurende uitkering: de kortdurende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIB van de WW.

  • 2. De persoon bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten 6e, wordt uitsluitend voor de toepassing van paragraaf 2a van hoofdstuk 3 van het Bekostigingsbesluit Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als betrokkene beschouwd.

Artikel 2. Beperking aanspraken op grond van dit besluit

Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, geeft dit besluit geen aanspraken voorzover de betrokkene arbeidsuren heeft verloren uit een dienstbetrekking op grond waarvan hij geen betrokkene is.

Artikel 3. Indexering

  • 1. De ongemaximeerde en de gemaximeerde berekeningsgrondslag, alsmede het bedrag genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, worden periodiek herzien. Op deze herziening is artikel 46 WW van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Onze Minister kan bepalen dat in plaats van de indexering, bedoeld in het eerste lid, een andere indexering wordt toegepast.

  • 3. Onze Minister maakt in «Uitleg OC&W-regelingen» bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste of tweede lid plaatsvindt.

HOOFDSTUK 2. BOVENWETTELIJKE UITKERING

Artikel 4. Het recht op aanvulling op de WW-uitkering

  • 1. De betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de WW, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV WW, heeft recht op een aanvulling op de WW-uitkering.

  • 2. Op de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 16, 19, 20, 21, 76 en 78 WW van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Duur en hoogte van de aanvulling op de WW-uitkering

  • 1. De duur van de aanvulling op de WW-uitkering is gelijk aan de duur van de WW-uitkering.

  • 2. Op de duur van de aanvulling op de WW-uitkering zijn de artikelen 43 en 50 WW van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De loongerelateerde uitkering wordt gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld tot 78% en vervolgens tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Voor de bepaling van de duur van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige volzin, wordt artikel 43 WW overeenkomstig toegepast, en worden perioden van aanvulling op de ZW-uitkering mede in aanmerking genomen.

  • 4. De vervolguitkering wordt per dag aangevuld:

    a. indien de betrokkene op de eerste werkloosheidsdag ten minste 40 jaar oud is en een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar: tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag;

    b. in de overige gevallen: tot 100% van het minimumloon; indien 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag lager is dan 100% van het minimumloon, wordt de vervolguitkering echter per dag aangevuld tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

  • 5. De kortdurende uitkering wordt per dag aangevuld tot 108% van het minimumloon; indien 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag lager is dan 108% van het minimumloon, wordt de kortdurende uitkering echter per dag aangevuld tot 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

  • 6. Op de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 47, tweede en derde lid, en 51, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Voor de berekening van de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, wordt de uitkering op grond van de WW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.

Artikel 6. Het recht op aanvulling op de ZW-uitkering

  • 1. De betrokkene die recht op uitkering op grond van de ZW heeft

    a. en die recht op aanvulling op de WW-uitkering of op aansluitende uitkering zou hebben gehad als hij niet ziek was geweest, of

    b. onder toepassing van artikel 46 ZW, terwijl hij laatstelijk voor de ZW verzekerd was op grond van een WW-uitkering waaraan een recht op bovenwettelijke uitkering was verbonden, heeft recht op aanvulling op de ZW-uitkering.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft de betrokkene geen recht op aanvulling op de ZW-uitkering over tijdvakken waarin hij recht heeft op uitkering of bezoldiging op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 7. Duur en hoogte van de aanvulling op de ZW-uitkering

  • 1. De duur van de aanvulling op de ZW-uitkering is gelijk aan de duur van de ZW-uitkering.

  • 2. De ZW-uitkering wordt voor de betrokkene:

    a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de ZW-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, dat voor hem zou hebben gegolden als hij niet ziek was geweest;

    b. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de ZW-uitkering recht zou hebben gehad op een aansluitende uitkering, aangevuld tot het percentage, bedoeld in artikel 9, zevende lid;

    c. die recht op ZW-uitkering heeft onder toepassing van artikel 46 ZW en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, waartoe zijn WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.

  • 3. Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling op de ZW-uitkering wordt de uitkering op grond van de ZW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.

Artikel 8. Het recht op aansluitende uitkering

  • 1. De betrokkene die recht heeft op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering, heeft zodra het einde van de duur van de WW-uitkering is bereikt recht op een aansluitende uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 41 jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar. Indien het recht op WW-uitkering van de betrokkene na afloop van een periode van ZW-uitkering niet meer herleeft omdat er voor de WW-uitkering geen duur meer resteert, gaat in afwijking van de eerste volzin de aansluitende uitkering in op de dag per welke het recht op ZW-uitkering eindigt.

  • 2. Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 16, 19, 20, 21, 76 en 78 WW van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op aansluitende uitkering niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd.

Artikel 9. Duur en hoogte van de aansluitende uitkering

  • 1. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar en

    a. 41 jaar oud is: 6 maanden

    b. 42 jaar oud is: 1 jaar

    c. 43 jaar oud is: 1,5 jaar

    d. 44 jaar of ouder is: 4 jaar verminderd met de duur van de vervolguitkering.

  • 2. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 7 jaar en

    a. 45 jaar oud is: 2,5 jaar

    b. 46 jaar oud is: 3 jaar

    c. 47 jaar oud is: 3,5 jaar

    d. 48 jaar oud is: 4 jaar

    e. 49 jaar of ouder is: 6,5 jaar verminderd met de duur van de vervolguitkering.

  • 3. De aansluitende uitkering duurt voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en 50 jaar of ouder is, tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.

  • 4. Op de duur van de aansluitende uitkering is artikel 43 WW van overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 43, tweede en derde lid, WW in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de vervolguitkering.

  • 5. Indien de duur van de aanvulling op de vervolguitkering onder overeenkomstige toepassing van artikel 76 WW is verlengd, wordt de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 6. Indien de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking recht heeft op:

    a. een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag;

    b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.

  • 7. De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag.

  • 8. Op de hoogte van de aansluitende uitkering is artikel 47, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10. Het geldend maken van het recht op bovenwettelijke uitkering

  • 1. Onze Minister stelt op aanvraag vast of recht op bovenwettelijke uitkering bestaat. De artikelen 22 tot en met 27 en 28 WW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.

  • 2. De artikelen 28, 30, 30a, 31, eerste lid, 37, 38a, eerste en vierde lid, 44, 45, 49 en 54 ZW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.

  • 3. Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 25 WW, artikel 31, eerste lid, ZW of artikel 49 ZW niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister de bovenwettelijke uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.

Artikel 11. De betaling van de bovenwettelijke uitkering

  • 1. Met inachtneming van het tweede lid zijn de artikelen 30 tot en met 41 WW van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid. Artikel 41 WW wordt op de bovenwettelijke uitkering uitsluitend toegepast indien het uit te betalen bedrag van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering samen een hoogte heeft als bedoeld in artikel 41 WW.

  • 2. Artikel 35b WW is niet van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 35b WW op deoverige aanvullingen op de vervolguitkering en op de aanvullingen op de kortdurende uitkering:

    a. wordt bij samenloop van meerdere vervolguitkeringen voor 70% gelezen: 100%;

    b. wordt bij samenloop van meerdere kortdurende uitkeringen voor 70% gelezen: 108%;

    c. worden bij samenloop van een of meer vervolguitkeringen en een of meer kortdurende uitkeringen de onderdelen a en b toegepast naar evenredigheid van het aantal arbeidsuren per week waarvoor recht bestaat op vervolguitkering, respectievelijk kortdurende uitkering.

  • 3. De artikelen 31, tweede tot en met vijfde lid, 32 tot en met 33b, 40 tot en met 42, 47 tot en met 48, 50 en 85 ZW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.

Artikel 11a. Uitkering indien geen recht op WW-uitkering bestaat

  • 1. Onze Minister kan regels stellen waarbij een recht op uitkering wordt toegekend aan categorieën van betrokkenen die op grond van de overige artikelen van dit besluit geen recht hebben op bovenwettelijke uitkering omdat zij geen recht hebben op WW-uitkering.

  • 2. Een recht op uitkering, toegekend op grond van het eerste lid:

    a. wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een recht op bovenwettelijke uitkering; en

    b. eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd; en

    c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op WW-uitkering.

  • 3. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou hebben. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 3. UITKERING IN DE MAAND WAARIN DE BETROKKENE 65 JAAR WORDT

Artikel 12

  • 1. De betrokkene, wiens recht op bovenwettelijke uitkering uitsluitend is geëindigd omdat hij de eerste dag heeft bereikt van de kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt, heeft met ingang van die dag recht op uitkering op grond van dit artikel.

  • 2. De uitkering op grond van dit artikel eindigt per de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt of, indien dat eerder is, per de dag na die waarop de betrokkene is overleden.

  • 3. De hoogte van de uitkering op grond van dit artikel is gelijk aan de hoogte die de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de Toeslagenwet en de bovenwettelijke uitkering die zijn beëindigd op de grond, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk voor die beëindiging hadden. Indien in het tijdvak waarin recht op uitkering bestaat op grond van dit artikel het dagloon of de berekeningsgrondslag van die uitkeringen wordt geïndexeerd, wordt die indexering in aanmerking genomen voor de hoogte van de uitkering op grond van dit artikel.

  • 4. De artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van dit artikel.

  • 5. Bedragen, waarop de betrokkene op grond van de Algemene ouderdomswet recht heeft over het tijdvak waarin recht op uitkering bestaat op grond van dit artikel, worden geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel.

  • 6. Dit artikel werkt niet ten aanzien van een betrokkene voor wie de ingangsdatum van zijn pensioen onmiddellijk aansluit op de einddatum van zijn bovenwettelijke uitkering.

HOOFDSTUK 4. DE OVERLIJDENSUITKERING

Artikel 13

  • 1. Indien de betrokkene die recht heeft op bovenwettelijke uitkering of op uitkering op grond van artikel 12, overlijdt:

    a. wordt de overlijdensuitkering, bedoeld in de artikelen 35 en 36 ZW en artikel 23 Toeslagenwet, aangevuld tot het dagbedrag van de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de Toeslagenwet, de bovenwettelijke uitkering en de uitkering, bedoeld in artikel 12 waarop de betrokkene op de dag van zijn overlijden recht had, vermenigvuldigd met 65,25;

    b. wordt, indien er geen recht bestaat op een overlijdensuitkering op grond van de ZW uitsluitend omdat de betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de ZW, een overlijdensuitkering toegekend onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 en artikel 36, eerste lid, ZW. Deze uitkering wordt aangevuld overeenkomstig het bepaalde onder a.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een gezamenlijke huishouding slechts aanwezig geacht indien uit een ter zake verleden notariële akte alsmede uit een uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat twee ongehuwde en niet als partner geregistreerde personen, tussen wie geen bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat, een gezamenlijk woonadres hebben en beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

  • 3. De overlijdensuitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk betaald, maar in elk geval binnen één maand na de vaststelling van het recht op de overlijdensuitkering.

  • 4. Andere bedragen waarop de nabestaanden ter zake van het overlijden recht hebben uit of in verband met dienstbetrekkingen van de betrokkene, worden op de overlijdensuitkering in mindering gebracht voorzover de inkomsten uit of in verband met die dienstbetrekkingen in mindering werden gebracht op de WW-uitkering, de ZW-uitkering of de bovenwettelijke uitkering van de betrokkene.

    De vorige volzin wordt niet toegepast voorzover met die dienstbetrekkingen, of met de inkomsten uit of in verband daarmee, al rekening is gehouden bij de toepassing van het eerste lid.

  • 5. Vorderingen op de betrokkene ter zake van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van dit besluit kunnen met de overlijdensuitkering worden verrekend.

  • 6. De artikelen 33 tot en met 33b ZW zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering voorzover deze onverschuldigd is betaald.

HOOFDSTUK 5. BIJZONDERE BEPALINGEN IN GEVAL VAN ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Artikel 14. Samenloop met suppletie

  • 1. Zolang een betrokkene uit hoofde van een ontslag recht heeft op suppletie, heeft hij uit hoofde van dat ontslag geen recht op bovenwettelijke uitkering.

  • 2. Indien de voor de betrokkene geldende duur van de bovenwettelijke uitkering, zoals vastgesteld per de ingangsdatum van het ontslag, langer zou zijn dan de duur van de suppletie, heeft de betrokkene recht op bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag per welke het recht op suppletie door het verstrijken van de duur eindigt. Duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering worden in dat geval vastgesteld alsof er op de ingangsdatum van het ontslag een recht op aanvulling op de WW-uitkering, eventueel gevolgd door een recht op aansluitende uitkering, zou zijn ontstaan en tot het verstrijken van de duur van de suppletie ononderbroken zou zijn doorgelopen.

  • 3. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het tweede lid. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Indien op de suppletie onder overeenkomstige toepassing van artikel 27 WW een maatregel is toegepast die bij het verstrijken van de duur van de suppletie nog niet geheel is uitgevoerd, wordt deze maatregel voortgezet tijdens de bovenwettelijke uitkering. Indien de suppletie blijvend geheel geweigerd is, wordt ook de bovenwettelijke uitkering blijvend geheel geweigerd.

HOOFDSTUK 6. REÏNTEGRATIEBEVORDERENDE REGELINGEN

Artikel 15. Loonsuppletie

  • 1. De betrokkene, wiens recht op bovenwettelijke uitkering binnen de duur, bedoeld in het zevende lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking, heeft recht op loonsuppletie indien het onverminderde loon in zijn nieuwe dienstbetrekking minder bedraagt dan de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, dan wel, als het negende lid, onderdeel b, of het tiende lid van toepassing is, minder bedraagt dan het daar bedoelde deel van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

  • 2. Het eerste lid is mede van toepassing op de betrokkene die geen recht op bovenwettelijke uitkering heeft, maar dit recht wel zou hebben gehad als hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard. Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van deze betrokkene gehandeld alsof hij aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben verkregen.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid:

    a. wordt onder nieuwe dienstbetrekking niet verstaan: een arbeidsverhouding die op grond van artikel 4 of 5 WW als dienstbetrekking wordt beschouwd;

    b. wordt mede als nieuwe dienstbetrekking aangemerkt: een arbeidsverhouding waarop buitenlands recht van toepassing is en die naar aard en strekking overeenkomt met een dienstbetrekking, anders dan bedoeld onder a.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de betrokkene geen recht op loonsuppletie indien zijn bovenwettelijke uitkering blijvend geheel is, respectievelijk zou zijn, geweigerd.

  • 5. Het recht op loonsuppletie eindigt:

    a. voorzover de betrokkene arbeidsuren, alsmede het recht op onverminderde loonbetaling over die arbeidsuren, uit zijn nieuwe dienstbetrekking verliest;

    b. zodra de betrokkene het recht op loonbetaling uit zijn nieuwe dienstbetrekking verliest terwijl die dienstbetrekking blijft bestaan;

    c. met ingang van een berekeningsperiode als bedoeld in het achtste lid, indien over die berekeningsperiode het loon in de nieuwe dienstbetrekking niet meer lager is dan de ongemaximeerde berekeningsgrondslag of het deel daarvan, bedoeld in het eerste lid;

    d. zodra de omstandigheid, bedoeld in het vierde lid, zich voordoet;

    e. zodra de duur van de loonsuppletie is verstreken.

  • 6. Indien het recht op loonsuppletie is geëindigd op grond van het vijfde lid, onderdeel a, b of c, heeft de betrokkene opnieuw recht op loonsuppletie indien de omstandigheid die het recht heeft doen eindigen heeft opgehouden te bestaan en de betrokkene binnen de duur, bedoeld in het zevende lid, opnieuw voldoet aan de voorwaarden, gesteld in het eerste of tweede lid, zonder dat de omstandigheid, bedoeld in het vierde lid, zich voordoet. Voorzover de betrokkene tegelijk recht op loonsuppletie heeft op grond van meer dan één recht op bovenwettelijke uitkering, wordt alleen het hoogste recht op loonsuppletie uitbetaald.

  • 7. De loonsuppletie duurt uiterlijk tot het einde van de duur van de bovenwettelijke uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag. In afwijking van de vorige volzin duurt de loonsuppletie uiterlijk tot het einde van de duur van de loongerelateerde uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag, indien de betrokkene tijdens de vervolguitkering recht heeft op een aanvulling op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b.

  • 8. De berekeningsperiode van de loonsuppletie is het deel van een kalendermaand waarover de betrokkene recht heeft op loon uit zijn nieuwe dienstbetrekking en waarin de duur, bedoeld in het zevende lid, nog niet is verstreken. Zo nodig in afwijking van de vorige volzin begint een nieuwe berekeningsperiode zodra het negende lid, onderdeel b, van toepassing wordt.

  • 9. De loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds:

    a. in de eerste helft van de duur van de bovenwettelijke uitkering, bedoeld in het zevende lid: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag,

    b. in de tweede helft van de duur van de bovenwettelijke uitkering, bedoeld in het zevende lid: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat geldt over de berekeningsperiode.

  • 10. In afwijking van het negende lid wordt, indien de nieuwe dienstbetrekking een kleinere urenomvang per week heeft dan de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht had of zou hebben gehad, voor de berekening bedoeld in het negende lid de ongemaximeerde berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met de urenomvang per week van de nieuwe dienstbetrekking, gedeeld door de urenomvang per week van de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht had of zou hebben gehad. Indien de nieuwe dienstbetrekking geen vaste urenomvang of vaste gemiddelde urenomvang per week heeft, wordt bij deze berekening de gemiddelde urenomvang per week in de berekeningsperiode, bedoeld in het achtste lid, in aanmerking genomen. Dit lid wordt niet toegepast als zowel de nieuwe dienstbetrekking als het recht op bovenwettelijke uitkering een urenomvang per week heeft, gelijk aan die van een volledige dienstbetrekking.

  • 11. De loonsuppletie wordt toegekend op aanvraag van de betrokkene. De betrokkene die voor loonsuppletie in aanmerking wil komen is verplicht:

    a. binnen drie maanden na het ontstaan van het recht op loonsuppletie een aanvraag om loonsuppletie in te dienen, en

    b. de door Onze Minister te stellen controlevoorschriften loonsuppletie na te leven, en

    c. passende arbeid tegen een hoger loon te aanvaarden indien deze hem wordt aangeboden.

    Indien de betrokkene deze verplichtingen niet nakomt, zijn de artikelen 22 tot en met 24, 26 en 27 WW van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan nadere regels stellen aangaande onderdeel c.

  • 12. Artikel 25 WW is van overeenkomstige toepassing op de loonsuppletie. Indien de betrokkene de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister de loonsuppletie tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.

  • 13. De loonsuppletie wordt per maand achteraf betaald. Op de betaling van de loonsuppletie zijn de artikelen 30 en 36 tot en met 40 WW, met inbegrip van de bepalingen waarnaar deze verwijzen, van overeenkomstige toepassing.

  • 14. Voor de toepassing van dit artikel:

    a. wordt een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, waarop de betrokkene recht heeft, geacht deel uit te maken van het loon in de nieuwe dienstbetrekking;

    b. wordt, tenzij de nieuwe dienstbetrekking op grond van de WW voor de betrokkene passende arbeid is, het loon in de nieuwe dienstbetrekking geacht niet lager te zijn dan 70% van het dagloon waarop de WW-uitkering van de betrokkene was of zou zijn gebaseerd. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing;

    c. wordt het loon in de nieuwe dienstbetrekking overigens op dezelfde wijze vastgesteld als de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

Artikel 16. Rechten bij werkloosheid uit een nieuwe dienstbetrekking met nieuw bovenwettelijk uitkeringsrecht

  • 1. Een betrokkene die recht heeft op een bovenwettelijke uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, heeft zodra het einde van de duur van zijn recht op aansluitende uitkering op grond van artikel 9 is bereikt, recht op een verlenging van zijn aansluitende uitkering indien hij aantoont dat:

    a. hij eerder een recht op bovenwettelijke uitkering heeft gehad waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, en

    b. de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering langer is dan de duur van zijn nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering, en

    c. het einde van de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering niet is bereikt vóór de ingangsdatum van de verlenging.

  • 2. De duur van de verlenging, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de verlenging ingaat, maar ten hoogste aan het verschil in duur tussen het oude en het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.

  • 3. Een betrokkene die recht heeft op aanvulling van zijn vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b, heeft recht op verdere aanvulling van zijn vervolguitkering tot de hoogte bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel a, indien hij aantoont dat:

    a. hij eerder een recht op bovenwettelijke uitkering heeft gehad waaraan een aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a was verbonden, en

    b. het einde van de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering niet is bereikt vóór de ingangsdatum van zijn nieuwe vervolguitkering.

  • 4. De duur van de verdere aanvulling van de vervolguitkering, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat, maar ten hoogste aan de duur van de nieuwe vervolguitkering.

  • 5. De betrokkene, bedoeld in het derde lid, heeft zodra het einde van de duur van de nieuwe vervolguitkering is bereikt, recht op een aansluitende uitkering indien:

    a. de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat, langer is dan de duur van de nieuwe vervolguitkering, en

    b. de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering langer is dan de duur van het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.

  • 6. De duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het verschil tussen de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat en de duur van de nieuwe vervolguitkering, maar ten hoogste aan het verschil in duur tussen het oude en het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.

Artikel 17 Herleving bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid uit een nieuwe dienstbetrekking zonder nieuw bovenwettelijk uitkeringsrecht

  • 1. Voorzover de betrokkene die een recht op bovenwettelijke uitkering heeft gehad dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd, na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking opnieuw werkloos is en een nieuw recht op WW-uitkering heeft, waaraan geen nieuw recht op bovenwettelijke uitkering is verbonden, herleeft zijn recht op bovenwettelijke uitkering per de ingangsdatum van het nieuwe recht op WW-uitkering.

  • 2. Het recht op bovenwettelijke uitkering herleeft in afwijking van het eerste lid niet:

    a. indien er ten aanzien van dit recht een herlevingstermijn als bedoeld in artikel 21, eerste, derde en vierde lid, WW is overschreden, anders dan wegens verblijf buiten Nederland om daar werkzaamheden, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, of

    b. indien de duur van dit recht op het moment waarop het op grond van het eerste lid zou herleven, reeds is verstreken.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn mede van toepassing op de betrokkene die ter zake van zijn arbeidsurenverlies als betrokkene geen recht op bovenwettelijke uitkering heeft, maar dat recht wel zou hebben gehad als hij geen nieuwe dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, had aanvaard. Ten aanzien van deze betrokkene wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid gehandeld alsof hij aansluitend op zijn arbeidsurenverlies als betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben verkregen, dat tegelijk weer zou zijn geëindigd.

  • 4. De bovenwettelijke uitkering van de betrokkene, bedoeld in het derde lid, wordt blijvend geheel geweigerd indien deze blijvend geheel zou zijn geweigerd als er ten gevolge van het arbeidsurenverlies als betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou zijn ontstaan.

  • 5. Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het eerste tot en met vierde lid. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de vorige volzin.

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn mede van toepassing op de betrokkene die recht heeft op ZW-uitkering en die, als hij niet ziek was geweest, een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben gehad, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

  • 7. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering die op grond van dit artikel is herleefd en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die naar aard en strekking met een van deze uitkeringen overeenkomt, heeft de op grond van dit artikel herleefde uitkering het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het recht op bovenwettelijke uitkering dat op grond van dit artikel is herleefd. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18. Afkoop

  • 1. Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op bovenwettelijke uitkering worden afgekocht in door Onze Minister te bepalen gevallen.

  • 2. Onze Minister kan nadere regels stellen aangaande het eerste lid.

  • 3. Indien het recht op bovenwettelijke uitkering vanaf een bepaald tijdstip is afgekocht:

    a. heeft de betrokkene geen enkele aanspraak op grond van deze regeling over de periode vanaf dat tijdstip, met uitzondering van aanspraken uit hoofde van een recht op bovenwettelijke uitkering dat na dat tijdstip is ontstaan;

    b. blijft bij de vaststelling van rechten op bovenwettelijke uitkering die na dat tijdstip ontstaan de diensttijd, voorafgaand aan het afgekochte recht op bovenwettelijke uitkering, buiten beschouwing.

Artikel 19. Vergoeding van verhuiskosten

  • 1. De betrokkene die recht heeft op een bovenwettelijke uitkering en elders arbeid gaat verrichten of een onderneming start, heeft op de voet van de bepalingen ter zake van de verplaatsingskosten die voor hem golden in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, recht op een tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.

  • 2. Indien de betrokkene in verband met zijn nieuwe werkzaamheden uit anderen hoofde recht heeft op een vergoeding van verhuiskosten, wordt die vergoeding in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft.

  • 3. Een vordering op de betrokkene ter zake van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van dit besluit kan met de tegemoetkoming in de verhuiskosten in één keer worden verrekend.

  • 4. De artikelen 36 tot en met 36b WW zijn van overeenkomstige toepassing op de tegemoetkoming in de verhuiskosten, voorzover deze onverschuldigd is betaald.

Artikel 20. Overige reïntegratiebevorderende regelingen

Bij ministeriële regeling kunnen voor alle betrokkenen, dan wel bepaalde categorieën van betrokkenen, reïntegratiebevorderende regelingen worden gesteld.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Aanpassing van dit besluit in geval van neerwaartse wijzigingen in de WW

Indien het niveau van de uitkering op grond van de WW een algemeen geldende neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien in de Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen als bedoeld in artikel 2 van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd overeenstemming wordt bereikt en een voordracht wordt gedaan voor een algemene maatregel van bestuur die als strekking heeft dat deze neerwaartse wijziging wordt bijgesteld, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 22. Overgangsbepalingen

  • 1. Het BWOO wordt ingetrokken.

  • 2. Voorzover de WW en de ZW nog niet op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken ontlenen aan dit besluit. Voorzover de WW en de ZW op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken meer ontlenen aan het BWOO.

  • 3. De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van Hoofdstuk I BWOO of Hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO, zoals deze luidden op de dag vóór de intrekking van het BWOO, of van wie een zodanig recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW zou herleven, heeft per die ingangsdatum, respectievelijk per de datum per welke die herleving zou hebben plaatsgevonden, recht op een bovenwettelijke uitkering indien hij:

    a. op grond van artikel 31 OOW een recht op WW-uitkering verkrijgt, of

    b. op grond van artikel 31, eerste lid, slot, OOW uitsluitend omdat de duur van zijn recht op WW-uitkering zou zijn verstreken, geen recht op een WW-uitkering verkrijgt.

    Duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering op grond van dit lid worden vastgesteld op grond van de artikelen 5 en 9, met inachtneming van het soort recht op uitkering op grond van het BWOO en de periode waarover de betrokkene reeds recht op die uitkering heeft gehad.

  • 4. De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering, herleefd op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking van het BWOO, of van wie een recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO zou herleven, heeft per die ingangsdatum, respectievelijk per de datum per welke die herleving zou hebben plaatsgevonden, recht op bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 17. Voor de toepassing van artikel 17 wordt het recht op uitkering op grond van het BWOO van deze betrokkene aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering. Artikel 17, vijfde lid, is van toepassing op de betrokkene wiens recht op uitkering na de ingangsdatum van fase 3 van de OOW op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO zou herleven.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 16 wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan:

    a. een recht op aansluitende uitkering en een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a zijn verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 41 jaar oud was;

    b. een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a is verbonden, in de overige gevallen.

    Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.

  • 6. De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van artikel 39 BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking van het BWOO, die op grond van artikel 4 OOW recht verkrijgt op een ZW-uitkering en die, indien hij niet ziek was geweest, op grond van het tweede lid een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben verkregen, heeft recht op een aanvulling op de ZW-uitkering onder toepassing van de artikelen 6 en 7.

  • 7. Onder rechten op grond van het BWOO als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, worden uitsluitend rechten verstaan in verband waarmee de WW en de ZW op de ingangsdatum van fase 2 van de OOW nog niet op de betrokkene van toepassing zijn geworden.

  • 8. In afwijking van het tweede lid kan een betrokkene op wie de WW en de ZW nog niet van toepassing zijn geworden, recht hebben op loonsuppletie op grond van artikel 15. Voor de toepassing van artikel 15 wordt een recht op uitkering op grond van het BWOO, met uitzondering van een vervolguitkering op grond van hoofdstuk I BWOO, aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering.

  • 9. Vanaf de ingangsdatum van fase 2 van de OOW bestaat er geen recht op loonsuppletie op grond van het BWOO. De betrokkene die:

    a. op de dag vóór de ingangsdatum van fase 2 van de OOW recht had op een loonsuppletie op grond van het BWOO en daar, indien de eerste volzin van dit lid niet van toepassing zou zijn geweest, op de ingangsdatum van fase 2 van de OOW recht op zou hebben gehad, of

    b. vóór de ingangsdatum van fase 2 van de OOW recht heeft gehad op een loonsuppletie op grond van het BWOO, welk recht, indien de eerste volzin van dit lid niet van toepassing zou zijn geweest, op of na de ingangsdatum van fase 2 van de OOW zou zijn herleefd, heeft per de ingangsdatum van fase 2 van de OOW, respectievelijk per de datum waarop het recht op loonsuppletie op grond van het BWOO zou zijn herleefd, recht op loonsuppletie op grond van artikel 15. De laatste volzin van het achtste lid is van toepassing.

Artikel 23. Overgangsgarantie en hardheidsclausule

  • 1. Op het moment waarop de betrokkene:

    a. een recht op bovenwettelijke uitkering verkrijgt op grond van artikel 22, blijft het niveau van zijn rechten en verplichtingen in verband met zijn werkloosheidsuitkering gelijk;

    b. een recht op loonsuppletie verkrijgt op grond van artikel 22, negende lid, blijft het niveau van zijn rechten en verplichtingen in verband met zijn loonsuppletie, waaronder begrepen de mate waarin de hoogte van de loonsuppletie daalt zodra de tweede helft van de duur ingaat, gelijk.

  • 2. Onverminderd het eerste lid blijven garanties op grond van de artikelen II, IIa, IIe, III en IV van het Besluit van 4 februari 1994, Stb. 1994, 100, ook behouden na het moment waarop de betrokkene op grond van artikel 22 een recht op bovenwettelijke uitkering of op loonsuppletie verkrijgt.

  • 3. De betrokkene die, indien het BWOO niet zou zijn ingetrokken, op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW recht zou hebben gehad op een uitkering op grond van het BWOO, en die per die ingangsdatum geen recht op WW-uitkering of bovenwettelijke uitkering verkrijgt omdat hij buiten Nederland woont of anders dan wegens vakantie buiten Nederland verblijft, heeft recht op uitkering. Deze uitkering is gelijk aan de uitkering die hij op grond van het BWOO, zoals dat luidde op de dag vóór de intrekking, zou hebben ontvangen. Op de uitkering op grond van dit lid is artikel 11a, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid gelden onverminderd artikel 21 en houden geen garantie in ten aanzien van rechten en verplichtingen van administratieve of procedurele aard of ten aanzien van de hoogte van de netto uitkering.

  • 5. Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben voorgedaan als dit besluit niet in werking zou zijn getreden, kan Onze Minister besluiten het door deze onbillijkheid voor de betrokkene ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.

Artikel 23a. Wijziging in dit besluit

Indien het bij Koninklijke boodschap van 3 mei 2000 ingediende voorstel van wet Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in verband met de wijze van financiering van de uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet voor overheidswerknemers alsmede enkele andere wijzigingen (Aanpassingswet OOW), tot wet wordt verheven en vóór of op 1 januari 2001 in werking treedt, wordt in artikel 11, tweede lid, de zinsnede «artikel 35b WW» telkens vervangen door «artikel 35c WW».

Artikel 24. Inwerkingtreding

  • 1. Met uitzondering van artikel 22, eerste lid, treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

  • 2. Artikel 22, eerste lid, treedt in werking per 1 januari 2003.

Artikel 25. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 20 januari 2001

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de achtste februari 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Door de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) worden de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW) van toepassing op overheidswerknemers in de zin van de Wet privatisering ABP. Voor nieuwe werkloosheidsgevallen zal dit het geval zijn vanaf 1 januari 2001 (fase 2 van de OOW), terwijl lopende wachtgelden en werkloosheidsuitkeringen tot 1 januari 2003 onder het oude regime blijven vallen (fase 3 van de OOW).

De aanspraken die de WW bij werkloosheid geeft, zijn veelal soberder dan de aanspraken op grond van de huidige wachtgeld- en werkloosheidsregelingen voor overheidswerknemers. De OOW beoogt een wijziging van het systeem van werkloosheidsuitkeringen voor overheidswerknemers, geen vermindering van hun aanspraken. De wetgever is ervan uitgegaan dat de sociale partners in het reguliere arbeidsvoorwaardenoverleg hiervoor voorzieningen treffen: bovenwettelijke regelingen die overeenkomen met het verschil tussen de huidige wachtgeld- en werkloosheidsregelingen en de aanspraken op grond van de WW en de ZW en die – samen met de WW en de ZW – de huidige regelingen vervangen. Uit een oogpunt van samenhang, uitvoerbaarheid en uitvoeringskosten is het wenselijk dat een bovenwettelijke uitkeringsregeling naadloos aansluit op de systematiek van de WW, en in voorkomende gevallen de ZW.

De onderwijssectoren kennen sinds 1994 een WW-conforme werkloosheidsregeling: het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), dat ook reeds verdeeld is in een wettelijk (hoofdstuk I) en een bovenwettelijk (aanvullend) deel (hoofdstuk II). Voor het vaststellen van een bovenwettelijke regeling volstaat het echter niet om hoofdstuk II BWOO over te nemen. Dit wordt enerzijds veroorzaakt doordat ook hoofdstuk I BWOO aspecten heeft die uit het oogpunt van de WW bovenwettelijk zijn. Voorbeelden daarvan zijn de herlevingsmogelijkheid als er na een werkhervatting een nieuw WW-recht is opgebouwd (artikel 7 lid 5) en het niet van toepassing zijn van de maximum dagloongrens (artikel 27). Anderzijds heeft de WW sinds de totstandkoming van het BWOO een aanzienlijk aantal wijzigingen ondergaan. Sommige van die wijzigingen zijn in het BWOO gevolgd, andere niet. Hierdoor komt hoofdstuk I BWOO niet geheel overeen met de WW. Zodra de WW van toepassing wordt, heeft de sectorale regelgever niet meer de keus om wijzigingen in de WW wel of niet te volgen. Wat de WW betreft, worden de wijzigingen automatisch doorgevoerd; voor zover afwijkingen gewenst blijven, moeten die in een bovenwettelijke regeling neergelegd worden.

Deze overwegingen hebben ertoe geleid om de bovenwettelijke aspecten uit het BWOO opnieuw te rangschikken en formuleren. Uitgangspunt hierbij is geweest dat de aanspraken materieel gelijk blijven. Dat is in verreweg de meeste opzichten ook het resultaat. Het van toepassing worden van de WW noopt tot enkele wijzigingen van technische aard.

Tegelijk met de WW zullen ook de Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) van toepassing worden op het overheids- en onderwijspersoneel. De Toeslagenwet geeft recht op uitkering als het (gezins-)inkomen van de betrokkene tijdens de WW-uitkering onder het voor hem geldende sociaal minimum ligt. Gezien de hoogte van de bovenwettelijke aanvullingen zal dat overigens niet vaak het geval zijn. De IOAW geeft bepaalde categorieën werkloze werknemers een iets gunstiger positie dan de bijstand. De IOAW-uitkering gaat in principe in na afloop van de volledige duur van de WW-uitkering. Als de betrokkene dan echter nog recht heeft op een aansluitende uitkering, zal de IOAW-uitkering pas na afloop daarvan ingaan, tenzij de aansluitende uitkering lager is dan het bijstandsniveau.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Lid 1, onderdeel a

Hierin zijn de ministers genoemd die verantwoordelijk zijn voor deze regeling: de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het onderwijs op zijn gebied, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor het overige onderwijs. De aanspraak van de betrokkene op uitkering op grond van dit besluit is een aanspraak jegens de betreffende minister.

Lid 1, onderdeel b

Hierin is de doelgroep van het besluit omschreven. Het zijn van betrokkene is een voorwaarde om enigerlei aanspraak op grond van het besluit te kunnen hebben.

Lid 1, onderdeel h

De diensttijd is van invloed op de aanspraken op aanvulling op de vervolguitkering (artikel 4) en aansluitende uitkering (artikel 8). Als diensttijd is gedefinieerd de totale tijd doorgebracht in een of meer dienstbetrekkingen als betrokkene in de zin van dit besluit of in andere onderwijssectoren, die tot de doordecentralisatie van 1999 onder het BWOO vielen.

Buiten beschouwing blijft de tijd gelegen vóór een diensttijdonderbreking van meer dan 14 maanden. Een periode waarin de betrokkene buiten dienstbetrekking een WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering naar volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontving direct vóór zijn werkloosheid, telt niet mee voor de beoordeling of een diensttijdonderbreking van meer dan 14 maanden heeft plaatsgevonden.

Lid 1, onderdeel i

De ongemaximeerde berekeningsgrondslag wordt afgeleid van het dagloon dat voor de WW geldt. Het WW-dagloon wordt vastgesteld aan de hand van de Dagloonregels op grond van artikel 34 IWS. De berekeningsgrondslag wijkt op drie punten af van het WW-dagloon: het niet gelden van het maximum dagloon uit de Coördinatiewet sociale verzekering, het niet meetellen van de werkgeversbijdrage in de premie van een particuliere ziektekostenverzekering, en het wel meetellen van een loonsuppletie op grond van artikel 15. Deze afwijkingen zijn overgenomen uit het BWOO.

Lid 1, onderdeel j

De aanvulling op de vervolguitkering voor werknemers van ten minste 40 jaar met ten minste 5 dienstjaren en de aansluitende uitkering worden afgeleid van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Deze uitkeringen komen (samen met de WW-vervolguitkering) overeen met de aanvullende uitkering uit het BWOO, die werd afgeleid van een dagloon, gemaximeerd op het bedrag van schaal 12 BBRA, regelnummer 10. Dit bedrag is hoger dan het maximumdagloon dat voor de WW geldt. Omdat de BBRA-loonschalen inmiddels niet meer worden gevolgd door het onderwijspersoneel, is als maximum in lid 1, onderdeel e, het salaris van schaal 12 BBRA, regelnummer 10, herleid tot een dagbedrag, opgenomen. Dit bedrag wordt in het vervolg steeds geïndexeerd op grond van artikel 3.

Lid 2

De betrokkene bedoeld in lid 1 onder b ten 6e is alleen betrokkene voor de toepassing van een onderdeel van het Bekostigingsbesluit WHW. Deze betrokkene kan dus geen uitkeringsaanspraken ontlenen aan dit besluit.

Artikel 2

Een betrokkene kan, al dan niet gelijktijdig met de dienstbetrekking als betrokkene, ook arbeidsverhoudingen hebben (gehad) op grond waarvan hij geen betrokkene in de zin van dit besluit is. In dit artikel komt tot uiting dat dit besluit dan alleen ziet op de gevolgen van werkloosheid uit de dienstbetrekking als betrokkene. Een uitzondering vormt de regeling van artikel 17.

Artikel 3

Op grond van artikel 46 WW worden de WW-daglonen periodiek, in de praktijk steeds per 1 januari en 1 juli, herzien met het indexeringspercentage dat ook geldt voor de minimumlonen. De berekeningsgrondslagen voor de bovenwettelijke uitkering volgen in beginsel deze indexering. Overeenkomstig het BWOO is echter een ministeriële bevoegdheid opgenomen om in plaats van de WW-conforme indexering een andere indexering te hanteren.

Artikelen 4 en 5

Deze artikelen regelen de aanvulling op de WW-uitkering. Het hebben van een recht op WW-uitkering is hiervoor dus een voorwaarde. Deze voorwaarde impliceert onder andere dat de betrokkene werkloos moet zijn in de zin van de WW en aan de referte-eisen van de WW (de 26-uit-39-wekeneis, en voor het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering ook de 4-uit-5-jareneis) moet voldoen.

Elke WW-uitkering voortkomend uit een arbeidsurenverlies als betrokkene wordt aangevuld.

De loongerelateerde uitkering wordt de eerste 12 maanden aangevuld tot 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag en vervolgens tot 70% daarvan. In de 70%-fase zal de aanvulling alleen tot uitbetaling komen als de ongemaximeerde berekeningsgrondslag hoger is dan het WW-dagloon, dus als deze boven het WW-maximumdagloon ligt. In de andere gevallen komt de aanvulling in de 70%-fase dus niet meer tot uitbetaling, maar meestal weer wel zodra de vervolguitkering ingaat.

De vervolguitkering wordt indien de betrokkene op de eerste werkloosheidsdag ten minste 40 jaar oud is en ten minste 5 jaar diensttijd heeft, aangevuld tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Deze aanvulling komt tot uitbetaling als deze berekeningsgrondslag hoger is dan het (voltijds) minimumloon. Is de betrokkene nog geen 40 jaar of heeft hij minder dan 5 jaar diensttijd, dan wordt de vervolguitkering aangevuld tot 100% van het (voltijds) minimumloon, maar nooit tot meer dan 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

De kortdurende uitkering wordt aangevuld tot 108% van het (voltijds) minimumloon, maar nooit tot meer dan 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

De duur van de aanvullingen is gelijk aan de duur van de onderliggende WW-uitkeringen. De overeenkomstige toepassing van de artikelen 43, 50 en 76 WW betekent dat deze duur inclusief alle verlengingen van de WW-duur en opschuivingen van de einddatum van de WW-uitkering is, die tijdens de loop van de uitkering kunnen optreden. Voor de duur van de aanvulling tot 78% worden perioden van aanvulling tot 78% op de ZW-uitkering (zie artikel 6) meegeteld.

Het van toepassing verklaren van de artikelen 16, 19, 20 en 21 WW betekent dat de aanvulling op de WW-uitkering eindigt en herleeft op dezelfde momenten en in dezelfde mate als de onderliggende WW-uitkering. Op grond van de artikelen 76 en 78 kan de aanvulling op de vervolguitkering, evenals de vervolguitkering zelf, ook na het verstrijken van de maximale duur doorlopen indien er op dat moment nog een als noodzakelijk aangemerkte scholing wordt gevolgd.

Het van toepassing verklaren van de artikelen 47, tweede en derde lid, en 51, tweede en derde lid, WW heeft tot gevolg dat de aanvulling, evenals de WW-uitkering zelf, evenredig wordt verminderd als de betrokkene niet volledig werkloos is, maar slechts gedeeltelijk. In het systeem van de WW vindt deze evenredige verlaging plaats door een vergelijking tussen de aantallen arbeidsuren per week.

Artikel 5 lid 7 regelt dat er voor de berekening van de aanvulling wordt uitgegaan van een WW-uitkering zonder sancties en zonder financiële anticumulatie. In de WW zelf is bepaald dat sommige uitkeringen, pensioenen en andere inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht. Ook bepalingen uit andere wetten kunnen ertoe leiden dat een WW-uitkering geheel of gedeeltelijk niet aan de betrokkene wordt betaald, bijvoorbeeld in geval van beslaglegging op de uitkering. In al deze gevallen wordt de sanctie of korting op de WW-uitkering niet door de bovenwettelijke aanvulling gecompenseerd.

Zie voor de gevolgen van een sanctie of inkomstenkorting op de aanvulling ook respectievelijk de artikelen 10 en 11.

Artikelen 6 en 7

Als een betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering ziek wordt, eindigt het recht op WW-uitkering en ontstaat er recht op een ZW-uitkering. Deze is even hoog als de WW-uitkering. Aangezien de betrokkene tijdens de WW-uitkering recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling, is hier geregeld dat hij tijdens de ZW-uitkering dezelfde aanvulling ook krijgt, zodat hij niet tijdens ziekte terugvalt in inkomen. Na herstel zal het recht op WW-uitkering, met de aanvulling daarop, in de meeste gevallen herleven.

Een betrokkene kan ook ziek zijn op het moment dat hij zijn arbeidsuren en zijn recht op loonbetaling verliest. Dan krijgt hij geen recht op WW-, maar op ZW-uitkering. In dit geval – en ook als hij binnen een maand na het intreden van zijn werkloosheid ziek wordt – zal hij gewoonlijk recht hebben op een uitkering of bezoldiging ingevolge het BZA. In het BZA wordt in verband met de invoering van de ZW geregeld dat een betrokkene die na het einde van zijn dienstbetrekking ziek is, recht krijgt op een ZW-uitkering en een aanvulling daarop tot het peil van de bezoldiging. Ter voorkoming van onnodige dubbele uitkeringsrechten is in artikel 6 lid 2 het recht op aanvulling op de ZW-uitkering op grond van dit besluit uitgesloten indien een dergelijk recht al op grond van het BZA bestaat.

Tot slot kan een betrokkene die ziek wordt binnen een maand na het einde van zijn WW-uitkering, nog recht hebben op een ZW-uitkering (nawerking, artikel 46 ZW). Ook in dat geval wordt de ZW-uitkering aangevuld.

In artikel 7 zijn duur en hoogte van de aanvulling bij ziekte geregeld. De duur is gelijk aan de duur van de ZW-uitkering; die is in de meeste gevallen maximaal 52 weken. Als de betrokkene dan nog niet in staat is het werk te hervatten, eindigt het recht op bovenwettelijke uitkering op grond van dit besluit. De betrokkene zal dan gewoonlijk in de WAO komen en recht hebben op een bovenwettelijke aanvulling daarop (IP).

De ZW-uitkering wordt aangevuld tot het percentage genoemd in artikel 5 of artikel 9, dat zou gelden als de betrokkene niet ziek, maar werkloos was. De aanvulling kan tijdens een ziekteperiode dalen van 78% naar 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Indien de betrokkene ziek wordt tijdens de loongerelateerde uitkering, gaat de WW-vervolguitkering pas in na zijn herstel. Pas na herstel kan dus een daling optreden naar 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag of naar 100% van het minimumloon.

Als de WW-uitkering na afloop van het ziektegeval herleeft, vindt opschuiving van de WW-einddatum, en daarmee van de einddatum van de aanvulling op de WW-uitkering, plaats voor zover het ziektegeval langer heeft geduurd dan 3 maanden. Indien echter de ZW-uitkering betrekking heeft op bevallingsverlof, vindt opschuiving van de WW-einddatum, en van de einddatum van de aanvulling op de WW-uitkering, met de volledige duur van het bevallingsverlof plaats. De aanvulling op de ZW-uitkering zal bij bevallingsverlof overigens alleen tot uitbetaling komen als de berekeningsgrondslag zeer hoog is, aangezien de ZW-uitkering dan 100% van het ZW-dagloon bedraagt.

Artikel 7 lid 3 heeft een zelfde functie als artikel 5 lid 7, zie de toelichting aldaar.

Artikelen 8 en 9

In deze artikelen is de aansluitende uitkering, ofwel een verlenging van de werkloosheidsuitkering na het verstrijken van de duur van de WW-uitkering, geregeld. Het recht op aansluitende uitkering is gekoppeld aan een minimum leeftijd van 41 jaar en een minimum diensttijd van 5 jaar op de eerste werkloosheidsdag. Omdat deze betrokkenen, anders dan in het BWOO, in de WW ook een vervolguitkering krijgen (en een aanvulling daarop: zie de artikelen 4 en 5), is de duur van de aansluitende uitkering steeds gelijk aan de duur van de aanvullende uitkering uit het BWOO, verminderd met de duur van de vervolguitkering. Voor degenen die op de eerste werkloosheidsdag 40 jaar zijn is de duur van de aanvullende uitkering op grond van het BWOO en die van de vervolguitkering gelijk, zodat deze leeftijdsgroep niet aan een aansluitende uitkering toekomt. Voor de categorie van artikel 9 lid 3 loopt de aansluitende uitkering tot de eerste van de maand waarin zij 65 jaar worden (zie over deze maand ook artikel 12).

De aansluitende uitkering gaat in zodra de WW-uitkering is geëindigd door het verstrijken van de duur. Een uitzondering hierop geldt als de WW-uitkering na een periode waarin de betrokkene een ZW-uitkering heeft gehad, niet meer kan herleven omdat de uitkeringsduur is verbruikt. Dit kan gebeuren als de WW-uitkering wegens ziekte eindigt in de laatste 3 maanden van de uitkeringsduur. Aangezien de betrokkene dan recht heeft op een aanvulling op de ZW-uitkering tot het einde van de ZW-uitkering (zie hierover ook de toelichting op artikel 6 en 7), gaat de aansluitende uitkering in zodra de ZW-uitkering is geëindigd. Uit artikel 9 lid 4 blijkt dat in dit geval tijdens de ziekte tot 3 maanden van het totaal van de duur van de WW-uitkering en de aansluitende uitkering wordt verbruikt.

In artikel 8 lid 2 en artikel 9 lid 8 worden WW-artikelen van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor wordt bereikt dat het recht op aansluitende uitkering (waarbij dus geen onderliggend WW-recht meer aanwezig is) eindigt en herleeft alsof het een WW-recht was. Een uitzondering is geregeld in artikel 8 lid 3: de aansluitende uitkering loopt bij ziekte of arbeidsongeschiktheid door als er geen recht bestaat op ZW- of WAO-uitkering omdat de ZW- en WAO-verzekering zijn geëindigd. Deze verzekeringen eindigen bij het einde van de WW-uitkering. Op grond van de zogenaamde nawerking (artikel 46 ZW) is bij ziekte die aanvangt binnen een maand na het einde van de verzekering, nog wel uitkering mogelijk. In dat geval is artikel 8 lid 3 niet van toepassing, maar wordt tijdens het ziektegeval de aansluitende uitkering onderbroken door een ZW-uitkering met aanvulling (zie de artikelen 6 en 7). Na herstel kan de aansluitende uitkering dan herleven.

Verder zijn de WW-bepalingen over het recht op uitkering bij noodzakelijke scholing overgenomen. Zie hierover ook de toelichting bij artikel 4 en 5.

Indien de duur van de WW-uitkering is verlengd wegens scholing, wordt de duur van die verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering (artikel 9 lid 5). Indien rond het einde van de aansluitende uitkering een noodzakelijke scholing wordt gevolgd, wordt de aansluitende duur verlengd tot het einde van de scholing.

Artikel 9 lid 6 betreft de situatie waarin de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking een WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering naar 80–100% arbeidsongeschiktheid heeft, later geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt verklaard, en daardoor werkloos wordt. De duur van de periode tussen einde dienstbetrekking en eerste werkloosheidsdag wordt dan in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering. Bestaat er bij het einde van de dienstbetrekking recht op een ZW-uitkering en wordt die gevolgd door een van de genoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, dan wordt de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering exclusief de ZW-uitkering, in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering.

Artikel 10

In dit artikel is het geldend maken van het recht op bovenwettelijke uitkering geregeld. Hieronder vallen het doen van de aanvraag, de herziening van beslissingen en het verplichtingen- en sanctieregime.

Er is voor gekozen de bepalingen over het geldend maken van het WW-recht van overeenkomstige toepassing te verklaren tijdens de aanvulling op de WW-uitkering. Deze WW-bepalingen komen vrijwel geheel overeen met die uit het BWOO; het belangrijkste verschil is dat in de WW de toepassing van een sanctie bij constatering van een overtreding – enkele uitzonderingen daargelaten – verplicht is; in het BWOO was dit een ministeriële bevoegdheid. Tijdens de aanvulling op de ZW-uitkering en tijdens ziekteperiodes in de aansluitende uitkering zijn ZW-bepalingen van overeenkomstige toepassing.

De aanvraagprocedure kan zodanig worden ingericht dat een bovenwettelijke uitkering in het algemeen tegelijk met een WW-uitkering kan worden aangevraagd, zodat de betrokkene zijn gegevens slechts één keer hoeft in te dienen. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van gegevens tijdens de loop van de uitkering.

Hierbij wordt aangetekend dat in de meeste gevallen zowel WW of ZW als bovenwettelijke uitkering door dezelfde uitvoeringsinstelling zullen worden betaald; de aanwijzingsregels voor uitvoeringsinstellingen kunnen echter in sommige gevallen met zich meebrengen dat de WW- of ZW-uitkering door een andere uitvoeringsinstelling moet worden verzorgd. In dat geval zal dubbele gegevensverstrekking niet altijd kunnen worden vermeden.

Bij samenloop van een WW- of ZW-uitkering met een bovenwettelijke aanvulling zal in geval van overtreding van een verplichting allereerst moeten worden nagegaan of ten aanzien van de bovenwettelijke uitkering dezelfde overtreding is begaan als ten aanzien van de WW-, respectievelijk ZW-uitkering. Zo ja – aangezien dezelfde verplichtingen van toepassing zijn, zal dat meestal het geval zijn –, dan zal de overeenkomstige toepassing van de WW- of ZW-artikelen betekenen dat de bovenwettelijke uitkering wordt geweigerd in dezelfde mate als de WW- of ZW-uitkering. Zo nee – bijvoorbeeld: de ene uitkering is tijdig aangevraagd, de andere niet –, dan zullen de eventuele sancties op de wettelijke en de bovenwettelijke uitkering wel met toepassing van dezelfde regels beoordeeld moeten worden, maar kan het resultaat uiteenlopen omdat immers de feiten verschillend zijn.

Een aparte opmerking verdient de passendheid van arbeid. Of arbeid passend is hangt in de WW af van een aantal factoren, waaronder het loonniveau. Daarbij geldt als uitgangspunt dat arbeid met een loonniveau lager dan de WW-uitkering in elk geval niet als passend wordt beschouwd. Het gevolg hiervan is dat de werknemer niet verplicht is zulke arbeid te aanvaarden.

Uit een oogpunt van eenduidigheid van verplichtingen is het wenselijk dat de grens tussen passend en niet passend voor de bovenwettelijke uitkering hetzelfde ligt als voor de WW. Overeenkomstige toepassing van de WW-bepalingen zal in dit geval dus moeten inhouden dat aanvaarding van arbeid met een loon onder het bovenwettelijke uitkeringsniveau passend kan zijn, mits het maar niet onder het WW-uitkeringsniveau is. Een loonsuppletie (zie artikel 15) zal het inkomensnadeel vaak kunnen compenseren.

Een procentuele weigering van de WW- of ZW-uitkering wordt als volgt overeenkomstig toegepast op een bovenwettelijke aanvulling. Een sanctie van bijvoorbeeld 10% op een WW-uitkering houdt in dat de WW-uitkering wordt verlaagd van 70% naar 60% van het dagloon. Het effect is dus een vermindering van het uitkeringsbedrag met 10/70 deel. Als de WW-uitkering wordt aangevuld tot 78% van de berekeningsgrondslag, houdt een sanctie van 10% in dat het bedrag van de aanvulling wordt verminderd met 10/78 deel; in geval van aanvulling tot 70% van de berekeningsgrondslag is dit 10/70 deel en bij aanvulling tot 100% of 108% van het minimumloon, is de vermindering 10/100, respectievelijk 10/108 deel.

Een uitzondering op de regel dat sancties overeenkomstig de WW en de ZW worden toegepast, vormen de boeten. In de ZW en de WW worden boeten opgelegd als de betrokkene zich niet houdt aan de inlichtingenplicht (artikel 25 WW, artikelen 31 en 49 ZW). Oplegging van boeten op grond van een algemene maatregel van bestuur, zoals dit besluit, is vanwege het strafrechtelijke karakter van boeten echter juridisch discutabel. Daarom is in artikel 10 lid 3 een afzonderlijke weigeringsbevoegdheid opgenomen in geval van overtreding van de mededelingsplicht. Hiervoor is een sanctiebesluit getroffen waarbij in plaats van de boete een maatregel wordt toegepast. Daarnaast zal de eventueel onverschuldigd betaalde uitkering worden teruggevorderd (zie ook artikel 11).

Artikel 11

Hierin worden de WW- (en in geval van ziekte de ZW-)bepalingen aangaande de betaling van de uitkering (o.a. betaaltermijnen, voorschotten, anticumulatie van bepaalde andere inkomsten, terug- en invordering van onverschuldigd betaalde uitkering) van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor kunnen in het algemeen de bovenwettelijke aanvullingen op dezelfde wijze als de WW-, respectievelijk ZW-uitkering worden betaald, althans voor zover de uitvoering van beide in handen is van dezelfde uitvoeringsinstelling.

De belangrijkste afwijking van het BWOO vormen de regels over terug- en invordering. Het BWOO komt op dit punt nog overeen met de WW-bepalingen ter zake van vóór de Wet boeten. Nu wordt gekozen voor het volgen van de huidige WW-bepalingen (of in voorkomende gevallen de – gelijkluidende – ZW-bepalingen).

Anticumulatiebepalingen dienen op een bovenwettelijke aanvulling uiteraard alleen te worden toegepast voor zover de te anticumuleren inkomsten niet reeds op de wettelijke uitkering in mindering zijn gebracht.

Het tweede lid, over de overeenkomstige toepassing van artikel 35b WW, heeft betrekking op samenloop van uitkeringen waarvan de hoogte is gerelateerd aan het minimumloon.

Artikel 11a

Het recht op bovenwettelijke uitkering is gekoppeld aan het recht op WW. Zie daarover de artikelen 4 en 8. Een betrokkene die niet voldoet aan de ontstaansvoorwaarden voor een WW-recht of wiens WW-recht tussentijds is geëindigd, heeft daardoor in principe ook geen recht (meer) op bovenwettelijke uitkering. Op grond van dit artikel heeft de Minister de bevoegdheid om aan bepaalde categorieën in afwijking van dit principe toch recht op uitkering toe te kennen.

Artikel 12

De WW-uitkering eindigt uiterlijk per de eerste van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt. Dit is gewoonlijk tevens de ingangsdatum van de AOW-uitkering. De BWOO-uitkering liep door tot de 65e verjaardag zelf; dit is ook de ingangsdatum van het ABP-pensioen. Bij invoering van de WW ontstaat zodoende een hiaat.

Dit hiaat wordt gedicht door artikel 12, waarin de uitkering van de eerste van de maand van de 65e verjaardag tot de verjaardag zelf is geregeld. Deze uitkering is noodzakelijkerwijs altijd geheel bovenwettelijk. De uitkering wordt eenmalig toegekend op grond van het eindigen van een bovenwettelijke uitkering wegens het bereiken van de eerste van de maand van de 65e verjaardag, en is in hoogte gelijk aan de aldus geëindigde bovenwettelijke uitkering plus de onderliggende wettelijke uitkeringen voor zover die nog liepen. Met verandering van omstandigheden in de maand van de 65e verjaardag, uitgezonderd overlijden, wordt geen rekening meer gehouden. De AOW-uitkering wordt in mindering gebracht.

Het pensioenhiaat zou kunnen worden gedicht door de ingangsdatum van het pensioen aansluitend te maken aan de einddatum van WW- en bovenwettelijke uitkering. Op grond van het zesde lid zal indien dat gebeurt, de werking van dit artikel ophouden.

Artikel 13

De WW kent geen overlijdensuitkering. Komt een WW-gerechtigde te overlijden, dan hebben bepaalde nabestaanden recht op een overlijdensuitkering op grond van de ZW. Welke nabestaanden recht hebben op de overlijdensuitkering, wordt bepaald volgens een rangorde: eerst de echtgenoot of partner, bij afwezigheid daarvan de minderjarige kinderen, en als die er ook niet zijn, andere gezinsleden voor wie de betrokkene in het levensonderhoud voorzag, zoals bijvoorbeeld pleegkinderen of meerderjarige eigen kinderen.

De overlijdensuitkering op grond van de ZW is gelijk aan de ZW-uitkering over één maand. Ook de Toeslagenwet kent een overlijdensuitkering indien de betrokkene recht had op een toeslag.

In dit artikel wordt de wettelijke overlijdensuitkering verhoogd tot 65,25 dagbedragen, ofwel het bedrag van WW- of ZW-uitkering, TW-toeslag en/of bovenwettelijke uitkering over 3 maanden, op het niveau zoals dat op de dag van het overlijden was.

Komt een betrokkene te overlijden die recht had op een aansluitende uitkering, dan zal er – na de nawerkingsperiode, zie de toelichting bij artikel 8 lid 3 – geen recht meer bestaan op een ZW-overlijdensuitkering omdat de betrokkene niet meer ZW-verzekerd was. In dit geval wordt een zelfde overlijdensuitkering betaald als tijdens de aanvullende fase, maar dan geheel bovenwettelijk.

Recht op een overlijdensuitkering bestaat bij overlijden tijdens het recht op bovenwettelijke uitkering of op een uitkering als bedoeld in artikel 12.

In lid 4 is geregeld dat overlijdensuitkeringen uit hoofde van andere dienstbetrekkingen in bepaalde gevallen in mindering worden gebracht. De overlijdensuitkering, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op het uitkeringsbedrag waarop recht bestond. Indien door inkomsten uit andere dienstbetrekkingen de uitkering van de betrokkene is verminderd, ligt het in de rede om ook de eventuele overlijdensuitkeringen uit hoofde van deze dienstbetrekkingen te anticumuleren. Anticumulatie vindt daarentegen niet plaats als bijvoorbeeld de berekeningsgrondslag gebaseerd is op een parttime dienstbetrekking en de betrokkene een nevenbetrekking had waaruit recht bestaat op een overlijdensuitkering. Voor zover bij lid 1 al rekening is gehouden met een vermindering van de uitkering, dient dat uiteraard bij lid 4 niet nogmaals te gebeuren.

Artikel 14

Het recht op suppletie komt toe aan betrokkenen die worden ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid, die niet volledig arbeidsongeschikt zijn (geen WAO-uitkering naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid hebben) en die niet volledig zijn herplaatst. Na de invoering van de WW voor overheidswerknemers zullen deze betrokkenen vaak ook recht hebben op een WW-uitkering. De WW-uitkering wordt dan op de suppletie in mindering gebracht. De suppletie fungeert zodoende als een bovenwettelijke aanvulling op de WW-uitkering, en indien de duur van de suppletie langer is dan die van de WW, als een aansluitende uitkering. In deze situatie is er geen behoefte aan nòg een bovenwettelijke uitkering.

In dit artikel is daarom bepaald dat er voor de duur van de suppletie geen recht bestaat op een bovenwettelijke uitkering.

Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering op grond van dit besluit langer is dan die van de suppletie, heeft de betrokkene na afloop van de suppletie recht op de resterende duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering. Hierbij wordt fictief uitgegaan van een ononderbroken recht vanaf het ontslag en worden eventuele opschuivingen van de WW-einddatum op grond van de artikelen 43 en 50 WW dus buiten beschouwing gelaten. Dit omdat de suppletie zulke opschuivingen niet kent. Vanaf het moment dat het bovenwettelijke uitkeringsrecht na afloop van de suppletie ontstaat, zijn daarop overigens wel alle bepalingen van toepassing die normaal gesproken (op grond van de voorgaande artikelen) van toepassing zouden zijn.

In lid 3 is geregeld dat als er nog andere uitkeringen lopen, de bovenwettelijke uitkering het karakter heeft van een aanvulling. Een andere uitkering kan bijvoorbeeld een WW-uitkering zijn uit hoofde van het ontslag waaruit recht op suppletie is ontstaan, of een uitkering voortkomend uit een dienstbetrekking die de betrokkene tijdens de suppletie heeft aanvaard.

In lid 4 wordt de voortzetting geregeld van sancties die op de suppletie zijn toegepast en die bij het einde van de suppletieduur nog niet volledig zijn uitgevoerd. Aangezien de suppletie een soortgelijke functie heeft als de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en ook onderworpen is aan het verplichtingen- en sanctieregime van de WW, ligt deze voortzetting voor de hand.

Artikel 15

In dit artikel is een regeling getroffen voor loonsuppletie indien de betrokkene het werk hervat tegen een lager loon. Deze regeling kan de reïntegratie in het arbeidsproces vergemakkelijken.

Een recht op loonsuppletie wordt toegekend in twee gevallen: werkaanvaarding tegen een lager loon dan de berekeningsgrondslag vanuit de bovenwettelijke uitkering (lid 1) en werkaanvaarding tegen een lager loon vóórdat er uit het arbeidsurenverlies als betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering is ontstaan (lid 2). In het laatste geval geldt de extra voorwaarde dat er een recht op bovenwettelijke uitkering (dus ook op WW-uitkering) zou zijn ontstaan als de betrokkene niet ander werk had aanvaard. De aanvang van het nieuwe werk kan aansluitend op het arbeidsurenverlies als betrokkene hebben plaatsgevonden of na een korte tussenpoos waarin geen uitkeringsrecht is ontstaan omdat de betrokkene bijvoorbeeld niet beschikbaar was voor arbeid of in het buitenland verbleef.

Geen recht op loonsuppletie bestaat bij werkhervatting tijdens een vervolguitkering die wordt aangevuld tot 100% van het minimumloon. Dit blijkt uit lid 7.

Uit lid 3 blijkt dat het nieuwe werk een dienstbetrekking moet zijn, maar geen fictieve dienstbetrekking (vallend onder artikel 4 of 5 WW). Dit betekent dat er bij werkhervatting als zelfstandige, free-lancer e.d. geen recht op loonsuppletie bestaat. De reden hiervan is de moeilijkere controleerbaarheid van de inkomsten uit dergelijke werkzaamheden.

Loonsuppletie is wel mogelijk bij werkhervatting in een («echte») dienstbetrekking naar buitenlands recht.

In lid 4 is bepaald dat er geen recht op loonsuppletie bestaat als het recht op bovenwettelijke uitkering blijvend geheel is (in het geval van lid 1) of zou zijn (in het geval van lid 2) geweigerd.

In lid 5 is geregeld waneer het recht op loonsuppletie eindigt. Hierbij is van belang dat het recht op loonsuppletie is gekoppeld aan het recht op loon uit de nieuwe baan, niet aan het feitelijk werken. Bij ziekte, vakantie en dergelijke loopt de loonsuppletie door zolang de betrokkene recht op loon behoudt.

Uit lid 6 blijkt dat de betrokkene – binnen de duur van de loonsuppletie – bij elke volgende werkhervatting die aan de voorwaarden voldoet, opnieuw aanspraak kan maken op loonsuppletie op grond van het oude bovenwettelijke uitkeringsrecht. In geval van werkhervatting binnen het onderwijs is het mogelijk dat de betrokkene met zijn nieuwe baan een nieuw recht op bovenwettelijke uitkering opbouwt, uit hoofde waarvan hij ook weer recht heeft op loonsuppletie. Zolang beide rechten op loonsuppletie samenlopen wordt slechts één loonsuppletie uitbetaald: de loonsuppletie die voor de betrokkene het hoogste bedrag oplevert. Dit geldt voor zover de loonsuppletierechten betrekking hebben op dezelfde arbeidsuren; samenloop van meerdere loonsuppleties is wel mogelijk indien deze betrekking hebben op verschillende delen van de arbeidsurenomvang en proportioneel worden betaald.

De duur van de loonsuppletie is gelijk aan de duur van de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht had of zou hebben gehad (lid 7), waarbij de aanvulling van de vervolguitkering tot 100% van het minimumloon buiten beschouwing wordt gelaten. De duur die voor de loonsuppletie geldt is de duur zoals vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag, dus zonder eventuele opschuivingen van de WW-einddatum op grond van artikel 43 of 50 WW. Heeft de betrokkene voorafgaand aan zijn werkhervatting geen bovenwettelijk uitkeringsrecht gehad, dan wordt de duur vastgesteld alsof hij aansluitend aan het arbeidsurenverlies als betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben gekregen (lid 2).

In lid 8 is geregeld dat de vergelijking van inkomens waardoor de hoogte van de loonsuppletie wordt bepaald, in principe per kalendermaand wordt gemaakt. Bestaat er niet de hele maand recht op loon, verstrijkt in de loop van een maand de duur van de loonsuppletie, of gaat de tweede helft van de duur in (zie lid 9) dan wordt de loonsuppletie berekend over het in aanmerking komende deel van de maand.

Lid 9: de loonsuppletie bedraagt in de eerste helft van de duur, bedoeld in lid 7 – dat is dus de bovenwettelijke uitkeringsduur zoals vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag; niet de periode waarin feitelijk recht op loonsuppletie bestaat – het verschil tussen het nieuwe loon en de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, berekend per kalendermaand.

In de tweede helft van deze duur vult de loonsuppletie het nieuwe loon aan tot 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Als het nieuwe loon tussen de 90 en 100% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag bedraagt, eindigt de loonsuppletie dus op de helft van de duur uit lid 7.

Bij werkhervatting voor minder uren per week dan waarvoor recht op bovenwettelijke uitkering bestond of zou hebben bestaan, wordt de loonsuppletie proportioneel toegekend (lid 10). Indien zowel het uitkeringsrecht als de nieuwe baan fulltime zijn, zij het niet precies voor hetzelfde aantal uren, vindt echter geen proportionele berekening plaats. Bij werkhervatting voor meer uren dan voorheen, wordt het volledige nieuwe loon vergeleken met de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

Aangezien loonsuppletie niet bij werkloosheid wordt betaald, maar juist voor zover de betrokkene niet (meer) werkloos is, kan er minder gebruik worden gemaakt van overeenkomstige toepassing van WW-bepalingen dan bij de bovenwettelijke uitkering. Dit artikel bevat daarom een vrij uitgebreide «eigen» regeling, inclusief een uitvoeringsbesluit met controlevoorschriften.

Voor de sanctionering van overtredingen wordt aangesloten bij de sanctionering van de overeenkomstige verplichtingen in de WW (inzake aanvraagtermijn, controlevoorschriften en aanvaarden van passende arbeid). Inzake de verplichting hoger betaalde, passende arbeid te aanvaarden kunnen nadere regels worden gesteld.

De inlichtingenplicht (artikel 25 WW) is ook bij loonsuppletie van toepassing. De sanctionering vindt op dezelfde wijze plaats als bij de bovenwettelijke uitkering (zie artikel 10 lid 3 en het betreffende uitvoeringsbesluit).

In lid 13 worden enkele WW-bepalingen inzake de betaling van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze hebben betrekking op de betaaltermijn, de mogelijkheid tot schorsing en opschorting, de terug- en invordering van onverschuldigd betaalde bedragen en de betaling aan derden.

In lid 14 is bepaald dat een eventuele loonsuppletie uit anderen hoofde wordt geacht tot het loon uit de nieuwe dienstbetrekking te behoren. Het ligt immers niet in de rede een dubbele loonsuppletie te betalen. Loonsuppletie is bijvoorbeeld mogelijk op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Rea) en van bovenwettelijke regelingen uit andere sectoren van overheid en markt. Voorts zal er bij wijze van experiment naar verwachting een loonsuppletieregeling komen krachtens de WW.

De loonsuppletie is gemaximeerd tot het verschil tussen 70% van het WW-dagloon (het uitkeringsniveau van de WW) en (100 respectievelijk 90% van) de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Achtergrond hiervan is dat werk met een loon lager dan het uitkeringsniveau op grond van de WW geen passende arbeid is, en aanvaarding ervan dus niet verplicht. Voor zover het nieuwe loon lager is dan het WW-uitkeringsniveau, komt de inkomensachteruitgang voor rekening van de betrokkene. Mocht in een uitzonderlijk geval de nieuwe baan toch als passende arbeid worden aangemerkt, dan wordt de maximering niet toegepast.

Voor het overige worden in de nieuwe dienstbetrekking dezelfde loonelementen wel en niet in aanmerking genomen als bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag zou gebeuren. Zodoende wordt een zo zuiver mogelijke vergelijking gemaakt tussen oud en nieuw inkomen.

Artikel 16

In dit artikel is de situatie geregeld dat een betrokkene die recht heeft gehad op een bovenwettelijke uitkering, na een werkhervatting opnieuw werkloos wordt – uit een dienstbetrekking binnen een onderwijssector die onder dit besluit valt – en recht heeft op een bovenwettelijke uitkering die minder gunstig is dan zijn eerdere bovenwettelijke uitkering omdat de betrokkene minder diensttijd kan opvoeren.

Een dergelijke situatie kan alleen optreden als de betrokkene toen hij de eerste keer werkloos werd, ten minste 40 jaar oud was en ten minste 5 jaar diensttijd had. Bovendien moet er tussen de eerste en de tweede keer werkloos worden een onderbreking in zijn diensttijd zijn opgetreden van meer dan 14 maanden. Zo'n onderbreking kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door de eerste werkloosheidsperiode, eventueel gecombineerd met een periode waarin de betrokkene buiten het onderwijs heeft gewerkt. Vervolgens moet hij weer in het onderwijs gewerkt hebben; het gaat hier immers om een betrokkene die bij de tweede keer werkloos worden opnieuw recht op bovenwettelijke uitkering heeft.

In artikel 16 wordt geregeld dat het nieuwe, minder gunstige, bovenwettelijke recht wordt verlengd en/of opgehoogd indien de duur van het oude, gunstiger recht nog niet geheel was verbruikt. Hierbij zijn drie situaties te onderscheiden.

Lid 1 en 2 zien op de situatie waarin de betrokkene zowel bij de eerste keer als bij de tweede keer recht heeft op een aansluitende uitkering, maar zijn totale uitkeringsduur de tweede keer korter is. Dit is alleen mogelijk als de betrokkene bij de eerste keer werkloos worden een leeftijd-diensttijdcombinatie had van ten minste 45 en 7 jaar of 50 en 12 jaar, de diensttijd meer dan 14 maanden is onderbroken en de betrokkene vervolgens weer ten minste 5 jaar, maar geen 7, respectievelijk 12 jaar diensttijd heeft opgebouwd.

Bij lid 3 en 4 moet de betrokkene bij de eerste keer werkloos worden ten minste 40 jaar zijn geweest en 5 jaar diensttijd hebben gehad. Vervolgens moet de diensttijd meer dan 14 maanden onderbroken zijn geweest, waarna de betrokkene weer in het onderwijs heeft gewerkt, maar geen 5 jaar nieuwe diensttijd heeft opgebouwd. Lid 5 en 6 kunnen van toepassing zijn als deze betrokkene bij de eerste keer werkloos worden bovendien recht heeft gehad op een aansluitende uitkering.

De omvang van de aanspraken op grond van dit artikel wordt steeds gelimiteerd door twee factoren: de mate waarin het tweede bovenwettelijke uitkeringsrecht ongunstiger is dan het eerste, en de nog niet verbruikte duur van het eerste recht. Het gaat in alle gevallen om een aanpassing van het nieuwe uitkeringsrecht, niet om een herleving van het oude recht. Berekeningsgrondslag en urenomvang zijn dus alleen afhankelijk van het nieuwe uitkeringsrecht.

Uitdrukkelijk is opgenomen dat de betrokkene zijn oude uitkeringsaanspraken moet kunnen aantonen. Dit is van belang omdat tussen de beëindiging van het oude uitkeringsrecht en de toepassing van dit artikel vele jaren kunnen liggen.

Bij een tussenpoos van meer dan 5 jaar bestaat het risico dat het oude uitkeringsdossier van de uitvoeringsinstelling vernietigd is.

Artikel 17

Dit artikel regelt dat een betrokkene die het werk hervat en daarna (weer) werkloos wordt, aanspraak kan maken op herleving van zijn recht op bovenwettelijke uitkering. Het gaat hier om de situatie waarin er bij de hernieuwde werkloosheid geen nieuw recht op bovenwettelijke uitkering ontstaat, dus waarin de betrokkene laatstelijk buiten de onderwijssectoren heeft gewerkt waarop dit besluit van toepassing is. Heeft hij wel een nieuw bovenwettelijk uitkeringsrecht, dan is artikel 16 van toepassing.

Bij hernieuwde werkloosheid na een werkhervatting zijn verschillende situaties te onderscheiden. Als de werkhervatting kort was (in het algemeen: korter dan 26 weken), zal er geen nieuw WW-recht worden opgebouwd en zal het oude WW-recht na afloop van de nieuwe baan herleven. Dit geldt dan automatisch ook voor de eventuele bovenwettelijke aanvulling op de WW-uitkering (zie artikel 4) of de aansluitende uitkering (zie artikel 8), omdat daarop de WW-bepalingen over eindigen en herleven van het uitkeringsrecht van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

Is de werkhervatting echter langer (ten minste 26 weken), dan zal de betrokkene na afloop van de nieuwe baan meestal een nieuw recht op WW-uitkering hebben. Voor zover er een nieuw WW-uitkeringsrecht is, herleeft het oude WW-recht (plus de daaraan verbonden aanvulling en/of aansluitende uitkering) niet meer. Als de betrokkene op grond van zijn laatste baan alleen recht heeft op WW-uitkering, kan hij zodoende zowelqua duur als qua hoogte van die uitkering slechter af zijn dan wanneer hij het werk niet zou hebben hervat en onafgebroken werkloos zou zijn gebleven. Het is duidelijk dat dit de reïntegratie in het arbeidsproces kan tegenwerken. In artikel 17 is daarom een regeling opgenomen waardoor de bovenwettelijke uitkering ook kan herleven als er een nieuw WW-recht wordt opgebouwd.

Deze aanspraak komt ook toe aan een betrokkene die bij zijn arbeidsurenverlies als betrokkene geen recht op bovenwettelijke uitkering heeft omdat hij al voordat hij recht op die uitkering zou krijgen, met een nieuwe baan is begonnen. Het moet dan wel zo zijn dat hij recht op bovenwettelijke uitkering (en dus op WW) zou hebben gehad als hij het werk niet zou hebben hervat. Zou deze WW- plus bovenwettelijke uitkering blijvend geheel zijn geweigerd, dan geldt dat ook voor de uitkering op grond van dit artikel. Deze bepaling treft bijvoorbeeld een betrokkene die ontslag heeft genomen om uit eigen verkiezing buiten het onderwijs te gaan werken, en die vervolgens werkloos wordt.

In artikel 7 lid 5 BWOO was tot 1 januari 2000 de herlevingsmogelijkheid gebonden aan een termijn van 4 jaar na de eindiging van het recht op uitkering. Door het schrappen van deze termijn ontstaat de mogelijkheid dat het oude uitkeringsdossier van de betrokkene niet meer aanwezig is op het moment waarop de betrokkene een beroep doet op de herlevingsmogelijkheid (zie ook de toelichting bij artikel 16). In lid 5 is daarom uitdrukkelijk bepaald dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat hij aan alle voorwaarden voor deze herleving voldoet. In een ministeriële regeling zal worden bepaald welk «bewijsmateriaal» de betrokkene hiertoe moet kunnen leveren.

Om dezelfde reden als vermeld in de toelichting bij artikel 6, kan het recht op bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 17 ook herleven of alsnog ontstaan als de betrokkene na afloop van zijn nieuwe dienstbetrekking ziek is en derhalve geen WW-uitkering, maar een ZW-uitkering krijgt.

Zolang de nieuwe WW-uitkering of andere uitkeringen (ZW, nieuwe bovenwettelijke uitkeringen uit andere sectoren) nog lopen, heeft de uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot het uitkeringsniveau dat zou gelden op grond van het oude bovenwettelijke uitkeringsrecht (lid 7). Indien de totale nieuwe uitkering even hoog of hoger is, komt de op grond van artikel 17 herleefde uitkering dus niet tot uitbetaling.

Artikel 18

Hierin is de mogelijkheid opgenomen het bovenwettelijke uitkeringsrecht af te kopen. Afkoop van het WW-gedeelte is niet mogelijk. Het bovenwettelijke gedeelte kan worden afgekocht vanaf de eerste werkloosheidsdag of vanaf een moment in de loop van de bovenwettelijke uitkering. In een uitvoeringsbesluit zijn nadere regels gesteld, bijvoorbeeld in welke gevallen afkoop mogelijk is en hoe de hoogte van de afkoopsom wordt bepaald.

In het derde lid is bepaald dat afkoop tot gevolg heeft dat alle voor die tijd opgebouwde rechten op grond van dit besluit definitief vervallen, evenals de opgebouwde diensttijd.

Artikel 19

In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen een tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van een verhuizing die voor de betrokkene noodzakelijk is om door het aanvaarden van werkzaamheden (in dienstbetrekking, als zelfstandige of anderszins) zijn werkloosheid op te heffen. De nadere regeling is gelijk aan wat voor de betrokkene gold tijdens zijn dienstbetrekking.

Artikel 20

Op grond van dit artikel heeft de minister de bevoegdheid andere reïntegratiebevorderende regelingen te stellen.

Artikel 21

In dit artikel is geregeld dat als het peil van de WW-uitkering wordt verlaagd, de bovenwettelijke uitkering dienovereenkomstig wordt aangepast na een periode van 6 maanden, waarin de sociale partners eventueel ook in overleg tot een andere oplossing kunnen komen. Deze bepaling is overeenkomstig hetgeen daarover is afgesproken in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

Artikel 22

In dit artikel is het overgangsrecht neergelegd.

De OOW

Op grond van de OOW wordt de WW gefaseerd, verdeeld over fase 2 en 3, van toepassing op het overheidspersoneel. De ingangsdatum van fase 2 is vastgesteld op 1 januari 2001, de ingangsdatum van fase 3 op 1 januari 2003.

Per de ingangsdatum van fase 2 wordt de WW van toepassing op overheidsdienstverbanden die op dat moment bestaan of die precies per die datum eindigen. Op dienstverbanden die na de ingangsdatum van fase 2 aanvangen, is de WW vanaf het begin van toepassing.

Op uitkeringsrechten, ontstaan uit overheidsdienstverbanden die vóór de ingangsdatum van fase 2 zijn geëindigd, wordt de WW pas per de ingangsdatum van fase 3 van de OOW van toepassing. Dit is geregeld in de artikelen 31 e.v. OOW. Aan een betrokkene die zo'n uitkeringsrecht heeft, wordt per de ingangsdatum van fase 3 OOW een recht op WW-uitkering toegekend indien zijn uitkeringsduur op grond van de WW nog niet verstreken zou zijn en er ook overigens geen eindigingsgronden voor een WW-recht aanwezig zijn. Hetzelfde, maar dan per de herlevingsdatum, geldt voor uitkeringsrechten die op de ingangsdatum van fase 3 onderbroken waren en daarna zouden zijn herleefd (ook wel aangeduid als «slapende gevallen»).

Overgangsrecht van BWOO naar BBWO

In lid 1 is bepaald dat het BWOO wordt ingetrokken. Uit artikel 24 blijkt dat dit lid in werking treedt per de ingangsdatum van fase 3 van de OOW, dus per 1 januari 2003; de rest van het besluit treedt in werking per de ingangsdatum van fase 2, dus per 1 januari 2001.

Lid 2 regelt welk besluit in de tussentijd op wie van toepassing is: het BBWO op degenen die al onder de WW en ZW vallen, het BWOO op degenen bij wie dat nog niet het geval is. Voor de loonsuppletie geldt een uitzondering (zie lid 8 en 9).

Lid 3 regelt de omzetting van BWOO-rechten die op de ingangsdatum van fase 3 lopend of «slapend» zijn, in de overeenkomstige soort bovenwettelijke rechten:

• loongerelateerde BWOO-uitkeringen worden omgezet in een aanvulling op de loongerelateerde uitkering, tot 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag voor zover op grond van het BWOO nog recht bestond op een uitkering van 78% van het dagloon, anders tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;

• BWOO-vervolguitkeringen worden omgezet in een aanvulling op de vervolguitkering tot 100% van het minimumloon, maar maximaal 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;

• kortdurende uitkeringen op grond van het BWOO worden omgezet in een aanvulling op de kortdurende uitkering tot 108% van het minimumloon, maar maximaal 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;

• aanvullende uitkeringen op grond van het BWOO: indien op grond van de OOW een WW-recht (dat is dan een vervolguitkering) wordt toegekend, worden deze omgezet in een aanvulling van de vervolguitkering tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Indien geen WW-recht wordt toegekend omdat de WW-duur verstreken is, vindt omzetting plaats in een aansluitende uitkering.

Voor de lopende uitkeringen vindt deze omzetting plaats per de ingangsdatum van fase 3 van de OOW; dit gebeurt ambtshalve. Voor de «slapende» gevallen vindt de omzetting plaats per de datum waarop het uitkeringsrecht zou zijn herleefd; deze betrokkenen moeten opnieuw een aanvraag doen.

Voorwaarde voor de toekenning van een recht op bovenwettelijke uitkering op grond van lid 2 is dat de betrokkene op grond van artikel 31 OOW een WW-recht verkrijgt, ofwel – in het geval van de aansluitende uitkering – dat hij uitsluitend omdat de WW-duur zou zijn verstreken, geen WW-recht verkrijgt. Zijn er andere beletselen voor het ontstaan van een WW-recht, dan krijgt de betrokkene dus geen recht op bovenwettelijke uitkering. Voor deze categorie, die waarschijnlijk vooral bestaat uit betrokkenen die onder het BWOO met behoud van uitkering in het buitenland konden verblijven en onder de WW niet, is in artikel 23 een vangnet geregeld.

Lid 4 regelt het overgangsrecht voor gevallen waarin een BWOO-uitkeringsrecht na de ingangsdatum van fase 3 OOW zou herleven op grond van artikel 7 lid 5 BWOO, of reeds is herleefd op grond van artikel 7 lid 5 BWOO en op de ingangsdatum van fase 3 OOW lopend of «slapend» is. Deze uitkeringsrechten worden omgezet in bovenwettelijke uitkeringen op grond van artikel 17.

Voor de herleving op grond van artikel 7 lid 5 BWOO is een aparte overgangsbepaling nodig omdat deze herleving uit WW-oogpunt bovenwettelijk is en daarom niet, zoals bij de gevallen bedoeld in lid 3, gepaard zal gaan met de toekenning van een WW-uitkering op grond van de OOW. Dat is hier dus ook niet als voorwaarde gesteld.

In lid 5 is een regeling getroffen om het mogelijk te maken dat artikel 16 ook wordt toegepast als het eerste uitkeringsrecht geen bovenwettelijke uitkering was, maar een recht op aanvullende uitkering op grond van het BWOO.

Lid 6 betreft de betrokkene die op de ingangsdatum van fase 3 van de OOW ziek is en uitkering zou hebben gehad op grond van artikel 39 BWOO. Deze betrokkene krijgt op grond van de OOW een ZW-uitkering, die wordt aangevuld op de voet van de artikelen 6 en 7.

In lid 7 is, om elk misverstand te voorkomen, bepaald dat de toekenning van een recht op bovenwettelijke uitkering op grond van de leden 3, 4 en 6 beperkt is tot de betrokkenen op wie de WW en de ZW pas bij aanvang van fase 3 van de OOW van toepassing worden.

De leden 8 en 9 regelen het overgangsrecht voor de loonsuppletie. In lid 8 is geregeld dat er vanaf de ingangsdatum van fase 2 van de OOW geen rechten op loonsuppletie meer kunnen bestaan op grond van het BWOO. Ook degenen die voor hun werkloosheidsuitkering tot de ingang van fase 3 van de OOW nog onder het BWOO vallen, kunnen recht op loonsuppletie krijgen op grond van artikel 15 BBWO.

Rechten op loonsuppletie die ingaan op of na de ingangsdatum van fase 2 van de OOW en waarbij de betrokkene niet eerder recht op loonsuppletie heeft gehad op grond van hetzelfde BWOO-recht, vallen vanaf het begin onder de regels van artikel 15 BBWO.

Rechten op loonsuppletie op grond van het BWOO die rond de ingangsdatum van fase 2 van de OOW lopend zijn of die op of na die ingangsdatum zouden herleven, worden omgezet in rechten op loonsuppletie op grond van artikel 15 BBWO; hierbij is de overgangsgarantie van artikel 23 lid 1 van toepassing.

Artikel 23

In dit artikel wordt betrokkenen een aantal waarborgen geboden tegen vermindering van rechten door de overgang van BWOO naar WW, ZW en dit besluit.

In lid 1 is bepaald dat de betrokkene door die overgang op het overgangsmoment – de ingangsdatum van fase 3 van de OOW, of het op of na die datum gelegen herlevingsmoment, zie artikel 22 – geen achteruitgang in het niveau van zijn rechten en verplichtingen mag ondervinden vergeleken met de situatie zoals die onder het BWOO zou zijn geweest.

Indien er op grond van de overige bepalingen van dit besluit sprake zou zijn van een achteruitgang, wordt die gecompenseerd. Dit gebeurt ambtshalve. Na het overgangsmoment wordt met de gecompenseerde uitkering verder gerekend volgens de nieuwe regels.

De garantie van lid 1 geldt alleen op het overgangsmoment (op 1 januari zijn, bij gelijkblijvende feitelijke omstandigheden, de aanspraken hetzelfde als op 31 december).

In lid 2 is bepaald dat garanties die zijn toegekend bij de inwerkingtreding van het BWOO, aan betrokkenen die toen al recht op uitkering hadden, in stand blijven. Deze garanties blijven ook na het overgangsmoment gelden.

De garanties van lid 1 en 2 zijn van toepassing op betrokkenen die op grond van artikel 22 een recht op bovenwettelijke uitkering verkrijgen; dat zijn de betrokkenen bedoeld in de leden 3, 4 en 6 van artikel 22.

De garanties van lid 1 en 2 zijn ook van toepassing op de overgangsgevallen van loonsuppletie (de categorie van artikel 22 lid 8). In deze gevallen is ook een aspect gegarandeerd dat zich kan voordoen na het overgangsmoment, namelijk de hoogte van de loonsuppletie in de tweede helft van de duur zoals die gold in het BWOO. Deze bedroeg 90% van het verschil tussen oud en nieuw loon; in artikel 15 BBWO is dit een aanvulling tot 90% van de berekeningsgrondslag geworden.

In het derde lid is een uitkeringsgarantie neergelegd voor betrokkenen die op het overgangsmoment in het buitenland verblijven en daarom geen recht op WW-uitkering, en daardoor ook geen recht op bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 22, krijgen.

In lid 4 is bepaald dat de garanties van lid 1, 2 en 3 gelden behoudens wijzigingen in de WW – in dat geval geldt de procedure van artikel 21 – en geen betrekking hebben op bepalingen van administratieve of procedurele aard of op bepalingen die betrekking hebben op het traject van bruto naar netto uitkering. Het gaat dus om garanties ten aanzien van de bruto uitkering. Bij bepalingen van administratieve of procedurele aard kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verplichting werkbriefjes in te sturen.

In lid 5 is een hardheidsclausule opgenomen. De hardheidsclausule heeft uitsluitend betrekking op gevallen waarin de overgang van BWOO naar WW, ZW en dit besluit voor een betrokkene tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. De hardheidsclausule heeft derhalve niet betrekking op eventuele toekomstige wijzigingen van het stelsel van sociale zekerheid. Zo'n onbillijkheid kan bijvoorbeeld zijn het niet verkrijgen van een recht op WW en bovenwettelijke uitkering, terwijl er wel een BWOO-recht zou zijn blijven bestaan als het BWOO niet was ingetrokken. Voorts kan de hardheidsclausule een oplossing bieden als doorwerking van WW-bepalingen in een bepaald geval een onevenredige uitwerking zou hebben.

Artikel 23a

In het wetsvoorstel Aanpassingswet OOW wordt artikel 35b WW vernummerd tot artikel 35c WW. Hier is geregeld dat deze wijziging doorwerkt in artikel 11, waar dit WW-artikel wordt genoemd.

Artikel 24

In dit artikel is de inwerkingtreding van het besluit geregeld. Die is gesteld op de ingangsdatum van fase 2 van de OOW, dus 1 januari 2001. Artikel 22 lid 1, waarin de intrekking van het BWOO wordt geregeld, treedt pas in werking zodra fase 3 van de OOW ingaat, dus op 1 januari 2003, omdat tot die datum uitkeringsrechten op grond van het BWOO mogelijk moeten blijven.

Zie over de OOW ook de toelichting bij artikel 22.

Artikel 25

Dit artikel bevat de citeertitel.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 maart 2001, nr. 51.

Naar boven