Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2001, 487AMvB

Besluit van 18 oktober 2001, houdende regels voor voorzieningen en installaties (Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 april 2001, nr. MJZ2001038858, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op richtlijn nr. 1991/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 1991/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135), artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, voorzover het betreft artikel 1, onder f en g, artikel 2, eerste lid, onder c, ten derde, artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, en op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, voorzover het betreft artikel 1, onder h, en artikel 4, tweede lid;

De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2001, nr. W08.01.0179/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2001, nr. MJZ2001111.453, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;

b. vergunning: vergunning die is verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;

c. bijlage 1: de bij dit besluit behorende bijlage 1;

d. bijlage 2: de bij dit besluit behorende bijlage 2;

e. bijlage 3: de bij dit besluit behorende bijlage 3;

f. inrichting type A: inrichting als bedoeld in artikel 2, niet zijnde een inrichting type B of een inrichting type C;

g. inrichting type B: onderdeel van een inrichting als bedoeld in artikel 2, voor welke inrichting een andere algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geldt;

h. inrichting type C: onderdeel van een inrichting als bedoeld in artikel 2, voor welke inrichting het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde verbod blijft gelden;

i. brandbare vloeistof: vloeistof of een verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55 °C of hoger (K3-vloeistof);

j. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

k. propaan: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voorzover de dampspanning bij 343 K (70 °C) ten hoogste 3 100 kPa (31 bar) bedraagt;

l. vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns;

m. afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen;

n. gasfles: cilindrische drukhouder, voorzien van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter, die bedoeld is voor meermalig gebruik en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter;

o. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning:

1°. behorende bij een inrichting als bedoeld in artikel 2, of

2°. die op een bedrijventerrein is gelegen met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare;

p. geluidgevoelige bestemmingen: gebouwen of objecten, aangewezen krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder;

q. warmtekrachtinstallatie: installatie toegerust voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;

r. piekniveau (LAmax): maximaal geluidniveau gemeten in de meterstand «F» of «fast».

Artikel 2

  • 1. Dit besluit is van toepassing op een inrichting of een onderdeel daarvan, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:

    a. het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voorzover:

    1°. de ontwerpcapaciteit meer dan 10 Nm03/h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van meer dan 20 kPa en een maximale inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 1 600 kPa, of de ontwerpcapaciteit meer dan 650 Nm03/h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 20 kPa, of de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt,

    2°. geen odorisatie-apparatuur aanwezig is,

    3°. geen antivries-injectie-apparatuur aanwezig is,

    4°. geen expansieturbine aanwezig is,

    5°. het geen ondergronds of gedeeltelijk ondergronds station betreft waarvan de nominale ontwerpcapaciteit meer dan 6 000 Nm03/h bedraagt, de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt of de inhoud van de behuizing meer dan 15m3 bedraagt;

    b. het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, voorzover:

    1°. de installatie geen groter nominaal elektrisch vermogen heeft dan 10 MW,

    2°. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;

    c. het verstoken van brandstoffen voor verwarmingsdoeleinden, voorzover:

    1°. de stookinstallatie voor verwarming geen groter thermisch vermogen heeft dan 7 500 kW per toestel,

    2°. ten behoeve van de stookinstallatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie wordt gebruikt,

    3°. het verstoken van brandstoffen niet geschiedt in een inrichting type B of C;

    d. het tot stand brengen en in bedrijf houden van verbindingen ten behoeve van het transport van spraak, data en beeld door middel van telecommunicatie-apparatuur, voorzover niet van installaties voor de omzetting van die elektrische energie in stralingsenergie gebruik wordt gemaakt;

    e. het omzetten van windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines, voorzover:

    1°. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,

    2°. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,

    3°. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en

    4°. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;

    f. het doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van rioolwater, hemelwater of oppervlaktewater of water ten behoeve van verwarmings- of koelingsdoeleinden, alsmede het onttrekken, zuiveren, doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van grondwater of oppervlaktewater voor drinkwaterdoeleinden;

    g. het reinigen van binnen de inrichting vrijgekomen grond of grondwater, voorzover:

    1°. geen afvalwater wordt gebracht in het oppervlaktewater, in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam, onderscheidenlijk,

    2°. afvalwater wordt gebracht in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam en waarop artikel 4 van het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering van toepassing is, of

    h. het bewaren van propaan, voorzover:

    1°. het bewaren van propaan geschiedt in bovengrondse reservoirs elk met een inhoud van ten hoogste 13 m3,

    2°. niet meer dan twee reservoirs binnen de inrichting aanwezig zijn, en

    3°. propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van een reservoir, uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken.

  • 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h.

Artikel 3

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting type A, indien:

    a. in de inrichting of een onderdeel daarvan één of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn, die kunnen worden gebruikt voor het verstoken van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;

    b. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan;

    c. afvalstoffen worden op- of overgeslagen, die van buiten de inrichting afkomstig zijn, voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit:

    1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen,

    2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of

    3°. van meer dan 1000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;

    d. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van:

    1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,

    2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, of

    3°. opslaan van stoffen, genoemd in voorschrift 2.1.5 van bijlage 2, voorzover niet meer dan in totaal 10 000 kg van de in voorschrift 2.1.5 van bijlage 2 bedoelde stoffen aanwezig is;

    e. voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afleveren aan voertuigen die niet in hoofdzaak voor eigen gebruik zijn, van autogas of andere brandstoffen.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, ten aanzien waarvan gedeputeerde staten ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer het bevoegd gezag zijn.

Artikel 4

  • 1. De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 en 2 gelden voor een ieder die een inrichting type A drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

  • 2. De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 gelden voor een ieder die een inrichting type B of C drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

  • 3. Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 1, hoofdstukken 1 tot en met 8, of bijlage 2, hoofdstukken 1 tot en met 3, inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere middelen wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de in artikel 6, elfde lid, bedoelde gegevens. Het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel.

Artikel 5

  • 1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

    a. de in bijlage 1 opgenomen voorschriften ten aanzien van de veiligheid van toestellen en installaties voor warmtekracht, waterwinning, waterbeheer en watertransport, onderzoek naar hinder door slagschaduw of lichtschittering, metingen van emissies naar de lucht of riolering, voorzover dat in bijlage 1 is aangegeven,

    b. de in bijlage 2 opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, lucht, verlichting en opslag, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is aangegeven, of

    c. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van grondstoffen, onderzoek naar bodemverontreiniging, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is aangegeven, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.7.1 van bijlage 2 betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

  • 2. De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.

  • 3. Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Artikel 6

  • 1. Degene die een inrichting type A, B of C opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting type A, B of C en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

  • 3. Bij de melding wordt vermeld:

    a. het adres van de inrichting,

    b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien degene die de inrichting drijft of zal drijven, een andere persoon is, de naam en het adres van die persoon,

    c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting,

    d. de indeling en uitvoering van de inrichting, en

    e. het tijdstip waarop de inrichting in werking zal zijn, de verandering daarvan gereed zal zijn, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.

  • 4. Bij de melding wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b of onder e.

  • 5. Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen of aan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2, kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.

  • 6. Voorzover het een melding betreft als bedoeld in het tweede lid, is het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek alleen vereist, indien een beoogde uitbreiding of verandering van de inrichting of het veranderen van de werking daarvan naar verwachting van nadelige invloed kan zijn op de geluidbelasting die door de inrichting wordt veroorzaakt.

  • 7. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek niet is vereist, indien het aannemelijk is dat het geluidniveau en het piekniveau veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2. Voor een inrichting als bedoeld onder artikel 2, eerste lid, onder e, is een akoestisch onderzoek niet vereist, indien de afstand van een windturbine tot de dichtstbijzijnde woning meer bedraagt dan 100 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 20 meter en tot 30 meter; 200 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 30 meter en tot 50 meter, en 300 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 50 meter.

  • 8. Bij de melding wordt tevens een rapport met betrekking tot emissies naar de lucht en het water gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g. Uit dit rapport moet blijken welke emissies naar de lucht en het water optreden en welke voorzieningen zijn getroffen om deze emissies te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken.

  • 9. De in het derde tot en met vijfde lid en achtste lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, indien het bevoegd gezag over die gegevens beschikt.

  • 10. Degene die de melding doet, geeft bij de melding aan welke van de ingevolge dit artikel over te leggen gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.

  • 11. Bij de melding overeenkomstig artikel 4, derde lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de volgens die melding toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.

Artikel 7

Een voor een inrichting waarvan een inrichting type C onderdeel uitmaakt, krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning, geldt ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voorzover dit oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking betrekking heeft op het drijven van die inrichting type C.

Artikel 8

  • 1. Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a of b.

  • 2. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a of b.

Artikel 9

  • 1. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

  • 2. De melding geschiedt binnen twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Artikel 6, derde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting is ingediend en waarop dit besluit op de inrichting van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 6.

Artikel 10

In artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 11°, van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer1 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 11

In artikel 1, eerste lid, onder c, onderdeel 3°, van het Besluit tankstations milieubeheer2 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 12

In artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 16°, van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer3 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 13

In artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 13°, van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer4 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 14

Het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «of een gezamenlijk thermisch vermogen» vervangen door: per toestel.

2. In onderdeel d, ten derde, wordt «Besluit opslaan in ondergrondse tanks» vervangen door «Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998» en wordt na «bovengrondse tanks» ingevoegd: dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a.

3. In onderdeel d, ten vierde, wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

B

In voorschrift 1.4.3, onder b, van de bijlage wordt na «passeren een» ingevoegd: doelmatige.

Artikel 15

Het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer6 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «of een gezamenlijk thermisch vermogen» vervangen door: per toestel.

2. In onderdeel e, ten derde, wordt «Besluit opslaan in ondergrondse tanks» vervangen door «Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998» en wordt na «bovengrondse tanks» ingevoegd: dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a.

3. In onderdeel e, ten vierde, wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

B

In voorschrift 1.4.4, onder b, van de bijlage wordt na «passeren een» ingevoegd: doelmatige.

Artikel 16

Het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer7 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «of een gezamenlijk thermisch vermogen» vervangen door: per toestel.

2. In onderdeel e, ten derde, wordt «Besluit opslaan in ondergrondse tanks» vervangen door: Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998.

3. In onderdeel e, ten vierde, wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

B

In voorschrift 1.1.1, onder b, van bijlage 2 wordt «drie jaar» gewijzigd in: zes jaar.

Artikel 17

Het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer8 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, onderdeel k, wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

B

Voorschrift 2.2.5 van de bijlage komt te luiden:

2.2.5 Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig die brandstof bevatten. In de werkplaats alsmede in enig ander gebouw van de inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen bijgevuld, met uitzondering van brandstof die in de categorie brandbare vloeistof valt. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.

Artikel 18

In artikel 3, eerste lid, onder f, van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer9 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 19

In artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer10 wordt «Besluit opslag propaan milieubeheer» vervangen door: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Artikel 20

Artikel 3, onderdeel f, ten derde, van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer11 komt te luiden:

3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;

Artikel 21

Het Besluit opslag propaan milieubeheer12, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer13, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer14 en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer15 worden ingetrokken.

Artikel 22

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2001.

Artikel 23

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 18 oktober 2001

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Uitgegeven de dertigste oktober 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

1 Stb. 1991, 324 laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 juli 2001, Stb. 339.

2 Stb. 1994, 53, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

3 Stb. 1994, 107, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 juli 2001, Stb. 339.

4 Stb. 1996, 168, gewijzigd bij besluit van 5 juli 1999, Stb. 311.

5 Stb. 1998, 322, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 juli 2001, Stb. 339.

6 Stb. 1998, 602, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 juli 2001, Stb. 339.

7 Stb. 1998, 603, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 juli 2001, Stb. 339.

8 Stb. 2000, 262, gewijzigd bij besluit van 15 maart 2001, Stb. 146.

9 Stb. 2000, 278, gewijzigd bij besluit van 15 maart 2001, Stb. 146.

10 Stb. 2000, 334, gewijzigd bij besluit van 15 maart 2001, Stb. 146.

11 Stb. 2001, 146.

12 Stb. 1987, 472.

13 Stb. 1988, 505.

14 Stb. 1988, 506.

15 Stb. 1988, 504.

BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ HET BESLUIT VOORZIENINGEN EN INSTALLATIES MILIEUBEHEER

A. BEGRIPSBEPALINGEN

In deze bijlage wordt verstaan onder:

algemeen:

– NVN: een door het Nederlands Normalisatie instituut (NEN) uitgegeven Nederlandse voornorm;

– NEN-norm: een door de NEN uitgegeven norm;

– NEN-EN-norm: een door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door de NEN als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm;

– ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten;

– IEC: International Electrotechnical Commission;

met betrekking tot veiligheid:

– WBDBO: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag;

– CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;

– CPR 11–1: Richtlijn 11–1 van de CPR, getiteld «Het gebruik van propaan op bouwterreinen», eerste druk, uitgave 1984;

– CPR 11–2: Richtlijn 11–2 van de CPR, getiteld «De opslag van propaan en butaan in stationaire bovengrondse reservoirs met een inhoud groter dan 0,15 m3 en ten hoogste 5 m3», eerste druk, uitgave 1986;

– CPR 11–3: Richtlijn 11–3 van de CPR, getiteld «Opslag van propaan en butaan in stationaire bovengrondse, ondergrondse en terpreservoirs met een inhoud groter dan 5 m3 en ten hoogste 150 m3», eerste druk, uitgave 1990;

– zeer licht ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K0-vloeistof) met een vlampunt van minder dan 0° C en een kookpunt van 35°C of minder, alsmede gasvormige stof die of gasvormig preparaat dat, bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kan ontbranden;

– licht ontvlambare stof: stof die of preparaat dat:

a. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kan stijgen en tenslotte ontbranden;

b. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kan worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijft branden of gloeien;

c. in vloeibare toestand een vlampunt van minder dan 21°C heeft (K1-vloeistof);

d. in gasvormige toestand, bij normale druk, met lucht ontvlambaar is, of

e. bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelt;

– ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K2-vloeistof) met een vlampunt van ten minste 21°C en ten hoogste 55°C;

met betrekking tot lozingen:

– bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

– openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

– riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

met betrekking tot gasdrukregel- en meetstations en de opslag van propaan:

– objecten categorie I:

a. bejaardenoorden, verpleeginrichtingen, ziekenhuizen en sanatoria, zwakzinnigeninrichtingen en psychiatrische ziekenhuizen, gezinsvervangende tehuizen;

b. scholen;

c. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijke vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt, en winkels met een totaal vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per object;

d. hotels, restaurants en kantoorgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen per object;

e. telecommunicatiegebouwen, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur en andere kwetsbare objecten met een hoge infrastructurele waarde;

f. installaties en bovengrondse opslagtanks voor brandbare, explosieve of giftige stoffen en andere objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich meebrengen;

g. campings bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen, volkstuincomplexen waarop meer dan 25 tuinhuisjes, mede bestemd voor het verblijf van personen, aanwezig zijn en andere recreatieterreinen, bestemd voor het verblijf gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar van meer dan 50 personen;

– objecten categorie II:

a. sporthallen en zwembaden;

b. winkels, voorzover zij niet onder categorie I vallen;

c. hotels, restaurants en kantoorgebouwen voorzover zij niet onder categorie I vallen;

d. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder categorie I vallen, alsmede incidentele dienst- en bedrijfswoningen die op industrieterreinen voorkomen, met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare;

e. speeltuinen, sportvelden, openluchtzwembaden en andere recreatieterreinen, voorzover deze recreatieterreinen niet onder categorie I vallen;

met betrekking tot bescherming van de bodem:

– bodembeschermende voorziening: fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert;

– bodembeschermende maatregel: handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of proces, om de kans op emissies of immissies te reduceren.

B. VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK 1. GASDRUKREGEL- EN MEETSTATIONS

Paragraaf 1.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

1.1.1 De uitvoering en opstelling van het gasdrukregel- en meetstation dat op of na 1 mei 1994 is opgericht, voldoet aan NEN 1059 inclusief wijzigingsbladen. De uitvoering en opstelling van het gasdrukregel- en meetstation dat is opgericht vóór 1 mei 1994 voldoet aan voorschrift 7.1 en voorschriften 8.1 tot en met 8.4 van het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer.

1.1.2 Met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukregel- en meetstation zijn ten opzichte van buiten de inrichting gelegen woningenen objecten categorie I en II, de in onderstaande tabel opgenomen afstanden in acht genomen:

Tabel I veiligheidsafstanden

Categorie-indeling NEN 1059Opstellingswijze woningen objecten categorie I objecten categorie II
B Kast 4 m 4 m 2 m
 (semi-)Ondergronds station 4 m 4 m 2 m
 Kaststation 6 m 6 m 4 m
 Open opstelling/vrijstaand gebouw 10 m 10 m 4 m
     
CAlle stations t/m 40 000 m03/uur 15 m15 m 4 m
 Alle stations boven 40 000 m03/uur 25 m 25 m 4 m

1.1.3 Voor een gasdrukregel- en meetstation dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, gelden de in die vergunning bepaalde afstanden voorzover die afstanden afwijken van de afstanden bedoeld in voorschrift 1.1.2. De genoemde afstanden voor een (semi-)ondergronds station mogen worden gehalveerd indien het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt. Kasten mogen tegen gebouwen worden geplaatst mits wordt voldaan aan de bepalingen van NEN 1059.

1.1.4 Binnen het gasdrukregel- en meetstation en binnen een straal van 1 meter afstand van het gasdrukregel- en meetstation is roken en open vuur verboden en is het verboden brandbare materialen op te slaan. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool.

Paragraaf 1.2 Onderhoud en documentatie

1.2.1 Werkzaamheden aan de installatie en het toezicht daarop worden uitsluitend uitgevoerd door volgens een geautoriseerde Veiligheidsinstructie Aardgas (VIAG) aangewezen, verantwoordelijke en bevoegde personen.

1.2.2 Er is een veiligheidsregister aanwezig dat in het station wordt bewaard dan wel in een centraal veiligheidsregister dat op het kantoor van de beheerder van het station wordt bewaard. In het veiligheidsregister zijn de volgende zaken opgenomen:

a. een schema van de gasdrukregel- en meetinstallatie;

b. een schema van de in- en uitgaande leidingen met hun afsluiters;

c. essentiële gegevens omtrent de installatie, zoals maximale incidentele werkdruk, drukreductie en ontwerpcapaciteit.

HOOFDSTUK 2. WARMTEKRACHTINSTALLATIES

Paragraaf 2.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

2.1.1 Een warmtekrachtinstallatie is zodanig opgesteld dat geen gevaar voor brand is te duchten. Een warmtekrachtinstallatie is tegen mechanische beschadiging en ongewenste handelingen van onbevoegden beschermd. Indien de warmtekrachtinstallatie in een ruimte is opgesteld dan is die ruimte tijdens het in werking zijn van de installatie:

a. voorzien van een doelmatige ventilatie, zodanig dat de interne warmte-ontwikkeling geen aanleiding geeft tot onveilig functioneren van de opgestelde warmtekrachtinstallatie,

b. niet als opslag- of bergruimte in gebruik, en

c. geen tijdelijke bewaarplaats van stoffen of voorwerpen die brand of explosie kunnen veroorzaken.

2.1.2 Een met aardgas te stoken warmtekrachtinstallatie moet voldoen aan de «Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren» van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994, indien het een motor betreft, of aan de Veiligheidsvoorschriften voor gasturbines «Voorschriften voor het gebruik van aardgas in gasturbines» (Gasunie), uitgave 1997, 2e druk, indien het een turbine betreft.

2.1.3 Verbrandingsgassen worden naar de buitenlucht afgevoerd door middel van een gasdichte afvoerleiding. De uitmonding van de uitlaat bevindt zich op een zodanige plaats dat hinder voor de omgeving wordt voorkomen.

2.1.4 Een warmtekrachtinstallatie haalt een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte (ηe + 2/3•ηth).

2.1.5 De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.

Paragraaf 2.2 Onderhoud en controle van de installatie

2.2.1 Een warmtekrachtinstallatie wordt minimaal eenmaal per kalenderjaar vakkundig onderhouden en afgesteld en ten minste eenmaal per kalenderjaar gereinigd, zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.

2.2.2 Een warmtekrachtinstallatie die is opgericht na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, wordt voor de ingebruikneming en vervolgens eenmaal per twee kalenderjaren op goed functioneren gecontroleerd aan de hand van de «Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren» van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994, of aan de hand van de Veiligheidsvoorschriften voor gasturbines «Voorschriften voor het gebruik van aardgas in gasturbines» (Gasunie), uitgave 1997, 2e druk.

Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties geschieden door:

a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon, of

b. een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt voor die activiteit of activiteiten.

2.2.3 Voorschrift 2.2.2 is van overeenkomstige toepassing op een warmtekrachtinstallatie die is opgericht voor 1 december 2001, met dien verstande dat de eerste controle dient plaats te vinden binnen twee kalenderjaren na dat tijdstip.

2.2.4 Het gehele uitlaatsysteem van een warmtekrachtinstallatie, bestaande uit rookgasleidingen, primaire en secundaire geluiddemper, wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar geïnspecteerd en zonodig inwendig gereinigd zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.

2.2.5 Ten minste jaarlijks wordt het brandstofverbruik, de geproduceerde en nuttig toegepaste warmte in GJ en de geproduceerde elektriciteit in kWh geregistreerd.

2.2.6 Onderstaande documenten of een kopie daarvan zijn gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening binnen de inrichting aanwezig, of, binnen een termijn die wordt gesteld door degene die toeziet op de naleving van dit besluit voor deze beschikbaar:

a. onderhoudscontract(en) van de installatie;

b. certificaten of bewijzen van periodiek onderhoud of keuring van de installatie;

c. de in voorschrift 2.2.5 bedoelde registratie van het brandstofverbruik, de geproduceerde en nuttig toegepaste warmte in GJ en de geproduceerde elektriciteit in kWh.

HOOFDSTUK 3. STOOKINSTALLATIES VOOR VERWARMINGSDOELEINDEN

Paragraaf 3.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

3.1.1 Verwarmings- en stooktoestellen zijn zodanig afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt. Binnen een inrichting worden geen andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie bedrijfsmatig verstookt of verbrand.

3.1.2 Aan een verwarmings- of stooktoestel en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar onderhoud verricht. Op een verwarmings- of stooktoestel met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee kalenderjaren een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde aan voorschrift 3.1.1 te voldoen. Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties geschieden door:

a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon, of

b. een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt voor die activiteit of activiteiten.

3.1.3 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130 kW op bovenwaarde, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

3.1.4 Afsluiters in vaste gasleidingen zijn goed bereikbaar en aangebracht:

a. direct voor of na binnenkomst van de leiding in een gebouw;

b. aan het einde van elk aftakking van een vaste leiding naar een gebruikstoestel, en

c. in de leidingen op plaatsen waar de leiding geheel of gedeeltelijk kan worden gespoeld met een inert gas.

3.1.5 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande registraties, documenten of een kopie daarvan gedurende vijf jaar na dagtekening bewaard:

a. onderhoudscontracten van de installatie;

b. certificaten of bewijzen van periodiek onderhoud of keuring.

HOOFDSTUK 4. TELECOMMUNICATIEGEBOUWEN

Paragraaf 4.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

4.1.1 De ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld wordt tijdens gebruik van een aggregaat voldoende geventileerd. Openingen voor de toe- en afvoer van lucht mogen zijn gesloten als het noodstroomaggregaat niet in werking is.

4.1.2 De ruimte waarin acculaders of accumulatorbatterijen zijn opgesteld wordt voldoende geventileerd. Accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn opgesteld boven een bodembeschermende voorziening of maatregel. Voorzover een accumulatorbatterij of een noodstroomaggregaat in de buitenlucht is opgesteld, is de bodembeschermende voorziening of maatregel tegen regen of andere vormen van neerslag beschermd.

4.1.3 In een ruimte waar sprake is van gasontploffingsgevaar is:

a. de verlichting en andere apparatuur explosieveilig uitgevoerd, en

b. roken en open vuur verboden.

Het verbod bedoeld onder b, is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool.

HOOFDSTUK 5. WINDTURBINES

Paragraaf 5.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

5.1.1 Een windturbine voldoet aan de veiligheidseisen opgenomen in:

a. IEC 61400–2 «Safety requirements of small wind turbines», uitgave 1996, indien het beslagen rotoroppervlak kleiner is dan 40 m2;

b. NVN 11400–0 «Windturbines – Deel 0: Voorschriften voor typecertificatie – Technische eisen», uitgave 1999, indien het beslagen rotoroppervlak 40 m2 of groter is,

tenzij de windturbine op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en daarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was.

Een windturbine voldoet in elk geval aan de norm bedoeld onder a of b, indien voor deze voorziening een certificaat is afgegeven door een certificerende instantie waaruit blijkt dat de voorziening voldoet aan deze regels. De certificerende instantie is geaccrediteerd voor het afgeven van certificaten, volgens de normen bedoeld onder a en b, bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende instantie die erkend is door een andere staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification. Voor een windturbine die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, gelden de in die vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot de veiligheid van de installatie.

5.1.2 Metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van een windturbine worden uitgevoerd volgens IEC 61400–11 «Wind turbine generator systems -Part 11: Acoustic noise measurements techniques», uitgave 1996, of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. Metingen worden uitgevoerd bij een gemiddelde windsnelheid van 7 m/s waarbij een maximale afwijking is toegestaan van plus of min 2 m/s. De bronsterktespectra worden bepaald in octaafbanden.

5.1.3 Metingen ten behoeve van de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevel van een woning of andere geluidgevoelige bestemming en de beoordeling daarvan, worden uitgevoerd met inachtneming van de Windnormcurve in bijlage 3. Een meting als bedoeld in de eerste volzin kan indien nodig op een afwijkend meetpunt worden uitgevoerd onder voorwaarde dat het bevoegd gezag daarmee instemt. Tijdens het uitvoeren van de metingen overeenkomstig de eerste volzin wordt gelijktijdig de ter plaatse heersende windsnelheid gemeten op een hoogte van ten minste 10 m boven het maaiveld. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een meethoogte van 10 m redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag een andere meethoogte aanwijzen.

5.1.4 De windturbine is voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, voorzover de afstand tussen de windturbine en woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.

5.1.5 Lichtschittering wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van lichtabsorberende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats volgens ISO 2813, «Paints and varnishes measurement of specular gloss of non metallic paint films at 20°, 60° and 85°», uitgave 1978 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

Paragraaf 5.2 Voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van de installatie

5.2.1 Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige met vakbekwaamheid op het gebied van windturbines.

5.2.2 Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle defecte onderdelen zijn gerepareerd of zijn vervangen.

5.2.3 Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven.

5.2.4 Een windturbine wordt niet in werking gesteld als zich een zodanige ijslaag op de rotorbladen heeft afgezet, dat door loslatend ijs de veiligheid voor de omgeving in het geding is.

Paragraaf 5.3 Nadere eisen

5.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door slagschaduw of lichtschittering voorzover zich binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter van de windturbine één of meerdere woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen bevinden;

b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door slagschaduw of lichtschittering te treffen maatregelen.

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan eenmaal per vijf kalenderjaren worden voorgeschreven.

HOOFDSTUK 6. INSTALLATIES VOOR WATERWINNING, -BEHEER EN -TRANSPORT

Paragraaf 6.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

6.1.1 Het doorvoeren en bufferen van rioolwater via of respectievelijk in bassins of kelders veroorzaakt geen geurhinder nabij woningen of stankgevoelige objecten. Indien de in het bassin of de kelder aanwezige gassen worden afgezogen is de uitmonding van de afvoerleiding op een zodanige hoogte aangebracht dat verspreiding van de afgezogen gassen is gewaarborgd en geurhinder wordt voorkomen nabij woningen of stankgevoelige objecten.

6.1.2 In een ruimte waar sprake is van gasontploffingsgevaar is:

a. de verlichting en andere apparatuur explosieveilig uitgevoerd, en

b. roken en open vuur verboden.

Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool.

6.1.3 De installatie verkeert in goede staat van onderhoud. Bij onderhoudswerkzaamheden worden zodanige maatregelen getroffen dat geurhinder nabij woningen of stankgevoelige objecten zoveel mogelijk wordt voorkomen.

6.1.4 De ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld wordt tijdens gebruik van een aggregaat voldoende geventileerd. Openingen voor de toe- en afvoer van lucht mogen zijn gesloten als het noodstroomaggregaat niet in werking is.

6.1.5 De ruimte waarin acculaders of accumulatorbatterijen zijn opgesteld wordt voldoende geventileerd. Acculaders, accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn opgesteld boven een bodembeschermende voorziening of bodembeschermende maatregel. Voorzover een accumulatorbatterij of een noodstroomaggregaat in de buitenlucht is opgesteld, is de bodembeschermende voorziening of bodembeschermende maatregel tegen regen of andere vormen van neerslag beschermd.

Paragraaf 6.2 Nadere eisen

6.2.1 Het bevoegd gezag kan ten aanzien van installaties voor het doorvoeren of bufferen van rioolwater, als bedoeld in voorschrift 6.1.1, een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het afgedekt zijn of afgezogen worden van een bassin of kelder,

b. de situering van de uitmonding van de afvoerleiding, of

c. de aanwezigheid, de uitvoering en het onderhouden van een ontgeuringsinstallatie.

6.2.2 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het zuurstofgehalte, de ijzerconcentratie en de pH van het te lozen spoelwater.

HOOFDSTUK 7. GROND- EN GRONDWATERREINIGINGSINSTALLATIES

Paragraaf 7.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

7.1.1 Emissies van gasvormige of dampvormige componenten die vrijkomen bij het reinigen van verontreinigde grond voldoen aan de normen gesteld in paragraaf 3.3 F5 van de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht, uitgave 2000.

7.1.2 De bij het reinigen van grond eventueel vrijkomende restfractie wordt zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen, dan wel, voorzover zij niet kunnen worden voorkomen, zo veel mogelijk worden beperkt.

7.1.3 In een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater wordt geen gereinigd grondwater gebracht dat:

a. meer dan 10 mg/l bevat aan minerale olie,

b. meer dan 300 mg/l bevat aan sulfaat,

c. meer dan 500 μg/l bevat aan chroom, koper, lood, nikkel, zink en tin individueel,

d. meer dan 100 μg/l bevat aan monocyclische aromatische koolwaterstoffen som,

e. meer dan 40 μg/l bevat aan naftaleen,

f. meer dan 30 mg/l bevat aan onopgeloste bestanddelen,

g. meer dan 10 μg/l bevat aan perchloorethyleen,

h. meer dan 50 μg/l bevat aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10),

i. meer dan 10 μg/l bevat aan trichloorethyleen, of

j. een pH heeft lager dan 6,5 of hoger dan 8,5 bij een etmaalmonster, respectievelijk 10 bij een zogenoemd steekmonster (piekwaarde).

7.1.4 Degene die loost legt de gegevens die ingevolge artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering aan de waterkwaliteitsbeheerder moeten worden overgelegd, tevens over aan het bevoegd gezag.

7.1.5 Het gereinigde grondwater wordt, voordat het in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater wordt gebracht, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

7.1.6 Indien de grondwater- en grondreinigingsinstallatie definitief buiten gebruik wordt gesteld, wordt dit terstond gemeld aan het bevoegd gezag. Alle installaties, leidingen en appendages zijn binnen drie maanden nadat melding is gedaan aan het bevoegd gezag verwijderd.

7.1.7 Verontreiniging van de bodem wordt voorkomen. Een aggregaat is daartoe zodanig opgesteld of uitgevoerd dat de inhoud van het smeeroliesysteem en de voorraad aan vloeibare brandstof wordt opgevangen in een bodembeschermende voorziening met 100% opvangcapaciteit. Deze bodembeschermende voorziening is permanent tegen inregenen beschermd.

7.1.8 Een grondwater- of grondreinigingsinstallatie is tegen mechanische beschadiging en ongewenste handelingen van onbevoegden beschermd.

Paragraaf 7.2 Nadere eisen

7.2.1 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot het uitvoeren van metingen indien onvoldoende vaststaat of een van toepassing zijnde norm met betrekking tot emissies naar de lucht of de riolering niet wordt overschreden.

7.2.2 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

a. de doelmatigheid en de plaats van een controlevoorziening, of

b. het aanbrengen van andere voorzieningen.

HOOFDSTUK 8. OPSLAG VAN PROPAAN IN BOVENGRONDSE RESERVOIRS

Paragraaf 8.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

8.1.1 Een reservoir dat op een bouwplaats is opgesteld en in gebruik is ten behoeve van bouwactiviteiten voldoet aan CPR 11–1. Een reservoir dat anders dan op een bouwplaats is opgesteld of anders dan ten behoeve van bouwactiviteiten in gebruik is voldoet aan CPR 11–2 of CPR 11–3.

8.1.2 Een in voorschrift 8.1.1 bedoeld reservoir met toebehoren, leidingen en andere installatie-onderdelen wordt gekeurd en herkeurd overeenkomstig NEN-EN 12 817. Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties geschieden door:

a. een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon, of

b. een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt voor die activiteit of activiteiten.

8.1.3 Van de bevindingen van de keuringen en herkeuringen als bedoeld in voorschrift 8.1.2 zijn binnen de inrichting gedagtekende verklaringen aanwezig, die zijn afgegeven door of namens degene die de keuringen of herkeuringen heeft uitgevoerd. Alle relevante informatie voor een juist gebruik van de installatie is samengevat in een installatielogboek.

8.1.4 Met betrekking tot de opstelplaats van een reservoir, het vulpunt van het reservoir en de opstelplaats van de tankwagen zijn ten opzichte van buiten de inrichting gelegen woningen en objecten categorie I en II, de in onderstaande tabel opgenomen afstanden in acht genomen:

Tabel II veiligheidsafstanden

 woningen objecten categorie Iobjecten categorie II
Opstelplaats tankwagen/vulpunt,   
reservoir t/m 13 m320 m 20 m 20 m
reservoir 0,15 t/m 1 m325 m 25 m 20 m
reservoir 1 t/m 2 m330 m 30 m 20 m
reservoir 2 t/m 3 m335 m 35 m 20 m
reservoir 3 t/m 5 m340 m 40 m 20 m
reservoir 5 t/m 8 m350 m 50 m 20 m
reservoir 8 t/m 13 m360 m 60 m 20 m

8.1.5 Een reservoir is gelegen op een afstand van ten minste 15 m van binnen de inrichting gelegen reservoirs voor de opslag van andere brandbare vloeistoffen, indien deze reservoirs bovengronds zijn gelegen en op een afstand van ten minste 1,5 m van de horizontale projectie van het reservoir, indien deze reservoirs ondergronds of ingeterpt zijn gelegen. Een reservoir is gelegen op een afstand van ten minste 5 m van een ander tot de inrichting behorend reservoir.

8.1.6 Een reservoir is gelegen op een afstand van ten minste 15 m van woningen en objecten categorie I of II, die zelf beschikken over een reservoir voor de opslag van propaan.

8.1.7 Voor een reservoir dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, gelden de in die vergunning bepaalde afstanden voorzover die afstanden afwijken van de afstanden, bedoeld in de voorschriften 8.1.4, 8.1.5 en 8.1.6.

BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ HET BESLUIT VOORZIENINGEN EN INSTALLATIES MILIEUBEHEER

A. BEGRIPSBEPALINGEN

In deze bijlage wordt verstaan onder:

algemeen:

– wit- en bruingoed: producten als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit verwijdering wit- en bruingoed;

– categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen;

met betrekking tot geluid:

– geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;

– langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999;

met betrekking tot trilling:

– trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillinggrootheid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR);

met betrekking tot veiligheid:

– CPR 9–6: Richtlijn 9–6 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten, Opslag tot 150 m3 van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100 graden C in bovengrondse tanks», tweede druk 1999;

– CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 ton tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1994;

– veiligheidsinformatieblad: veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 2 van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;

met betrekking tot de bescherming van de bodem:

– NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen, uitgave 1997.

B. VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Paragraaf 1.1 Geluid en trilling

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

a. de niveaus in op de in de tabel I genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel I

tijdstip 07:00–19:00 uur19:00–23:00 uur 23:00–07:00 uur
LAr, LT op de gevel van woningen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
LAr, LT in in- en aanpandige woning 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax op de gevel van woningen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige woning 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)

b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur ingevolge tabel I opgenomen piekniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op het laden en lossen;

c. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige woningen niet gelden voorzover de gebruiker van een woning geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen, en

d. de in de tabel aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidgevoelige bestemmingen.

1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen», uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet voorzover de gebruiker van een woning of geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 6.2 van bijlage 1 van het Besluit riool- en poldergemalen milieubeheer, onderscheidenlijk voorschrift 4.2 van bijlage 1 van het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van de geluidniveaus ter plaatse van woningen in de tabel van voorschrift 1.1.1 met 5 dB(A) verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden waren vastgesteld in de vergunning die in werking en onherroepelijk was op de datum van inwerkingtreding van een besluit genoemd in de eerste volzin. In dat geval gelden die lagere waarden.

1.1.4 Voorschrift 1.1.1 is niet van toepassing op inrichtingen type A die zijn gelegen in een buitengebied dat bij of krachtens een gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen. In een dergelijk gebied mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval:

a. het in dat gebied heersende geluidniveau niet overschrijden, en

b. binnen een woning op de volgende tijdstippen niet meer bedragen dan de in tabel II aangegeven waarden.

Tabel II

tijdstip 07:00 – 19:00 uur19:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur
LAr, LT 35 dB(A)30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)

Paragraaf 1.2 Energie

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50 000 kWh elektriciteit of 25 000 m3 aardgas, geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 worden die energiebesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

Paragraaf 1.3 Afvalstoffen en afvalwater

1.3.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft:

a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en

b. geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen.

1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in ieder geval voor:

a. papier- en kartonafval;

b. kunststofafval;

c. wit- en bruingoed en

d. glasafval.

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover voorkomen niet mogelijk is, worden zij zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater wordt niet in een riolering gebracht, indien dat water:

a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen,

b. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terechtkomen,

c. een gevaarlijke afvalstof is of bevat waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terechtkomt, of

d. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt.

1.3.6 Bedrijfsafvalwater dat grove of snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen bevat, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.7 Bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht:

a. belemmert niet de doelmatige werking:

1°. van dat riool;

2°. van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, noch

3°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk;

b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheer zuiveringstechnisch werk en

c. heeft geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.

1.3.8 Voorschrift 1.3.7 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Paragraaf 1.4 Verlichting

1.4.1 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Lichtverschijnselen als gevolg van werkzaamheden als lassen en snijden veroorzaken buiten de inrichting geen hinder.

Paragraaf 1.5 Veiligheid

1.5.1 In ruimten waar zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool. In deze ruimten is de elektrische installatie uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van explosieveiligheid.

1.5.2 Gasflessen zijn:

a. goedgekeurd door een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen instantie of een ten minste gelijkwaardige instelling, dan wel door een dergelijke instelling erkende deskundige welke goedkeuring blijkt uit de op de gasfles ingeponste datum;

b. zodanig opgesteld dat zij tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd, steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en niet in de onmiddellijke nabijheid van brandgevaarlijke stoffen staan;

c. voorzover zij een brandbare inhoud hebben, zodanig opgeslagen dat zij zijn afgescheiden van flessen met brandbevorderende dan wel oxiderende stoffen welke afscheiding geschiedt door middel van een zodanige scheidingswand dat een WBDBO van ten minste 60 minuten tussen beiden ruimten wordt bereikt, dan wel door middel van het aanhouden van een afstand van ten minste 3 m tussen de verschillende gasflessen en flessen met brandbevorderende dan wel oxiderende gassen;

d. zodanig opgesteld dat uitstromend gas zich niet in een lager gelegen ruimte of in een riolering kan verzamelen, en

e. voorzover, met uitzondering van op een laskar geplaatste flessen, aan apparatuur gebonden gasflessen dan wel anderszins in gebruik zijnde gasflessen, meer dan 115 liter waterinhoud aan gassen in flessen aanwezig is, opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde kast, kluis, opslaggebouw of buitenopslag; deze opslagplaats is uitgevoerd overeenkomstig de eisen voor gevaarlijke stoffen die hiervoor zijn gesteld in CPR 15–1, met uitzondering van paragraaf 10.3 van CPR 15–1, waarbij een buitenopslag als een vatenpark moet worden gezien; een opslagplaats voor gassen is niet voor onbevoegden toegankelijk.

1.5.3 Afsluiters in vaste gasleidingen zijn goed bereikbaar en aangebracht:

a. direct voor of na binnenkomst van de leiding in een gebouw,

b. aan het einde van elke aftakking van een vaste leiding naar een gebruikstoestel,

c. in de leidingen op plaatsen waar de leiding geheel of gedeeltelijk kan worden gespoeld met een inert gas, en

d. zodanig dat zij onder alle omstandigheden te bedienen zijn.

1.5.4 Acculaders, accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn tijdens het laden respectievelijk in werking zijn, opgesteld in een goed geventileerde ruimte. Ook andere installaties waar explosieve gassen kunnen ontstaan, zijn opgesteld in een goed geventileerde ruimte.

1.5.5 Een ruimte waarin explosieve dampen kunnen ontstaan dan wel brandbare of brandbevorderende gassen worden opgeslagen of gebruikt, is voldoende geventileerd. De verwarming in deze ruimten is indirect.

1.5.6 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.5.7 Het verwisselen van een LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel geschiedt alleen in de buitenlucht.

1.5.8 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen de inrichting voldoende mobiele brandblusapparaten aanwezig.

Paragraaf 1.6 Bodembescherming

1.6.1 Een bodembeschermende voorziening of maatregel voldoet aan bodemrisicocategorie A zoals gedefinieerd in de NRB.

Paragraaf 1.7 Overig algemeen

1.7.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

HOOFDSTUK 2. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT ACTIVITEITEN DIE IN DE INRICHTING PLAATSVINDEN

Paragraaf 2.1 Opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen

2.1.1 De opslag, overslag, bewerking en verwerking van gevaarlijke stoffen geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen of gegevens op de verpakking of het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.1.2 Werkzaamheden met vloeibare of visceuze gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening of maatregel. De bodembeschermende voorziening is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen. Indien boven de bodembeschermende voorziening zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, moet deze voorziening 100% van deze vloeistoffen kunnen opvangen. Indien boven de bodembeschermende voorziening andere gevaarlijke vloeistoffen of brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, is de inhoud van deze voorziening ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige gevaarlijke vloeistoffen of brandbare vloeistoffen. De bodembeschermende voorziening is permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.3 Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten die afgescheiden zijn van een voor het publiek toegankelijke verkoopruimte. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 15–1. In de inrichting wordt in totaal ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen opgeslagen en ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen opgeslagen.

2.1.4 De opslag in een bovengrondse tank van brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 55 en 100° C, voldoet aan CPR 9–6, waarvan de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet gelden voor een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor 1 januari 2000.

2.1.5 Zwavelzuur, natronloog, chloorbleekloog en ijzerchloride wordt opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde ruimte die is uitgevoerd overeenkomstig de eisen voor gevaarlijke stoffen die hiervoor zijn gesteld in CPR 15–1.

2.1.6 Binnen de inrichting:

a. worden geen gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare afvalstoffen in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is of opslag plaatsvindt overeenkomstig voorschrift 2.1.4 of 2.1.5;

b. worden geen gassen of gasmengsels in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt waarop hoofdstuk 8 van bijlage 1 van toepassing is.

HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE BEDRIJFSVOERING VAN DE INRICHTING

Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak

3.1.1 De inrichting is ordelijk en wordt regelmatig schoongemaakt. Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden zo vaak als nodig is verwijderd en bestreden. Alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen worden direct opgeruimd en zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd. De aard en de hoeveelheid van de aanwezige absorptie- of neutralisatiemiddelen is afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen en de werkzaamheden. Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte gemorste gevaarlijke stoffen worden als gevaarlijk afval behandeld en opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.1.3.

Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen

3.2.1 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen, of door een ten minste gelijkwaardige instelling.

3.2.2 Indien in de inrichting gevaarlijke stoffen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage voor de genoemde stoffen en de vloer worden gecontroleerd op lekkages en vloeistofdichtheid. Gedragsvoorschriften zijn binnen een inrichting zodanig zichtbaar aanwezig dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.

Paragraaf 3.3 Bewaren van documenten

3.3.1 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande registraties, documenten of een kopie daarvan, gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening bewaard:

a. de resultaten van geluidmetingen en eventuele andere emissiemetingen en het op basis van voorschrift 4.3.1 verrichte onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen;

b. periodieke inspecties van vloeistofdichte vloeren of voorzieningen;

c. onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties;

d. certificaten of bewijzen van:

1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen;

2°. onderhoud of keuringen van de in de inrichting aanwezige voorzieningen en installaties;

e. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van gas, water en elektriciteit;

f. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

g. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

h. een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister.

HOOFDSTUK 4. NADERE EISEN

Paragraaf 4.1 Geluid en trilling

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en piekniveaus (LAmax), bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.3, naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de opgenomen waarden, bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.3.

4.1.2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1, indien binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van 35 dB(A) wordt gewaarborgd. De in de eerste volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 m van de inrichting geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eis vaststellen op welke plaats de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 en de voorschriften 4.1.1 of 4.1.3 wordt voldaan.

4.1.5 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2 een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, uitgave 1993.

Paragraaf 4.2 Energie

4.2.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de te treffen rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.2.2.

4.2.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan niet de verplichting inhouden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen, faciliteiten en processen.

4.2.3 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan geen betrekking hebben op de eigenschappen van toestellen of installaties waarop de Wet energiebesparing toestellen van toepassing is.

Paragraaf 4.3 Afvalstoffen en afvalwater

4.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of

b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.3.1.

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar worden voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in de inrichting naar het oordeel van het bevoegd gezag zodanig zijn gewijzigd dat dit ter uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.

4.3.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.3.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.3.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in de voorschriften 1.3.2, 1.3.3 en 1.3.4.

4.3.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.7 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.8 wordt gebracht.

Paragraaf 4.4 Verlichting

4.4.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de te treffen maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door de in voorschrift 1.4.1 bedoelde verlichting.

Paragraaf 4.5 Bodembescherming

4.5.1 Het bevoegd gezag kan, indien, beoordeeld volgens de NRB, sprake is van een bodembedreigende activiteit, een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het doen van een onderzoek vóór de inrichting in werking is (nulsituatie-onderzoek), of het doen van een onderzoek, binnen acht weken na de beëindiging van de activiteiten in de inrichting (eindsituatie-onderzoek), naar de stoffen die door de werkzaamheden van de inrichting ter plaatse een bedreiging van de bodemkwaliteit vormen, en

b. het rapporteren van de resultaten van de onder a genoemde onderzoeken.

BIJLAGE 3 BEHORENDE BIJ HET BESLUIT VOORZIENINGEN EN INSTALLATIES MILIEUBEHEER

Windnormcurve (WNC)

stb-2001-487-1.gif

Ter verduidelijking van de relatie windkracht en windsnelheden het volgende overzicht.

Windkracht volgens BeaufortWindsnelheid in m/s Windsnelheid in km/uur
0 – geen wind 1 – zeer zwakke wind 2 – zwakke wind 3 – matige wind 4 – matige wind 5 – vrij krachtige wind 6 – krachtige wind 7 – harde wind 8 – stormachtige wind 9 – storm 10 – zware storm 0 – 0,2 0,3 – 1,5 1,6 – 3,3 3,4 – 5,4 5,5 – 7,9 8,0 – 10,7 10,8 – 13,8 13,9 – 17,1 17,2 – 20,7 20,8 – 24,2 24,3 – 28,4 0 – 0,7 1 – 5,4 5,8 – 12 12 – 19,5 19,5 – 29 29 – 38,5 38,5 – 49,7 50 – 61,6 62 – 74 75 – 87,4 88 – 102

NOTA VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

1.ALGEMENE TOELICHTING30
1.1Terugblik en ontwikkelingen ten aanzien van de milieuregelgeving voor inrichtingen30
1.2De nieuwe opzet van het besluit30
1.3Relatie met andere beleidsterreinen35
1.4Toetsing van het ontwerpbesluit37
1.4.1Aantal inrichtingen waarop het besluit van toepassing zal zijn37
1.4.2Aard en omvang van de kosten en baten van het besluit38
1.4.3Bescherming van het milieu40
1.4.4Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid42
1.5Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure43
1.5.1Aantal en algemene duiding van de reacties43
1.5.2De reikwijdte van het besluit en de reacties daarop44
1.5.3De melding en de reacties daarop45
1.5.4De voorschriften van het besluit en de reacties daarop45
1.6Notificatie46
   
2.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING46
   
3.TOELICHTING BIJLAGE 161
3.1Toelichting algemeen61
3.2Toelichting voorschriften61
   
4.TOELICHTING BIJLAGE 271
4.1Toelichting voorschriften71
   
5.TOELICHTING BIJLAGE 385
   
BIJLAGE, BEHORENDE BIJ DE NOTA VAN TOELICHTING86

1. ALGEMENE TOELICHTING

1.1. Terugblik en ontwikkelingen ten aanzien van de milieuregelgeving voor inrichtingen

Van vergunningen naar algemene regels

Medio jaren tachtig is begonnen met het opstellen van algemene regels voor bedrijven in het kader van de toenmalige dereguleringsoperatie «Actieprogramma Deregulering Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer». Deze operatie is erop gericht de vergunningplicht – toen nog op basis van de Hinderwet – te vervangen door een stelsel van algemene regels of standaardvoorschriften. Met algemene regels kon de regulering van de milieu-aspecten van veel bedrijven gestalte krijgen en kon de achterstand in de vergunningverlening binnen een korte tijd snel worden geëlimineerd.

De MDW-operatie algemene milieuregels voor inrichtingen

In zijn brief van 19 december 1994 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal presenteerde het kabinet het plan van aanpak «Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit» (MDW) (Kamerstukken II 1994/95, 24 036, nr. 1). Doel daarvan is regels die het bedrijfsleven onnodig belasten, te verminderen en te vereenvoudigen en de wetgevingskwaliteit te verbeteren. Ter uitwerking van het regeerakkoord kreeg in december 1994 de projectorganisatie MDW gestalte. In dat kader stelde het kabinet de MDW-werkgroep Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in met de opdracht te onderzoeken in hoeverre het stelsel van milieuregelgeving, met name het stelsel van vergunningen en algemene regels voor inrichtingen, kon worden verbeterd.

Het kabinet informeerde bij brief van 10 juli 1995 de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het standpunt dat het naar aanleiding van het rapport van de MDW-werkgroep van 20 juni 1995 had ingenomen (Kamerstukken II 1994/95, 24 036, nr. 6). Naar aanleiding van dat advies heeft het kabinet besloten om de besluiten op grond van artikel 8.40 Wet milieubeheer (Wm) voortaan vorm te geven aan de hand van de volgende uitgangspunten:

– meer inrichtingen onder het bereik van algemene regels;

– globalisering, bundeling en groter bereik van algemene regels;

– voorschriften beperken tot wat strikt noodzakelijk is; accent op doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften;

– flexibilisering door middel van nadere eisen;

– vereenvoudiging van de meldingsplicht als bedoeld in artikel 8.41 Wm.

De eerste herziene en vastgestelde 8.40-amvb waarin de MDW-aanbevelingen zijn verwerkt, is het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. In de nota van toelichting bij dat besluit is uitgebreid ingegaan op de redenen voor het hanteren van bovenstaande uitgangspunten. Voor een nadere uiteenzetting over die uitgangspunten wordt daar dan ook naar verwezen.

1.2. De nieuwe opzet van het besluit

Verantwoordelijkheid bedrijfsleven en overheid

In het afgelopen decennium is zowel bij de overheden als bij het bedrijfsleven het inzicht gegroeid dat elk bedrijf zelfstandig verantwoordelijk is voor het milieu.

Degene die de inrichting drijft, moet nagaan wat de mogelijke nadelige milieugevolgen zouden kunnen zijn als de inrichting in werking wordt gebracht of in bedrijf is. Op hem rust ook de verantwoordelijkheid na te gaan op welke wijze deze gevolgen kunnen worden voorkomen of, indien dat niet kan, zoveel mogelijk beperkt.

De geschetste verantwoordelijkheid van de onderneming neemt niet weg dat in laatste instantie de overheid het tot haar verantwoordelijkheid moet rekenen het milieu te beschermen. Artikel 21 van de Grondwet bepaalt dat de zorg van de overheid is gericht op de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemers moet daarom worden gezien als een belangrijke medeverantwoordelijkheid doch impliceert niet een overdracht van de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de overheid.

De wijze van normstelling

Het besluit bevat tal van concrete voorschriften die erop gericht zijn de nadelige gevolgen die de categorieën van inrichtingen, waarop het besluit betrekking heeft, kunnen veroorzaken, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Soms zijn dit doelvoorschriften, soms zijn het concrete voorschriften waaraan voorzieningen, installaties of activiteiten binnen de inrichting moeten voldoen. Op weer andere onderdelen zijn concrete voorschriften geformuleerd die handelingen vergen of de handelingsvrijheid beperken. De in het besluit opgenomen voorschriften beogen een beschermingsniveau te realiseren dat voldoet aan het uitgangspunt ALARA (as low as reasonably achievable) uit de Wm. De voorschriften zijn vergelijkbaar met de voorschriften die mogen worden verwacht in een zogeheten adequate milieuvergunning ten behoeve van een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.

Als vangnetbepaling in het besluit fungeert voorschrift 1.7.1 van bijlage 2. Een zodanig vangnet is noodzakelijk, aangezien een volledig dekkend pakket van maatregelen voor alle denkbare situaties niet mogelijk is. Voorschrift 1.7.1 van bijlage 2 fungeert daarnaast als sluitstuk indien geen van de voorschriften van het besluit van toepassing is, maar waarbij naar redelijke maatstaven moet worden geoordeeld dat een aantasting van het milieu in concreto niet aanvaardbaar is.

Verbreding reikwijdte en vernieuwing

De Wm kent een andere werking en reikwijdte dan de Hinderwet. De aloude invalshoek van gevaar, schade en hinder is door de Wm vervangen door het uitgangspunt dat een zo groot mogelijke bescherming van het milieu geboden is. Het begrip «bescherming van het milieu» van de Wm omvat, naast de klassieke hiervoor genoemde Hinderwet-thema's, onder meer de zorg voor een doelmatige verwijdering, preventie en hergebruik van afvalstoffen, de zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen, en het beperken van de gevolgen van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting.

Overeenkomstig artikel 1.1 van de Wm zijn bij de totstandkoming van dit besluit de aspecten afvalpreventie, energie- en waterbesparing, grondstoffenextensivering en het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting bezien.

Afvalpreventie en energie- en waterbesparing wijken in essentie af van de meer klassieke milieu-aspecten uit de Hinderwet. In tegenstelling tot bijvoorbeeld stank of lawaai leveren tekortkomingen of nalatigheden van een bedrijf ten aanzien van afvalpreventie en energiebesparing geen onmiddellijk benadeelden op. Het gaat om de bescherming van het milieu in ruime zin zonder dat direct een directe relatie kan worden gelegd met de (woon)omgeving. Juist vanwege dat bijzondere karakter zijn voorschriften opgenomen die meer ruimte bieden voor specifieke invulling naar omstandigheden, mogelijkheden of anderszins.

Energiebesparing

Overwogen is op welke wijze het aspect van energiegebruik in het besluit vorm zou kunnen krijgen. Het huidige beleidskader inzake energiebesparing is in belangrijke mate gebaseerd op stimulering van energiebesparing door middel van andere instrumenten dan directe regulering. Daarbij kan worden gewezen op de meerjarenafspraken die met bedrijfssectoren zijn of worden gemaakt, het programma van de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu (Novem), het convenant woningbouw en de introductie van energiediensten door marktpartijen. Deze instrumenten gaan uit van een grote verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven zelf. Daarnaast krijgt de energiebesparing gestalte in thema's als duurzaam bouwen en de ontwikkeling van energieprestatienormen. Recent is ook de zogenoemde regulerende energiebelasting (REB) van kracht geworden in aanvulling op fiscale ondersteunende regelingen (VAMIL en EIA). In het licht van deze benadering en ter voorkoming van overregulering is de regeling van de energiebesparing in dit besluit terughoudend opgezet. De energieparagraaf richt zich op die inrichtingen die een relatief groot energieverbruik kennen.

Tenslotte valt te vermelden dat op grond van de Wet energiebesparing toestellen (W.E.T.) in het belang van de energiebesparing regels gesteld kunnen worden met betrekking tot toestellen en installaties. Zo zijn er ter toepassing van EU-richtlijnen onder meer eisen gesteld ten aanzien van het energiegebruik van cv-ketels. Dergelijke eisen gelden algemeen, onafhankelijk van de plaats van het toestel of de installatie. Met betrekking tot toestellen/installaties waarvoor op grond van de W.E.T. voorschriften zijn gegeven kunnen geen nadere eisen worden vastgesteld op grond van dit besluit.

In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (juni 1999) is aangegeven dat de prestatie die van bedrijven wordt gevraagd, hoger zal zijn dan tot nu toe het geval was. De nota gaat uit van een terugverdientijd tot en met vijf jaar geldend voor álle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verlangd.

Afvalstoffen (afvalpreventie en afvalscheiding)

Om voor afvalpreventie de juiste condities te creëren is het «Actieprogramma afvalpreventie bij bedrijfsmatige activiteiten» uitgevoerd, dat zowel betrekking heeft op regulerende als stimulerende instrumenten. In 1995 is uitgebracht de Uitvoeringsstrategie preventie 1996–2000 «Met preventie is veel te winnen». Deze strategie is inmiddels geëvalueerd en wordt voortgezet met het programma «Met preventie naar duurzaam ondernemen». Onder afvalpreventie wordt hier verstaan: «het voorkomen of beperken van het ontstaan van afval door reductie aan de bron, door intern hergebruik of door de vermindering van de totale milieuschadelijkheid daarvan.»

Welke maatregelen redelijkerwijs kunnen worden gevergd, wordt bepaald door de stand van de techniek en door de technische en financiële mogelijkheden van het betreffende bedrijf.

Om de juiste condities voor hergebruik en nuttige toepassing van afvalstoffen te realiseren wordt het Programma gescheiden inzamelen van bedrijfsafval (GIBA) uitgevoerd, opgesteld door het Afval Overleg Orgaan (AOO).

Bij gevaarlijk afval is de noodzaak van specifieke eindverwerking de reden om tot afvalscheiding over te gaan. Afvalscheiding betreft het scheiden, gescheiden houden en gescheiden afgeven van afval dat zowel integraal als gescheiden vrijkomt.

Om tot uitdrukking te brengen welke afvalstoffen in elk geval voor afvalscheiding in aanmerking zouden kunnen komen, is in voorschrift 1.3.2 van bijlage 2 een opsomming gegeven.

De gevolgen van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting

Problemen en overlast voortkomend uit de verkeersstroom verbonden aan een inrichting, hangen sterk samen met de specifieke situering van die inrichting in zijn omgeving. Potentiële hinder door vervoerbewegingen dient dan ook in eerste instantie te worden behandeld in het kader van de ruimtelijke ordening, gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen of het hoofdstuk VI Verkeerslawaai, van de Wet geluidhinder. De hinder die wordt ondervonden is sterk afhankelijk van de situering van de inrichting en het karakter van de omgeving.

De wijze waarop de geluidhinder daarvan moet worden benaderd en beoordeeld dient in overeenstemming plaats te vinden met de wijze waarop het verkeersgeluid van verkeer wordt vastgesteld in het kader van de Wet geluidhinder. Daarbij kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» (kenmerk MBG 96006131, Stcrt. 1996, nr. 44), tevens als hulpmiddel dienen.

Indirecte lozing van afvalwater

Indirecte lozingen, zijnde lozingen op het riool, kunnen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken onder meer door het in het milieu geraken van verontreinigende stoffen. De lozingen via het openbaar riool kunnen verder nadelige gevolgen voor het milieu hebben, indien deze de doelmatige werking van de riolering of het zuiveringstechnisch werk belemmeren, bijvoorbeeld door aantasting van de riolering of de daarbij behorende apparatuur.

Tot 1 maart 1996 kreeg de aanpak voor indirecte lozingen die niet zijn aangewezen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), gestalte via de gemeentelijke lozingsverordeningen. Vanaf de genoemde datum zijn de Wm en de Wvo zo aangepast, dat alle milieu-aspecten van indirecte lozingen – voorzover het niet gaat om indirecte lozingen die zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, Wvo – in milieuvergunningen of bij algemene regels op grond van de Wm worden geregeld.

Melding

In het systeem van artikel 8.40 Wm is een meldings- en bekendmakingsregeling ingebouwd, zodat het bevoegd gezag en de belanghebbenden kunnen nagaan of de ondernemer terecht oordeelt of een besluit op zijn bedrijf van toepassing is. Is een 8.40-besluit op het bedrijf van toepassing dan is de ondernemer gehouden de voorschriften van dat besluit na te leven.

In artikel 8.41 is niet geregeld of en hoe het bevoegd gezag op de melding moet reageren. Als de melding volkomen in orde is, bestaat voor het bevoegd gezag geen verplichting hierop te reageren. Oordeelt het bevoegd gezag dat de melding ten onrechte is gedaan, dan vloeit uit de handhavingsopdracht van de wet voort dat het bevoegd gezag aan de ondernemer laat weten dat voor de inrichting een vergunning noodzakelijk is en dat zonder die vergunning de wet wordt overtreden. De wet stelt voor deze mededeling overigens geen duidelijke termijn. Vanuit handhavingsoptiek is het wenselijk dat het bevoegd gezag bij een klaarblijkelijk onterechte melding niet te lang wacht met het kenbaar maken van zijn opvatting. De mededeling aan het bedrijf dat de activiteiten vergunningplichtig zijn, moet in beginsel worden gezien als een informatieve mededeling die geen rechtsgevolg heeft. De rechtsgevolgen vloeien voort uit de wet zelf.

De verplichting tot melding van de oprichting, uitbreiding of verandering van de inrichting en de algemene bekendmaking daarvan door het bevoegd gezag biedt derden-belanghebbenden de gelegenheid initiatieven naar de gemeente te ondernemen indien zij van mening zijn dat ten onrechte wordt gemeld, vestiging in strijd is met het bestemmingsplan of overigens gehandeld wordt in strijd met ordenings- of vestigingsregels.

Derden-belanghebbenden kunnen bij het bevoegd gezag een verzoek tot handhaving indienen als een inrichting niet aan de voorschriften voldoet (artikel 18.14, eerste lid, van de Wm). Op zo'n verzoek moet het bevoegd gezag binnen een maand reageren. Een voorbeeld hiervan is een ten onrechte gedane melding door een bedrijf, waardoor het verbod van artikel 8.1 Wm wordt overtreden. Een ieder kan dan het bevoegd gezag verzoeken om een sanctie op te leggen.

Nadere eisen

Artikel 8.42 van de Wm biedt de mogelijkheid in een 8.40-besluit de verplichting op te leggen te voldoen aan nadere eisen van een bestuursorgaan met betrekking tot daarbij aan te geven onderwerpen. Door het stellen van nadere eisen kunnen de betreffende voorschriften worden toegesneden op concrete gevallen.

Artikel 5 van het besluit biedt aan het bevoegd gezag de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen. De figuur van nadere eisen is niet nieuw. Ook in tot op heden geldende 8.40-besluiten is op diverse plaatsen de mogelijkheid gecreëerd dat het bevoegd gezag nadere eisen stelt.

Nadere eisen worden in de praktijk doorgaans terughoudend en afgewogen toegepast in die situaties waarbij lokale omstandigheden een specifieke benadering noodzakelijk maken. Het komt zelden voor dat een nadere eis wordt gesteld zonder voorafgaand overleg met degene die de inrichting drijft. In de praktijk blijkt dat in de meeste gevallen in goed overleg tussen het bedrijf en het lokale gezag eventuele onduidelijkheden worden weggenomen over de wijze waarop de regelgeving in het concrete geval moet worden nageleefd of welke activiteiten of voorzieningen kunnen bijdragen tot een juiste bescherming van het milieu. Dan kan ook van het stellen van een formele nadere eis worden afgezien. In het geval wel tot een nadere eis wordt overgegaan, is het van belang dat deze nadere eis goed handhaafbaar is. Duidelijk moet zijn welke maatregelen van de ondernemer door het bevoegd gezag worden verlangd.

De inhoudelijke en procedurele eisen die ons recht stelt aan de beschikking, houdende nadere eisen, dragen ertoe bij dat de bevoegde instanties niet anders dan weloverwogen daartoe overgaan. De nadere eis is een ambtshalve beschikking, die niet kan worden genomen dan nadat het bevoegd gezag zich zorgvuldig een beeld heeft gevormd van de relevante feiten en de betrokken belangen. Daarbij zijn niet alleen de milieubelangen en de belangen van derden-belanghebbenden aan de orde maar ook de bedrijfseconomische belangen. Er moet een duidelijke en redelijke verhouding zijn tussen het met de nadere eis beoogde doel en de kosten of inspanningen die het bedrijf moet maken om aan de eis te kunnen voldoen. Nadere eisen kunnen in zijn algemeenheid niet zo ver gaan dat daardoor een bedrijf – in vergelijking met soortgelijke bedrijven of (internationale) ondernemingen uit dezelfde bedrijfstak – overmatig hoge kosten zou moeten maken om aan deze eisen te kunnen voldoen.

De mogelijke angst dat de nadere eisen, zoals in dit besluit geregeld, tot een soort «verkapte vergunning» zouden leiden is ongegrond. De Minister van VROM zal de ontwikkeling op dit punt in overleg met de betrokken maatschappelijke sectoren, het bedrijfsleven en de VNG monitoren en evalueren.

1.3. Relatie met andere beleidsterreinen

Bij de opzet van dit besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders worden gereguleerd.

Ruimtelijke ordening en bedrijfsvestiging

Er is een sterke verwantschap tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is op gemeentelijk niveau het afstemmingskader tussen beide beleidsvelden. Een optimaal samenspel tussen milieu en ruimtelijke ordening zou moeten leiden tot een juiste afweging van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen, die vervolgens wordt vastgelegd in bestemmingen en (gebruiks)voorschriften. Deze zijn vanwege hun normerend karakter bindend voor een ieder en dienen tevens als toetsingskader bij bouw- en aanlegvergunningen.

Bestemmingsplannen kunnen normen bevatten ter bescherming van het milieu zoals vestigingsnormen en collectieve normen (geluidzones, veiligheidszones etc.). Op grond daarvan kan de toelaatbaarheid van individuele bedrijven binnen het bestemmingsplankader worden beoordeeld. Een goed ruimtelijke ordeningsbeleid kan diverse milieugebonden knelpunten van inrichtingen voorkomen.

Opgemerkt wordt dat de handhaving van het geschetste kader uiteindelijk bepalend zal zijn voor de vraag of de stelsels van de ruimtelijke ordening en van milieu op deze wijze naadloos op elkaar aansluiten.

Bouwvergunning en Bouwbesluit

In het Bouwbesluit op grond van de Woningwet zijn vier uitgangspunten gehanteerd: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. De voorschriften zijn gegeven op basis van levensduur, kosten en milieu-aspecten. Daarnaast dient de gemeenteraad nog een bouwverordening vast te stellen, waarin met name de brandveiligheid (brandwerende en blusvoorzieningen) binnen gebouwen wordt gegarandeerd.

In de «oude» 8.40-besluiten, waarvoor het onderhavige besluit in de plaats treedt, zijn diverse voorschriften opgenomen die betrekking hebben op bouwkundige scheidingsconstructies, brandwerendheid, ventilatie van ruimten etcetera. Veelal bleek er sprake van overlap met de eisen die voortvloeien uit het Bouwbesluit en de bouwverordening. Bij de totstandkoming van het onderhavige besluit is gekozen voor een meer zuivere afbakening tussen milieu- en bouwvoorschriften. Voorschriften die betrekking hebben op bouwtechnische elementen van een inrichting, zijn zoveel mogelijk gemeden.

Provinciale milieuverordening

Artikel 1.2 van de Wm regelt de provinciale milieuverordening (PMV). De verordening is het kader voor tal van onderwerpen waarvan is geoordeeld dat deze beter op provinciaal niveau kunnen worden geregeld. Naast het aanwijzen van bijzondere gebieden is in hoofdstuk 10 van de Wm vastgelegd dat zaken met betrekking tot de verwijdering van afvalstoffen op provinciaal niveau geregeld kunnen worden. In AOO-verband zijn de overheden met elkaar overeengekomen dat regels voor het bewaren en het scheiden van, binnen een bedrijf vrijkomende, afvalstoffen in dit besluit zijn opgenomen. De PMV is daarop dus niet van toepassing; voor het overige blijft de PMV wel van toepassing.

Gemeentelijke verordening

Artikel 121 van de Gemeentewet biedt de gemeentebesturen een verordenende bevoegdheid zolang deze niet in strijd is of komt met een hogere wettelijke regeling. Gemeentebesturen hebben de bevoegdheid om op basis van de gemeentelijke verordening voorzieningen te treffen die bepaalde vormen van nadelige gevolgen, veroorzaakt door inrichtingen, (zoals hinder) reguleren. Bepaalde vormen van milieugevolgen, zoals geluid en de beleving daarvan zijn sterk afhankelijk van de specifieke situering van een inrichting in zijn omgeving en de aard van die omgeving. De gemeentelijke verordening biedt daarnaast de mogelijkheid om aspecten betreffende de openbare orde te reguleren. Hierbij kan met name gedacht worden aan overlast door bezoekers van scholen en opleidingsinstituten, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen en andere hinderlijke activiteiten.

Regels vanuit nutsbedrijf

De levering van gas, water en licht en de daarvoor gebruikte installaties door nutsbedrijven, alsmede de daarvoor in inrichtingen in gebruik zijnde toestellen en voorzieningen, moeten voldoen aan diverse specifieke normen (NEN, KOMO) en (periodieke) keuringen door erkende installateurs. De levering en het gebruik is vanwege veiligheids- en gezondheidsredenen met grote waarborgen omgeven. De verwijzing naar deze normen vereist bij controle een zeer specifieke kennis, deskundigheid en ervaring. Bij de nutsbedrijven en de erkende installateurs is deze aanwezig.

Bij de opzet van het onderhavige besluit is gekozen voor een meer zuivere afbakening tussen milieuvoorschriften en bepalingen van de nutsbedrijven. Voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van toestellen en installaties voor gas, water en licht, zijn zoveel mogelijk vermeden. Deze aspecten vallen reeds onder de leverings- en veiligheidsvoorschriften van de nutsbedrijven.

Specifieke algemene regels

Met ingang van 1 maart 1997 is er voor het lozen op de riolering van verontreinigd grondwater dat vrijkomt in het kader van bepaalde categorieën bodemsaneringen en proefbronneringen, geen vergunningplicht meer in het kader van de Wvo. Daarvoor in de plaats gelden de algemene regels uit het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Gekozen is voor een eenduidige afstemming tussen dat lozingenbesluit en dit besluit voorzover als gevolg van de activiteit afvalwater vrijkomt. Door het koppelen van de werkingssfeer van dit besluit aan die van het lozingenbesluit is de doelgroep waarvoor zowel de vergunningplicht in het kader van de Wvo als in het kader van de Wm wordt vervangen, van beide besluiten identiek.

Handhaving

Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, onder a, van de Wm is het bestuursorgaan waaraan een melding als bedoeld in artikel 6 van dit besluit wordt gericht, het bestuursorgaan dat heeft zorg te dragen voor de bestuurlijke handhaving van hetgeen bij of krachtens dit besluit is gesteld. Gezien onder meer de aard van de activiteiten waarop dit besluit van toepassing is, zullen in nagenoeg alle gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting zich bevindt het bevoegde gezag zijn voor de bestuurlijke handhaving van dit besluit.

De zorg voor de handhaving van dit besluit houdt allereerst in dat het bevoegde gezag in eerste instantie verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van het besluit.

De zorg voor de bestuurlijke handhaving omvat voorts de plicht voor het bevoegde gezag om gegevens die van belang zijn met het oog op de uitoefening van de bestuurlijke handhaving te verzamelen en te registreren. Dit volgt uit artikel 18, eerste lid, onder b, van de Wm.

Naast een bestuurlijke aanpak kan ook via het strafrecht worden opgetreden in geval van overtreding van dit besluit en de voorschriften die hierop zijn gebaseerd. De grondslag hiervoor ligt in de Wet op de economische delicten (WED). Zie artikel 1a, onder 1° en 2°, van de WED. Indien er een reële keuzemogelijkheid bestaat tussen een bestuursrechtelijke en een strafrechtelijke aanpak zal per individueel geval in overleg tussen de betrokken instanties moeten worden besloten welke aanpak het meest aangewezen is.

Op het gebied van de handhaving is een aantal ontwikkelingen gaande die erop zijn gericht de handhaving consistent aan te pakken en afspraken te maken over een eenduidige en transparante aanpak en die niet meer uitgaan van een individuele aanpak. Zo is de bestuursrechtelijke handhaving van het besluit onderwerp van de bestuursovereenkomsten over de milieuwethandhaving die in 1999 in alle provincies tot stand zijn gekomen. In en op grond van deze overeenkomsten worden afspraken gemaakt tussen alle bij de bestuurlijke milieuwethandhaving betrokken bestuursorganen. Aan de orde zijn onder meer de prioriteitstelling bij de handhaving in de regio's, de uitwisseling van handhavingsinformatie en de monitoring en verslaglegging van handhavingsresultaten.

De aanwijzing handhaving milieurecht van het College van procureurs-generaal van 8 juni 1999 (Stcrt. 1999, 119) regelt de rol van het OM bij de strafrechtelijke handhaving van het milieurecht. In deze aanwijzing is een lijst van kernbepalingen opgenomen. Onder kernbepalingen verstaat de genoemde aanwijzing «die bepalingen die binnen de regeling of vergunning waarvan zij deel uitmaken, de kern vormen van de bescherming van de belangen waarvoor de regeling of vergunning strekt». Bij overtreding van een kernbepaling binnen het milieurecht dient volgens het OM het strafrecht in hoofdzaak te worden ingezet. Bij overtreding van andere bepalingen dan de kernbepalingen is volgens de aanwijzing de inzet van het strafrecht niet opportuun, tenzij sprake is van bijzondere, vanuit strafrechtelijk oogpunt relevante omstandigheden.

Meer in het algemeen geldt voor inrichtingsgebonden, in het kader van de bedrijfsuitoefening gepleegde overtredingen onder voorwaarden, de lik-op-stuk-aanpak indien voor de betreffende overtreding een maximumtransactiebedrag (voor het OM) van 5000 gulden geldt (Aanwijzing lik-op-stuk-milieudelicten van het OM (Stcrt. 1999, 248).

1.4. Toetsing van het ontwerpbesluit

1.4.1 Aantal inrichtingen waarop het besluit van toepassing zal zijn

Niet alle inrichtingen in de onderscheiden bedrijfscategorieën komen te vallen onder het bereik van het besluit. Artikel 2 en 3 beperken beide de reikwijdte van het besluit. Inrichtingen die buiten dit besluit vallen blijven vergunningplichtig. In onderstaande tabel zijn de in samenwerking met het «Gezamenlijke steunpunt voorgenomen regelgeving» verzamelde aantallen, met een meer of minder indicatief karakter, weergegeven, uitgesplitst naar de categorieën.

Voorziening of installatieonder bestaand besluit onder de Wm onder dit besluit
gasdrukregel- en meetstations 11 000 11 00011 000
warmtekrachtinstallaties geen 4 000 3 000
stookinstallaties geen 2 400 1 200
telecommunicatiegebouwen geen 3 000 2 900
windturbines geen 1 200 600
installaties waterbeheer 20 000 21 000 20 500
grondreiniginggeen 200 200
opslag propaan 20 000 30 00025 000

Uit het overzicht blijkt de in artikel 2 van dit besluit bedoelde doelgroep, in totaal afgerond circa 73 000 locaties te omvatten die onder de Wm vallen en in beginsel vergunningplichtig zijn. De vier bestaande besluiten, te vervangen door dit besluit, omvatten reeds circa 51 000 locaties die vrijgesteld zijn van deze vergunningplicht, dit is circa 70 % van het totaal. Ingeschat wordt dat het aantal locaties dat onder dit besluit valt afgerond circa 65 000 locaties zal bedragen, dit is circa 89 % van het totaal. Indien we de huidige situatie vergelijken met de situatie na inwerkingtreding van het onderhavige besluit zal het aantal vergunningplichtige inrichtingen dus dalen met ongeveer 14 000 inrichtingen, namelijk van circa 22 000 tot circa 8 000.

1.4.2 Aard en omvang van de kosten en baten van het besluit

a. Structurele en eenmalige effecten

Zonder vergunning is het verboden een inrichting op te richten, in werking te hebben of een wijziging in de aard of de werkzaamheden aan te brengen. Het vervallen van de vergunningplicht is een structureel effect voor alle inrichtingen waarop het besluit van toepassing is. Het betreft niet alleen oprichtingsvergunningen doch ook wijzigingsvergunningen.

Het is niet bekend hoe hoog de totale kosten van de vergunningverlening jaarlijks zijn voor de bedrijven, die vallen onder het bereik van het besluit. Een grove berekening kan evenwel enig zicht op de financiële effecten geven.

De kosten die een gemiddelde inrichting kwijt is aan een Wm-vergunningprocedure liggen tussen de f 2 000,= en f 20 000,=. In die kosten zijn opgenomen de op geld waardeerbare inzet van het bedrijf (loonkosten), externe adviseurs en out of pocket-kosten. Out of pocketkosten hebben betrekking op de aanschaf van materialen, onderzoekskosten en de inzet van externe adviseurs indien sprake is van vasteprijscontracten.

Zou worden aangenomen dat gemiddeld eens per 10 jaar een dergelijke procedure moet worden doorlopen (oprichtings- en wijzigingsvergunningen) en dat deze gemiddeld f 10 000,= kost, dan zou voor de betreffende sector het totaal aan jaarlijkse procedurekosten zónder dit besluit gesteld kunnen worden op ongeveer f 22 miljoen (volgens: 22 000 inrichtingen x 10% x f 10 000,=). In de situatie onder dit besluit worden de kosten geschat op circa f 8 miljoen (8 000 x 10% x f 10 000,=).

Het meldingensysteem is veel minder kostbaar dan het vergunningensysteem. De kosten voor een bedrijf voor het doen van een melding op grond van de oude 8.40-besluiten worden op basis van een steekproef gemiddeld gesteld op f 500,= tot f 2500,= per melding. In die kosten zijn opgenomen de op geld waardeerbare inzet van het bedrijf (loonkosten), externe adviseurs en out of pocket-kosten. In de situatie zónder dit besluit bedragen de meldingskosten circa f 7,7 miljoen (volgens: 51 000 x 10% x gemiddeld f 1500,=).

De kosten voor het doen van de vereenvoudigde melding, die in het onderhavige besluit is voorzien, zijn minimaal. Naar schatting beloopt de op geld waardeerbare moeite voor het doen van de nieuwe melding f 300,= tot f 1500,=. Kosten die de doelgroep zal maken voor het doen van meldingen volgens dit besluit wordt op jaarbasis geschat op f 5,9 miljoen (volgens: 65 000 x 10% x gemiddeld f 900,=).

Samengevat bedragen de totale kosten:

– zónder dit besluit circa f 30 miljoen per jaar ;

– volgens dit besluit circa f 13,6 miljoen per jaar.

Een besparing wordt bereikt van circa f 16 miljoen per jaar.

Aangetekend wordt dat bestaande bedrijven die in bezit zijn van een vergunning of een melding hebben gedaan in het kader van een besluit ex artikel 8.40 Wm, op het moment dat dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, niet genoodzaakt zijn zich te melden bij het bevoegd gezag.

b. Rechten

Met het in werking treden van het besluit vervalt de verplichting tot het aanvragen van vergunningen op grond van hoofdstuk 8 van de Wm. Het bedrijf of de instelling is slechts gehouden de oprichting of de wijziging van de inrichting aan het bevoegd gezag te melden. Het bevoegd gezag kan geen rechten in rekening brengen voor dergelijke meldingen.

Voor alle beschikkingen krachtens de Wm kunnen vanaf 1-1-1998 geen rechten meer in rekening worden gebracht (artikel 15.34a van de Wm). De derving bij gemeenten en provincies van opbrengsten uit de milieuleges wordt gecompenseerd door centrale financiering via het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Over 1998 vindt een compensatie plaats op basis van de inkomsten van de afgelopen drie jaren. Ter bepaling van de hoogte van de compensatie in 1998 wordt het gemiddelde bedrag genomen van de twee jaren waarin de inkomsten het hoogst zijn. De verdeling van de middelen in het Gemeentefonds en het Provinciefonds zal vooralsnog gebeuren via een integratie-uitkering. Hierbij is overigens sprake van een oplopend compensatiebedrag (overgang naar compensatie op basis van kosten). Voor de periode na 1998 zal, in overleg met de VNG en het IPO, worden bezien op welke wijze inpassing in het Gemeentefonds en het Provinciefonds zal geschieden.

Verwacht mag worden dat de compensatie structureel een toereikend niveau heeft. De meeste bedrijven beschikken inmiddels over een geactualiseerde Wm-vergunning. Dit betekent dat de kosten en de gederfde opbrengsten voor de lokale overheden in de toekomst waarschijnlijk een neerwaartse tendens zullen laten zien. Deze tendens zal worden versterkt doordat als gevolg van de verruimde reikwijdte van dit besluit de vergunningplicht voor meer bedrijven zal komen te vervallen.

Er zijn in het algemeen geen extra kosten te voorzien. Voor die gevallen waarin bestaande bedrijven voor het eerst onder het bereik van dit pakket van algemene regels komen te vallen, is het denkbaar dat kosten moeten worden gemaakt om aan de regelgeving te voldoen. Overigens moet worden verwacht dat het aantal van dergelijke gevallen laag ligt en dat het afhandelen van meldingen minder kostbaar is dan het aanvragen van vergunningen. De thans bestaande bedrijven, die voor het eerst onder het bereik van het besluit komen te vallen, waren, voordat het besluit in werking trad, vergunningplichtig. Aangenomen moet worden dat aan het merendeel van die bedrijven een vergunning met voorschriften en beperkingen is afgegeven.

c. De gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Onder het begrip administratieve lasten wordt in dit kader verstaan de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen die voortvloeien uit dit besluit. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Het besluit bevat de volgende informatieverplichtingen:

a. vaste informatieverplichtingen (deze zijn doorgerekend onder 1.4.2 onder a):

– melding op grond van artikel 6 van het besluit

– rapportage met betrekking tot emissies naar de lucht en water, indien het gaat om een grond(water)reinigingsinstallatie (artikel 6, achtste lid);

b. voorwaardelijke informatieverplichtingen:

– akoestisch onderzoek op grond van artikel 6, zesde lid, van het besluit

– voorschrift 4.3.1 van bijlage 2 (onderzoek naar het voorkomen of beperken van ontstaan van afvalstoffen)

– voorschrift 4.4.1 van bijlage 2 (onderzoek naar beperking van lichthinder)

– voorschrift 4.5.1 van bijlage 2 (onderzoek naar de stoffen die een bedreiging van de bodemkwaliteit kunnen vormen).

c. informatie over getroffen maatregelen of voorzieningen:

– voorschrift 1.2.1 van bijlage 2 (energieverbruik)

– voorschrift 1.3.1 van bijlage 2 (afvalpreventie).

Paragraaf 3.3 bevat regels voor de bewaring van uiteenlopende documenten.

Ten aanzien van de melding op grond van artikel 6 van het besluit kan het volgende worden opgemerkt. In de lijn van het kabinetsstandpunt inzake de MDW-operatie voor inrichtingen is de melding vereenvoudigd ten opzichte van de regeling die gold. De administratieve lasten zijn in dit kader tot een minimum gereduceerd.

Het is op dit moment onmogelijk om vast te stellen in hoeveel gevallen (procentueel of absoluut) het bevoegd gezag gebruik zal maken van de geboden bevoegdheden tot het verlangen van informatie of het doen van onderzoek. Ook de hoogte van het bedrag dat per onderzoek moet worden besteed is afhankelijk van veel uiteenlopende factoren. Opgemerkt wordt dat de in het besluit opgenomen bevoegdheden overeenkomen met de bevoegdheden die in het kader van de vergunningverlening worden toegepast. In die zin volgt het besluit de praktijk van de vergunningverlening op het niveau zoals dat op basis van de Wm mag worden verwacht.

1.4.3 Bescherming van het milieu

Bij de beslissing tot het vaststellen van dit besluit zijn verder de volgende milieurelevante aspecten betrokken.

a. De gevolgen voor het milieu die de inrichtingen kunnen veroorzaken en de algemene toestand van het milieu

De grote mate van diversiteit van de betrokken inrichtingen en het vestigingspatroon van de betrokken bedrijven leiden ertoe dat geen directe correlatie kan worden aangegeven met de algemene toestand van het milieu in Nederland. Een directe doorvertaling van milieudoelstellingen is mede daardoor moeilijk realiseerbaar. Voor de sectoren, waarop het besluit zich richt, is in het NMP 3 (Nationaal Milieubeleidsplan 3; Kamerstukken II 1997/98, 25 887, nr. 1), geen doelgroepmanagement geformuleerd. Wel kan worden geconstateerd dat de exploitanten van een inrichting in toenemende mate aandacht hebben voor de milieu-aspecten van de bedrijfsvoering. Overigens moet worden onderkend dat binnen de sectoren op dit moment een uiteenlopende kennis is van de belasting die zij op het milieu leggen. Het besluit richt zich met name op de beheersing en terugdringing van nadelige gevolgen die individuele inrichtingen veroorzaken. In onderstaande tabel is een beknopt overzicht gegeven van de belangrijkste aandachtspunten.

Onderwerp Aandachtspunten milieu
gasdrukregel- en meetstations risico brandbaar gas, geluidemissie gasdrukreductie
warmtekrachtinstallaties emissie verbrandingsgas, geluidemissie installatie, nuttig gebruik warmte
stookinstallaties emissie verbrandingsgas, geluidemissie installatie
telecommunicatiegebouwenbodembescherming noodvoorzieningen
windturbines veiligheid constructie, geluid- en schaduwhinder rotor en turbine
installaties waterbeheer geuremissie, bodembescherming noodvoorzieningen
grondwaterreiniging emissie stoffen naar lucht en water, geluidemissie installatie
opslag propaan risico brandbaar gas

b. De mogelijkheden tot bescherming van het milieu, meer in het bijzonder het energieverbruik, het verbruik van voorraden en grondstoffen en het beperken van het ontstaan van afvalstoffen

In de besluiten waarvoor dit besluit in de plaats is getreden, waren geen voorschriften of beperkingen gesteld ten aanzien van het energieverbruik of het verbruik van voorraden en grondstoffen.

De bevordering van energiebesparing loopt voor een belangrijk deel via andere wegen dan inrichtingsgebonden regulering. De wijze waarop in dit besluit de regulering van het energieverbruik heeft vorm gekregen is reeds toegelicht in paragraaf 1.2 van deze nota.

c. De milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens artikel 5.1 van de Wm, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben

De onder het besluit vallende inrichtingen kunnen in het kader van hun normale bedrijfsvoering gevolgen hebben voor de milieukwaliteit. Van de op landelijk niveau vastgestelde milieukwaliteitseisen (zwaveldioxide, zwevende deeltjes, stikstofdioxide, koolstofmonoxide, lood en benzeen) zijn die voor benzeen en stikstofdioxide voor de onderhavige sectoren het meest van belang. Voor de verspreiding of concentraties van die stoffen zijn veel emissiebronnen aanwijsbaar. In veruit de meeste gebieden en binnen de steden in Nederland overschrijden de achtergrondconcentraties niet de gestelde normen. Wel komt het voor dat op bepaalde locaties op straatniveau de normen worden overschreden. Voor benzeen is de belangrijkste oorzaak het verkeer. Voor stikstofdioxide zijn meer bronnen, waarbij de ruimteverwarming van bedrijven, kantoren en huishoudens van belang is.

De luchtkwaliteitseisen richten zich tot overheden. Deze hebben tot taak maatregelen te nemen bij een (dreigende) overschrijding door de diverse bronnen. De milieukwaliteitseisen zijn in eerste instantie bedoeld als toetsingskader voor bestuursbeslissingen. Voorzover in een bepaald gebied in een gemeente de milieukwaliteitsnormen (dreigen te) worden overschreden is het aan de gemeentelijke overheid om te bezien in welke vorm en met welke maatregelen een verbetering van de milieukwaliteit kan worden gerealiseerd. Daarbij kan ook het vestigingsbeleid worden betrokken. Daarom is het onmogelijk om de algemene luchtkwaliteitseisen direct om te zetten in concrete normstelling voor de bedrijfssectoren, waarop het onderhavige besluit betrekking heeft.

1.4.4 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

a. Tot wie richt zich het besluit?

Het besluit richt zich primair op uiteenlopende typen van installaties die soms onderdeel zijn van een groter geheel maar ook als zelfstandige inrichting kunnen voorkomen; in artikel 2 is een opsomming gegeven. Degene die de inrichting drijft, draagt ervoor zorg dat de voorschriften worden nageleefd.

b. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Gedurende vele jaren is ervaring opgedaan met de diverse besluiten, waarvoor het onderhavige besluit in de plaats treedt, en andere besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wm. De laatste jaren constateren de toezichthoudende instanties een toegenomen milieubewustzijn in algemene zin, wellicht mede te baseren op een toename van de professionalisering binnen de sectoren, onder meer tot uitdrukking komend in de bereidheid uit eigen beweging externe adviezen te vragen, initiatieven op het gebied van bedrijfsinterne milieuzorg en de maatschappelijke druk. Ook het door de gemeenten uitgevoerde toezicht- en handhavingsbeleid heeft daartoe bijgedragen en geleid tot een verbetering van het nalevingsgedrag. De belemmeringen voor naleving, die in het verleden zijn geconstateerd, als gevolg van de inhoudelijke of technische kwaliteit van de voorschriften, zijn in dit besluit zo veel mogelijk weggenomen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat zich belangrijke negatieve veranderingen in de naleving zullen voordoen.

Bij de totstandkoming van dit besluit is veel aandacht besteed aan een goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit en de voorschriften. Ook in het overleg met derden over het (ontwerp)besluit speelden deze thema's een belangrijke rol. Over de uitvoerbaarheid van het besluit is met vertegenwoordigers van de meest betrokken branches en van gemeenten overleg gevoerd. De in dat kader gedane suggesties zijn waar mogelijk meegenomen bij de redactie van het besluit. Een en ander heeft – in vergelijking met de «oude» 8.40-besluiten – onder meer geleid tot een grotere toegankelijkheid van het besluit en een eenvoudiger en duidelijker redactie van de voorschriften. Verwacht mag worden dat dit een positief effect heeft op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit.

De verruimde werking van dit besluit (zie artikel 1.1, tweede lid, onder b, Wm) komt vooral tot uitdrukking in de bepalingen over energie, verlichting, afvalscheiding en afvalpreventie. Deze bepalingen zijn in vergelijking met de voorgaande amvb's nieuw. Dat kan in de aanvang wellicht enige extra aandacht vragen van het bevoegde gezag. Het Ministerie van VROM zal in samenspraak met de gemeenten en de betrokken branche-organisaties ervoor zorgdragen dat bij de inwerkingtreding van het besluit specifieke hulpmiddelen en informatie beschikbaar is, waarbij mogelijke vragen bij de wijze van toepassing en het toezicht op de naleving zoveel mogelijk worden voorkomen en de bestuurlijke uitvoeringslasten worden verminderd.

Dit besluit is tevens van toepassing op een groot aantal inrichtingen dat voorheen niet onder een 8.40-besluit viel, maar waarvoor de vergunningplicht gold. Naar mag worden aangenomen zal dit gegeven een structurele vermindering van de werkbelasting en inkomsten voor het bevoegd gezag met zich meebrengen. Dit betreft in het bijzonder het vervallen van procedures voor de eventuele verlening (bij nieuwe gevallen) of wijziging van een vergunning op grond van de Wm. In dit verband mag tevens worden verwacht dat het aantal bezwaar- en beroepsprocedures zal verminderen. Niet alleen voor het bestuur, maar ook voor de rechterlijke macht is er wat dat betreft sprake van een te verwachten vermindering van de werklast.

c. Uitvoeringskosten

De kosten voor de diverse sectoren om naleving van de in het besluit gestelde regels te bewerkstelligen, hangen sterk af van het «milieugedrag» van dit moment. Inrichtingen die nu reeds voldoen aan geldende milieu-eisen (via vergunning of algemene regels) zullen niet worden geconfronteerd met hogere uitvoeringskosten. Er zijn evenwel inrichtingen die tot op heden nauwelijks aandacht aan het milieu besteedden en die als zodanig in een achterstandssituatie verkeren. Deze zullen voor grotere inspanningen komen te staan dan de overige inrichtingen. Die belasting zou overigens niet anders zijn als de regelgeving, waarvoor dit besluit in de plaats treedt, was blijven bestaan. Worden deze uitvoeringskosten niet meegerekend dan zullen de gemiddelde uitvoeringskosten om aan de regelgeving te voldoen niet toenemen.

Voor de onderwerpen die nieuw zijn in de Wm zullen vrijwel alle bedrijven met dezelfde inspanningen geconfronteerd worden. Over de hoogte van die kosten zijn geen inschattingen te maken. De verschillen tussen de bedrijven naar aard, complexiteit, stadium van interne milieuzorg zijn te groot om hierover zinvolle uitspraken te doen. Wel kan worden opgemerkt dat de inspanningen die inrichtingen zich getroosten om bijvoorbeeld het energiegebruik, waterverbruik of het ontstaan van afvalstoffen terug te dringen veelal direct of op korte termijn financieel voordeel opleveren.

d. Omvang en mogelijkheden van controle

De mate waarin de voorschriften van dit besluit worden nageleefd, vertoont voor een deel verband met de relatie tussen de gemeente en het bedrijf, de frequentie van contact en de wijze van toezicht door de gemeenten. Gemeenten hebben een zelfstandige verantwoordelijkheid bij de bepaling van de mate van toezicht en controle op de naleving van het besluit. In de huidige praktijk werken veel gemeenten met zogenoemde stappenschema's, waarin een getrapte aanpak voor de handhaving van de 8.40-besluiten en vergunningen voor inrichtingen is neergezet. De mate waarin (vervolg)controle plaatsvindt wordt voor een belangrijk deel bepaald door de prioriteiten die in de gemeentelijke milieutaakstelling zijn aangegeven.

In paragraaf 1.3 inzake de handhaving van 8.40-besluiten is hierop reeds nader ingegaan. Over het toezichts- en handhavingsbeleid van gemeenten vindt op diverse niveaus gestructureerd overleg plaats.

1.5. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

1.5.1 Aantal en algemene duiding van de reacties

Naar aanleiding van de publicatie van het ontwerp van dit besluit in de Staatscourant van 29 oktober 1999, nr. 209, heeft de Minister van VROM 39 schriftelijke reacties ontvangen. Een overzicht daarvan is als bijlage bij deze nota van toelichting opgenomen.

Van de binnengekomen reacties ging een groot aantal in op de redactie of de technische inhoud van de voorschriften, opgenomen in bijlage 1 en 2 van het besluit. Naast vragen of signalen van onduidelijkheid zijn ook voorstellen gedaan voor tekstuele verbetering, verduidelijking en aanvulling. Alle voorstellen zijn met zorg geanalyseerd en waar deze tot verbetering van het besluit leidden, zijn deze omgezet in aanpassingen van het besluit.

Onderstaand volgen de belangrijkste elementen uit de reacties en de beoordeling daarvan.

1.5.2 De reikwijdte van het besluit en de reacties daarop

Het besluit heeft betrekking op uiteenlopende installaties die aanwezig kunnen zijn als zelfstandige inrichting of als onderdeel binnen een groter geheel. Uit geen van de binnengekomen reacties kan worden afgeleid dat de reikwijdte van het besluit in algemene zin ter discussie staat. Wel zijn diverse opmerkingen gemaakt over de gekozen afbakening op het punt van het bevoegd gezag en enkele onderwerpen. Onderstaand de belangrijkste opmerkingen daaromtrent.

Opgemerkt is onder meer dat bepaalde installaties op zeer grote en complexe inrichtingen aanwezig kunnen zijn die onder het bevoegd gezag van de provincie vallen. Vanuit de industrie en, eigenlijk al in een eerder stadium tijdens de voorbereiding door de provincie, is opgemerkt dat de combinatie van doorgaans complexe provinciale vergunningen met dergelijke besluiten op deelonderwerpen, niet tot een eenvoudiger benadering leidt. Een complexe inrichting vergt veelal een zodanige integrale benadering dat het inpassen van afzonderlijke besluiten tot nieuwe problemen leidt op het punt van afbakening en technische inhoud. Omdat het draagvlak voor deze combinatie ontbreekt is ervoor gekozen de gebruikelijke lijn, dat besluiten ex artikel 8.40 Wm beperkt blijven tot inrichtingen waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, ook op dit besluit toe te passen.

Het onderwerp windturbines heeft relatief veel reacties teweeggebracht, van ingediende verbeteringen in de tekst tot het verzoek om windturbines op het land te verbieden. Het reguleren van de vestiging van windturbines, rekening houdend met locatiebeleid, landschappelijke inpassing etcetera, vindt plaats in een ander beleids- of zelfs politiek kader en gaat in ieder geval de werking van dit besluit te buiten. Opmerkingen die de regulering van de vestiging betroffen zijn derhalve niet gehonoreerd. Verder is gevraagd rekening te houden met de aanwezigheid van hoog vermogen zendapparatuur in de nabijheid van windturbines. De samenstelling van de middengolf is zodanig dat een windturbine door vorm en materiaalsoort, tot op 3 km afstand werkt als (stoor)zender die het oorspronkelijke signaal vervormt. Het betreft de omstandigheid dat een bedrijfsactiviteit een andere bedrijfsactiviteit hindert in de goede uitvoering overigens zonder dat sprake is van overlast of andere milieugevolgen in de woonomgeving of voor het milieu in het algemeen. Aan het verzoek is niet tegemoet gekomen omdat de Wm deze vorm van onderlinge hinder tussen inrichtingen níet beoogt te reguleren of te weren.

Met betrekking tot het gepubliceerde hoofdstuk over de opslag van vuurwerk zijn diverse opmerkingen gemaakt. Uit de opmerkingen kan worden opgemaakt dat de voorgestelde voorschriften betreffende de kleinschalige vuurwerkopslag op zich niet omstreden zijn maar wel op enkele punten voor verbetering vatbaar zijn. In verband met de ramp met de grootschalige vuurwerkopslag in Enschede is echter besloten het hoofdstuk over vuurwerk in te trekken. De regelgeving omtrent vuurwerk wordt integraal herzien in het in voorbereiding zijnde Vuurwerkbesluit en valt voorts buiten de reikwijdte van dit ontwerpbesluit.

Tenslotte zijn opmerkingen gemaakt over onduidelijkheden in de formulering van bepalingen, met name op het onderscheid in de 3 typen inrichtingen waarop dit besluit van toepassing is. In de toelichting zijn op dit punt nadere verduidelijkingen opgenomen.

1.5.3 De melding en de reacties daarop

In de melding is een vrijstelling opgenomen voor het verrichten van een akoestisch onderzoek bij windturbines. De vrijstelling is gebaseerd op de grootte van de turbine in combinatie met de afstand tussen de turbine en woningen van derden. Buiten die afstand kan een akoestisch onderzoek als element van de melding niet meer worden verlangd door het bevoegd gezag. De afstanden zijn gebaseerd op de recente VNG-publicatie «Bedrijven en milieuzonering» (Milieureeks nr. 9), opgesteld in samenwerking met VROM en EZ. Deze publicatie geeft aan buiten welke afstanden er in principe geen beletselen zijn voor vestiging van daarin genoemde bedrijfsactiviteiten. Deze afstanden zijn overgenomen in de vrijstellingsbepaling. Omdat de publicatie in 1999 integraal is geactualiseerd is er geen aanleiding te twijfelen aan de opgenomen vrijstelling in de melding.

Door een aantal betrokkenen werd in de melding een akoestisch onderzoek voor warmtekrachtinstallaties (wkk) gemist. De geluidemissie van wkk-installaties is doorgaans inderdaad relatief hoog en is een belangrijk aandachtspunt bij voorgenomen vestigingen. Ook komt het voor dat wkk-installaties toegevoegd worden in een bestaande situatie en dat extra aandacht aan de geluidgevolgen daarvan noodzakelijk is. Aan het verzoek is dan ook tegemoet gekomen door het opnemen van de verplichting tot het overleggen van een akoestisch onderzoek bij de melding.

1.5.4 De voorschriften van het besluit en de reacties daarop

Met betrekking tot de bijlagen van het besluit zijn vele suggesties tot verbetering of aanvulling van bepaalde voorschriften of details daarvan overgenomen. Het betreft in de meeste gevallen de aanpassing van de redactie van voorschriften en het in technische zin optimaliseren van voorschriften met het oog op de volledigheid of handhaafbaarheid. Het voert te ver om alle aangebrachte aanpassingen op te sommen en toe te lichten. Daarnaast is van belang dat aan de vraag om meer informatie over bijvoorbeeld meetmethoden (met name bij warmtekrachtinstallaties en windturbines) tegemoet zal worden gekomen door middel van diverse specifieke informatiebladen die omtrent het moment van inwerkingtreding van dit besluit beschikbaar zullen zijn.

Uit géén van de reacties is overigens gebleken dat de voorschriften leiden tot onoverkomelijke belemmeringen in de bedrijfsvoering. Wel is gevraagd meer rekening te houden met bestaande rechten, voortkomend uit verleende vergunningen waarvoor dit besluit in de plaats treedt. Dit om te voorkomen dat reeds bestaande en toegelaten situaties onder dit besluit plotseling als een probleemgeval moeten worden aangemerkt. Aangenomen mag worden dat een individuele vergunning op basis van lokaal maatwerk en een zorgvuldige afweging tot stand is gekomen en dat in beginsel voortzetting van een vergunde activiteit verantwoord is. De diverse onderwerpen zijn derhalve nader bezien op de verhouding tussen een eventuele vergunning en de inhoud van dit besluit. Met name op de aspecten: afwijkende afstanden voor gasdrukregel- en meetstations en propaaninstallaties, en het al of niet gecertificeerd zijn van windturbines, is een specifieke koppeling gelegd met een eventueel voorafgaande vergunning.

Tenslotte zijn enkele opmerkingen gemaakt over de standaardgeluidnorm, opgenomen in bijlage 2. Opgemerkt is dat de onder dit besluit ressorterende installaties veelal in een buitengebied aanwezig zullen zijn en in mindere mate in een verstedelijkte omgeving. In een buitengebied zal doorgaans een relatief laag omgevingsgeluidniveau heersen, in ieder geval lager dan 50 dB(A). Verondersteld wordt dat de standaardgeluidnorm teveel ruimte biedt ten opzichte van het daadwerkelijke geluidniveau. Terecht is gewezen op de aard van het gebied waarin bepaalde inrichtingen zoals windturbines, gemalen en pompinstallaties, aanwezig zijn. Veelal zal dat inderdaad een niet-verstedelijkt, dus navenant relatief rustig, buitengebied zijn. Een gebiedsgerichte aanpak kan, indien gewenst, het specifieke geluidbeleid voor een dergelijk gebied op een directe wijze vertalen naar de desbetreffende bedrijfsactiviteit. Naar analogie van eerdere besluiten ex artikel 8.40 Wm is ook in dit besluit nu een mogelijkheid toegevoegd tot een gebiedsgerichte aanpak.

1.6. Notificatie

Het ontwerpbesluit is op 12 november 1999 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 99/0509/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De volgende bepalingen bevatten vermoedelijk technische voorschriften: Bijlage 1 de voorschriften 1.1.1, 2.1.2, 2.2.2, 2.1.6, 3.1.2, 5.1.1, 8.1.1, 8.1.2, 9.6.1 en 9.6.3, en Bijlage 2 de voorschriften 1.5.2, 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5 en 3.2.1.

De termijn van drie maanden, bepaald in artikel 9, eerste lid, van genoemde richtlijn, is verstreken op 14 februari 2000; er zijn geen reacties ontvangen.

Tevens heeft op 23 november 2000 melding plaatsgevonden ((G/TBT/Notif.00/80) aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235).

2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1, onderdeel f tot en met h

Voor het plaatsen en in werking hebben van bepaalde voorzieningen en installaties zijn in de regel burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin de inrichting of deel van de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen het bevoegd gezag.

De voorzieningen en installaties kunnen worden onderscheiden in zelfstandige inrichtingen en voorzieningen en installaties die onderdeel vormen van een andere inrichting.

Een voorbeeld van een zelfstandige voorziening of installatie is een grondwaterreinigingsinstallatie of een windturbine in het vrije veld. Voorzieningen of installaties die onderdeel kunnen vormen van een andere inrichting zijn bijvoorbeeld: een gasdrukregel- of meetstation behorend bij een bedrijf; een telefooncentrale geplaatst in een kantoorgebouw of een windturbine die in een bedrijf wordt bijgeplaatst.

De inrichting waarvan de voorziening of installatie een onderdeel kan vormen, kan vergunningplichtig zijn of onder een besluit op grond van artikel 8.40 van de Wm vallen. Om te voorkomen dat er overlap ontstaat met de voorschriften van de milieuvergunning of eventueel andere 8.40-besluiten, bijvoorbeeld ten aanzien van onder andere geluid en trillingen, afvalstoffen en afvalwater, is in dit besluit een onderscheid aangebracht in een inrichting van het type A, B of C.

De inrichtingen van het type A betreffen de zelfstandige inrichtingen, bijvoorbeeld een windturbine in het vrije veld. De inrichtingen van het type B zijn de inrichtingen die onderdeel zijn van een groter geheel. Bij dit type inrichtingen gaat het om installaties die deel uitmaken van een inrichting waarvoor ingevolge artikel 8.40 van de Wm een ander besluit van toepassing is, bijvoorbeeld het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer of het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. Hierbij kan ook worden gedacht aan een warmtekrachtinstallatie behorend bij een glastuinbouwbedrijf. De inrichtingen van het type C betreffen eveneens de inrichtingen die onderdeel zijn van een groter geheel. Bij inrichtingen van het type C gaat het om installaties, die deel uitmaken van een inrichting waarvoor de vergunningplicht krachtens 8.1 van de Wm in stand blijft. Voor zowel de type A-inrichtingen als de type B-inrichtingen is artikel 8.40 van de Wm de grondslag, dat wil zeggen algemene regels die de vergunningplicht opheffen. Voor de installaties die deel uitmaken van een vergunningplichtige inrichting, de type C-inrichtingen, is de juridische basis artikel 8.44 van de Wm. In artikel 8.44 van de Wm is de mogelijkheid opgenomen om algemene regels te stellen voor vergunningplichtige inrichtingen voor een onderdeel van de bedrijfsvoering van een bepaald type inrichtingen. Voorbeelden hiervan zijn het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit stortverbod afvalstoffen. Deze algemene regels zijn dan van toepassing in aanvulling op de vergunning.

Het onderscheid type A-, B-, C-inrichting is ook relevant voor de voorschriften die zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 1 en 2. Omdat voor zowel de inrichtingen van het type B als de inrichtingen van het type C reeds in een ander kader voorschriften zijn gesteld (ofwel in een ander 8.40-besluit ofwel in de milieuvergunning), gelden voor deze inrichtingen alleen de specifieke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1. Op de type A-inrichtingen zijn zowel bijlage 1 als bijlage 2 van toepassing. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat voor alle installaties dezelfde regels gelden en er geen overlap van voorschriften ontstaat. Deze systematiek van het besluit wordt verhelderd in het schema dat is opgenomen bij de toelichting op artikel 4.

Artikel 2, eerste lid

Dit besluit laat zich in het algemeen karakteriseren als een besluit dat qua aard en inhoud afwijkt van de andere besluiten die zijn gebaseerd op artikel 8.40 van de Wm.

Het besluit is van toepassing op voorzieningen en installaties, die in een aantal gevallen een zelfstandige inrichting zijn, maar ook als onderdeel van een groter geheel kunnen voorkomen. In beide gevallen kan het besluit van toepassing zijn.

In dit besluit worden het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit opslag propaan milieubeheer en het Besluit propaan in de bouw milieubeheer samengevoegd. De te vervangen besluiten zijn gebaseerd op artikel 8.40 en/of artikel 8.44 van de Wm. Daarnaast wordt de werkingssfeer uitgebreid met de volgende installaties: warmtekrachtinstallaties, stookinstallaties voor verwarmingsdoeleinden, telecommunicatiegebouwen, windturbines en grond- en grondwaterreinigingsinstallaties.

De aard van de voorzieningen en installaties kan met twee specifieke aspecten worden gekenschetst. In veel gevallen betreft het voorzieningen en installaties, die in de regel (zeker bij zelfstandige inrichtingen) onbemand zullen zijn. Daarnaast betreft het voor een groot deel voorzieningen en installaties van algemene nutte, zoals in het kader van de levering van nutsvoorzieningen (gas, water en elektra), telecommunicatie, riolering, brandstofvoorzieningen en reiniging.

Het begrip inrichting is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Om onder de werking van dit besluit te vallen, moet de installatie in de eerste plaats behoren tot een in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) genoemde categorie. Dit houdt in dat de inrichting op basis van artikel 1.1, derde lid, van de Wm is aangewezen als inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en dat de inrichting vergunningplichtig is. In artikel 1.1, vierde lid, van de Wm is bepaald dat daarbij als één inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Opgemerkt wordt dat voor een aantal installaties geldt dat ze niet als zodanig als aparte categorie in het Ivb zijn aangewezen maar dat ze vaak wel onder het Ivb vallen vanwege het aanwezige elektromotorische vermogen (categorie 1, 1.1, bijlage I, van het Ivb), aanwezige brandstoffen (categorie 5, 5.1, bijlage I, van het Ivb) of aanwezige accu's, welke accuzuur bevatten (categorie 4, 4.1, bijlage I, van het Ivb).

onder a

Gasdrukregel- en meetstations zijn genoemd in categorie 2, 2.1, onder b, bijlage I, van het Ivb. Ten opzichte van het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer is een verruiming van de reikwijdte met name bereikt door ook gasdrukregel- en meetstations die onderdeel zijn van een inrichting onder het besluit te brengen en de bovengrens van de druk te verhogen naar 10 000 kPa overeenkomstig de NEN 1059.

De gasdrukregel- en meetstations die een lagere inlaatzijdige werkdruk of ontwerpcapaciteit hebben dan vermeld in artikel 2, vallen op grond van het Ivb buiten de toepassing van de Wm. Hierop zijn de NEN 1059 en de gemeentelijke bouwverordening van toepassing.

De maximale in-/uitlaatzijdige incidentele werkdruk (in de NEN aangeduid met MIPu/d) is de druk die gedurende een korte periode kan optreden in een systeem begrensd door de beveiliging. De maximale in-/uitlaatzijdige werkdruk (in de NEN aangeduid met MOPu/d) is de druk waarbij een systeem continu kan werken onder normale bedrijfsomstandigheden.

Uit jurisprudentie (AGRS 26-4-1989, nr. G05.87 130) blijkt dat bij of binnen inrichtingen geplaatste gasdrukregel- en meetstations in bepaalde situaties als aparte inrichtingen moeten worden beschouwd. Het gaat dan vooral om situaties waarin het beheer van het gasdrukregel- en meetstation valt onder het beheer en de verantwoordelijkheid van het energiebedrijf. Dit besluit is ook op die situaties van toepassing.

onder b

Warmtekrachtinstallaties vallen onder een met name genoemde categorie in het Ivb (bijlage 1, categorie 20, 20.1, onder a, sub 4°). In warmtekrachtinstallaties wordt warmte en kracht gelijktijdig opgewekt waarbij het totaal energetisch rendement gemiddeld 65% tot 70% bedraagt op jaarbasis. In deze installaties worden zuigermotoren en turbines toegepast met gasolie of gasvormige brandstoffen. Warmtekrachtinstallaties worden veelal gebruikt voor grotere gebouwen of bedrijven met een intensieve energiebehoefte.

Meestal is een warmtekrachtinstallatie eigendom van het energiebedrijf dat ook verantwoordelijk is voor de samenstelling, de opbouw en het onderhoud van de unit. In jurisprudentie hierover worden een warmtekrachtinstallatie en de naastgelegen inrichting vaak als verschillende inrichtingen aangemerkt. Beslissend voor de vraag of sprake is van twee inrichtingen, kan zijn dat de warmtekrachtinstallatie en de naastgelegen inrichting in verschillende handen zijn, dat degene die de inrichting drijft geen toegang heeft tot de installatie – evenmin zeggenschap over het beheer daarvan -, dat onderhoud en reparatie van de installatie door het energiebedrijf worden verricht en dat sprake is van een duidelijk herkenbare scheiding tussen de naastgelegen inrichting en de warmtekrachtinstallatie. (Zie ABRvS 11-1-1995, nr. G05.93 2795; ABRvS 29-8-1996, nr. E03 951727 en ABRvS 17-4-1998, nr. E03.96 0157). Indien een warmtekrachtinstallatie aan verschillende inrichtingen energie levert is er altijd sprake van afzonderlijke inrichtingen.

onder c

Verwarmingsinstallaties vallen onder categorie 1, 1.1, onder c, bijlage I, van het Ivb. Onder dit besluit vallen alleen die stookinstallaties welke geen onderdeel zijn van een andere inrichting, dus de zelfstandige inrichtingen (type A). Dergelijke inrichtingen komen met name voor in woonwijken, waar ten behoeve van een aantal (in de grootte-orde van enkele tientallen) particuliere woonhuizen een centrale verwarmingsvoorziening is gerealiseerd. Meestal vallen dergelijke vrijstaande, zelfstandige ketelhuizen onder het beheer van woningcorporaties en woningverhuurbedrijven. Met thermisch vermogen wordt bedoeld de warmte-inhoud van de maximale brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie.

Emissie-eisen naar de lucht zijn in het Besluit emissie-eisen stookinstallaties B (Bees B) opgenomen; het Bees B is van toepassing op stookinstallaties (ketels, gasturbines en gasturbine-installaties en zuigermotoren) met een vermogen groter dan 900 kW. De werkingssfeer van dit besluit is zodanig afgebakend dat inrichtingen die onder de provincie als bevoegd gezag vallen buiten dit besluit blijven en dat daarmede toepassing van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties A (Bees A) niet aan de orde is.

onder d

Telecommunicatiegebouwen zoals bijvoorbeeld telefooncentrales, zijn niet een met name genoemde categorie in het Ivb, maar vallen vaak wel onder het Ivb vanwege het aanwezige elektromotorische vermogen, aanwezige brandstoffen of aanwezige accu's, welke accuzuur bevatten. Het betreft hier het tot stand brengen van verbindingen voor het transporteren van analoge en digitale signalen voor bijvoorbeeld telefonie, fax, radio en televisie. Bij telefooncentrales worden de verbindingen gerealiseerd door middel van telecommunicatiekabels van glas of koper, in en tussen telefooncentrales en andere telecommunicatiegebouwen. In sommige situaties zullen centrales zijn ondergebracht in een kantoorachtige omgeving en zal wellicht ook het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing zijn.

Bij telecommunicatiegebouwen zoals straalverbindingstorens en zend- en ontvangstmasten worden de verbindingen gerealiseerd door radio-elektrische, al dan niet gebundelde en gelijktijdig werkende, zend- en ontvangstinrichtingen. Straalverbindingstorens en zendmasten zijn een met name genoemde categorie in het Ivb, categorie 20.1, onder a, sub 3°, van bijlage I, Ivb, voorzover het geïnstalleerd elektrisch vermogen of gezamenlijk vermogen voor de omzetting van die elektrische energie hoger is dan 4 kW. Alle zendmasten en straalverbindingstorens vallen buiten het toepassingsbereik van dit besluit.

onder e

Het besluit is van toepassing op windturbines en windparken ten behoeve van de opwekking van uitsluitend elektrische energie. De andere vormen van omzetting van windenergie, genoemd in het Ivb, bijlage 1, categorie 20.1, onder a, eerste onderdeel, vallen buiten de reikwijdte van dit besluit. Het besluit is niet van toepassing op bijzondere uitvoeringen van windturbines zoals die met een verticale draaias of zonder mast. Uitgegaan wordt van een min of meer conventionele constructie met mast en horizontale draaias. Daaronder wordt mede verstaan een draaias die licht hellend, dus onder een geringe hellingshoek, is gesitueerd omdat dit uit technisch oogpunt doorgaans noodzakelijk is. Met ashoogte wordt bedoeld de afstand tussen het plaatselijke maaiveld en bedoelde draaias. Hoewel de in het besluit bedoelde categorie de opwekking van elektriciteit betreft, wordt voor alle duidelijkheid opgemerkt dat monumentale windmolens, die bijvoorbeeld nog als graanmalerij worden gebruikt, buiten toepassing van dit besluit blijven. De drempelwaarde als criterium voor de werkingssfeer is vastgesteld op 15 MW. Een windturbine of een samenstel van windturbines met een gezamenlijk elektrisch vermogen van 15 MW of meer, is vergunningplichtig op grond van de Wm. In de in voorbereiding zijnde wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 zal bij de werkingssfeer van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer worden aangesloten. De drempelwaarde voor de mer-beoordelingsplicht voor installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie zal eveneens moeten worden vastgesteld op 15 MW of meer.

onder f

Riool- en poldergemalen en andere inrichtingen, die zijn bestemd voor het doorvoeren van riool-, hemel- of oppervlaktewater zijn niet met name genoemd in het Ivb. Genoemde inrichtingen vallen vaak onder de Wm vanwege het aanwezige elektromotorische vermogen of de aanwezigheid van brandbare vloeistoffen.

Bij riool- of poldergemalen kan worden gedacht aan de volgende typen: droge en natte gemalen, druk- en vacuümrioleringssystemen, bergbassins met pompen en inpandige rioolpompen voor afvoer van afvalwater uit een gebouw.

Ten opzichte van het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer is een aantal uitsluitingsgronden vervallen. Daarnaast is de reikwijdte uitgebreid met drinkwater en water ten behoeve van verwarmingsdoeleinden. Daardoor vallen watertorens, drinkwaterreservoirs en drinkwater-drukverhogingsinstallaties (voor het transport van drinkwater over grotere afstanden) en inrichtingen voor het transport van warm water van bijvoorbeeld stadsverwarmingsnetten nu ook onder de reikwijdte van dit besluit.

Voorts is de reikwijdte uitgebreid naar activiteiten op het gebied van onttrekken en zuiveren van grond- of oppervlaktewater. Naast installaties voor het onttrekken en zuiveren van grondwater worden door waterleidingbedrijven ook in toenemende mate installaties geëxploiteerd voor het onttrekken en zuiveren van oppervlaktewater. Daarbij wordt qua product in toenemende mate onderscheid gemaakt in drinkwater en huishouden industriewater. Aan huishoud- en industriewater worden minder strenge kwaliteitseisen gesteld. Installaties die door deze verruiming onder de reikwijdte van het besluit vallen zijn:

• Individuele pompputten en puttenvelden waar meerdere pompputten (in samenhang met elkaar) voorkomen, waarmee opgepompt grondwater vervolgens direct wordt doorgevoerd naar een zuiveringsinstallatie.

• Kleine zuiveringsinstallaties voor grond- of oppervlaktewater waar zuiveringsstappen als beluchting, ontijzering, ontzuring, ontharding, koolfiltratie, membraamfiltratie of uv-desinfectie kunnen worden uitgevoerd. Bij de grotere (complexere) installaties zijn de daarvoor benodigde gevaarlijke stoffen doorgaans opgeslagen in bovengrondse reservoirs. De grotere installaties blijven om die reden vergunningplichtig. Bij de kleinere installaties komt in een beperkt aantal gevallen enige opslag van gevaarlijke stoffen in emballage voor.

• Met kleine onttrekkings- en zuiveringsinstallaties wordt ook bedoeld kleine installaties waarmee bedrijfsmatig grond- of oppervlaktewater wordt gewonnen en gezuiverd voor gebruik als huishoud- en industriewater. Dit is een trend die naar verwachting de komende jaren zal toenemen.

• Pompinstallaties voor het onttrekken van oppervlaktewater uit rivieren, meren of kanalen. Naast enige filtering van water wordt water slechts verpompt richting elders gelegen zuiveringinstallaties.

onder g

Grondwaterreinigingsinstallaties vallen meestal onder het Ivb vanwege het aanwezige elektromotorisch vermogen. Hoewel de reinigingsinstallaties doorgaans tijdelijk zijn, vallen de meeste installaties wel onder de Wm, omdat het reinigingsproces in veel gevallen enige jaren zal duren. Daarnaast kan de omstandigheid dat een reinigingsinstallatie gedurende een zekere tijd een vaste standplaats heeft of daar met een bepaalde regelmaat wordt opgesteld en daar in werking wordt gebracht, met zich meebrengen dat er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm. Eenmalige activiteiten die in een kort tijdsbestek (hooguit enkele maanden) kunnen worden afgerond, zijn geen inrichting. Een vuistregel na hoeveel maanden er sprake is van een inrichting kan in zijn algemeenheid niet worden gegeven. Deze beoordeling is in beginsel voor het bevoegd gezag, waarbij omstandigheden als de tijd die benodigd is voor een vergunningprocedure en de aard en mate van milieubelasting een rol kunnen spelen.

Bij grondwaterreiniging is met name het gedrag van de aangetroffen verontreinigingen bepalend voor de toe te passen technieken.

De volgende zuiveringstechnieken worden veelvuldig toegepast:

– luchtstrippen;

– actieve koolfiltratie en zandfiltratie;

– biologische behandeling;

– ionenwisseling;

– membraanfiltratie;

– coagulatie/flocculatie.

Ook grondreinigingsinstallaties vallen doorgaans onder de Wm vanwege het aanwezige elektromotorisch vermogen. Het besluit is uitsluitend op die installaties van toepassing die gedurende enige tijd worden opgesteld op een locatie waar de verontreinigde grond vrijkomt en in veel gevallen na reiniging ook weer op de min of meer oorspronkelijke plaats wordt teruggebracht.

Met ingang van 1 maart 1997 is er voor het lozen op de riolering van verontreinigd grondwater dat vrijkomt in het kader van bepaalde categorieën bodemsaneringen en proefbronneringen, geen vergunningplicht meer in het kader van de Wvo. Daarvoor in de plaats gelden de algemene regels uit het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Gekozen is voor een eenduidige afstemming tussen dat Lozingenbesluit en dit besluit voorzover als gevolg van de activiteit afvalwater vrijkomt. Door het koppelen van de werkingssfeer van dit besluit aan die van het Lozingenbesluit is de doelgroep waarvoor zowel de vergunningplicht in het kader van de Wvo als in het kader van de Wm wordt vervangen, van beide besluiten identiek.

onder h

De opslag van propaan in een reservoir is een met name genoemde categorie in het Ivb (bijlage 1, categorie 2, 2.1, onder a). Ten opzichte van het Besluit opslag propaan milieubeheer en het Besluit propaan in de bouw milieubeheer is de uitsluitingsgrond beperkt tot het in de vloeibare fase onttrekken van propaan. Dit in verband met de daartoe noodzakelijke werkwijze en de daarmee verbonden risico's. Tevens is de reikwijdte van het besluit vergroot doordat de capaciteitsgrens van dit besluit is verhoogd tot een opslagcapaciteit van 13 m3 per tank. Het besluit is zowel van toepassing op propaanreservoirs bij particulieren, bij bedrijven als op bouwterreinen.

Op bouwterreinen wordt gebruik gemaakt van propaan in zowel stationaire als mobiele, verrijdbare reservoirs. Dergelijke mobiele, verrijdbare reservoirs begeven zich binnen het bouwterrein, zodat aan het element «binnen een zekere begrenzing» van het begrip inrichting van artikel 1.1, eerste lid, Wm kan worden voldaan. Hierbij spelen ook omstandigheden als een vaste duur, zekere regelmaat en continuïteit van de activiteiten die met de installatie worden uitgevoerd, een rol.

De toepassing betreft veelal het versneld verharden van beton door middel van verwarming, ruimte-verwarming van bouwketen en werkruimten, het droogstoken van woningen en andere verwarmingsdoeleinden om bijvoorbeeld doorwerken in de winter mogelijk te maken.

Artikel 3, eerste lid

In dit artikel is aangegeven op welke voorzieningen en installaties het besluit niet van toepassing is. Er zijn diverse inrichtingen waarvoor de vergunningplicht blijft behouden, vanwege voor de inrichting specifieke aspecten. Dit artikel heeft alleen betrekking op de inrichtingen van het type A, de zelfstandige inrichtingen. Voor de inrichtingen van het type B of C gelden de uitsluitingsgronden van een ander 8.40-besluit of de milieuvergunning.

onder a

Inrichtingen met een ruimteverwarmingstoestel met een andere brandstof dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie vallen niet onder dit besluit. In dit verband wordt een open haard, bedoeld voor sfeer- of bijverwarming en waarin hout of briketten worden verbrand, niet beschouwd als een ruimteverwarmingsinstallatie. Een houtgestookte verwarmingsinstallatie, bedoeld voor permanente ruimteverwarming, daarentegen wel. Op toestellen met een thermisch vermogen hoger dan 900 kW is het Bees B van toepassing. In dit besluit zijn geen specifieke emissie-eisen ten aanzien van stookinstallaties opgenomen omdat deze zijn opgenomen in het Bees B.

onder b

Ammoniak is een koudemiddel waaraan risico's zijn verbonden. Tot voor kort was de toepassing van ammoniak beperkt tot de grotere installaties, zoals kunstijsbanen. Omdat inmiddels beleid is ontwikkeld om tot een afbouw van het gebruik van chloorhoudende koudemiddelen te komen, worden alternatieve koudemiddelen ontwikkeld. Daarbij is nieuwe aandacht voor ammoniak ontstaan.

De drempelwaarde van 200 kg voor ammoniak is gekozen vanuit de gedachte dat binnen deze afbakening geen risiconormoverschrijding buiten de inrichting is te verwachten. Voor interne veiligheid zijn echter nog wel regels op het gebied van ontwerp en aanleg relevant om de veiligheid van gebruikers en bezoekers van het gebouw voldoende te waarborgen. Hoewel hieromtrent nog onvoldoende sluitende regels bestaan is het verstandig bij de bouw en aanleg van de installatie rekening te houden met:

– preventie van blootstelling van mensen binnen het gebouw aan het koudemiddel,

– voldoende ventilatie in verband met ontploffingsgevaar,

– behoeden dat het koudemiddel in contact komt met de ventilatielucht voor het gebouw.

onder c

Voor de betekenis van het begrip afvalstof en het begrip gevaarlijke afvalstof wordt verwezen naar paragraaf 1.1 van de Wm.

onder d

Opslag van gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks zijn aanleiding voor het behoud van de vergunningplicht. Het besluit is wel van toepassing op opslag van brandbare vloeistof in bovengrondse tanks, opslag in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (BOOT) van toepassing is en de in voorschrift 2.1.5 van bijlage 2 genoemde specifieke stoffen tot een hoeveelheid van deze in 2.1.5 bedoelde stoffen van maximaal 10 000 kg.

onder e

Inrichtingen voor het afleveren van motorbrandstoffen aan motorvoertuigen door middel van een pompinstallatie vallen in veel gevallen onder het Besluit tankstations milieubeheer.

Artikel 3, tweede lid

In het besluit worden inrichtingen ten aanzien waarvan gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, buiten beschouwing gelaten. Gelet op de complexiteit van deze inrichtingen en de onbekendheid van deze inrichtingen met de systematiek van de 8.40-amvb's is het wenselijk om het besluit niet van toepassing te laten zijn op deze inrichtingen. Ook de omstandigheid dat voor dergelijke inrichtingen vaak een vergunning op hoofdzaken geldt, is een reden om deze inrichtingen van dit besluit uit te sluiten.

Artikel 4, eerste lid

Voorzieningen en installaties van het type A betreffen inrichtingen die in hun geheel onder het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer vallen. Voor deze inrichtingen geldt dat zij aan alle voorschriften van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer dienen te voldoen, uiteraard voorzover deze van toepassing zijn verklaard op de betreffende voorziening en installatie.

Artikel 4, tweede lid

Inrichtingen van het type B of C zijn die voorzieningen of installaties die onderdeel vormen van een inrichting die onder de reikwijdte van een ander 8.40-besluit vallen of waarvoor een vergunningplicht geldt. Voor deze voorzieningen of installaties zijn alleen de voorschriften van bijlage 1 van toepassing. Voor de overige onderdelen van de inrichting zijn de voorschriften of bepalingen van respectievelijk een ander 8.40-besluit of een Wm-vergunning van toepassing. Slechts aan die voorschriften die specifiek betrekking hebben op de voorziening of installatie dient te worden voldaan. De algemene voorschriften over geluid, afvalstoffen of gedragsvoorschriften voor de inrichtinghouder zijn niet relevant, aangezien deze reeds zijn opgenomen in de Wm-vergunning dan wel in een ander 8.40-besluit.

In onderstaande tabellen is een en ander inzichtelijk gemaakt:

Type Van toepassing
A– Voorschriften specifiek hoofdstuk van bijlage 1
 – Voorschriften van bijlage 2
B – Voorschriften specifiek hoofdstuk van bijlage 1
 – Ander besluit op grond van artikel 8.40 Wm
C – Voorschriften specifiek hoofdstuk van bijlage 1
 – Milieuvergunning krachtens artikel 8.1 Wm
Aard Bijlage 1 Bijlage 2
a. Gasdrukregel- en meetstations hoofdstuk 1 + geheel
b. Warmtekrachtinstallaties hoofdstuk 2 + geheel
c. Stookinstallaties voor verwarming hoofdstuk 3 + geheel
d. Telecommunicatiegebouwen hoofdstuk 4 + geheel
e. Windturbines hoofdstuk 5 + geheel
f. Installaties waterbeheer hoofdstuk 6 + geheel
g. Grond- en grondwaterreinigingsinstallaties hoofdstuk 7 + geheel
h. Bovengrondse propaanreservoirs hoofdstuk 8 + geheel
 Type A Type B Type C
Artikel 1, onder c artikel 8.40 artikel 8.40 artikel 8.44
Artikel 1, onder d artikel 8.40 niet van toepassingniet van toepassing
Artikel 1, onder f artikel 8.40niet van toepassing niet van toepassing
Artikel 1, onder gniet van toepassing artikel 8.40 niet van toepassing
Artikel 1, onder h niet van toepassing niet van toepassingartikel 8.44
Artikel 2, eerste lid, onder c, ten derdeartikel 8.40 niet van toepassing niet van toepassing
Artikel 3, eerste lid artikel 8.40 niet van toepassingniet van toepassing
Artikel 4, eerste lid artikel 8.40niet van toepassing niet van toepassing
Artikel 4, tweede lid niet van toepassing artikel 8.40 artikel 8.44
Voorschriften van bijlage 1 artikel 8.40 artikel 8.40artikel 8.44
Voorschriften van bijlage 2 artikel 8.40niet van toepassing niet van toepassing

Artikel 4, derde lid

Hier is het zogenoemde gelijkwaardigheidsbeginsel neergelegd. Hierin is bepaald dat degene die de inrichting drijft, andere maatregelen kan treffen dan in het betreffende voorschrift zijn opgenomen.

Degene die een alternatief middel wil gaan toepassen, dient dit vooraf te melden aan het bevoegd gezag, onder overlegging van gegevens waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu kan worden bereikt (zie artikel 6, elfde lid, en de toelichting daarop). De strekking van dit artikellid is om zowel het bevoegd gezag als de ondernemer de tijd te geven voor een verantwoorde afweging en keuze van het alternatieve middel. Het is het bevoegd gezag dat uiteindelijk beoordeelt of met de toepassing van het andere middel een gelijkwaardige bescherming van het milieu kan worden bereikt.

Artikel 5, eerste lid

onderdeel a en b

In onderdeel a en b is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen die moeten worden nageleefd, doch uitsluitend ter uitvoering van deze voorschriften voorzover dat in bijlage 1 of in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is aangegeven. In bijlage 1 of in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is, zo mogelijk gekwantificeerd, aangegeven binnen welke kaders en begrenzing de nadere eis kan worden gesteld. Bij het stellen van een nadere eis is van belang wat de stand van de kennis of wetenschap is bij vergelijkbare bedrijven. Uitgangspunt daarbij zijn algemeen aanvaarde kennisdocumenten, handboeken, factsheets over specifieke onderwerpen of branche-handboeken die in het kader van het doelgroepenbeleid industrie door branche en overheid zijn opgesteld. Bij de invoeringsbegeleiding van dit besluit zal aandacht worden besteed aan het genereren en in stand houden van algemeen of specifiek toepasbare kennisdocumenten en factsheets.

onderdeel c

Op basis van onderdeel c kan het bevoegd gezag eveneens nadere eisen stellen als dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu. Deze bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is alleen bedoeld voor die zaken die in de voorschriften niet aan de orde komen. Deze nadere eis-vorm en de nadere eis-mogelijkheden die zijn opgenomen in bijlage 1 of in hoofdstuk 4 van bijlage 2 van het besluit, gelden naast elkaar. De belangrijkste beperking bij toepassing van deze «aanvullende» nadere eis is dat er geen overlap mag zijn met het reeds bepaalde in de bijlage en dat de nadere eis wordt gesteld in het belang van de bescherming van het milieu. De achtergronden van deze nadere eis-mogelijkheid zijn de volgende:

1. In de eerste plaats is bij het opstellen van dit besluit uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie met de op dat moment bestaande kenmerken. Het kan uit oogpunt van milieubescherming nodig zijn om eisen te stellen inzake bijzondere en van de gangbare situatie afwijkende bedrijfsprocessen.

2. Daarnaast kennen algemene regels, zoals dit besluit, altijd beperkingen op het punt van het leveren van maatwerk. Dit besluit is immers een generiek instrument met een landelijke werking. Met name de situering van een inrichting ten opzichte van zijn omgeving kan aanleiding geven tot grote onderlinge verschillen in de benaderingswijze en oplossingsmogelijkheden. De keuzebevoegdheid moet om die reden zo veel mogelijk op lokaal niveau worden gelegd. Naar gelang de lokaalspecifieke omstandigheden daartoe nopen kunnen bij nadere eis de noodzakelijke toegesneden maatregelen worden vastgelegd.

3. Bij het opstellen van de voorschriften is als uitgangspunt gekozen dat eenvoud en milieurelevantie voorop dienen te staan. Voorkomen moet worden dat bepaalde aspecten die voor een ondernemer van belang zijn door meerdere beleidsterreinen worden gereguleerd, met bovendien het risico van onderlinge verschillen in regels. Om die reden is het besluit sterk terughoudend op het gebied van de ruimtelijke ordening, de bouwregelgeving en regelgeving vanuit het nutsbedrijf. In het geval dat deze beleidskaders in een specifieke situatie toch als onvoldoende worden beoordeeld dan is het onder artikel 5 mogelijk hierin te voorzien.

4. Tenslotte kunnen zich bijzondere bedrijfsomstandigheden voordoen met onvoorziene milieugevolgen, al dan niet het gevolg van bijvoorbeeld een calamiteit, onzorgvuldig handelen of een afwijking binnen een gangbaar bedrijfsproces.

Het instrument nadere eis maakt het mogelijk om te komen tot een op een concrete situatie toegesneden, doelmatige oplossing. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is bedoeld voor die gevallen waarin de situatie in een inrichting zodanig is dat ofwel de voorschriften nadere uitwerking behoeven ofwel deze situatie in de voorschriften niet is voorzien. Gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument nadere eis kan worden verwacht dat het gebruik beperkt zal blijven tot bijzondere en incidentele gevallen. Het stellen van een nadere eis is een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In paragraaf 1.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting zijn algemene uitgangspunten aangegeven voor de toepassing van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat nadere eisen zoals hier bedoeld, gelet op artikel 22.1, vierde lid, van de Wm geen betrekking kunnen hebben op lozingen op oppervlaktewater voorzover bij of krachtens de Wvo regels zijn gesteld.

Artikel 6, eerste tot en met derde lid

Degene die het voornemen heeft om een inrichting van het type A, B of C op te richten, die valt onder het besluit, moet ten minste vier weken voor hij zijn plan ten uitvoer gaat brengen, daarvan melding doen aan het bevoegd gezag. Bij de gegevens over de aard en omvang van de inrichting moet worden aangegeven wat de belangrijkste kernelementen van de inrichting zijn, die de inrichting typeren. Daarbij zal kunnen worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. De gegevens over de indeling en uitvoering van de inrichting kunnen worden verstrekt door het aanleveren van een plattegrond, waarop staan aangegeven:

– de grenzen van het terrein van de inrichting;

– de ligging en indeling van de gebouwen;

– de bestemming van de te onderscheiden ruimten.

De gegevens moeten zodanig zijn dat het bevoegd gezag een goed inzicht verkrijgt in de binnen de inrichting uit te voeren activiteiten of processen.

Ook wanneer men van plan is een inrichting uit te breiden of te veranderen, is men verplicht dit te melden, zij het niet in alle gevallen. Alleen indien een uitbreiding of verandering leidt tot een wijziging van de gegevens waarover het bevoegd gezag op grond van een eerdere melding beschikt, is een dergelijke melding vereist. Zolang er in die gegevens niets verandert, behoeven veranderingen of uitbreidingen niet te worden gemeld. Het achterwege laten van een melding neemt niet weg dat degene die een inrichting drijft, moet voldoen aan de voorschriften van het besluit. De omstandigheid die wel aanleiding geeft tot een melding, kan bijvoorbeeld betreffen: een substantiële vergroting van de omvang van een bedrijf, een geheel ander type bedrijf, een significante verhoging van de geluidemissie, etcetera.

Ingevolge de bestaande besluiten moest de melding ook aan de Inspecteur Milieuhygiëne worden gezonden. Deze regeling is niet overgenomen. De regeling volgens de bestaande besluiten is opgesteld in een tijd van grote achterstanden in de uitvoering van de vergunningen- en handhavingspraktijk. Met name als gevolg van de tot voor kort geldende en op de lokale milieu-uitvoering gerichte specifieke bijdrageregelingen en de stimulerende rol van de Inspectie Milieuhygiëne met het oog op de gewenste kwaliteitsverbetering, zijn de inhoudelijke kwaliteit en prestaties van de bevoegde gezagsinstanties inmiddels zodanig, dat een individuele toetsing door de Inspecteur Milieuhygiëne minder noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 6, vierde en vijfde lid

Bij windturbines of warmtekrachtinstallaties dienen, gelet op de specifieke aspecten van deze voorzieningen, bij de melding een rapportage te worden overgelegd, waaruit blijkt of en op welke wijze aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Het akoestisch onderzoek betreft de inrichting die kan bestaan uit een windturbine of een warmtekrachtinstallatie in een solitaire opstelling of een inrichting waarvan de windturbine of de warmtekrachtinstallatie onderdeel uitmaakt. In het akoestisch onderzoek zal de onderlinge verhouding van geluidbronnen worden vastgesteld en de eventueel daaraan verbonden maatregelen.

Artikel 6, zevende lid

De in dit lid opgenomen afstanden zijn ontleend aan de publicatie van de VNG, nummer 9 «Bedrijven en milieuzonering». Het milieuaspect met het grootste effect is maatgevend voor de grootste aan te houden afstand; in geval van windturbines gaat het om het geluidaspect.

Artikel 6, achtste lid

Bij grond- en grondwaterreinigingsinstallaties is in veel gevallen sprake van emissies van de vrijkomende verontreinigingen naar de lucht of het water. In dat geval kan tevens een vergunning op grond van de Wvo benodigd zijn. Bij de melding van een dergelijke installatie dient inzicht gegeven te worden in de componenten, die bij de reiniging van het grondwater dan wel de grond vrijkomen, hoe groot de diverse emissies kunnen zijn, zowel wat betreft de concentratie aan verontreinigingen, als wat betreft de totale hoeveelheid uitgeworpen verontreinigingen per jaar en over de gehele duur van de sanering en welke eventuele voorzieningen zijn getroffen om deze emissies te voorkomen of te beperken. Aan de hand hiervan kan het bevoegd gezag tevens beoordelen in hoeverre het noodzakelijk is nadere eisen te stellen.

Artikel 6, negende en tiende lid

In het negende lid van artikel 6 is bepaald dat het niet nodig is dat degene die de melding doet, gegevens die hij bij een eerdere gelegenheid al eens aan het bevoegd gezag heeft verstrekt en die bij het bevoegd gezag bekend zijn, nogmaals aan het bevoegd gezag verschaft.

Op grond van het tiende lid dient bij de melding duidelijk te worden gemaakt ten aanzien van welke (soort) gegevens wordt verwezen naar informatie die naar verondersteld (nog) aanwezig is bij het bevoegd gezag. Het kan in deze gevallen bijvoorbeeld gaan om gegevens die in een bedrijfsmilieuplan zijn opgenomen, of gegevens die in het kader van een vergunningprocedure al aan het bevoegd gezag bekend zijn gemaakt, zoals een plattegrond of tekening van de inrichting die bij een aanvraag voor een gemeentelijke bouwvergunning dan wel in een ander kader is verstrekt. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat de gegevens die bij de melding zijn verstrekt niet toereikend zijn of niet (meer) voldoende actueel, stelt het bevoegd gezag degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid de bij de melding verstrekte gegevens aan te vullen.

Artikel 6, elfde lid

In artikel 4, derde lid, is bepaald dat degene die een alternatief gelijkwaardig middel wil gaan toepassen dit moet melden aan het bevoegd gezag. Om het bevoegd gezag in staat te stellen te kunnen beoordelen dat met dit middel inderdaad een gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt, dient degene die het middel wil gaan toepassen aan het bevoegd gezag gegevens te verstrekken waaruit dit blijkt.

Artikel 7

Deze bepaling is een uitwerking van artikel 8.19, eerste lid, van de Wm. Artikel 8.19, eerste lid, van de Wm bepaalt dat een voor een inrichting verleende vergunning ook geldt voor een onderdeel van een inrichting, ten aanzien waarvan, ware het een zelfstandige inrichting, het in artikel 8.1, eerste lid, gestelde verbod niet zou gelden ingevolge een 8.40-besluit, indien dat bij die maatregel is bepaald. Artikel 7 is een uitwerking van de zinsnede «'indien dat bij die maatregel is bepaald'». Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat voor voorzieningen en installaties die onderdeel uitmaken van een vergunningplichtige inrichting (de type C-inrichtingen), de milieuvergunning geldt voor de gehele inrichting, dus ook voor de voorziening of installatie. Dit betekent dat indien een bestaande inrichting waarvoor een milieuvergunning in werking en onherroepelijk is, wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een opslagtank voor propaan of een warmtekrachtinstallatie geen afzonderlijke wijzigingsvergunning hoeft te worden aangevraagd. Voor de installatie gelden de voorschriften van dit besluit, inclusief de verplichting tot het melden van hetgeen met de installatie gebeurt, overeenkomstig artikel 6 van het besluit. Bij de vergunning kunnen dan door het bevoegd gezag geen voorschriften meer worden gesteld voor het betrokken onderdeel.

Artikel 8, eerste lid

Hier is bepaald dat bepaalde vergunningvoorschriften gedurende drie jaar gelden als nadere eis. Daarna vervallen deze voorschriften. Het bevoegd gezag heeft derhalve drie jaar de tijd om eventueel nieuwe nadere eisen te stellen. Dit geldt slechts indien voor het onderwerp waarop het vergunningvoorschrift betrekking heeft, de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen door het bevoegd gezag is opgenomen. Is dat niet het geval, dan vervalt het vergunningvoorschrift reeds zodra de voorschriften van bijlage 1 of 2 op de inrichting van toepassing worden. Het voorgaande geldt voor alle vergunningvoorschriften, ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit. Daarnaast geldt de beperking dat het alleen kan gaan om onderwerpen uit artikel 5, eerste lid, onder a en b. Deze beperking is het gevolg van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een restrictieve uitleg wordt gegeven aan artikel 7, tweede lid, van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer en het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (Zie ABRS van 13 april 1999, nr. E03.96 0787 en ABRS van 20 mei 1999, nr. E03.96 0485). In deze uitspraken heeft de Afdeling bepaald dat ten aanzien van de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, (in dit besluit: artikel 5, eerste lid, onder c) nadere eisen kunnen worden gesteld, indien dat in het belang van de bescherming van het milieu bijzonder is aangewezen. Vervolgens concludeert de Raad van State dat de voorschriften die aan bestaande vergunningen zijn verbonden, niet zijn gesteld op grond van het criterium dat het vanwege het belang van de bescherming van het milieu bijzonder is aangewezen. Daarom leent artikel 8, eerste lid, van het ontwerpbesluit zich niet voor toepassing op bestaande vergunningvoorschriften die betrekking hebben op de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder c.

Het Ministerie van VROM volgt de uitspraken van de Raad van State. De overgangsbepaling heeft alleen betrekking op onderwerpen uit artikel 5, onder a en b. Voorzover in het verleden een vergunning is verleend onder voorschriften die betrekking hebben op onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a en b, dient het bevoegd gezag voorzover zulks noodzakelijk wordt geoordeeld, alsnog een nadere eis te stellen.

Onverlet blijft de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om in deze periode van drie jaar de nadere eis te wijzigen dan wel in te trekken (artikel 5, derde lid).

Het komt niet zelden voor, dat vergunningsvoorschriften slechts kunnen worden verstaan in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag om vergunning. Ook zijn gevallen bekend waarin die gegevens, hoewel niet opgenomen als voorschrift, bepalend zijn voor de vaststelling of de inrichting binnen de grenzen van hetgeen is vergund in werking is. In zo'n geval gaat het meestal om de omvang van de activiteiten waarbij het bevoegd gezag ervoor heeft gekozen de aanvraag deel te laten uitmaken van de vergunning, in plaats van een uitdrukkelijke vermelding van de aangevraagde activiteiten in de voorschriften. Doet zich het eerste geval voor, dan worden sommige voorschriften als nadere eis zinledig doordat met het vervallen van de vergunningplicht de aanvraag geen betekenis meer heeft. Doet zich het tweede geval voor, dan zou in het geheel geen nadere eis blijven gelden, hoewel dit wel nodig kan zijn. Om hieraan tegemoet te komen is tot uitdrukking gebracht dat voorschriften worden geacht aan de vergunning te zijn verbonden, indien in de aanvraag gegevens staan die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften.

Artikel 8, tweede lid

In dit lid is bepaald dat de op basis van de ingetrokken algemene maatregel van bestuur gestelde nadere eisen gelden als nadere eisen, gesteld krachtens een verleende vergunning of krachtens dit besluit. Ook het tweede lid geldt slechts indien voor het onderwerp waarop de nadere eisen, gesteld krachtens een verleende vergunning of krachtens de algemene maatregel van bestuur die oorspronkelijk van toepassing was, betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, onder a en b, opgenomen bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen door het bevoegd gezag. Als deze bevoegdheid er niet is, vervallen de oorspronkelijk gestelde nadere eisen. Het voorgaande geldt voor alle gestelde nadere eisen ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit. Ook hier geldt dat het bevoegd gezag te allen tijde de mogelijkheid heeft om de oude dan wel nieuwe nadere eisen te wijzigen of in te trekken.

Artikel 9, eerste en tweede lid

Deze leden, alsmede het derde lid, gelden voor inrichtingen, reeds opgericht voordat dit besluit op die inrichtingen van toepassing wordt, die niet vielen onder een van de krachtens artikel 8.40 van de Wm in het leven geroepen algemene maatregelen van bestuur (derhalve vergunningplichtig zijn), maar niet beschikken over een geldige vergunning. Het eerste en tweede lid gelden tevens voor inrichtingen waarvoor het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer of het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer gold, maar zich op basis van deze besluiten niet hebben gemeld bij het bevoegd gezag. Voor deze inrichtingen geldt geen overgangstermijn, maar geldt het bepaalde in artikel 9. Degene die een dergelijke inrichting drijft, dient ten hoogste twaalf weken na de inwerkingtreding van het besluit overeenkomstig artikel 6, derde lid, aan het bevoegd gezag te melden dat hij de inrichting in werking heeft.

Opgemerkt wordt dat deze bepaling niet tot een onnodige administratieve belasting behoeft te leiden. In dat verband wordt gewezen op artikel 6, negende lid, op basis waarvan nader kan worden bezien in hoeverre het verstrekken van aanvullende gegevens zoals bijvoorbeeld een plattegrond, bij de melding noodzakelijk is. Indien het bevoegd gezag uit anderen hoofde al beschikt over informatie, behoeft die informatie niet te worden verschaft (zie de toelichting op artikel 6, negende en tiende lid).

Artikel 9, derde lid

Indien een vergunningaanvraag voor het oprichten of veranderen van een inrichting op grond van het oude recht is ingediend en in behandeling is genomen, doch ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit daarop nog niet onherroepelijk is beslist of de vergunning nog niet in werking was, is ten aanzien van de aanvraag het derde lid van toepassing. In die gevallen is het niet nodig de aanvraag in te trekken en vervolgens een melding overeenkomstig artikel 6 te doen, waarbij wederom dezelfde gegevens worden verstrekt. In dit lid is namelijk bepaald dat zo'n aanvraag wordt aangemerkt als een melding in de zin van dit besluit.

Artikelen 10 tot en met 19

In de bij artikel 10 tot en met 19 gewijzigde besluiten werd verwezen naar het Besluit opslag propaan milieubeheer dat echter wordt ingetrokken op het moment dat dit besluit in werking treedt. Teneinde te voorkomen dat naar het 'oude' besluit wordt verwezen zijn deze verwijzingen aangepast.

Artikelen 14, 15 en 16

In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit horeca-, sport-, en recreatie-inrichtingen milieubeheer, in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, en in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer is per abuis het vermogensniveau voor stookinstallaties verkleind ten opzichte van de daarvoor bestaande en inmiddels ingetrokken besluiten. Dit is echter nimmer de bedoeling geweest en wordt met deze wijziging dan ook hersteld.

Artikel 16, onderdeel B

Deze wijziging in voorschrift 1.1.1, onder b, van bijlage 2, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer houdt verband met de tussenevaluatie van het lopende Meerjarenprogramma Piek 1999–2000. De aanleiding voor dit meerjarenprogramma en de afspraak inzake de inmiddels door uitgevoerde tussenevaluatie is uitvoerig beschreven in paragraaf 1.4.1 van de nota van toelichting bij genoemd besluit. Een grote inspanning is vereist om het bevoorradingsverkeer en de laad- en loshandelingen in de bewoonde omgeving stiller te maken. De ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat werken in het Meerjarenprogramma Piek samen om de markt de mogelijkheden te verschaffen zich aan te passen aan het vernieuwde besluit. De afgelopen jaren zijn grote vorderingen gemaakt. Echter nog niet voor alle aspecten zijn stille oplossingen voorhanden. Dit geldt zeker voor de nachtelijke norm van 60 dB(A). Door de drie ministeries is met het bedrijfsleven vastgesteld dat de oorspronkelijke termijn te krap is en dat een zodanige verlenging noodzakelijk is dat het akoestisch inzicht volledig is en het uitvoeringstechnisch en economisch verantwoord is de normstelling in te voeren. Voor een uitvoerige beschrijving van de resultaten van het meerjarenprogramma tot nu toe wordt verwezen naar het rapport «Tussenevaluatie Piek» van 31 maart 2001, dat is opgesteld door de Novem.

3. TOELICHTING BIJLAGE 1

3.1 Toelichting algemeen

In bijlage 1 zijn de voorschriften opgenomen die gelden voor de diverse typen van in-richtingen die onder dit besluit vallen. Elk type inrichting opgesomd in artikel 2 correspondeert met een van de hoofdstukken van bijlage 1: artikel 2, eerste lid , onder a, correspondeert dus met hoofdstuk 1 van bijlage 1 en bijvoorbeeld artikel 2, eerste lid , onder e, met hoofdstuk 5 etcetera. Bijlage 1 bevat die voorschriften die specifiek gelden voor de activiteit indien deze deel uitmaakt van een groter geheel, zijnde een inrichting die zowel onder een ander 8.40-besluit kan vallen als onder de vergunningplicht van de Wm. In de toelichting bij artikel 4 is dit nader uiteengezet.

3.2 Toelichting voorschriften

Hoofdstuk 1. Gasdrukregel- en meetstations

Paragraaf 1.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

1.1.1 en 1.1.2

In mei 1994 is de NEN 1059 door het NNI (inmiddels is de naam gewijzigd in NEN) gepubliceerd. De datum van 1 mei 1994 is in het voorschrift opgenomen omdat vanaf dat moment de aanwijzingen uit de NEN 1059 bepalend zijn voor het bedrijfsleven, dat wil zeggen de leveranciers en gebruikers van de gasdrukregel- en meetstations.

NEN 1059 geeft de eisen voor inrichtingen waar de drukreductie van gas plaatsvindt en doorstromende hoeveelheden gas wordt gemeten. De norm is van toepassing op gasdrukregel- en meetstations met een inlaatdruk lager dan 100 bar. Een gasdrukregel- en meetstation kan milieubelasting veroorzaken door onder andere brand of explosie. Brand of explosie kan ontstaan wanneer in de nabijheid van het station open vuur aanwezig is. De ontstekings-bronnen moeten daarom zoveel mogelijk worden beperkt. Roken of open vuur in de nabijheid van het station is daarom verboden.

Paragraaf 1.2. Onderhoud en controle van de installatie

1.2.1 en 1.2.2

De Veiligheidsinstructie Aardgas (VIAG) komt voort uit zowel nationale als internationale regelgeving met betrekking tot de arbeidsveiligheid. Voor personen die werkzaamheden verrichten aan gasdrukregel- en meetstations zijn criteria van toepassing op het gebied van vakbekwaamheid (Competent person), bevoegdheid (Authorized person) en het aangewezen zijn (Appointment procedure). De VIAG wordt zowel door de directie als door de ondernemingsraad van een bedrijf goedgekeurd.

Vastgesteld moet bijvoorbeeld worden of de apparatuur in goede mechanische toestand verkeerd en niet lekt, beschermd is tegen vuil, vloeistoffen, bevriezing of andere invloeden die de werking kunnen belemmeren. Relevante gegevens zijn onder meer plattegrondtekeningen, beproevingsrapporten en fabrikantinstructies.

Hoofdstuk 2. Warmtekrachtinstallaties

Paragraaf 2.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

2.1.1 tot en met 2.1.5

Een ruimte is goed geventileerd indien er niet afsluitbare openingen aanwezig zijn voor de toevoer van verbrandingslucht en ventilatielucht en voor de afvoer van ventilatielucht. Daarnaast moeten deze openingen zodanig zijn aangebracht dat een goede dwarsventilatie en vrije luchtdoorlaat is gewaarborgd. In de VISA-voorschriften deel C staat overigens in detail omschreven waaraan de ventilatie van de ruimte waarin een warmtekrachtinstallatie staat opgesteld, moet voldoen.

Emissie-eisen naar de lucht zijn in het Bees B opgenomen; het Bees B is van toepassing op stookinstallaties (ketels, gasturbines en gasturbine-installaties en zuigermotoren) met een vermogen groter dan 900 kW. De werkingssfeer van dit besluit is zodanig afgebakend dat inrichtingen die onder de provincie als bevoegd gezag vallen buiten dit besluit blijven en dat daarmee de toepassing van Bees A niet aan de orde is.

Het energetisch rendement van de opwekking van kracht (ηe) wordt berekend door de in een kalenderjaar geproduceerde elektriciteit (in kWh) te delen door de in een kalenderjaar verbruikte brandstof (in kWh), gebaseerd op de calorische onderwaarde van de brandstof.

Het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte (ηth) wordt berekend door de in een kalenderjaar nuttig toegepaste warmte (in MJ) te delen door de in een kalenderjaar verbruikte brandstof (in MJh), gebaseerd op de calorische onderwaarde van de brandstof.

Paragraaf 2.2. Onderhoud en controle van de installatie

2.2.1 en 2.2.2

Uit oogpunt van veiligheid, milieu en rendement is het van belang dat de installatie goed wordt afgesteld, bediend en onderhouden. Warmtekrachtinstallaties kunnen bij een verkeerde afstelling tot rookgassen leiden die aanzienlijke nadelige invloed hebben op het milieu op alle schaalniveaus. Een goede afstelling van de verbrandingsprocessen kan dat al aanzienlijk beperken. Er bestaat een certificatieregeling, de «Certificatieregeling voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties», uitgave 1998, opgesteld door een aantal organisaties in de installatiebranche. Aan de hand van deze certificatieregeling kunnen bedrijven onder ISO-kwaliteitsgaranties zorgen voor afstelling, onderhoud en reparatie van deze warmtekrachtinstallaties. Als bewijs voor een uitgevoerde inspectie of onderhoudsbeurt wordt een certificaat afgegeven bij degene die de inrichting drijft. Aan het systeem dat in de regeling is neergelegd kunnen zowel Nederlandse als buitenlandse bedrijven deelnemen. Ook bedrijven die niet zijn gecertificeerd, maar wel over aantoonbare gelijke deskundigheid beschikken mogen controles uitvoeren. In dat geval dient een beoordeling plaats te vinden, die vergelijkbaar is met een beoordeling door een certificerend instituut. Bij dergelijke controles kan het nuttig zijn ook andere aspecten na te laten gaan, met name energiebesparende maatregelen, die aan het verwarmingssysteem kunnen worden gesteld.

Hoofdstuk 3. Stookinstallaties voor verwarmingsdoeleinden

Paragraaf 3.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

3.1.1

Stookinstallaties kunnen bij een verkeerde afstelling tot rookgassen leiden die een aanzienlijke nadelige invloed hebben op het milieu op alle schaalniveaus. Een goede afstelling van de verbrandingsprocessen kan dat al aanzienlijk beperken. Aan de hand van de «Certificatieregeling voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties», kunnen bedrijven onder ISO-kwaliteitsgaranties voor afstelling, onderhoud en reparatie van de verbrandingsinstallatie zorgen. Deze bepaling laat uiteraard onverlet hetgeen in specifieke besluiten ten aanzien van emissies naar de lucht is geregeld.

3.1.2

Het onderhoud van een stookinstallatie en het bijbehorend verbrandingsgasafvoersysteem wordt doorgaans uitbesteed aan een verwarmingstechnisch installatiebedrijf. Dit voert het onderhoud uit volgens de hiervoor geldende onderhoudsvoorschriften en installatie-eisen. Meestal wordt een onderhoudscontract afgesloten. Als bewijs van een uitgevoerde onderhoudsbeurt in het kader van de onder 3.1.1 genoemde certificatieregeling, wordt vaak een sticker met jaartal op de stookinstallatie aangebracht. Als uitgangspunt gelden in ieder geval de gebruiks- en onderhoudsinstructies van de leverancier van de installatie.

Op basis van de «Certificatieregeling voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» wordt als bewijs voor een uitgevoerde inspectie of onderhoudsbeurt, een certificaat achtergelaten bij de inrichtinghouder. De certificatieregeling staat open voor een ieder, ook voor buitenlandse bedrijven. Ook bedrijven die niet zijn gecertificeerd maar wel over aantoonbare gelijke deskundigheid beschikken mogen controles uitvoeren. In dat geval moet een vergelijkbare beoordeling plaatsvinden als door het certificerend instituut wordt gedaan.

In het verlengde van dergelijke controles verdient het aanbeveling mogelijke energiebesparende maatregelen te bezien die samenhangen met het verwarmingssysteem. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om controle op een goede warmte-afgifte van radiatoren, afstelling van thermostaten en isolatie van leidingen. Met dergelijke eenvoudige maatregelen is veelal een aanzienlijke energiebesparing te bereiken.

3.1.3

Een brandschakelaar moet zich bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de stookruimte bevinden, tenzij de stookruimte slecht bereikbaar is. In een dergelijke situatie is het beter de afsluiter op een goed bereikbare, duidelijk aangegeven plaats aan te brengen. Een gasafsluiter is meestal in de meterkast aanwezig, daar waar gasleidingen het bedrijfspand binnenkomen.

Om te kunnen beoordelen of dit voorschrift op een stookruimte van toepassing is, moet worden nagegaan wat de nominale belasting op onderwaarde is van de installaties die in de stookruimte staan opgesteld. Voor toestellen met een gezamenlijke (hoofd)afsluiter, beveiliging, kleppen, rookgasafvoer en dergelijke moeten de nominale belastingen op onderwaarde echter worden opgeteld.

3.1.4

Afsluiters in vaste gasleidingen moeten zijn aangebracht om in geval van brand of lekkage voor compartimentering te zorgen.

Hoofdstuk 4. Telecommunicatiegebouwen

Paragraaf 4.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

Algemeen

Bij (onderhouds)werkzaamheden aan en binnen telecommunicatiegebouwen kunnen verschillende afvalstoffen vrijkomen. Voorschriften met betrekking tot afvalstoffen zijn opgenomen in bijlage 2, paragraaf 1.3. De ruimten waarin apparatuur is opgesteld hebben een constante temperatuur. Ten behoeve van het op constante temperatuur houden van deze ruimten is doorgaans zowel een koelinstallatie als een verwarmingsinstallatie aanwezig.

4.1.1 tot en met 4.1.3

Voor het in alle omstandigheden in bedrijf houden van telecommunicatie-apparatuur zijn noodstroomvoorzieningen aanwezig. Deze noodstroomvoorzieningen kunnen bestaan uit accumulatorbatterijen of doorgaans met een dieselmotor aangedreven noodstroomaggregaten. Telecommunicatiegebouwen worden beschouwd als sabotagegevoelige objecten. Met betrekking tot de bouwkundige constructie en voorzieningen moet daartoe een intern veiligheids- en kwaliteitsniveau worden gewaarborgd. Hierin is onder meer voorzien dat uitsluitend (ventilatie)openingen worden toegepast die afsluitbaar zijn. Om voldoende ventilatie te waarborgen moeten openingen zijn aangebracht voor de toevoer van verbrandings- en ventilatielucht en de afvoer van ventilatielucht overeenkomstig de oppervlaktebepalingen in NEN 1010. Wat betreft de installatietechniek binnen ruimten met verhoogde risico's wordt verwezen naar NEN 1010. Omdat NEN 1010 specifieke deskundigheid vergt, is het raadzaam in voorkomende gevallen het energiebedrijf of terzake deskundige installateurs in te schakelen. Met betrekking tot vraagstukken ten aanzien van storingen in elektrische en elektronische apparaten wordt verwezen naar de richtlijn nr. 1989/336/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (EMC-richtlijn) alsmede de Telecommunicatiewet.

Hoofdstuk 5. Windturbines

Paragraaf 5.1. Voorschriften met betrekking tot de installatie

5.1.1

Indien een windturbine voldoet aan IEC 61400–2 (2nd edition 1999, Wind turbine generator systems – Part 1: Safety requirements) respectievelijk NVN 11400–0 (Windturbines – Deel 0: Voorschriften voor typecertificatie – Technische eisen), worden de gevaarsaspecten zoveel mogelijk beheerst.

Gevaarsaspecten kunnen verband houden met de constructie van de turbine zelf; het voldoen aan genoemde richtlijnen biedt onder normale omstandigheden een afdoende garantie. Ook kan de locatie van de turbine nabij andere activiteiten of installaties bepalend zijn voor omgevingsrisico's. Hierbij wordt opgemerkt dat in het kader van de ruimtelijke ordening rekening kan worden gehouden met de aard van een omgeving of gebied en het gewenste dan wel feitelijke gebruik daarvan.

Windturbines met een rotoroppervlak groter dan 40 m2 worden gecertificeerd op basis van NVN 11400–0. Windturbines met een rotoroppervlak kleiner dan 40 m2 kunnen worden getoetst aan de hand van het rapport ECN-R-95–020 «Regulations for the Type Certification of small windturbines». De NVN vervangt de door het ECN uitgegeven Voorontwerp NEN 6096, tweede deel. Op basis van deze NEN 6096, tweede deel, is een groot aantal windturbines gecertificeerd. Inmiddels is het praktijk dat op basis van NVN 11400–0 typecertificaten voor windturbines worden uitgegeven. Voor alle nieuw op te richten windturbines kunnen dan de in voorschrift 5.1.1 opgenomen normen onverkort van toepassing zijn. Voor bestaande windturbines waarvoor een vergunning in werking en onherroepelijk was blijven echter de voorschriften met betrekking tot veiligheid gelden die zijn opgenomen in die desbetreffende vergunning.

5.1.2

De gestandaardiseerde windsnelheden gelden op 10 m hoogte en op een terrein met een ruwheidslengte van 0,05. In IEC 61400–11 «Wind turbine generator systems – Part 11: Acoustic noise measurements techniques, uitgave 1998» wordt behalve de bronsterktemeting ook de meting van de tonaliteit en richtingsafhankelijkheid van het windturbinegeluid beschreven. Voor het meten van de tonaliteit is echter nog geen goed gevalideerde meetmethode beschikbaar. Hetzelfde geldt voor het overdrachtsmodel en de criteria voor het «'bestraffen'» van de tonaliteit. Tonaliteitsmetingen zijn derhalve niet voorgeschreven. In gevallen waar een tonaliteitsmeting toch wenselijk is wordt uitsluitend de aanvullende meetmethode voor tonaliteit uit IEC 61400–11 toegepast, aangevuld met de procedures beschreven in «Measnet acoustic noise measurements procedure version 1», van het Eurec-Agency te Leuven in België, uitgave oktober 1997. Voor het beoordelen van de toon kan gebruik worden gemaakt van de criteriacurve uit Annex 4 van de «Recommended practices for wind turbine testing and evaluation no 4. Acoustic measurements of noise emission from windturbines, 3rd edition 1994». Dit is een handreiking uitgegeven door International Energy Agency Wind R&D Implementing Agreement, onder Annex XI Base Technology Information Exchange. Daar metingen in benedenwindse richting in het algemeen de grootste gemeten bronsterkte opleveren, is het meten van de richtingsafhankelijkheid niet noodzakelijk. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan een andere methode worden gebruikt, mits deze meetmethode ten minste als gelijkwaardig kan worden aangemerkt. Voorbeelden van gelijkwaardige meetmethoden zijn de Duitse VDI-norm 2058 of de Deense regels van het Dept. of Environment (nr. 304, 14 mei 1991).

5.1.3

Inrichtingen, zoals solitaire windturbines en windparken, kenmerken zich doordat een duidelijke relatie aanwezig is tussen de windsnelheid en de hoogte van de geluidemissie. Normaliter worden vergunningplichtige bedrijven en bedrijven waarvoor een artikel 8.40-besluit geldt, beoordeeld onder representatieve condities, waarbij de omgeving rustig, de geluidoverdracht optimaal, en de bedrijfsomstandigheden maximaal zijn.

Aangezien windturbines alleen in bedrijf zijn onder condities waarbij de omgeving eveneens een duidelijk rumoeriger karakter heeft (veel windgeruis), dient dit ook in de wijze van beoordelen van geluid door windturbines tot uiting te komen. Van belang hierbij is de relatie tussen de windsnelheid en het optredende geluidniveau. In bijlage 3 is deze relatie in de vorm van de op praktijkmetingen gebaseerde windnormcurves (WNC) weergegeven.

Indien er géén relatie zou worden gelegd tussen de op te leggen grenswaarden en de windsnelheid, zal zich voor elke windturbine of elk windpark een situatie voordoen waarbij de van toepassing zijnde standaardnorm wordt overschreden. Vanwege het toenemen van geluid bij hoge windsnelheden van windturbines, zal deze overschrijding zich dan met name voor kunnen doen bij zeer hoge windsnelheden, bijvoorbeeld 10 m/s of hoger. Bij dergelijke windcondities is het omgevingsgeluid ten gevolge van windgeruis echter dermate hoog, dat de kans op geluidhinder dan nagenoeg nihil is. De berekende of gemeten immissieniveaus moeten dan ook worden geprojecteerd op de in bijlage 3 opgenomen WNC.

Bij de bepaling van het te beoordelen geluidniveau komt een aantal complicerende factoren naar boven met betrekking tot met name de toepassing van de bedrijfsduurcorrectie. Er zullen gedurende één beoordelingsperiode vanwege het altijd fluctuerende karakter van de windsnelheid namelijk meerdere representatieve bedrijfssituaties optreden. Zo kan elke windsnelheid aangemerkt worden als zijnde een afzonderlijk te beoordelen bedrijfssituatie met een aparte normwaarde en een apart te beoordelen geluidniveau. Mede vanwege de complexiteit hiervan is dan ook gekozen voor genoemde WNC die bij de lage windsnelheden tot ongeveer 5 m/s (ofwel de representatieve bedrijfssituatie voor nagenoeg alle andersoortige inrichtingen) een grenswaarde voor het geluidniveau geeft voor de nachtperiode conform de standaardgeluidnorm, dan wel de bij nadere eis vastgestelde specifieke waarde.

Meer specifiek is de wijze van geluid meten beschreven in de serie Recommended Practices for Wind Turbine Testing and Evaluation, nummer 10 «Measurements of Noise Immission from Wind Turbines at Noise receptor Locations, first edition 1997». Deze handreiking is uitgegeven door International Energy Agency Wind R&D Implementing Agreement en biedt waardevolle technische informatie voor degenen die belast zijn met het meten van geluid door windturbines.

5.1.4

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen.

Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate lokaal-specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie in een geval. Zonodig kan hieromtrent een nadere eis worden gesteld.

Uit jurisprudentie van de Raad van State is gebleken dat, afgezien van de beperkingen ten aanzien van de passeerfrequenties (niet tussen 2,5 – 14 Hz), ten aanzien van de hinderduur en gelet op het alara-beginsel van de Wm geen nul-hinder als uitgangspunt genomen hoeft te worden (E03.95 1961, 24 oktober 1996). Zo is een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dagals aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen in de vorm van een stilstandsregeling aan te brengen aan een turbine.

5.1.5

Lichthinder kan voorkomen worden door het gebruik van lichtabsorberende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in ISO 2813, tweede editie 1978 «Paints and varnishes measurement of specular gloss of non metallic paint films at 20°, 60° and 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Paragraaf 5.2 Voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van de installatie

5.2.3

Indien een risicovolle situatie optreedt als gevolg van een technisch mankement zal doorgaans een automatische beveiliging in werking treden en de windturbine uitschakelen.

Paragraaf 5.3 Nadere eisen

5.3.1

Indien in meer gecompliceerde situaties sprake is van hinder ondanks het treffen van maatregelen, kan nader onderzoek noodzakelijk blijken. Vanzelfsprekend is onderzoek pas relevant in die gevallen waarbij de bekende of meest voor de hand liggende maatregelen geen soelaas bieden.

Wat betreft de hinder van de slagschaduw is behalve de passeerfrequentie ook bepalend uit welke richting de zon schijnt en bij welke hoogtestand van de zon, de schaduw de hindergevoelige plek kan bereiken. Het hindergevoelige oppervlak zal vastgesteld moeten worden (bijvoorbeeld een vlak dat alle posities van de ramen omsluit). Vervolgens wordt bepaald in welke perioden van het jaar het passeren van de slagschaduw van de windturbine over het hindergevoelige oppervlak zich voordoet en op welk tijdstip van de dag. Met deze gegevens wordt de 'potentiële' hinderduur bepaald. Vervolgens wordt met de overige bepalende factoren voor de duur en intensiteit van de hinder (het aantal uren zonneschijn, draaiduur van de rotor, oriëntatie van de rotor, bedekkingsgraad van de zon door de wieken en intensiteit van het zonlicht) berekend of geschat tijdens welk gedeelte van de potentiële hinderduur ook werkelijk hinder zal kunnen optreden. Begrippen die hierbij een rol spelen zijn de volgende:

1. De maximale duur op een dag: dit is de tijd dat de rotorschaduw er over doet om de gevel geheel te passeren. Deze maximale duur op een bepaalde dag kan enige tijd achtereen (enkele dagen) voorkomen. Aan het begin en het einde van de hinderperiode gaat niet de gehele rotorschaduw, maar slechts een (buitenste) gedeelte daarvan over de gevel. De maximale en gemiddelde duur van de schaduwhinder (op een bepaalde dag en per kalenderjaar) wordt ook bepaald door de stand van het rotorvlak ten opzichte van de zonsrichting waarbij de hinder zich kan voordoen. Na correcties hiervoor resulteert dit in 'gemiddelde (potentiële) hinderduur per dag'.

2. Het gemiddeld aantal hinderdagen per kalenderjaar: dit is het totaal aantal potentiële hinderdagen tijdens de hinderperiode, verminderd met de tijd dat de molen niet draait en met het percentage van de tijd dat de zon niet schijnt. Dit is een (theoretisch) minimum. In werkelijkheid zal de zonneschijnduur over een wat groter aantal dagen verdeeld zijn.

3. De gemiddelde duur per dag: dit wordt aangegeven als het gemiddelde van twee uiterste gemiddelden. In het (theoretische) geval dat de gemiddelde zonneschijnduur evenredig is verdeeld over alle dagen van de hinderperiode, geldt het minimum. In het andere uiterste (theoretische) geval dat de zonneschijnduur zich concentreert op het gemiddeld aantal hinderdagen per kalenderjaar, geldt het maximum. De werkelijkheid ligt waarschijnlijk rond het gemiddelde van beide extremen. Dit aspect roept de vraag op wat hinderlijker is: veel dagen met een laag gemiddelde of weinig dagen met een hoog gemiddelde.

4. De gemiddelde hinderduur per kalenderjaar: dit begrip wordt gehanteerd voor het aantal uren dat een turbine gemiddeld per kalenderjaar stil moet staan om alle hinder te vermijden.

Hoofdstuk 6. Installaties voor waterwinning, -beheer en -transport

Paragraaf 6.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

6.1.1 tot en met 6.1.3

De via de ontluchting van een bassin of kelder voor rioolwater ontwijkende gassen of dampen kunnen soms geurhinder veroorzaken. Het gaat dan om bassins of kelders waarin persleidingen of drukrioleringen uitmonden, dan wel stinkend industrieel afvalwater wordt aangevoerd. Ter voorkoming van geurhinder kunnen de bassins en kelders voor het doorvoeren en bufferen van rioolwater gasdicht worden afgedekt, dan wel worden afgezogen. Een bassin of kelder is dan voorzien van een gasdicht uitgevoerde afvoerleiding. De afvoerleiding moet op een zodanige hoogte uitmonden dat ter voorkoming van geurhinder een afdoende verspreiding van de afgevoerde lucht is gewaarborgd. De afgevoerde lucht kan zonodig door een ontgeuringsinstallatie geleid worden indien een afdoende verspreiding niet kan worden gewaarborgd. In het algemeen is door toepassing van de juiste maatregelen geurhinder goed te bestrijden. Beseft moet worden dat uit de aard van de activiteit het geheel voorkómen van geurhinder niet in alle gevallen kan worden gegarandeerd.

Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden gaat veelal gepaard met een afwijkende bedrijfsvoering en, met name bij rioolsystemen, een grotere geuremissie.

Paragraaf 6.2. Nadere eisen

6.2.1

Over het algemeen is als ontgeuringsinstallatie voor 'rioollucht' (H2S) een biofilter het meest geschikt. Een actief koolfilter is duur. Een bijkomend probleem is de grote hoeveelheid vocht die in de lucht aanwezig is. Een biofilter behoeft weinig onderhoud en heeft een rendement dat vaak hoger ligt dan 90%. Een goede dimensionering is wel van belang. Het is daarom verstandig de waterkwaliteitsbeheerder bij het ontwerp te betrekken. Aangezien de installaties over het algemeen door een gemeente, soms zelfs in opdracht van het waterschap, worden aangelegd levert dit in praktijk nooit problemen op. Een nadeel van een biofilter is dat deze vrij veel ruimte in beslag neemt.

6.2.2

Slibhoudend spoelwater afkomstig van de wateronttrekkings- en zuiveringsinstallaties, die onder dit besluit vallen, wordt veelal na reiniging geloosd op de riolering. In de praktijk van vergunningverlening blijkt zich een variatie aan concentratie-eisen voor te doen. Met het opnemen van de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen in artikel 5, eerste lid, onder a, blijven de voorschriften uit de vergunning die afwijken van dit besluit ingevolge artikel 8, eerste lid, drie jaar gelden als nadere eis.

Hoofdstuk 7. Grond- en grondwaterreinigingsinstallaties

Paragraaf 7.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

7.1.1

Het is niet mogelijk op voorhand aan te geven welke normen gesteld in de NeR van toepassing zijn. Voor beoordeling van de normen gesteld in de NeR zijn de emissies van gas- en dampvormige componenten die vrijkomen bij het reinigen van grondwater bepalend. De emissie naar de lucht kan worden vastgesteld aan de hand van de rapportage die bij de melding is gevoegd.

7.1.3 en 7.1.4

De werkingssfeer van dit besluit is afgestemd op het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Indien bij grond- of grondwaterreiniging afvalwater vrijkomt en op de riolering wordt geloosd, gelden voor het lozen de voorschriften van beide besluiten. De voorschriften betreffende de concentratiewaarden zijn identiek. Voor indirecte lozingen, die zowel onder de Wvo als onder de Wm vallen, is de bescherming van het oppervlaktewater en de zuiveringstechnische werken op grond van de Wvo gereguleerd, terwijl de Wm alle overige aspecten reguleert, waaronder de bescherming van de riolering. De verontreinigingen, waarvoor in dit besluit concentratiewaarden zijn opgenomen, zijn zowel vanuit de Wvo- als de Wm-invalshoek relevant en om die reden in beide besluiten gereguleerd. Bij reinigingsactiviteiten waarbij afvalwater vrijkomt, heeft het de voorkeur allereerst te bezien welke mogelijkheden er redelijkerwijs bestaan om de verontreiniging te voorkomen of te beperken. Bij grond- en grondwaterreiniging zal dit zich met name richten op de technische mogelijkheden om de verontreiniging op de locatie uit het afvalwater te verwijderen.

Naast de lozingseisen die overeenkomen met eisen uit het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering zijn eisen opgenomen ten aanzien van sulfaat en pH. Deze zijn uitsluitend gericht op bescherming van de riolering en komen derhalve niet voor in het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Bij onderhavige lozingen kan lozing van afvalwater binnen de lozingseisen voor sulfaat en pH te allen tijde redelijkerwijs worden gevergd. Anders dan bij andere artikel 8.40-besluiten zijn kortdurende overschrijdingen van deze eisen uit te sluiten, hetgeen het stellen van deze waarden als doelvoorschrift mogelijk maakt.

In het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering zijn verschillende bepalingen opgenomen betreffende het meten, registreren en melden van gegevens richting het bevoegd gezag (de waterkwaliteitsbeheerder). De informatie is ook voor het op grond van de Wm bevoegde gezag relevant. In het besluit is dan ook een verplichting opgenomen om de betreffende informatie ook naar het op grond van de Wm bevoegde gezag te zenden.

7.1.8

Bij een sanering is de kans op milieu- en gezondheidsbedreigende situaties aanwezig. Derhalve dienen grondwater- of grondreinigingsinstallaties tegen beschadiging en ongewenste handelingen beschermd te zijn.

Hoofdstuk 8. Opslag van propaan in bovengrondse reservoirs

Paragraaf 8.1 Voorschriften met betrekking tot de installatie

8.1.1 tot en met 8.1.4

Bij gebruik van propaan in een mobiel of stationair reservoir op een tijdelijk werk, zoals een bouwplaats etc. zijn verschillende personen betrokken. Naast de gebruiker van het reservoir zijn er de installateur, de leverancier van het gas en de eigenaar van het reservoir.

– Onder gebruiker wordt hier verstaan de directeur van de bouwonderneming of de verantwoordelijke uitvoerder.

– De installateur is degene die de propaaninstallatie aanlegt.

– De leverancier van het gas is doorgaans de handelaar die per tankwagen propaan levert op het bouwterrein.

– De eigenaar van het reservoir is de gebruiker of het bedrijf dat de tank ter beschikking stelt of verhuurt.

De uitvoerder mag aan één persoon (bedieningsman) de opdracht geven om zich gedurende het totale bouwproces bezig te houden met het controleren van het reservoir, de leidingen en overige apparatuur, het aansluiten van de slangen en het ontsteken van de branders.

De verantwoordelijke uitvoerder of de bedieningsman moet erop toezien dat de in de voorschriften genoemde veiligheidsmaatregelen worden nageleefd. Zo moeten zij er bijvoorbeeld op toezien dat het reservoir op een verrijdbaar onderstel op de juiste wijze wordt verplaatst en buiten het bereik van bouwkranen, bouwverkeer en vallende voorwerpen wordt opgesteld. Op het moment dat de bewijzen van de bevindingen zijn overgelegd voldoet de gebruiker aan zijn verplichtingen.

Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het reservoir dat deze goed wordt onderhouden. De controlelijsten ten behoeve van de maandelijkse keuring worden door de installateur verstrekt. De controlelijst wordt ondertekend door de aangewezen bedieningsman en besproken met de uitvoerder. De uitvoerder draagt er in principe zorg voor dat de lijst wordt opgeborgen in het installatieboek.

Voor de controle van de gehele installatie vult de installateur een checklist in en ondertekent deze. De gebruiker voldoet aan zijn verplichtingen op het moment dat deze controlelijst is overgelegd.

Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het reservoir dat het reservoir op het juiste moment wordt gekeurd.

De installateur is bevoegd tot het aanleggen en onderhouden van een installatie indien deze installateur is aangewezen door de betrokken Minister dan wel een eventuele certificatie-instelling die erkend is door de Raad voor Accreditatie. De installateur is er verantwoordelijk voor dat de installatie wordt uitgevoerd overeenkomstig de genoemde voorschriften, ten bewijze hiervan moet hij een door hem ondertekende verklaring afgeven. Op het moment dat deze verklaring is afgegeven voldoet de gebruiker aan zijn verplichtingen. Wat betreft het gebruik van propaan in de bouw geldt dat de checklist zoals genoemd in voorschrift 8.3.12 uit CPR 11–1 moet zijn ingevuld.

4. TOELICHTING BIJLAGE 2

4.1 Toelichting voorschriften

Hoofdstuk 1. Algemene voorschriften

Paragraaf 1.1 Geluid en trilling

1.1.1

Zowel voor bestaande als nieuwe bedrijven is in beginsel de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder opgenomen als de standaard geluidnorm LAr, LT. Voor het buitenniveau betekent dat een etmaalwaarde van 50 dB(A), voor het binnenniveau van in- of aanpandige woningen een etmaalwaarde van 35 dB(A). Voor de toegestane piekniveaus zijn waarden gesteld die overeenkomen met de grenzen zoals opgenomen in de reeds bestaande amvb's alsmede de gangbare praktijk bij vergunningverlening. Uitgangspunt daarbij is dat met deze normen doorgaans een acceptabele geluidkwaliteit in de zin van geluidbeleving en risico's voor de persoonlijke gezondheid, in de directe omgeving van het bedrijf wordt bereikt. In de praktijk blijken overschrijdingen van piekwaarden door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode, in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder laad- en losactiviteiten worden ook aanverwante activiteiten verstaan zoals het op en van het terrein van de inrichting rijden, het slaan van autoportieren, het starten en wegrijden van de voertuigen.

Controle of berekening van de geluidniveaus veroorzaakt op het terrein van de inrichting moet geschieden overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999. Voor het bepalen van de buitenniveaus gelden de waarden op de gevel zonder gevelreflectie, ook wel aangeduid met 'invallend geluid'. Metingen ter controle van geluidniveaus binnen woningen moeten worden verricht op een afstand van ten minste 1 meter van de muren, ten minste 1,5 meter boven de vloer en ten minste 1,5 meter van de ramen. Teneinde verstoring door staande golven te verminderen, is het noodzakelijk op ten minste 3 punten te meten; bij laagfrequent geluid moet zonodig op meer dan 3 punten worden gemeten. De gemeten waarden moeten energetisch worden gemiddeld. Metingen moeten worden uitgevoerd met gesloten ramen en buitendeuren. De beoordeling van meetresultaten moet overeenkomstig de handleiding plaatsvinden.

In gevallen waar geluidoverlast te verwachten is wordt bij de melding een akoestisch rapport overgelegd, zie hiervoor de toelichting bij artikel 6, vierde lid.

1.1.2

Het uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Niet alle inrichtingen zullen trillinghinder veroorzaken. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals bijvoorbeeld compressoren. Ook door andere en incidentele activiteiten kan trillinghinder ontstaan, of door het aan- en afrijden van vrachtwagens voor de bevoorrading en dergelijke. Er is een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om nadere eisen te stellen indien specifieke situaties daartoe aanleiding geven.

Naar verwachting zullen trillingmetingen slechts sporadisch noodzakelijk zijn. Voor het objectief vaststellen van trillingen kan in beginsel gebruik worden gemaakt van indicatieve meetmethodieken.

De richtlijn is bedoeld om te worden toegepast op ruimten in woningen, woongebouwen, gezondheidszorggebouwen, onderwijsgebouwen, kantoorgebouwen en bijeenkomstgebouwen, bedoeld voor het langdurig verblijf van mensen, alsmede op kritische werkruimten in gebouwen in het algemeen. Bij de normstelling in de richtlijn wordt onderscheid gemaakt in a. continu voorkomende trillingen gedurende lange tijd en b. herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd. De tabel waarnaar in het besluit wordt verwezen betreft de normstelling voor continu voorkomende trillingen waarbij deze in de richtlijn van toepassing wordt verklaard op zowel bestaande als nieuwe situaties. Anders is de normstelling voor herhaald voorkomende trillingen waarbij wél onderscheid is gemaakt in bestaand en nieuw. De richtlijn geeft aan dat afhankelijk van een zekere mate van acceptatie en frequentie van het optreden van trillingen, van normen kan worden afgeweken en hogere streefwaarden kunnen worden toegelaten. In het besluit is de normstelling gebaseerd op de het hoogste beschermingsniveau, dat wil zeggen de streefwaarde bij continu voorkomende trillingen, waarbij hinder vrijwel uitgesloten is. Omdat trillingen zeer kunnen verschillen al naar gelang de lokale omstandigheden en de beoordeling ervan veel deskundigheid vereist, is er voor gekozen door middel van een nadere eis differentiatie mogelijk te maken.

1.1.3

Dit voorschrift geldt alleen voor inrichtingen die reeds waren opgericht voor de datum waarop het Besluit riool- en poldergemalen milieubeheer of het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, die nu zijn ingetrokken, van toepassing werden. Voor die inrichtingen geldt in elk geval een maximaal toelaatbaar equivalent geluidniveau van 55 dB(A).

1.1.4

Denkbaar is dat voor een bepaald gebied specifiek beleid gewenst is, bijvoorbeeld in het kader van een gebiedsgerichte ontwikkelingsvisie voor een locatie of een deel van de gemeente. Indien bij een gemeentelijke verordening op basis van de Gemeentewet een gebied wordt aangewezen, gelden de geluidnormen van voorschrift 1.1.1 niet in dat gebied. Met de aanwijzing van een afgebakend gebied kan een eventueel beoogd gemeentelijk beleid voor dat gebied worden 'vertaald' naar een specifieke geluidgrenswaarde voor de aldaar gevestigde of nog te vestigen inrichtingen. Het gebiedsgerichte beleid is uitsluitend mogelijk gemaakt voor het als zelfstandige inrichting voorkomende type A. In de andere gevallen, type B en C, zijn de vergunning of een andere 8.40-amvb immers bepalend voor het geluidniveau. Gegeven het soort inrichtingen dat als type A voorkomt, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat deze gebiedsgerichte aanpak met name zal worden toegepast in het buitengebied van een gemeente. Doorgaans zal het dan gaan om lagere geluidwaarden dan de algemene standaard van 50 dB(A) waarbij de gestelde voorwaarden omtrent de binnenniveaus in materiële zin niet relevant zullen zijn.

Paragraaf 1.2 Energie

1.2.1

In het algemeen deel van deze nota van toelichting is reeds ingegaan op het energiegebruik. Daar is ook aangegeven dat de voorschriften van dit besluit zich richten op de grotere energieverbruikers uit de betrokken bedrijfssectoren. Indien het bevoegd gezag dat verzoekt zal degene die de inrichting drijft moeten aangeven welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat een zo zuinig mogelijk gebruik van energie wordt gemaakt.

Dit kan bijvoorbeeld blijken uit:

– de deelname aan een meerjarenafspraak (MJA), waarbij moet blijken dat het bedrijf zich aan de afspraken houdt;

– de realisatie of een uitgewerkte planning voor de uitvoering van maatregelen op basis van de adviezen die door externe deskundigen zijn gegeven. Zo'n advies kan bijvoorbeeld door een energiebedrijf worden gegeven;

– eventuele andere documenten of verklaringen waaruit blijkt dat het bedrijf de gevraagde prestatie op dit gebied levert of zal leveren.

1.2.2

Inrichtingen zullen die maatregelen dienen te treffen die zich binnen een redelijke tijd terugverdienen, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke neveneffecten. Hierbij wordt uitgegaan van de binnen de branche gebruikelijke terugverdientijden en de uitvoerbaarheid van de maatregelen. De terugverdientijd zal mede afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het bedrijf en het tijdstip waarop de maatregel wordt uitgevoerd.

De inrichting heeft binnen termen van redelijkheid ruimte om bij de besluitvorming over de energievoorzieningen aansluiting te zoeken bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf.

Of aan de verplichting wordt voldaan kan blijken uit de documenten of de verklaringen die hierboven bij de toelichting bij voorschrift 1.2.1 zijn genoemd.

Paragraaf 1.3 Afvalstoffen en afvalwater

1.3.1

Deze algemene bepaling geeft aan dat de zorg voor het milieu zich ook uitstrekt tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afval. Onderdeel a van voorschrift 1.3.1 geeft uitdrukking aan de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijf of van de instelling. Deze verplichting bevat geen concrete maatregelen. De mogelijkheden tot afvalpreventie zijn zo talrijk en divers dat het ondoenlijk is om doel- of middelvoorschriften te formuleren. Wel is er inmiddels veel informatie beschikbaar over afvalpreventie. Voorbeelden van afvalpreventie worden per branche, bedrijfstak of per thema nader uitgewerkt in informatiebladen van InfoMil (Informatiecentrum milieuvergunningen). Daarin zullen aandachtsvelden, middelen, methoden en voorbeelden zijn opgenomen. Te denken valt aan de stand der techniek en een aanpak om potenties in kaart te brengen. Voorts zal het informatieblad namen en adressen bevatten van organisaties en instellingen zoals de InfoMil helpdesk, provinciale preventieteams, innovatiecentra, bedrijfsmilieudiensten en branche-organisaties, die behulpzaam kunnen zijn. Met het informatieblad wordt het de ondernemer mogelijk gemaakt zijn verplichting tot preventie van afvalstoffen na te komen.

1.3.2

In beginsel moeten alle afvalstromen zoveel mogelijk worden gescheiden en gescheiden worden gehouden ten behoeve van hergebruik of specifieke wijze van verwijdering. De gescheiden afgifte dient zoveel mogelijk te worden bevorderd. Als uitgangspunt geldt dat het de verantwoordelijkheid is van de ondernemer om zoveel mogelijk over te gaan tot afvalscheiding van alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen.

Voor een aantal afvalstoffen is een directe afvalscheidingsverplichting opgenomen. In het Programma GIBA is bepaald bij welke hoeveelheden ervan wordt uitgegaan dat zich geen fysieke, financiële of organisatorische belemmeringen voordoen om tot afvalscheiding over te gaan. Scheiding kan echter niet worden verlangd indien afvalstoffen niet voor hergebruik in aanmerking komen, bijvoorbeeld doordat deze zijn vermengd met andere afvalstoffen en nascheiding door het bedrijf of instelling niet in de rede ligt.

Onder wit- en bruingoed, gedefinieerd in onderdeel B van bijlage 2, wordt een veelheid aan apparaten verstaan zoals koel- of vriesapparatuur, elektrische of elektronische keukenapparatuur, geluidsapparatuur, computers en beeldontvangstapparatuur. Onder kunststoffen valt een diversiteit aan kunststoffen en mengsels waarin deze voorkomen.

In de informatiebladen wordt aangegeven welke stromen voor scheiding in aanmerking komen. Ook worden de diverse omstandigheden waarbij het scheiden van afvalstoffen redelijkerwijs kan worden verlangd, met inachtneming van het Programma GIBA nader beschreven. Naast gevallen van niet-herbruikbaarheid kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan fysieke, organisatorische of financiële belemmeringen.

Het gelijkwaardigheidsbeginsel voor afvalscheiding houdt in dat bijvoorbeeld in plaats van scheiding van afvalstoffen aan de bron, uit financieel of technisch oogpunt gekozen kan worden voor nascheiding in een scheidingsinstallatie.

1.3.3

In de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen is uitputtend vastgelegd welke gevaarlijke stoffen voor afvalscheiding in aanmerking komen. De regeling bevat een categorie «overige gevaarlijke afvalstoffen». In de informatiebladen is beschreven welke gevaarlijke afvalstoffen in de regel bij de onder dit besluit vallende inrichtingen ontstaan. Bij het scheiden van gevaarlijke afvalstoffen zal het meestal gaan om stoffen die qua hoeveelheid, aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met klein gevaarlijk afval uit huishoudens. De wijze van afvalscheiding kan daarmee vergelijkbaar zijn. Onder gescheiden houden wordt hier bedoeld dat vermenging van verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen wordt voorkomen. Aan deze bepaling kan al worden voldaan door het betreffende afval te bewaren in afzonderlijke emballage in een verzamelcontainer, -doos of soortgelijke bewaarplaats.

1.3.4

Indien de opslag van afvalstoffen geuroverlast veroorzaakt, moeten speciale voorzieningen worden getroffen. In veel gevallen zal het voldoende zijn om de afvalstoffen op te slaan in een afgesloten bak of container en regelmatig af te voeren. In sommige gevallen zullen specifieke maatregelen nodig zijn. Deze bepaling geeft tevens aan dat er bij de opslag van afvalstoffen rekening moet worden gehouden met de latere hergebruiksmogelijkheden.

1.3.5

Bij het besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wm met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, is aan de 'oude' 8.40-besluiten waarvoor het onderhavige besluit in de plaats treedt, een aantal voorschriften toegevoegd met betrekking tot de indirecte lozing van afvalwater. De voorschriften 1.3.5 en verder sluiten hierbij aan. De systematiek en formulering van de voorschriften zijn enigszins aangepast, zodat deze beter aansluiten bij de overige voorschriften. De voorschriften zijn bezien in het licht van de ruimere werkingssfeer van het besluit, hetgeen heeft geleid tot enkele aanpassingen.

Wanneer in de voorschriften is aangegeven dat bedrijfsafvalwater met bepaalde kenmerken niet in de riolering wordt gebracht, betekent dit dat ook het lozen van bedrijfsafvalwater met die kenmerken op de bedrijfsriolering niet is toegestaan. Voor deze redactie is gekozen, wanneer het ongewenst wordt geacht dat dit bedrijfsafvalwater waar dan ook in de riolering wordt gebracht en het tevens redelijkerwijs voorkomen kan worden dat bedrijfsafvalwater met de betreffende kenmerken in de riolering terecht komt.

Wanneer in de voorschriften is aangegeven, dat bedrijfsafvalwater met bepaalde kenmerken niet in het openbaar riool mag worden gebracht, betekent dit dat het brengen van bedrijfsafvalwater met die kenmerken in de bedrijfsriolering wel is toegestaan, mits voorafgaand aan de lozing op het openbaar riool een dusdanige behandeling plaatsvindt, dat aan de betreffende voorschriften wordt voldaan.

Van het brengen van bedrijfsafvalwater in het openbaar riool is binnen de gekozen terminologie overigens ook sprake wanneer bedrijfsafvalwater vanuit de bedrijfsriolering niet rechtstreeks in het openbaar riool wordt gebracht, maar bijvoorbeeld via een bedrijfsriolering van een ander bedrijf. Van belang is, dat het bedrijfsafvalwater uiteindelijk in het openbaar riool terechtkomt, en niet de route waarlangs het bedrijfsafvalwater in het openbaar riool terechtkomt. Ook wanneer het bedrijfsafvalwater op een andere wijze dan via de bedrijfsriolering vanuit een inrichting in het openbaar riool wordt gebracht (bijvoorbeeld via een straatkolk), is er dus sprake van het brengen van bedrijfsafvalwater in een openbaar riool en gelden de voorschriften van dit besluit.

Voorschrift 1.3.5 bevat algemene eisen waaraan afvalwater moet voldoen, ongeacht de activiteit waarbij het vrijkomt. Zo is het verboden om bedrijfsafvalwater dat bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende apparatuur zijn versneden of door vermalende apparatuur zijn vermalen of waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen, in een riolering te brengen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld vetstukken, groentesnippers en etensresten bij keukens en centrale kantines.

Ook is het verboden om een gevaarlijke afvalstof, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de bedrijfsriolering terechtkomt, in de riolering te brengen. Gedacht kan worden aan bij voorbeeld verfrestanten, afgewerkte olie en chemicaliënrestanten. Voor werkzaamheden of handelingen waarbij niet kan worden voorkomen dat bedrijfsafvalwater vrijkomt, dat een gevaarlijke afvalstof is, wordt het in de specifieke voorschriften toegestaan onder bepaalde voorwaarden en in een aangegeven maximum concentratie een bepaalde gevaarlijke afvalstof in een riolering te brengen.

Bedrijfsafvalwater dat stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt, mag niet in het openbaar riool worden gebracht. Stankvorming die in het riool zelf optreedt, zal bij een adequaat rioolstelsel niet leiden tot stankoverlast. Het voorschrift heeft betrekking op situaties, waarbij ondanks een adequaat rioolstelsel of een adequate rioolwaterzuiveringsinstallatie stankoverlast optreedt ten gevolge van de lozing.

In de meeste gevallen zal bij het naleven van deze voorschriften de goede werking van de riolering niet belemmerd worden. Voor elk bedrijf dat afvalwater op de riolering loost, zijn standaardvoorschriften ter bescherming van het riool van toepassing. Bovendien gelden voor bepaalde activiteiten bijzondere voorschriften of worden speciale voorzieningen voorgeschreven. Hoofdstuk 4 biedt de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen.

1.3.6

Het lozen van afvalwater dat grove of snel bezinkende stoffen bevat kan de werking van het openbaar riool belemmeren. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan veegvuil, zand en resten van akkerbouwproducten.

1.3.7

Dit voorschrift strekt tot implementatie van richtlijn nr. 1991/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135) en bevat voorschriften die op grond van de richtlijn aan elk lozen op het openbaar riool moeten worden gesteld. De richtlijn is reeds gedeeltelijk geïmplementeerd via de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer (Stcrt. 1996, nr. 59). Omdat met het onderhavige besluit het vergunningsvereiste voor een aantal bedrijven wordt opgeheven, worden delen van de richtlijn die eerst via de instructieregeling werden omgezet in nationaal recht, nu opgenomen als algemene regels in dit besluit. In dit voorschrift is de bescherming van het oppervlaktewater, de zuiveringstechnische werken en het openbaar riool algemeen verwoord. In de overige voorschriften die in het besluit zijn opgenomen is de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen van indirecte lozingen nader uitgewerkt. Voor situaties die niet in de overige voorschriften zijn uitgewerkt, kunnen inschattingen over de te treffen maatregelen worden gemaakt aan de hand van kennis en ervaring van gemeenten, informatiebladen, handboeken en dergelijke.

Afvalwater waarvan normaliter kan worden gesteld dat het niet aan voorschrift 1.3.7 voldoet (en dat derhalve niet geloosd mag worden) is afvalwater met een of meer van de navolgende kenmerken:

– met een temperatuur die hoger is dan 30 °C,

– waarvan de zuurgraad, uitgedrukt in waterstofionenexponent (pH), lager dan 6,5 of hoger dan 10 is,

– waarvan de sulfaatconcentratie hoger is dan 300 mg/l,

– dat brand- of explosiegevaar kan veroorzaken, of

– dat door een beerput, rottingsput of septictank is geleid.

Er is niet voor gekozen deze kenmerken in voorschrift 1.3.7 op te nemen omdat in de praktijk situaties kunnen voorkomen waar de duur van de lozing zo beperkt is dat van een belemmering van de doelmatige werking van de verschillende werken geen sprake is, ook niet wanneer bedrijfsafvalwater met een of meer van de genoemde kenmerken in een riolering wordt gebracht.

1.3.8

Wanneer bedrijfsafvalwater niet in een openbaar riool wordt gebracht, maar in een andere voorziening, is voorschrift 1.3.7 van overeenkomstige toepassing. Welke onderdelen van dat voorschrift relevant zijn, is afhankelijk van de route die het afvalwater volgt. Omdat de kennis over die route op het lokale niveau bekend is, is daar de bevoegdheid gelegd om bij nadere eis een voorschrift op te leggen, dat afdoende bescherming voor riool, zuivering en oppervlaktewater waarborgt.

Paragraaf 1.4 Verlichting

1.4.1

De verlichting moet zodanig zijn aangebracht dat licht niet direct bij omwonenden naar binnen schijnt. Vaak wordt overlast veroorzaakt door schijnwerpers die zijn geplaatst als inbraakpreventie of door lichtbakken voor reclamedoeleinden. Door schijnwerpers en armaturen zorgvuldig af te stellen en te richten kunnen klachten veelal worden verholpen. Voor het objectief vaststellen van hinder door uiteenlopende lichtbronnen is momenteel geen algemeen toepasbare standaardmethodiek beschikbaar en kan niet worden getoetst aan een norm. Wel worden door het Bureau Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) initiatieven ondernomen tot het realiseren van aanbevelingen ten behoeve van het vaststellen en beoordelen van hindersituaties.

Paragraaf 1.5 Veiligheid

1.5.1

Onder zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare stoffen worden bijvoorbeeld verstaan: aceton, benzine, wasbenzine, ethanol, petroleum, spiritus, terpentine en thinner. De verpakkingen zijn voorzien van een vierkant oranje etiket met een vlam. Stofontploffingsgevaar is met name aan de orde bij opslagruimten voor houtmot en fijnkorrelige producten. Het verbod op roken en open vuur moet zijn aangegeven met een gevarensymbool overeenkomstig NEN 3011 of met duidelijk leesbare tekst.

1.5.2

Voor deze voorschriften dient een LPG-wisselfles als een gasfles te worden beschouwd. Gasflessen met een waterinhoud van meer dan 10 liter mogen wel in een buitenopslag of in een kluis buiten de voor publiek toegankelijke ruimten worden bewaard. Gasflessen kunnen, bijvoorbeeld in geval van brand, een bijzonder risico vormen. Dit is met name van toepassing op flessen met brandbare of giftige gassen. Ook flessen met inerte gassen kunnen echter fysische explosie veroorzaken.

Indien meer gasflessen aanwezig zijn dan direct voor de werkzaamheden nodig is, gelden speciale eisen voor de opslag van gasflessen. De voorschriften die hiervoor meestal in milieuvergunningen worden opgenomen komen overeen met de eisen die in CPR 15–1 worden gesteld aan opslag van gevaarlijke stoffen. Daarom is in voorschrift 1.5.2, onderdeel e, gekozen voor een verwijzing naar CPR 15–1. Hoewel de richtlijn in beginsel niet van toepassing is op de opslag van gasflessen, is na inhoudelijke beoordeling van de bepalingen, besloten de richtlijn van overeenkomstige toepassing te verklaren, op enkele uitzonderingen na. Ook dient rekening te worden gehouden met de aard van de opslag en de hieruitvolgende nuancering op het vereist zijn van vloeistofdichte vloeren of lekbakken, of afdekking van een opslag op het open terrein. Overigens is vastgesteld dat de voorschriften voor de opslag van gasflessen uit het Handboek Milieuvergunningen feitelijk identiek zijn aan de bepalingen uit CPR 15–1. Voor meer detailinformatie wordt verwezen naar dit handboek.

1.5.3

Afsluiters in vaste gasleidingen moeten zijn aangebracht om in geval van brand of lekkage voor compartimentering te zorgen.

1.5.4

Over het algemeen is mechanische ventilatie niet nodig, tenzij de acculader en accumulatorenbatterij is opgesteld in een kleine, besloten ruimte. In de meeste gevallen is het voldoende als de acculader in een grote ruimte, liefst nabij een buitendeur is geplaatst.

1.5.6

Een brandschakelaar moet zich bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de stookruimte bevinden, tenzij de stookruimte slecht bereikbaar is. In een dergelijke situatie is het beter de afsluiter op een goed bereikbare, duidelijk aangegeven plaats aan te brengen. Een gasafsluiter is meestal in de meterkast aanwezig, daar waar gasleidingen het bedrijfspand binnenkomen.

Voor de bepaling of een ruimte waarin stooktoestellen zijn opgesteld als stookruimte moet worden aangemerkt, moeten de belastingen van alle aanwezige stooktoestellen bij elkaar worden opgeteld. De grens van 130 kW op bovenwaarde is equivalent aan 120 kW op onderwaarde.

1.5.7

Bij het verwisselen van een LPG-wisselreservoir kan een (geringe) hoeveelheid LPG vrijkomen. Indien het verwisselen in een besloten ruimte met slechte ventilatie geschiedt, kan dit de vorming van een explosief gasmengsel veroorzaken. Bij het verwisselen van de reservoirs in de buitenlucht worden eventueel vrijkomende gassen afdoende verspreid.

Paragraaf 1.6 Bodembescherming

De bodemrisicocategorie wordt in de NRB met behulp van een beslismodel vastgesteld. Afhankelijk van de categorie waarin een bedrijfsactiviteit valt zijn er diverse mogelijkheden om de bodem te beschermen. Het uiteindelijke pakket dient een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging op te leveren, aangeduid als bodemrisicocategorie A.

Paragraaf 1.7 Overig algemeen

1.7.1

Deze bepaling vormt een aanvullende norm voor de zorg voor het milieu, die degene die de inrichting drijft behoort te betrachten. De zorgplicht voor het milieu – neergelegd in artikel 1.1a van de Wm – brengt onder meer met zich dat ook ten aanzien van aangelegenheden in de bescherming waarvan dit besluit niet voorziet omdat specifieke voorschriften ontbreken, degene die de inrichting drijft, de nodige maatregelen en voorzieningen treft om eventuele nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting te voorkomen. Als die gevolgen zich voordoen, is die persoon gehouden deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Dit geldt ook voor de gevallen waarin dit besluit weliswaar een regeling bevat doch waarin tevens moet worden geconcludeerd dat de gestelde voorschriften niet geheel voorzien in een toereikende bescherming van het milieu en dat van degene die de inrichting drijft mag worden verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid ook neemt en ervoor zorgdraagt dat die nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen of voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk worden beperkt.

Bij deze afweging zal ook het redelijkheidsvereiste in aanmerking moeten worden genomen. Het voorschrift is gericht tot degene die de inrichting drijft. De meeste voorschriften en beperkingen die in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen, betreffen de inrichting: het samenstel van gebouwen, installaties en economische activiteiten. Dat abstracte geheel kan men niet aanspreken, wel degenen die het in hun macht hebben dat de inrichting en de activiteiten die daarbinnen plaatsvinden beantwoorden aan de milieuhygiënische normen die in ons land gelden.

Hoofdstuk 2. Bijzondere voorschriften met betrekking tot activiteiten die in de inrichting plaatsvinden

Paragraaf 2.1 Opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen

2.1.2

Dit voorschrift ziet toe op de handelingen die met gevaarlijke stoffen kunnen worden verricht in bijvoorbeeld een werkplaats. Onder (licht) ontvlambare vloeistoffen worden K1- en K2-producten verstaan. In verband met de bijzondere gevaarsaspecten van deze stoffen moet een voorziening 100% opvangcapaciteit bezitten. Als boven een voorziening zowel (licht) ontvlambare stoffen als andere milieugevaarlijke vloeistoffen worden opgeslagen, moet toch een voorziening met 100% opvangcapaciteit worden aangehouden. Doorgaans zal de bedoelde voorziening binnen zijn opgesteld, waardoor automatisch wordt voldaan aan de bescherming tegen inregenen.

2.1.3

Indien in een inrichting gevaarlijke stoffen worden gebruikt bij de werkzaamheden zal tevens veelal opslag plaatsvinden. Opslag van gevaarlijke stoffen dient te gebeuren overeenkomstig CPR 15–1. CPR 15–1 is niet van toepassing op de opslag van bestrijdingsmiddelen. Tot 400 kg aan bestrijdingsmiddelen gelden de voorwaarden uit de Bestrijdingsmiddelenwet. Ingevolge deze wet moet de opslag plaatsvinden in een deugdelijke, afgesloten bewaarplaats die op de buitenlucht is geventileerd. Veiligheidssignalering, bijvoorbeeld door middel van bordjes met de tekst «bestrijdingsmiddelen» en «verboden voor onbevoegden» en een slanghaspel moeten aanwezig zijn. Controle van zo'n bestrijdingsmiddelenopslag vindt plaats door de Algemene Inspectie Dienst (AID) en de politie. Voor de opslag van maximaal 2500 kg aan bestrijdingsmiddelen gelden de bepalingen uit CPR 15–3.

2.1.4

Indien een bovengrondse tank aanwezig is voor de opslag van K3-vloeistoffen en deze tank na 1 januari 2000 is of wordt geïnstalleerd, geschiedt de opslag overeenkomstig CPR 9–6. In deze richtlijn zijn ook voorwaarden gesteld aan dubbelwandige en kunststoftanks. Laadketels, zoals een reservoir in een boxpallet, worden niet als tanks, maar als emballage beschouwd. Hierop zijn de voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.3 van dit besluit van toepassing. Voor bovengrondse tanks die zijn opgericht vóór 1 januari 2000 gelden bepaalde installatie- en keuringseisen uit CPR 9–6 niet.

2.1.5

De vloeistoffen genoemd in dit voorschrift worden doorgaans in vaatwerk of tanks opgeslagen. Gezien de afbakening van de doelgroep zal opslag naar verwachting incidenteel voorkomen in relatief kleine hoeveelheden.

Hoofdstuk 3. Bijzondere voorschriften met betrekking tot de bedrijfsvoering van de inrichting

Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak

3.1.2

Als milieugevaarlijke stoffen of olie worden opgeslagen moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn om gemorste stoffen op te ruimen. Als absorptiemiddel kunnen speciaal hiervoor bestemde korrels worden gebruikt, maar ook zaagsel is een geschikt middel. Gebruikt absorptiemiddel moet als gevaarlijk afval worden opgeslagen en afgevoerd.

Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen

3.2.1

Inspectie en onderhoud van brandblusmiddelen dient jaarlijks plaats te vinden volgens de voorschriften vermeld in NEN 2559 en NEN 3211. Bedrijven die blusmiddelen inspecteren en onderhouden moeten beschikken over een REOB-erkenning (Regeling voor de Erkenning van Onderhoudsbedrijven kleine Blusmiddelen). Na inspectie moeten blustoestellen en slanghaspels worden voorzien van een label of sticker met datum. Draagbare blustoestellen moeten bovendien worden voorzien van een zegel.

Paragraaf 3.3 Bewaren van documenten

3.3.1

In nagenoeg elk bedrijf zijn installaties aanwezig die door derden worden onderhouden of gecontroleerd. Vaak worden hiervoor onderhoudscontracten afgesloten. Naast periodieke controles van installaties kan het voorkomen dat andere rapporten zijn opgesteld, metingen zijn verricht of keuringscertificaten zijn afgegeven, die op de een of andere manier met milieu of externe veiligheid te maken hebben.

Resultaten van dergelijke onderzoeken, metingen, controles, alsmede afgiftebewijzen van afval zijn tijdens een controlebezoek vaak moeilijk te achterhalen. Soms worden ze zelfs buiten de inrichting bewaard.

De gedachte achter dit voorschrift is om alle gegevens met betrekking tot milieu en veiligheid op een centrale plaats binnen de inrichting te bewaren dan wel binnen korte termijn beschikbaar te hebben. Dit levert de volgende voordelen op:

– het bedrijf krijgt een beter inzicht in de «prestaties» die op milieugebied zijn geleverd;

– voor de controlerend ambtenaar wordt een bedrijfscontrole vereenvoudigd, omdat alle relevante informatie binnen korte termijn aanwezig is.

In het ideale geval zal bij een incidentele controle inzicht worden verkregen in het bedrijfsfunctioneren in de tussenliggende periode.

Dit voorschrift geeft aan wat voor onderzoeken, metingen en keuringen op milieugebied bij bedrijven kunnen worden uitgevoerd. Dit betekent niet dat bedrijven door middel van dit voorschrift worden verplicht tot het uitvoeren van bedoelde onderzoeken als dit niet in een van de andere voorschriften is geregeld. Als echter bepaalde rapporten zijn opgesteld, certificaten zijn afgegeven of onderhoudscontracten zijn afgesloten waarbij sprake is van enige milieurelevantie, dan dienen deze binnen de inrichting te worden bewaard (bij voorkeur in een milieuregistratiemap of speciale kast). De mogelijkheid is opengelaten dat de betreffende documenten buiten de inrichting worden bewaard. Deze documenten dienen dan wel binnen een door een toezichthouder te stellen termijn voor hem beschikbaar te zijn. Indien de toezichthouder dit nodig acht, dienen de opgeëiste stukken binnen zeer korte tijd beschikbaar te worden gesteld. De keuze van de leiding van de betreffende inrichting om in dit artikel genoemde documenten (of een kopie daarvan) buiten de inrichting te bewaren, mag niet ten koste gaan van de voortvarendheid van een ingesteld onderzoek. Tevens moet de registratie van periodieke controles, afgiftebewijzen van afval en andere milieurelevante documenten worden bewaard. Wanneer de originelen op het hoofdkantoor van een concern worden bewaard, verdient het aanbeveling om de filialen van een afschrift van de betreffende documenten te voorzien. Voorschrift 3.3.1 laat de eventuele plicht om op grond van andere wetgeving in dit besluit bedoelde stukken voor langere tijd te bewaren dan hier aangegeven onverlet. Overigens wordt nog opgemerkt dat een toezichthouder op basis van artikel 18.5, eerste lid, van de Wm de bevoegdheid heeft om de hier bedoelde documenten in te zien, en daarvan één of meerdere kopieën te maken, indien dat voor de vervulling van zijn taak nodig is (zie ook artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht).

Hoofdstuk 4. Nadere eisen

Paragraaf 4.1 Geluid en trilling

4.1.1 en 4.1.2

Het bevoegd gezag wordt de mogelijkheid geboden in individuele gevallen een andere waarde dan de standaardgeluidnorm vast te leggen. Bepalend voor de hoogte van die andere waarde is het geluidniveau binnen de betreffende woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen is ongeacht de hoogte van de buitenwaarde een vast beschermingsniveau vastgelegd overeenkomstig de binnenwaarde uit voorschrift 1.1.1. Bij toepassing van de nadere eis dient derhalve te worden nagegaan in hoeverre het geluidniveau binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, die binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting zijn gelegen, wordt beïnvloed. Met de akoestische invloedssfeer wordt hier bedoeld de geluidbelasting vanwege de inrichting op de gevels van omliggende woningen voorzover dat hoger is dan 50 dB(A). Uiteenlopende redenen of argumenten kunnen ten grondslag liggen aan de wens, behoefte of noodzaak voor een andere waarde dan de standaardgeluidnorm volgens voorschrift 1.1.1.

Opgemerkt wordt dat in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ook wordt ingegaan op de mogelijkheden die de besluiten op grond van artikel 8.40 Wm bieden op het gebied van de geluidnormstelling en lokale aanpak. Aan de hand van voorbeelden worden bedoeling en werking van deze handreiking nader toegelicht.

In beginsel zal de hoogte van het heersende referentieniveau bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de standaardgeluidnorm. De volgende invulling kan dan aan de orde zijn:

a. Indien het heersende referentieniveau zodanig laag is, dat de in dit voorschrift gestelde standaardgeluidnorm zal leiden tot hinder voor de woonomgeving, kan een lagere geluidgrenswaarde aan het bedrijf worden opgelegd. Dit kan zich voordoen in situaties waarbij bedrijven gevestigd zijn in een rustige woonomgeving zoals bijvoorbeeld een stille woonwijk of landelijk gebied. Bij het in overweging nemen van een lagere geluidgrenswaarde zal het bevoegd gezag rekening dienen te houden met de rechtszekerheid van gevestigde bedrijven. Alternatieve maatregelen kunnen in de afweging worden betrokken waarbij zonodig aandacht moet worden geschonken aan een evenredige lastenverdeling. Van belang is voorts dat bezien kan worden in hoeverre eventuele maatregelen gefaseerd kunnen worden uitgevoerd.

b. Indien het heersende referentieniveau zodanig hoog is dat redelijkerwijs van het bedrijf niet kan worden verlangd de lagere standaardgeluidnorm na te leven en de handhaving van geluidnorm een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering of zelfs sluiting zou kunnen betekenen, terwijl de lokale situatie een soepeler normstelling toelaat. In een dergelijk geval kan de geluidgrenswaarde worden verhoogd. Dit kan zich voordoen in drukkere gebieden zoals stadswinkelcentra of bedrijfsterreinen.

c. Niet uitsluitend het heersende referentieniveau behoeft maatgevend te zijn om afwijking van de norm te wensen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen en de al of niet hierdoor veranderende regelgeving kan daartoe aanleiding vormen.

d. Tenslotte kunnen eventueel ook geluidgrenswaarden boven het referentieniveau worden bijvoorbeeld indien individuele bedrijfseconomische redenen motief zijn om aan de behoeften van het bedrijfsleven tegemoet te komen, en indien is aangetoond dat maatregelen onvoldoende soelaas bieden. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag een afweging moeten maken tussen de belangen van het bedrijfsleven en de belangen van de woonomgeving rond de inrichting.

Het gebruik maken van de mogelijkheid tot aanpassen van de standaardnorm vindt plaats op basis van een lokale afweging met inachtneming van bovengenoemde motieven. Vanzelfsprekend is de lokale afweging en besluitvorming gebonden aan de opgebouwde praktijk rond de benadering van het onderwerp geluid. Immers geluid is geen nieuw item maar reeds jarenlang een structureel element in de uitvoeringspraktijk van vergunningverlening, de planologie, de rechtspraak en de handhaving, in technische zin gevoed door uitvoeringsbesluiten, circulaires, richtlijnen en handreikingen.

De beslissing tot het afwijken van de standaardnorm dan wel het voorschrijven van voorzieningen, dient expliciet te worden geformaliseerd door middel van het instrument nadere eis. Van belang hierbij is dat aan de beslissing om af te wijken van de standaardnorm een afdoende akoestische motivatie ten grondslag moet liggen, bij voorkeur en voorzover mogelijk ondersteund door relevante geluidmetingen. Een afwijking van de gestelde norm wordt in gevallen van bezwaar of beroep volgens de Awb-procedures ter toetsing voorgelegd aan de rechter.

4.1.3

Om te voorkomen dat een inrichting, die betrekkelijk ver van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen is gesitueerd, geen toepassing hoeft te geven aan het ALARA-principe en daardoor onbeperkt geluid mag produceren, was in de oude besluiten een bepaling opgenomen dat het equivalente geluidsniveau, bij afwezigheid van woningen, op een afstand van 50 meter gold. Het vaststellen van een andere waarde is mogelijk gemaakt om de geluidruimte beperkt te houden in voorkomende gevallen. Een ander bezwaar ten aanzien van de 50 m grens betrof de amvb-inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen. Voor die inrichtingen die op dergelijke terreinen ver van woningen zijn gesitueerd moet toch een «geluidruimte» worden gereserveerd overeenkomstig het 50 m criterium ook al maken deze inrichtingen op 50 m minder geluid. Deze geluidruimte gaat ten koste van de inrichtingen die wel een vergunning behoeven en daardoor worden gedwongen om bij nieuwe vestigingen van amvb-inrichtingen meer geluidmaatregelen te treffen. Immers, de zonegrens en de afgegeven hogere waarden mogen cumulatief niet worden overschreden. Naar aanleiding van de kritieken op deze regeling is besloten de starre bepaling van 50 meter te vervangen door een nadere-eisbepaling.

4.1.4

Op grond van dit voorschrift kunnen eventueel te treffen akoestische voorzieningen verplicht worden gesteld of gedragsregels worden opgelegd, die nodig zijn om aan de geluidvoorschriften van de geluidparagraaf te voldoen. Een zodanige nadere eis zou alleen gesteld moeten worden indien de lokale situatie dat noodzakelijk maakt en geen andere mogelijkheden meer beschikbaar zijn om het doel te bereiken. Het bevoegd gezag zal in overleg met het betrokken bedrijf moeten vaststellen op welke wijze en met welke middelen aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan.

4.1.5

Indien discontinue, intermitterende of sporadisch voorkomende trillingen (bijvoorbeeld door transportactiviteiten) problemen opleveren, kan het bevoegd gezag andere trillingsterktes toelaten, doch deze mogen niet lager zijn dan de streefwaarden uit de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van Stichting Bouwresearch (1993).

In specifieke situaties kan zich de noodzaak tot verdere differentiatie naar aard van een omgeving voordoen. In de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening is in tabel 8 daartoe een verdeling met normstelling opgenomen. Bij het stellen van een nadere eis kan, voorzover relevant, gebruik worden gemaakt van de waarden uit genoemde tabel.

Paragraaf 4.2 Energie

4.2.1 en 4.2.2

In omstandigheden of gevallen waarin een specifieke benadering en concretisering noodzakelijk blijkt, biedt voorschrift 4.2.1 de mogelijkheid aan het bevoegde gezag tot het stellen van een nadere eis. Zo'n nadere eis zal moeten beantwoorden aan algemene criteria van zorgvuldigheid. Ter concretisering van het beoordelingsaspect 'redelijkheid' is in voorschrift 4.2.2 opgenomen dat het bevoegd gezag geen nadere eisen mag stellen die strekken tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die een langere terugverdientijd hebben dan vijf jaar.

Wordt een investering verlangd, dan ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag mede aangeeft op welke termijn die maatregel of voorziening moet worden getroffen. Daarbij kan erop worden gelet dat een aansluiting plaatsvindt bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf.

Infomil stelt informatiebladen op waarin de stand der techniek met betrekking tot energiebesparing wordt beschreven. Deze bladen bevatten lijsten van maatregelen of voorzieningen die bij de concretisering van de nadere eis als leidraad kunnen dienen.

4.2.3

Op grond van de Wet energiebesparing toestellen (ook wel genoemd W.E.T.) worden in het belang van de energiebesparing, regels gesteld met betrekking tot toestellen en installaties. Zo zijn er ter uitvoering van EU-richtlijnen onder meer eisen gesteld ten aanzien van het energieverbruik van cv-ketels. Dergelijke eisen gelden algemeen, onafhankelijk van de plaats van het toestel of de installatie. Met betrekking tot toestellen en installaties waarvoor op grond van de W.E.T. voorschriften zijn gegeven kunnen geen nadere eisen worden gesteld op grond van dit besluit.

Paragraaf 4.3 Afvalstoffen en afvalwater

4.3.1 en 4.3.2

Deze nadere eis-bevoegdheid is gerelateerd aan voorschrift 1.3.1. Bij het toepassen van de verplichting tot het verrichten van een onderzoek moeten de kosten en baten zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Niet tot onderzoek behoeft te worden overgegaan in die gevallen waarbij voor de hand liggende en eenvoudige maatregelen kunnen worden toegepast. De informatiebladen van Infomil bevatten daartoe relevante informatie. Het overgaan tot onderzoek zou zich moeten beperken tot die specifieke situaties waarbij onvoldoende informatie beschikbaar blijkt om tot een verantwoorde keuze te komen omtrent maatregelen of voorzieningen. Ook dient te worden bezien in hoeverre reeds beschikbaar onderzoek, zowel op bedrijfs- als op bedrijfstakniveau, aan de behoefte tegemoet komt.

In daartoe noodzakelijke gevallen kunnen maatregelen in een nadere eis worden vastgelegd. Het bevoegd gezag mag geen nadere eisen stellen die strekken tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die een langere terugverdientijd hebben dan vijf jaar. Bij het bezien van de terugverdientijd moeten de kosten van het nemen van preventie niet uitsluitend worden afgezet tegen de kosten van het verwijderen van afvalstoffen. Preventiemaatregelen hebben immers ook betrekking op besparing van grondstoffen en andere voordelen die zich in de bedrijfsvoering kunnen voordoen.

De informatiebladen bevatten lijsten van maatregelen of voorzieningen die bij de concretisering van de nadere eis als leidraad kunnen dienen.

Paragraaf 4.5 Bodembescherming

4.5.1

Deze paragraaf heeft betrekking op het nulsituatie-onderzoek en op het eindsituatie-onderzoek (na beëindiging van de activiteiten in de inrichting). Het gaat hier niet om het opsporen van historische bodemverontreiniging. Gelet op de aard van de inrichtingen waarop dit besluit van toepassing is, wordt verwacht dat er, uitzonderingen daargelaten, geen sprake zal zijn van aanmerkelijke bodemverontreiniging. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) geeft een handreiking voor de beoordeling of een activiteit bodembedreigend is. Is dat het geval dan is de NRB van toepassing en zal het opleggen van de verplichting tot nulsituatie-onderzoek of eindsituatie-onderzoek noodzakelijk zijn.

5. TOELICHTING BIJLAGE 3

De Windnormcurve (WNC) is bepaald op basis van een groot aantal geluid- en windsnelheidsmetingen verricht aan het achtergrondgeluidniveau van de omgeving bij de diverse windsnelheden. Het doel van de metingen was gericht op het kwantitatief bepalen van de relatie tussen achtergrondgeluid en windsnelheid voor woningen nabij windparklocaties, zowel in een winter- als in een zomersituatie. De WNC moet worden geïnterpreteerd als de gecorrigeerde norm- of grenswaarde bij hogere windsnelheden. De metingen zijn verricht door het adviesbureau Lichtveld Buis & Partners BV in opdracht van deNovem. Voor meer details omtrent metingen en bevindingen wordt verwezen naar het rapport «Normstelling windturbinegeluid, metingen geluid en windsnelheid» (R52 364A1.TK) van 17 februari 1999 van genoemd adviesbureau.

De metingen hebben aangetoond dat het omgevingsgeluid toeneemt vanwege het windgeruis. Dit heeft geresulteerd in de curve zoals in bijlage 3 is opgenomen. Toepassing van de curve heeft tot doel dat de geluidimmissie vanwege windturbines op dezelfde wijze wordt beoordeeld als bij andersoortige inrichtingen in het kader van het toezicht op de naleving van de geluidvoorschriften. De tabel van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 is in beginsel normstellend. Als uitgangspunt is genomen de standaardnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde en de nachtperiode als doorgaans maatgevend voor de beoordeling van in bedrijf zijnde windturbines. Omdat de standaardnorm voor de nachtperiode 40 dB(A) bedraagt, is de daarmee samenhangende standaardcurve gebaseerd op 40 dB(A) als uitgangspunt. Indien door het bevoegd gezag een andere eis ten aanzien van het toelaatbare geluidniveau wordt gesteld zal bij de beoordeling van de geluidimmissie rekening moeten worden gehouden met een WNC die als uitgangspunt de in die nadere eis gestelde norm heeft. Feitelijk wordt de curve daarbij in verticale richting verschoven.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

BIJLAGE BEHORENDE BIJ DE NOTA VAN TOELICHTING OP HET BESLUIT VOORZIENINGEN EN INSTALLATIES MILIEUBEHEER

Naar aanleiding van de publicatie van het ontwerpbesluit in Staatscourant 209 van 29 oktober 1999 hebben de navolgende instanties en personen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun opmerkingen aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter kennis te brengen:

1. Unie van Waterschappen te Den Haag

2. NV Delta Nutsbedrijven te Middelburg

3. Gemeente Lemsterland

4. Vereniging FME-CWM te Zoetermeer

5. W. van der Vlis te Naaldwijk

6. Vereniging Vloeibaar Gas te Nieuwdorp

7. Milieuadviesdienst te Leeuwarden

8. Bisschop & Partners BV te Utrecht

9. Gasunie te Groningen

10. Politie Amsterdam-Amstelland

11. Gemeente Tilburg

12. NV Nuon International te Duiven

13. Milieudienst Amsterdam

14. Gemeente Noordoostpolder

15. Gemeente Voorschoten

16. Westland Energie Services te Poeldijk

17. J.S. Elzinga te Almere

18. Stichting Gjin Romte Foar Wynhannel te Wirdum

19. Bedrijfschap Horeca en Catering te Zoetermeer

20. Politie Zaanstreek-Waterland

21. Milieudienst Midden Holland te Gouda

22. NV Nuon te Arnhem

23. Rijksuniversiteit Groningen

24. Gemeente Lelystad

25. Milieubureau Westland te Naaldwijk

26. VNCI te Leidschendam

27. EnergieNed te Arnhem

28. Nozema te IJsselstein

29. TNO te Rijswijk

30. PAWEX te Utrecht

31. DCMR Milieudienst Rijnmond te Schiedam

32. Gemeente Wûnseradiel te Witmarsum

33. InfoMil te Den Haag

34. Werkgroep opslag vuurwerk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

35. Hoogovens Staal te IJmuiden

36. Vereniging voor Energie, Milieu en Water te Woerden

37. VNG te Den Haag

38. OM te Den Haag

39. NEN Normcommissie 349 065 te Delft


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 november 2001, nr. 220.