Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2001, 461AMvB

Besluit van 28 september 2001 tot verhoging van de omzetdrempel, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Mededingingswet, met betrekking tot de in Nederland behaalde omzet (Besluit verhoging nationale omzetdrempel concentratietoezicht)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 11 juli 2001, nr. WJZ 01034244;

Gelet op artikel 29, tweede lid, van de Mededingingswet;

De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 2001, nr. W10.01.0345/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 24 september 2001, nr. WJZ 01046714;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

1. Het in artikel 29, eerste lid, van de Mededingingswet met betrekking tot de omzet in Nederland genoemde bedrag van 30 miljoen gulden wordt verhoogd tot € 30 000 000.

2. In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag van 30 miljoen gulden tot 1 januari 2002 verhoogd tot f 66 111 300.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhoging nationale omzetdrempel concentratietoezicht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 28 september 2001

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de zestiende oktober 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

De Mededingingswet verbiedt het tot stand brengen van een concentratie van ondernemingen zonder voorafgaande melding daarvan aan de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit. Dit verbod geldt voor ondernemingen die gezamenlijk respectievelijk afzonderlijk een omzet hebben die hoger is dan de in artikel 29 van de wet genoemde omzetdrempels. Het tweede lid van artikel 29 biedt de mogelijkheid om deze bedragen bij algemene maatregel van bestuur te verhogen. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt om de omzetdrempel die betrekking heeft op de in Nederland behaalde omzet te verhogen. De verhoging wordt in verband met de invoering van de euro per 1 januari 2002, vastgesteld in euro en wel op € 30 000 000. Tot die tijd geldt het daarvan afgeleide bedrag in guldens namelijk f 66 111 300.

2. Huidige omzetdrempels

Het concentratietoezicht op grond van de Mededingingswet (verder ook: de wet) is van toepassing op concentraties waarbij de gezamenlijke omzet van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan 250 miljoen gulden, waarvan door ten minste twee van de betrokken ondernemingen ieder ten minste 30 miljoen gulden in Nederland is behaald (artikel 29, eerste lid, van de wet). Bij overschrijding van deze drempels geldt een verbod om de concentratie tot stand te brengen totdat het voornemen van de concentratie aan de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa) is gemeld en vervolgens vier weken zijn verstreken. Gedurende deze termijn beoordeelt de directeur-generaal van de NMa of voor de voorgenomen concentratie een vergunning is vereist.

In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet voor een nieuwe Mededingingswet (kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3) is over het toepassingsbereik van het concentratietoezicht aangegeven dat de vaststelling van de hoogte van de omzetdrempels in zekere mate arbitrair is. Bij elke grens van enige omvang zouden machtsposities op een kleinere markt aan het toezicht kunnen ontsnappen. Dit zou voorkomen kunnen worden door gebruik te maken van een marktaandeelcriterium maar dat was destijds, ook in het EG-recht, ongebruikelijk. Bovendien werd dit criterium niet geschikt geacht voor een preventief systeem. Bij de vaststelling van de in de wet gekozen omzetdrempels zijn de lasten die voor overheid en bedrijfsleven voortvloeien uit de meldings- en toetsingsprocedures belangrijke aandachtspunten geweest.

3. Evaluatie omzetdrempels januari 1998 t/m juni 2000

De NMa heeft onderzocht in hoeverre de huidige omzetdrempels leiden tot een effectieve inzet van middelen voor concentratietoezicht. Het onderzoek omvat de zaken waarin het onderzoek is afgerond en waarin een besluit omtrent de vergunningplicht is genomen in de periode januari 1998 tot en met juni 2000. Het totaal aantal meldingen in deze periode bedroeg 419. Van 378 van de aangemelde zaken heeft NMa in deze periode beoordeeld of een vergunning voor de aangemelde concentratie is vereist. Dat was slechts voor 13 zaken het geval. Bij de beoordeling van de vergunningaanvragen, de tweede fase, heeft de directeur-generaal NMa in drie gevallen de vergunning verleend, in twee gevallen de vergunning geweigerd en in 4 gevallen een vergunning onder voorwaarden verleend. Hieruit kan worden geconcludeerd dat in de onderzochte periode een aanzienlijk deel van de capaciteit voor concentratietoezicht wordt aangewend voor zaken waarvoor al in de eerste fase van de beoordeling duidelijk is dat geen vergunning nodig is. Bij de invoering van de Mededingingswet was dit niet voorzien. Bovendien blijkt het gemiddeld aantal gemelde concentraties per jaar (ruim 150) veel hoger te zijn dan voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet was ingeschat (ca. 100). In het jaar 2000 zijn 197 concentraties aangemeld.

4. Verhoging omzetdrempel

De conclusie uit dit onderzoek is de belangrijkste aanleiding voor het besluit om de omzetdrempel te verhogen. Verhoging van de drempel leidt naar verwachting tot:

– een grotere doelmatigheid ten gevolge van de vermindering van het aantal meldingen waardoor er meer aandacht is voor de beoordeling van de vergunningaanvragen;

– een grotere effectiviteit ten gevolge van een relatieve verhoging van het aandeel zaken dat vergunningplichtig wordt;

– vermindering van administratieve lasten voor een deel van het bedrijfsleven.

Een belangrijke randvoorwaarde bij het vaststellen van de hoogte van de omzetdrempel is dat een zodanig niveau wordt gekozen dat de verhoging niet leidt tot een substantiële toename van het aantal niet gemelde concentraties waarbij de nieuw gevormde onderneming een relatief hoog marktaandeel en wellicht een machtspositie bezit. Dit zou met name het geval kunnen zijn bij concentraties op kleinere markten.

Voor het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op kredietinstellingen, verzekeraars en financiële instellingen geldt geen omzetdrempel maar een drempel die gerelateerd is aan de materiële activa en premies (artikel 31 van de Mededingingswet). Sinds 1 januari 2000 heeft de NMa het concentratietoezicht van De Nederlandsche Bank overgenomen. Met deze drempels is slechts geringe ervaring opgedaan. Daarom is besloten deze drempels voorlopig niet aan te passen.

5. Verwacht effect van verhoging omzetdrempel tot € 30 000 000

Op basis van het onderzoek van de NMa is een raming gemaakt van het aantal meldingen en het aantal vergunningplichtige concentraties bij verhoging van de omzetdrempel. Een voorzichtige extrapolatie van de bij de evaluatie verkregen gegevens laat zien dat:

– een verhoging van de omzet van 30 miljoen gulden naar € 30 000 000 leidt tot een daling van het aantal voorgeschreven meldingen van bijna 40%, ofwel een vermindering van 66 meldingen per jaar;

– deze verhoging voorts leidt tot een substantiële stijging van het percentage voorgenomen concentraties dat vergunningplichtig wordt verklaard, van 3,4% naar 5,2%;

– slechts 18% van de zaken die door verhoging naar € 30 000 000 niet meer hoeft te worden aangemeld, een marktaandeel heeft van meer dan 30%. Het overgrote deel hiervan zou onder de huidige omzetdrempel ook niet vergunningplichtig zijn geweest omdat door de concentratie geen economische machtspositie ontstaat of wordt versterkt. Daarmee wordt duidelijk dat een verhoging van de omzetdrempel naar

– € 30 000 000 naar verwachting niet zal leiden tot een substantiële toename van het aantal niet gemelde concentraties waarbij de nieuwe gevormde onderneming een relatief hoog marktaandeel en wellicht een machtspositie bezit;

– verhoging van de omzetdrempel die betrekking heeft op de totale omzet van 250 miljoen gulden tot 300 miljoen gulden of 500 miljoen gulden slechts een beperkte daling oplevert van het aantal meldingen (6 procent respectievelijk 15 procent) en daarmee onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van dit besluit;

Het adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL), heeft advies uitgebracht over dit besluit. Het College constateerde dat er aandacht is geweest voor alternatieven voor de gekozen verhoging van de nationale omzetdrempel, maar vroeg zich af of wel alle relevante alternatieven zijn bestudeerd, zoals een verdere verhoging van de nationale omzetdrempel. In paragraaf 4 is uiteengezet wat de doelstellingen en randvoorwaarden voor verhoging van de omzetdrempel zijn. Een verdere verhoging van de drempel zou de randvoorwaarde dat een verhoging niet mag leiden tot het niet melden van concentraties op kleinere markten met een relatief hoog marktaandeel in gevaar brengen. Dat alternatief is dan ook niet verder uitgewerkt.

6. Aanpassing concentratiedrempel op lange termijn

Voor de langere termijn wordt een geclausuleerde aanpassing van de omzetdrempels in concentratietoezicht overwogen, waarbij de kans op het ontstaan van economische machtsposities zo klein mogelijk is. Het gevolg hiervan zou moeten zijn dat het aantal niet aangemelde zaken met een relatief hoog marktaandeel, meer dan 30%, zo klein mogelijk wordt gehouden. Dit zou bijvoorbeeld bereikt kunnen worden door een aanpassing van omzetdrempels waarbij tevens aanvullende voorwaarden worden gesteld. Zonder wetswijziging is dit echter niet mogelijk. Ter voorbereiding op deze eventuele wetswijziging zal bij de evaluatie van de Mededingingswet door middel van onderzoek aandacht worden besteed aan het marktaandeel van niet aangemelde concentraties.

7. Bedrijfseffecten

De aanpassing van de omzetdrempel heeft gevolgen voor alle ondernemingen met een omzet tussen f 30 000 000 en f 66 000 000 in Nederland (behalve in de financiële sfeer werkzame ondernemingen), die betrokken zijn bij een concentratie. In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet voor een nieuwe Mededingingswet (kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3) zijn de bedrijfseffecten van de huidige omzetdrempel reeds in kaart gebracht. Door verhoging van de omzetdrempel van f 30 000 000 naar ruim f 66 000 000 zal het aantal meldingen fors teruglopen (bijna 40%). Dat betekent dat de administratieve lasten voor het totaal van ondernemingen dat bij fusies, overnames en joint-ventures is betrokken, verminderen. Het ACTAL heeft verzocht om een kwantificering van de kostenbesparing die hierdoor voor het bedrijfsleven zal optreden. De betekenis van deze verlaging in guldens valt echter thans niet te berekenen. Er zijn namelijk geen gegevens beschikbaar over de (gemiddelde) kosten die ondernemers moeten maken om een concentratie bij de NMa te melden. Een onderzoek daarnaar is op dit moment ook niet zinvol, omdat de ervaring met fusiecontrole nog te kort is (te weinig meetjaren). Duidelijk is evenwel dat de verlaging van de drempel het bedrijfsleven kosten bespaart.

8. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De gevolgen van dit besluit voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het concentratietoezicht zijn positief. Zoals hierboven in de paragrafen 4, 5 en 7 is beschreven zal dit besluit leiden tot minder aanmeldingen van voorgenomen concentraties. Dit heeft tot gevolg dat de uitvoeringslasten en controlelasten voor de NMa verminderen. Een geringer aantal besluiten van de NMa omtrent meldingen van voorge-nomen concentraties zal doorwerken in het aantal besluiten waartegen bezwaar en beroep wordt ingesteld. Daarom zal dit besluit ook een positief effect hebben op de belasting van de rechtelijke macht.

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.