Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2001, 426Wet

Wet van 14 september 2001 tot wijziging van de Abw in verband met het vrijlaten van de individuele uitkeringen in het kader van de tegoeden Tweede Wereldoorlog, alsmede wijziging van de Abw, de IOAW, de IOAZ en de WIK in verband met een aantal andere technische aanpassingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Abw te wijzigen om zo het vrijlaten van de individuele uitkeringen op grond van de tegoeden Tweede Wereldoorlog te regelen, alsmede dat het wenselijk is de Abw, de IOAW, de IOAZ en de WIK te wijzigen in verband met een aantal andere technische aanpassingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene bijstandswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 31, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij een verblijf in een inrichting is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:

    a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: f 509,38;

    b. gehuwden: f 792,37.

B

In artikel 39, eerste lid, wordt «deze niet beschikt» vervangen door: de alleenstaande of het gezin niet beschikt.

C

Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

    a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;

    b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;

    c. de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    d. huursubsidie ontvangen op grond van de Huursubsidiewet, of een bijzondere bijdrage in de huurlasten ontvangen op grond van artikel 26b van die wet;

    e. vergoedingen en tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;

    f. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in Hoofdstuk IIA van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;

    g. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;

    h. rente ontvangen over op grond van artikel 52, eerste lid, onderdelen b, c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;

    i. een eenmalige premie voor het voltooien van een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 114, voor zover een bedrag van f 2670,– niet wordt overschreden;

    j. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het aanvaarden of behouden van arbeid, voor zover deze premies binnen een tijdvak van een jaar te zamen minder bedragen dan f 3970,–;

    k. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is;

    l. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;

    m. inkomsten uit arbeid tot f 181,– per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal f 332,– per maand, beide voor zover hij algemene bijstand ontvangt en behoort tot een categorie van personen voor wie een of meer van de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 107, tweede lid, of 113, vierde lid;

    n. inkomsten uit arbeid tot f 181,– per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal f 332,– per maand, beide voor zover hij algemene bijstand ontvangt en hij behoort tot een categorie van personen die overeenkomstig een verordening van het gemeentebestuur om redenen van medische of sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in deeltijd;

    o. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

    p. subsidies die op grond van artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden worden verstrekt voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, voorzover deze subsidies:

    1°. binnen een tijdvak van een kalendermaand minder bedragen dan f 165,–; en,

    2°. worden verstrekt aan een langdurig werkloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet inschakeling werkzoekenden, dan wel aan een belanghebbende, die behoort tot een categorie van personen voor wie een of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden op grond van de artikelen 107, eerste en tweede lid, 113, vierde lid, of 114a;

    q. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit;

    r. individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Onze Minister kan regels stellen omtrent de gevallen waarin:

    a. het tweede lid, onderdeel j of n, niet van toepassing is;

    b. een uitkering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel k, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend wordt.

D

In artikel 56, tweede lid, wordt «onderdelen h, i, l, m en o» vervangen door: onderdelen i, j, m, n en p.

E

De artikelen 141, 142 en 143 komen te vervallen.

F

In hoofdstuk XII, Strafbepalingen, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 141

  • 1. Degene die niet voldoet aan de verplichting omschreven in artikel 101 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie.

  • 2. Het in het eerste lid omschreven feit is een overtreding.

G

In artikel 144, eerste lid, wordt «onderdelen h en i» vervangen door: onderdelen i en j.

ARTIKEL II

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 45, eerste lid, onderdeel f, wordt na «de Huursubsidiewet» ingevoegd: en de Wet bevordering eigenwoningbezit.

B

In artikel 48, eerste lid, wordt «artikel 104 van de Vreemdelingenwet 2000» vervangen door: artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL III

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen3 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, tweede lid, wordt «artikel 3.16, vierde lid, of artikel 3.99» vervangen door: artikel 3.78.

B

In artikel 45, eerste lid, onderdeel f, wordt na «de Huursubsidiewet» ingevoegd: en de Wet bevordering eigenwoningbezit.

ARTIKEL IV

In artikel 10a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars4 wordt «de artikelen 4, 9 en 10» vervangen door: de artikelen 9 en 10.

ARTIKEL V

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, artikel I, onderdeel C, artikel 43, tweede lid, onderdeel r, artikel II, onderdelen A en B, en artikel III.

  • 2. Artikel I, onderdeel A, treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2001.

  • 3. Artikel I, onderdeel C, artikel 43, tweede lid, onderdeel r, treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2000.

  • 4. Artikel II, onderdeel A en artikel III treden in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2001.

  • 5. Artikel II, onderdeel B, treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2001.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 14 september 2001

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de tweede oktober 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij wet van 26 april 2001, Stb. 225.

XNoot
2

Stb. 1995, 205, laatstelijk gewijzigd bij wet van 26 april 2001, Stb. 225.

XNoot
3

Stb. 1995, 206, laatstelijk gewijzigd bij wet van 26 april 2001, Stb. 225.

XNoot
4

Stb. 1998, 59, laatstelijk gewijzigd bij wet van 23 november 2000, Stb. 496.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2000/2001, 27 770.

Handelingen II 2000/2001, blz. 5799.

Kamerstukken I 2000/2001, 27 770 (329, 329a).

Handelingen I 2000/2001, zie vergadering d.d. 11 september 2001.