Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2001, 42AMvB

Besluit van 20 januari 2001 tot wijziging van het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging (Stb. 463)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 11 september 2000, Directie Wetgeving, nr. 5050403/00/6;

Gelet op artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

De Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 2000, nr. W03.00.0423/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 16 januari 2001, nr. 5072763/00/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit van 6 oktober 19971, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging, wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1 vervalt het tweede lid onder vernummering van het derde tot tweede lid.

B. Het opschrift boven artikel 3 komt te luiden: Wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige in die van zijn verzorger of van de overige tot hetzelfde gezin behorende minderjarige kinderen.

C. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid onder a, wordt «gezochte naamswijziging» vervangen door: de verzochte naamswijziging.

2. Het vijfde lid van artikel 3 vervalt.

D. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. Op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger wordt de geslachtsnaam van een minderjarig kind gewijzigd opdat deze geslachtsnaam dezelfde zal zijn als die van de overige tot hetzelfde gezin behorende minderjarige kinderen van dezelfde ouders, indien als gevolg van de toepassing van regels van internationaal privaatrecht verschil in geslachtsnaam tussen de kinderen is ontstaan.

  • 2. Artikel 3, vierde lid, onder a en b, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Ten behoeve van kinderen van dezelfde ouders die tot hetzelfde gezin behoren, kunnen op grond van dit artikel slechts gelijkluidende verzoeken om geslachtsnaamswijziging worden ingewilligd.

E. Het opschrift boven artikel 4 komt te luiden: Wijziging van de geslachtsnaam van een meerderjarige in die van zijn verzorger, van zijn ouder of in zijn oorspronkelijke geslachtsnaam.

F. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «kan zijn geslachtsnaam worden gewijzigd» vervangen door: wordt zijn geslachtsnaam gewijzigd.

2. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. in de gevallen genoemd in artikel 3, eerste lid. In deze gevallen dient de verzorging en opvoeding ten minste drie jaren gedurende de minderjarigheid te hebben geduurd. Indien ten aanzien van tot hetzelfde gezin behorende minderjarige kinderen een gelijkluidend verzoek om geslachtsnaamswijziging op grond van artikel 3, eerste lid, is of wordt ingewilligd, wordt het verzoek echter niet afgewezen op de enkele grond dat de verzorging en opvoeding minder dan drie jaren gedurende de minderjarigheid heeft geduurd.

3. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot derde lid.

G. Het opschrift boven artikel 5 vervalt.

H. Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

  • 1. Op verzoek van een meerderjarige wordt zijn geslachtsnaam gewijzigd:

    a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam hij niet heeft, indien hij op de voet van artikel 5, tweede, derde, vierde, of vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn geslachtsnaam heeft gekregen of indien hij op grond van artikel IV van de Wet houdende wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en in verband daarmede van enige andere artikelen van dit Wetboek de naam van zijn moeder heeft gekregen;

    b. in de geslachtsnaam van de ouder in wiens geslachtsnaamswijziging hij niet heeft gedeeld omdat hij ten tijde van de wijziging meerderjarig was;

    c. in zijn oorspronkelijke geslachtsnaam, indien de geslachtsnaam door zijn huwelijk is gewijzigd in die van de echtgenoot en dat huwelijk inmiddels is ontbonden.

  • 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt slechts ingewilligd indien het is ingediend binnen drie jaren nadat de meerderjarigheid is bereikt.

I. Het opschrift boven artikel 6 komt te luiden: Overige bepalingen.

J. In artikel 6 wordt «wordt slechts ingewilligd» vervangen door: kan worden ingewilligd.

ARTIKEL II

Indien het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede van enige andere wetten (kamerstukken II 1999/2000, 26 862) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging zoals dit komt te luiden na inwerkingtreding van dit besluit, als volgt gewijzigd:

In artikel 5, eerste lid, onder a, wordt «of vijfde lid» vervangen door: , vijfde of zesde lid.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op 15 februari 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 20 januari 2001

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek

Uitgegeven de dertigste januari 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot wijziging van het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging, dat op 1 januari 1998 in werking is getreden. De wijzigingen zijn deels van technische en grammaticale aard en deels van inhoudelijke aard. Zij zijn ingegeven door de praktijk, zoals deze is ontstaan na de inwerkingtreding van het nieuwe naamrecht per 1 januari 1998. De wijzigingen zullen hieronder artikelsgewijs worden toegelicht.

Artikel I

Artikel 1

De wijziging van artikel 1 is van technische aard. In artikel 1, tweede lid, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, was een «hardheidsclausule» opgenomen voor het geval niet werd voldaan aan alle in het eerste lid gestelde voorwaarden. Indien niet werd voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, maar het achterwege blijven van een geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden, kon een verzoek om geslachtsnaamswijziging desalniettemin worden ingewilligd. In artikel 6 is eveneens een «hardheidsclausule» opgenomen voor het geval niet is voldaan aan een van de voorgaande bepalingen. Gelet op de formulering van artikel 6 kunnen ook de gevallen, bedoeld in het genoemde tweede lid van artikel 1, onder deze bepaling worden gebracht. De bepaling van artikel 1, tweede lid, vervalt daarom. Het voorgaande geldt evenzeer voor artikel 3, vijfde lid, en artikel 4, derde lid. De vervallen bepalingen waren geformuleerd als «kan-bepalingen». Artikel 6 was geformuleerd als een imperatieve bepaling. Er is echter geen verschil in behandeling beoogd. Op advies van de Raad van State is artikel 6 thans eveneens als een «kan-bepaling» geformuleerd.

Artikel 3

De wijziging van artikel 3, vierde lid, onder a, betreft een taalkundige aanpassing. De schrapping van het vijfde lid is toegelicht onder artikel 1.

Artikel 3a

Na artikel 3 wordt een nieuw artikel 3a ingevoegd. In verband daarmee is ook het opschrift boven de artikelen 3 en 4 aangepast, teneinde aan te geven dat het niet steeds zal gaan om een wijziging van de geslachtsnaam van een kind in die van zijn verzorger. Tevens is in verband hiermee het opschrift boven artikel 5 verplaatst.

In de praktijk is gebleken dat met enige regelmaat verzoeken om geslachtsnaamswijziging worden ingediend teneinde eenheid van geslachtsnaam binnen het gezin te bewerkstelligen. Het gaat hierbij om gevallen waarin bij geboorte door toepassing van regels van internationaal privaatrecht verschil in geslachtsnaam tussen kinderen van dezelfde ouders is ontstaan. Het verschil in naam kan ook zijn ontstaan ter gelegenheid van de erkenning, de wettiging of de adoptie van een kind.

De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft in enkele uitspraken, die zijn gedaan onder het voor 1 januari 1998 geldende beleid (neergelegd in de «Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging»), geoordeeld dat in dergelijke gevallen geslachtsnaamswijziging mogelijk moet zijn (R02.89.2530 en R02.89.0048). Het betrof hier kinderen die naast de Spaanse nationaliteit tevens de Nederlandse nationaliteit bezaten en waarvoor, via de geslachtsnaamswijzigingsprocedure, hier te lande werd verzocht de naar Spaans recht gebruikelijke geslachtsnaam in de geboorteakte op te nemen. Deze kinderen hadden reeds, in Spanje geregistreerde broers en zusters die deze samengestelde naam wel droegen. De Afdeling Rechtspraak achtte geen dwingende redenen aanwezig om de onderhavige situatie, waarin kinderen van dezelfde ouders en geboren staande hetzelfde in stand gebleven huwelijk verschillende geslachtsnamen dragen, in stand te houden.

Tot 1 januari 1998 zijn verzoeken om geslachtsnaamswijziging in de hier bedoelde gevallen, mede gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, ingewilligd.

Sinds 1 januari 1998 is het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging, in werking getreden en is de mogelijkheid om in bedoelde gevallen geslachtsnaamswijziging toe te staan niet opgenomen. Dit leidt ertoe dat verzoeken om wijziging van de geslachtsnaam van een kind teneinde eenheid van naam binnen het gezin tot stand te brengen alleen worden ingewilligd indien afwijzing van het verzoek de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden. Dit vereiste is naar mijn oordeel in deze gevallen te streng. In een aantal situaties biedt de Wet conflictenrecht namen, zoals gewijzigd bij Wet van 24 december 1998 (Stb. 1999, 2) weliswaar de mogelijkheid om in internationale gevallen eenheid van naam binnen het gezin tot stand te brengen door het uitbrengen van een naamskeuze. Het komt mij echter wenselijk voor om indien geen naamskeuze is gedaan, dan wel indien de in het Nederlandse recht geboden keuzemogelijkheid niet de gewenste eenheid van naam bewerkstelligt, betrokkenen de mogelijkheid te bieden deze eenheid door middel van naamswijziging tot stand te brengen. Naamsongelijkheid is in deze gevallen toe te schrijven aan verschillen in de regels van naamrecht die volgens de ter plaatse geldende regels van internationaal privaatrecht zijn toegepast. Unificatie van deze conflictenregels is voorlopig niet in zicht. Mede gelet op het feit dat in het huidige Nederlandse naamrecht gelijkheid van naam binnen het gezin een leidend principe is, zijn er goede redenen om in het besluit de mogelijkheid tot geslachtsnaamswijziging voor deze gevallen alsnog op te nemen.

Evenals bij verzoeken op grond van artikel 3 dient de minderjarige van twaalf jaren of ouder in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging en mogen de belangen van het kind zich niet verzetten tegen de inwilliging van het verzoek.

Teneinde continuïteit in geslachtsnaam binnen hetzelfde gezin te waarborgen is in het derde lid de bepaling opgenomen dat een eerste geslachtsnaamswijziging op grond van deze bepaling beslissend is voor eventuele geslachtsnaamswijzigingen op grond van deze zelfde bepaling ten aanzien van volgende kinderen.

Artikel 4

De wijziging van het opschrift boven artikel 4 is toegelicht onder artikel 3a.

In de aanhef van het eerste lid wordt «kan zijn geslachtsnaam worden gewijzigd» vervangen door «wordt zijn geslachtsnaam gewijzigd». Hiermee wordt aangesloten bij de in de overige artikelen gehanteerde formulering. Er is geen verschil beoogd in behandeling van de verzoeken op grond van de verschillende bepalingen.

Ingevolge het eerste lid, onder a, is geslachtsnaamswijziging van een meerderjarige in die van zijn verzorger mogelijk, mits de verzorging en opvoeding gedurende de minderjarigheid ten minste drie jaren heeft geduurd. Het is, gelet op de naamseenheid binnen het gezin, wenselijk dat in de gevallen waarin voor minderjarige kinderen binnen hetzelfde gezin wijziging van de geslachtsnaam in die van de verzorger is of wordt verzocht en dat verzoek is of wordt ingewilligd, ook de geslachtsnaam van het meerderjarig geworden kind op diens verzoek wordt gewijzigd. Afwijzing op de enkele grond dat de verzorging en opvoeding minder dan drie jaren gedurende de minderjarigheid heeft geduurd, zou in die gevallen een onnodige hardheid betekenen.

Voor de schrapping van het derde lid wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging in artikel 1.

Artikel 5

De verplaatsing van het opschrift boven artikel 5 is toegelicht onder artikel 3a.

De bepaling van artikel 5, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, is opgenomen deels in het eerste lid, onder a, en deels in het tweede lid. Meerderjarigen voor wie naamskeuze is gedaan kunnen binnen drie jaren na het bereiken van de meerderjarigheid de gedane keuze ongedaan maken door middel van geslachtsnaamswijziging. Zoals in de nota van toelichting bij het Besluit van 6 oktober 1997 is aangegeven, kan wijziging van de geslachtsnaam in die van de andere ouder ook worden verkregen als de ouders bewust of onbewust geen uitdrukkelijke keuze hebben uitgebracht en het tijdens huwelijk geboren kind of het geadopteerde kind de naam van de vader heeft of het buiten huwelijk geboren kind de naam van de moeder houdt (Stb. 1997, 463, blz. 10). In dat verband was ten onrechte in artikel 5, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, geen verwijzing opgenomen naar artikel 5, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verwijzing is alsnog opgenomen. Verder is aan artikel 5 een tweetal mogelijkheden tot geslachtsnaamswijziging voor meerderjarigen toegevoegd.

Ten eerste is de mogelijkheid opgenomen voor meerderjarigen om geslachtsnaamswijziging te verkrijgen in geval de geslachtsnaam van de ouder is gewijzigd en het kind hierin niet heeft gedeeld wegens het bereiken van de meerderjarige leeftijd. Het verzoek om geslachtsnaamswijziging dient binnen drie jaren na het bereiken van de meerderjarigheid te worden ingediend. Aan deze wijziging ligt dezelfde gedachtengang ten grondslag als aan het nieuwe artikel 3a. Gelet op de naamseenheid binnen het gezin is het wenselijk dat de meerderjarige zijn geslachtsnaam op gelijke wijze kan wijzigen.

Ten tweede is de mogelijkheid opgenomen voor personen wier geslachtsnaam destijds door of in verband met het huwelijk is gewijzigd in die van de toenmalige echtgenoot. Hierbij kan worden gedacht aan Turkse vrouwen die door huwelijk de geslachtsnaam van hun echtgenoot verkrijgen en na de echtscheiding deze geslachtsnaam behouden. Thans kan op grond van artikel 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap in het kader van de naturalisatie tot Nederlander in voorkomende gevallen de geslachtsnaam worden gewijzigd in de oorspronkelijke geslachtsnaam. Indien de echtscheiding echter na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft plaatsgehad, ontbreekt een dergelijke wijzigingsmogelijkheid. Er is geen goede reden om in het kader van de verlening van het Nederlanderschap een dergelijke wijziging wel toe te staan, terwijl deze mogelijkheid niet zou bestaan op een later tijdstip ná de verkrijging van het Nederlanderschap.

Artikel 6

De wijziging van artikel 6 is toegelicht onder artikel 1.

Artikel II

In het voorstel van wet tot wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheidingvan tafel en bed alsmede van enige andere wetten is een wijziging van het naamrecht opgenomen (kamerstukken II 1999/2000, 26 862). Beoogd wordt de opneming van een regeling voor naamskeuze na ontkenning van het vaderschap door de inmiddels hertrouwde moeder van het kind, bedoeld in artikel 199, onderdeel b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Indien de meerderjarige een op grond van de voorgestelde bepaling gekozen geslachtsnaam heeft, dient hij evenals in de andere gevallen van naamskeuze de mogelijkheid te krijgen om door middel van geslachtsnaamswijziging de gedane keuze te herzien. Daarin voorziet de bepaling van artikel II.

Artikel III

In verband met de noodzakelijke aanpassingen van het voorlichtingsmateriaal en de voorlichting aan de gemeenten voor de inwerkingtreding van het besluit is de inwerkingtreding van dit besluit bepaald op 15 februari 2001. In het besluit is geen afzonderlijke bepaling van overgangsrecht opgenomen, en wel om de volgende reden.

Ingevolge dit besluit worden mogelijkheden om geslachtsnaamswijziging te verkrijgen toegevoegd aan het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging. Het nieuwe recht is in alle gevallen gunstiger. Toepassing van de hoofdregel van overgangsrecht – onmiddellijke werking – brengt mee dat het nieuwe recht ook van toepassing is op verzoeken die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit en waarop op dat tijdstip nog niet is beslist. Dit geldt ook indien bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek tot geslachtsnaamswijziging is ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit en daarop nog niet is beslist. Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vindt in bezwaar een algehele heroverweging plaats, met andere woorden, er vindt een ex-nunc toetsing plaats. Dit is anders in geval er beroep bij de rechtbank is ingesteld tegen een afwijzing in bezwaar. In beroep vindt een rechtmatigheidstoetsing ex-tunc plaats. In verband daarmee blijven voor zaken waarin beroep is ingesteld voor de inwerkingtreding van dit besluit de regels gelden zoals deze luidden voor de datum van inwerkingtreding. Hierbij wordt overigens aangenomen dat betrokkene in de gevallen waarin zijn verzoek tot geslachtsnaamswijziging onder de nieuwe regels wel voor inwilliging in aanmerking komt, zijn beroep zal intrekken en een nieuw verzoek zal indienen.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek


XNoot
1

Stb. 1997, 463.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 februari 2001, nr. 31.