Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2001, 367AMvB

Besluit van 16 juli 2001 tot wijziging van rechtspositiebesluiten ten aanzien van de gemeente- en provinciebestuurders

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 mei 2001, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. BW2001/U1008;

Gelet op de artikelen 44, 66, 95 en 96 van de Gemeentewet en de artikelen 43, 65 en 93 van de Provinciewet;

De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2001, No W04.01.0255/I);

Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 5 juli 2001, nr. BW2001/U75794, directoraat-generaal Openbaar Bestuur;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift boven artikel 3 komt te luiden:

Bezoldiging en vergoeding voor ambtskosten

B

1. Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De commissaris ontvangt een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. Deze vergoeding voor ambtskosten bestaat uit:

    a. een ambtstoelage van f 1 400,– en

    b. een vergoeding van overige ambtskosten van f 2 230,–.

2. In artikel 3, derde en zesde lid, wordt «de ambtstoelage» telkens vervangen door: de vergoeding voor ambtskosten.

C

In artikel 5, tweede lid, onder a, wordt «de voor het ambt vastgestelde ambtstoelage» vervangen door: de vergoeding voor ambtskosten.

D

1. Het opschrift boven artikel 7 komt te luiden:

Computer- en communicatieapparatuur

2. Voor de tekst van artikel 7 wordt het cijfer «1.» geplaatst en aan het artikel worden twee nieuwe leden toegevoegd, die luiden:

  • 2. De provincie stelt aan de commissaris voor de uitoefening van het ambt benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het provinciepersoneel geldende pc-privéregeling.

  • 3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent het ter beschikking stellen van de in het tweede lid bedoelde computer- en communicatieapparatuur.

E

In artikel 10a, vierde lid, wordt «ambtstoelage» telkens vervangen door: vergoeding voor ambtskosten.

F

In artikel 10b, derde, vierde en vijfde lid, wordt «ambtstoelage» telkens vervangen door: vergoeding voor ambtskosten.

ARTIKEL II

Het Rechtspositiebesluit burgemeesters 19942 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste, tweede en derde lid worden vervangen door twee leden, die luiden:

  • 1. De burgemeester ontvangt een ambtstoelage voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten overeenkomstig de volgende tabel:

    Inwonersklasse als bedoeld in artikel 5Ambtstoelage per maand
    1 en 2f 1 152,–
    3 en 4f 1 211,–
    5 en 6f 1 262,–
    7 tot en met 11f 1 304,–
  • 2. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.

2. Het vierde lid wordt vernummerd tot het derde lid.

B

In artikel 17, derde lid, wordt «artikel 43» vervangen door: artikelen 43.

C

Voor de tekst van artikel 17a wordt het cijfer «1.» geplaatst en aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. Indien de bezoldiging voor de waarneming minder is dan de bezoldiging voor het burgemeestersambt waaruit hij werkloos werd, wordt door de gemeente een aanvulling op de bezoldiging toegekend, die het verschil bedraagt tussen de bezoldiging voor het ambt waaruit hij werkloos werd en de bezoldiging voor de waarneming. De aanvulling vormt onderdeel van de bezoldiging en werkt door in de berekening van het dagloon voor de uitkering, bedoeld in artikel 46d, eerste lid. De kosten van de aanvulling op de bezoldiging komen ten laste van het Rijk.

D

1. Het opschrift boven artikel 30 komt te luiden:

Computer- en communicatieapparatuur

2. Voor de tekst van artikel 30 wordt het cijfer «1.» geplaatst en aan het artikel worden twee nieuwe leden toegevoegd, die luiden:

  • 2. De gemeente stelt aan de burgemeester voor de uitoefening van het ambt benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het gemeentepersoneel geldende pc-privéregeling.

  • 3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent het ter beschikking stellen van de in het tweede lid bedoelde computer- en communicatieapparatuur.

ARTIKEL III

Het Rechtspositiebesluit gedeputeerden3 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 1 van Hoofdstuk 3 vervalt.

B

Artikel 21 komt te luiden:

Artikel 21

  • 1. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een gedeputeerde een onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten wordt toegekend die ten hoogste f 576,– per maand bedraagt.

  • 2. Ten aanzien van een gedeputeerde van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, geldt in afwijking van het eerste lid een onkostenvergoeding die ten hoogste f 1 201,– per maand kan bedragen.

  • 3. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.

C

In artikel 22, eerste lid en tweede lid, wordt «de vergoeding, bedoeld in artikel 21, eerste lid» telkens vervangen door: de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 21.

D

Na artikel 22 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 22a

De provincie kan, naar bij verordening te stellen regels, aan de gedeputeerde voor de uitoefening van het ambt benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking stellen. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het provinciepersoneel geldende pc-privéregeling.

ARTIKEL IV

Het Rechtspositiebesluit wethouders4 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 1 van Hoofdstuk 3 vervalt.

B

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

  • 1. De raad kan bij verordening bepalen dat aan een wethouder een onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten wordt toegekend tot de maximumbedragen genoemd in volgende tabel:

    Tabel I

    Aantal inwoners gemeenteMaximum onkostenvergoeding per maand
    – 8 000f 233,–
    8 001–14 000f 383,–
    14 001–18 000f 495,–
    18 001–f 540,–
  • 2. Ten aanzien van een wethouder van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, gelden in afwijking van het eerste lid voor de onkostenvergoeding de maximumbedragen genoemd in de volgende tabel:

    Tabel II

    Aantal inwoners gemeenteMaximum onkostenvergoeding per maand
    – 8 000f 485,–
    8 001–14 000f 797,–
    14 001–18 000f 1 031,–
    18 001–f 1 125,–
  • 3. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.

C

In artikel 26, eerste en tweede lid, wordt «de vergoeding, bedoeld in artikel 25, eerste lid» telkens vervangen door: de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 25.

D

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede, derde en vierde lid wordt «artikel 25, tweede lid» telkens vervangen door: artikel 25.

2. In het tweede lid wordt «de vergoeding van overige kosten» vervangen door: de onkostenvergoeding.

E

Na artikel 27 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 27a

De gemeente kan, naar bij verordening te stellen regels, aan de wethouder voor de uitoefening van het ambt benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking stellen. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het gemeentepersoneel geldende pc-privéregeling.

ARTIKEL V

Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. Aan een lid van provinciale staten wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die ten hoogste f 22 019,– per jaar bedraagt.

  • 2. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid voor volwassenen, inclusief bijzondere beloningen en bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 3. Aan een lid van provinciale staten wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die ten hoogste f 156,– per maand bedraagt.

  • 4. Ten aanzien van een lid van provinciale staten van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt in afwijking van het derde lid een onkostenvergoeding die ten hoogste f 325,– per maand bedraagt.

  • 5. De bedragen van de vergoeding van de kosten, bedoeld in het derde en vierde lid, worden per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.

B

In artikel 3 vervalt: ,eerste lid.

C

Na artikel 6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 6a

De provincie kan, naar bij verordening te stellen regels, aan een lid van provinciale staten voor de uitoefening van het statenlidmaatschap benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking stellen. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het provinciepersoneel geldende pc-privéregeling.

D

In artikel 7, eerste, tweede en derde lid, wordt «de tegemoetkoming in de kosten» telkens vervangen door: de onkostenvergoeding.

ARTIKEL VI

Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden6 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. Aan een lid van de raad wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel I bij dit besluit.

  • 2. De bedragen, genoemd in tabel I, worden per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaarvastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid voor volwassenen inclusief bijzondere beloningen en bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 3. Aan een lid van de raad wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel II bij dit besluit.

  • 4. Ten aanzien van een lid van de raad van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, gelden in afwijking van het tweede lid voor de vergoeding de maximumbedragen, genoemd in tabel III bij dit besluit.

  • 5. De bedragen, genoemd in de tabellen II en III, worden per januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.

B

In artikel 3 wordt «genoemd in tabel I» vervangen door: genoemd in de tabellen I, II en III.

C

In artikel 5, eerste lid, wordt «genoemd in tabel I» vervangen door: genoemd in de tabellen I, II en III.

D

In artikel 7 wordt «tegemoetkoming in de kosten» vervangen door: onkostenvergoeding.

E

Na artikel 7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 7a

De gemeente kan, naar bij verordening te stellen regels, aan het lid van de raad voor de uitoefening van het raadslidmaatschap benodigde computer- en communicatieapparatuur ter beschikking stellen. Het ter beschikking stellen van computerapparatuur kan geschieden door het bieden van een mogelijkheid tot deelname aan een voor het gemeentepersoneel geldende pc-privéregeling.

F

In artikel 8, eerste, tweede en derde lid wordt «de tegemoetkoming in de kosten» telkens vervangen door: de onkostenvergoeding.

G

In artikel 14, eerste en derde lid, wordt «genoemd in tabel II» telkens vervangen door: genoemd in tabel IV.

H

In artikel 15 wordt «genoemd in tabel II» vervangen door: genoemd in tabel IV.

I

Artikel 16, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «tegemoetkoming in de kosten» wordt vervangen door: onkostenvergoeding.

2. «De artikelen 2 tot en met 4» wordt vervangen door: De artikelen 2 tot en met 4 en 7a.

J

De tabellen I en II worden vervangen door de bij dit besluit opgenomen tabellen I, II, III en IV.

ARTIKEL VII

  • 1. Degene die in de periode van 1 januari 1998 tot 25 maart 2000 het ambt heeft bekleed van gedeputeerde of wethouder kan voor elk van de jaren 1998, 1999 en 2000, waarover hij premie heeft betaald voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, verzoeken om een tegemoetkoming waarvan de hoogte wordt berekend op de wijze als aangegeven in de volgende leden.

  • 2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor elk van de jaren 1998 en 1999 berekend door het bedrag van de in het betreffende jaar genoten bezoldiging als gedeputeerde dan wel wethouder vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, doch in totaal niet meer dan f 84 000, te verminderen met f 29 000, en vervolgens te vermenigvuldigen met het in het betreffende jaar geldende percentage voor de premie voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. De tegemoetkoming bedraagt echter niet meer dan de betaalde premie.

  • 3. De hoogte van de tegemoetkoming voor het jaar 2000 wordt berekend door het bedrag van de in dat jaar tot 25 maart 2000 in het betreffende ambt genoten bezoldiging vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, doch in totaal niet meer dan f 84 000, te verminderen met f 29 000 en vervolgens te vermenigvuldigen met het in dat jaar geldende percentage voor de premie voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. De tegemoetkoming bedraagt echter niet meer dan de betaalde premie.

  • 4. Indien voor een betrokkene in een of meer van de jaren 1998, 1999 en 2000 ook andere inkomensbestanddelen tot het premie-inkomen zijn gerekend, wordt het in de vorige leden genoemde bedrag van f 29 000 voor het betreffende jaar op zijn verzoek vermenigvuldigd met een factor waarvan de teller het premie-inkomen als gedeputeerde dan wel wethouder is en de noemer het totale premie-inkomen.

ARTIKEL VIII

Indien na 1 januari 2002 uitvoering wordt gegeven aan artikel VII, wordt het bedrag van de tegemoetkoming berekend overeenkomstig de tekst van dat artikel en vervolgens omgezet in Euro.

ARTIKEL IX

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 16 juli 2001

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties a.i.,

W. Kok

Uitgegeven de zestiende augustus 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Tabel I. Vergoeding van de werkzaamheden raadsleden

GemeenteklasseAantal inwoners gemeenteMaximum vergoeding werkzaamheden per maand
1– 6 000f 316,–
2 6 001– 8 000f 350,–
3 8 001– 10 000f 407,–
4 10 001– 12 000f 472,–
5 12 001– 14 000f 553,–
6 14 001– 18 000f 696,–
7 18 001– 24 000f 862,–
8 24 001– 30 000f 1 084,–
9 30 001– 40 000f 1 338,–
10 40 001– 50 000f 1 709,–
11 50 001– 60 000f 1 857,–
12 60 001– 80 000f 2 029,–
13 80 001–100 000f 2 173,–
14100 001–125 000f 2 330,–
15125 001–150 000f 2 467,–
16150 001–250 000f 2 615,–
17250 001–375 000f 2 874,–
18375 001–f 3 499,–

Tabel II. Onkostenvergoeding raadsleden

GemeenteklasseAantal inwoners gemeenteMaximum onkostenvergoeding per maand
1– 6 000f 72,–
2 6 001– 8 000f 76,–
3 8 001– 10 000f 83,–
4 10 001– 12 000f 90,–
5 12 001– 14 000f 101,–
6 14 001– 18 000f 115,–
7 18 001– 24 000f 134,–
8 24 001– 30 000f 155,–
9 30 001– 40 000f 184,–
10 40 001– 50 000f 224,–
11 50 001– 60 000f 238,–
12 60 001– 80 000f 256,–
13 80 001–100 000f 271,–
14100 001–125 000f 288,–
15125 001–150 000f 303,–
16150 001–250 000f 317,–
17250 001–375 000f 361,–
18375 001–f 433,–

Tabel III. Onkostenvergoeding raadsleden (bij fictieve dienstbetrekking)

GemeenteklasseAantal inwoners gemeenteMaximum onkostenvergoeding per maand
1– 6 000f 150,–
2 6 001– 8 000f 158,–
3 8 001– 10 000f 173,–
4 10 001– 12 000f 188,–
5 12 001– 14 000f 210,–
6 14 001– 18 000f 240,–
7 18 001– 24 000f 278,–
8 24 001– 30 000f 323,–
9 30 001– 40 000f 383,–
10 40 001– 50 000f 466,–
11 50 001– 60 000f 496,–
12 60 001– 80 000f 533,–
13 80 001–100 000f 564,–
14100 001–125 000f 601,–
15125 001–150 000f 631,–
16150 001–250 000f 661,–
17250 001–375 000f 751,–
18375 001–f 902,–

Tabel IV. Vergoeding commissieleden

GemeenteklasseAantal inwoners gemeenteMaximum vergoeding per maand
1– 10 000f 95,–
2 10 001– 20 000f 105,–
3 20 001– 50 000f 126,–
4 50 001–100 000f 155,–
5100 001–250 000f 198,–
6250 001–f 251,–

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Met dit besluit worden de regelingen omtrent de vergoeding van kosten voor gemeente- en provinciebestuurders aangepast. De aanpassing houdt verband met de toepassing van de belastingwetgeving en geschiedt ter uitvoering van het kabinetsvoornemen om ten aanzien van de kosten en voorzieningen voor alle (politieke) functionarissen in het openbaar bestuur een consistente en uniforme lijn van redeneren te hanteren.1 Over de invoering van de nieuwe systematiek zijn gemeenten en provincies reeds bij circulaire geïnformeerd.2

1. Aanleiding

Gemeente- en provinciebestuurders maken in het kader van de uitoefening van hun functie kosten. Voor deze bestuurlijke kosten ontvangen de politieke ambtsdragers onkostenvergoedingen. Naast vergoedingen voor nader aangeduide kosten zoals reis- en verblijfkosten, hebben de ambtsdragers aanspraak op een vaste (forfaitaire) onkostenvergoeding. Tot voor kort waren deze vergoedingen vrijgesteld van belastingen. Vaste kostenvergoedingen kunnen alleen belastingvrij worden verstrekt voorzover deze naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd. De belastingdienst kan verlangen dat een onbelaste vaste kostenvergoeding met behulp van een steekproef wordt onderbouwd. Aan een groep werknemers kan alleen een zelfde vaste kostenvergoeding belastingvrij worden verstrekt als die groep homogeen is in die zin dat er sprake is van een uniform kostenpatroon. Op verzoek van de belastingdienst is in 1999 door het onderzoeksbureau SGBO in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg een onderzoek verricht naar de werkelijk gemaakte kosten waarvoor de vaste kostenvergoedingen worden toegekend. De belangrijkste uitkomst van het onderzoek was dat de gemiddelde feitelijke kosten veelal in overeenstemming waren met de vergoedingen, maar dat er in de uitgaven binnen de onderscheiden kostencategorieën een behoorlijke spreiding was. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek heeft de belastingdienst geconcludeerd dat de bestaande vaste kostenvergoedingen in de belastingheffing betrokken worden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vervolgens voorstellen gedaan voor een aangepaste systematiek. De nieuwe regeling voor de kostenvergoedingen van provincie- en gemeentebestuurders is een nadere uitwerking van de lijn die is gevolgd bij het ontwerpen van het nieuwe voorzieningenstelsel voor bewindslieden. De voorstellen zijn besproken met de VNG, het IPO, het Georganiseerd Overleg Burgemeesters en de commissarissen van de Koningin.

2. Belastingherziening 2001

Met de Belastingherziening 2001 zijn de wettelijke regels voor de aftrek van beroepskosten en de onbelaste vergoeding van beroepskosten gewijzigd. Bij de fiscale behandeling van vaste kostenvergoedingen is het onderscheid tussen de groep die in (fictieve) dienstbetrekking staat (werknemers) en zij die geen dienstbetrekking hebben (niet-werknemers) belangrijker geworden. De mogelijkheid van aftrekbare kosten is voor werknemers vervallen. Niet-werknemers behouden de mogelijkheid van aftrekbare kosten.

Burgemeesters en commissarissen zijn in dienstbetrekking. Wethouders, gedeputeerden en raadsleden zijn niet in dienstbetrekking, maar kunnen voor de loonbelasting opteren en worden in dat geval fiscaal als werknemer aangemerkt (fictief werknemerschap).

Voor de belastingheffing wordt de beloning (bezoldiging of vergoeding voor de werkzaamheden) in aanmerking genomen hetzij als belastbaar loon (ingeval van werknemerschap), hetzij als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (ingeval van niet-werknemerschap). Dit onderscheid is van belang voor de genoemde mogelijkheden om onbelaste vergoedingen te ontvangen dan wel beroepskosten te kunnen aftrekken.

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijk bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Onder deze categorie inkomsten valt hetgeen ambtsdragers genieten indien zij niet (fictief) als werknemer worden aangemerkt. Bij resultaat uit overige werkzaamheden zijn eventuele (vaste) vergoedingen integraal als inkomen belast. Beroepskosten kunnen echter, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen langs dezelfde regels als ondernemers, in mindering op het belastbare resultaat worden gebracht. Genieters van resultaat uit overige werkzaamheden hebben evenals ondernemers een wettelijke administratieverplichting.

3. Nieuwe vergoedingsystematiek

Gezien de uitkomsten van het genoemde SGBO-onderzoek en de fiscale regels is geconcludeerd dat de onkostenvergoedingen niet meer onbelast kunnen worden verstrekt. Dit was aanleiding voor een aanpassing. In lijn met de benadering voor bewindslieden is voor de nieuwe systematiek de volgende wijze van redeneren gehanteerd:

– welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en bestuurskosten);

– welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;

– kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden?

– voor die voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een (bruto) vergoeding worden verstrekt.

Bekeken is welke voorzieningen rechtstreeks door de organisatie ter beschikking kunnen worden gesteld. Vervolgens is bezien welke kostensoorten resteren waarvoor een vaste kostenvergoeding toegekend moet worden. Dit betekende dat de (basis van de) huidige regeling voor onkostenvergoedingen aangepast moest worden.

De nieuwe systematiek gaat er vanuit dat een aantal kostencomponenten die deel uitmaakten van de vaste onkostenvergoeding, in de provinciale of gemeentelijke bedrijfsvoering worden ondergebracht en van daaruit beschikbaar worden gesteld en dat vervolgens het resterende deel van de onkostenvergoeding wordt gebruteerd. De kostensoorten fax/pc en cursussen, congressen worden ondergebracht in de bedrijfsvoering. Dit betekent dat deze zaken geacht worden rechtstreeks door de provinciale of gemeentelijke organisatie te worden verstrekt. Dit houdt bijvoorbeeld in dat facturen voor cursussen en congressen direct door de provincie of gemeente worden voldaan of dat genoemde voorzieningen en apparatuur in bruikleen worden gegeven. Dat betekent bijvoorbeeld dat de politieke ambtsdrager door bruikleen de beschikking krijgt over een PC gedurende de periode dat het ambt wordt uitgeoefend. Een onverkorte schenking zou zich niet verdragen met het uitgangspunt dat voorzieningen slechts toegekend dienen te worden met het oog op de vervulling van de publieke functie. Naast een bruikleenconstructie is het overigens ook denkbaar dat een ambtsdrager de beschikking krijgt over een computer door deelname aan een voor het gemeentelijk personeel geldende PC-privé-regeling met inbegrip van de voor het gemeenteof provinciepersoneel geldende werkgeversbijdrage.

Bij gedeputeerden, wethouders en leden van de gemeenteraad en provinciale staten maken telefoonkosten deel uit van de vaste onkostenvergoeding. Indien de gemeente of provincie er toe besluit om voor de uitoefening van het ambt benodigde (mobiele) telefoonvoorzieningen (GSM, ISDN etc.) ter beschikking te stellen, dient de vaste onkostenvergoeding hieraan te worden aangepast.

Voor die aangelegenheden waarvoor een vergoeding wordt verstrekt, is het niveau van de huidige vaste kostenvergoedingen als uitgangspunt genomen. Aan de hand van het SGBO-onderzoek is uitgerekend welk percentage van de totale kosten door deze kostensoorten worden bestreken. Dit betekent dat de gemiddelde uitkomsten van het SGBO-onderzoek niet hebben geleid tot bijstelling, noch in opwaartse noch in neerwaartse zin, van de kostenvergoedingen. Het percentage voor de kostensoorten fax/pc en cursussen, congressen is in mindering gebracht op de huidige vaste kostenvergoeding. Het uiteindelijke bedrag van de nieuwe vaste kostenvergoeding is gebruteerd tegen het belastingtarief van 52% middels de volgende formule:

100/48 X de nieuwe (ongebruteerde) vergoeding.

De brutering heeft geen betrekking op de categorieën ambtsdragers die niet onder het loonbelastingregime vallen en hiervoor ook niet hebben geopteerd. Dit vloeit voort uit de aftrekmogelijkheden van betrokkenen per 1 januari 2001 van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming (zie paragraaf 2). Deze ambtsdragers ontvangen de vergoeding zonder de brutering. De gemeenten en provincies ontvangen voor de kosten van de brutering compensatie via het Gemeentefonds respectievelijk het Provinciefonds.

De vraag kan gesteld worden of, als de (gebruteerde) onkostenvergoeding niet meer onbelast wordt toegekend, dit betekent dat de onkostenvergoeding ook als inkomen wordt gerekend bij de toepassing van bijvoorbeeld uitkeringsregelingen die een inkomensbegrip hanteren.

Het feit dat de (gebruteerde) onkostenvergoedingen aan belastingheffing zijn onderworpen, betekent in ieder geval niet dat de onkostenvergoedingen deel uitmaken van de berekeningsgrondslag voor wachtgeld en pensioen ingevolge de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa), noch voor bijvoorbeeld de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP.

In de regel zullen de onkostenvergoedingen wel betrokken worden bij uitkeringsregelingen met bepalingen over de verrekening van (neven-) inkomsten met de uitkering; zogenoemde anti-cumulatie-regelingen. Voor werknemers (in fiscale zin) vallen belaste onkostenvergoedingen onder het begrip belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid. Voor de niet-werknemers vallen belaste kostenvergoedingen, verminderd met de aftrekbare kosten, onder het begrip belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

Bij regelingen die voor de anti-cumulatie uitgaan van dit begrippenkader komen de belaste (gebruteerde) onkostenvergoedingen dan ook in aanmerking voor verrekening. Dit geldt bijvoorbeeld voor de regeling omtrent de verrekening van inkomsten met een Appa-uitkering. Deze verrekening geldt voor de belastbare onkostenvergoeding die men als kamerlid ontvangt, op dezelfde wijze als bij eventuele andere belastbare beroeps- of onkostenvergoedingen die men ontvangt in het kader van andere functies. Er zij op gewezen dat dit ook de regel is bij diverse andere uitkerings- en inkomensafhankelijke regelingen. Een specifieke voorziening voor de regelingen ten aanzien van gemeente- en provinciebestuurders is dan ook niet aangewezen.

4. Overig

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om op een aantal andere punten een wijziging van de rechtspositiebesluiten aan te brengen. Dit betreft de aanvulling op de bezoldiging voor waarnemend burgemeesters en het schrappen van de artikelen over de overhevelingstoeslag voor wethouders en gedeputeerden.

Tevens is in dit besluit voorzien in een tegemoetkoming voor wethouders en gedeputeerden ter compensatie voor het inkomensnadeel dat zij in de jaren 1998, 1999 en 2000 hebben geleden in verband met de toepasselijkheid van de WAZ.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I (Commissarissen van de Koning)

Onderdelen A en B (artikel 3)

Evenals bij de andere categorieën beroepsgroepen, worden bepaalde voorzieningen waarvoor nu een vergoeding wordt toegekend, direct ter beschikking gesteld aan de commissarissen danwel direct door de provincie bekostigd. Deze voorzieningen maken geen deel meer uit van de vaste vergoedingen. Bij de commissarissen worden de kostenposten fax, personal computer (PC), cursussen, congressen, vakliteratuur en excursies geacht voortaan vanuit de bedrijfsvoering direct ter beschikking te worden gesteld. Deze kostencomponenten maken geen deel meer uit van de vaste vergoedingen van de commissarissen.

De commissarissen ontvangen ingevolge artikel 3, tweede lid, onderdeel a, een ambtstoelage voor de volgende kostencomponenten:

– representatie waaronder mede begrepen grootschalige diners en ontvangsten thuis,

– contributies, lidmaatschappen.

De aard van het ambt brengt met zich mee dat in omvangrijke mate representatieve activiteiten worden verricht. Van grootschalige ontvangsten en diners is sprake indien het tenminste 6 respectievelijk 20 genodigden betreft. De aldus samengestelde ambtstoelage ten bedrage van f 1 400,- wordt zonder brutering toegekend. Voor commissarissen bestaat overigens de mogelijkheid om tegenover de inspecteur van de belastingdienst op individueel niveau aannemelijk te maken dat de werkelijke uitgaven voor de vermelde kostencategorieën overeenstemmen met de toegekende ambtstoelage. Vervolgens kan de inspecteur ten aanzien van die commissaris bepalen of en in hoeverre de ambtstoelage onbelast kan blijven.

Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, ontvangen de commissarissen een deel van de onkostenvergoeding als vergoeding van overige ambstkosten. Dit deel van de vergoeding heeft betrekking op:

– bureaukosten, porti,

– ontvangsten thuis (met uitzondering van bovenbedoelde grootschalige diners en ontvangsten),

– zakelijke giften.

Het daartoe strekkende deel van de vergoeding ten bedrage van f 1 070,- wordt gebruteerd toegekend wat leidt tot een bedrag van f 2 230,- per maand.

Onderdeel C, E en F (artikelen 5, 10a en 10b)

De ambtstoelage en vergoeding voor overige kosten tezamen worden in artikel 3 aangeduid als «vergoeding voor ambtskosten». De artikelen waarin naar de vaste onkostenvergoeding wordt verwezen, worden dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel D (artikel 7)

Bepaalde voorzieningen waarvoor voorheen een vergoeding werd toegekend, worden voortaan direct door de provincie aan de commissaris ter beschikking gesteld. Aan artikel 7 wordt een tweede lid toegevoegd dat de terbeschikkingstelling regelt van de benodigde computer- en communicatieapparatuur (PC, ISDN-aansluiting, fax, telefoon e.d.).

Indien er geen telefoonvoorzieningen worden verstrekt, blijft de rijksregeling voor het gebruik van de privé-telefoonaansluiting voor dienstdoeleinden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van toepassing.

Artikel II (Burgemeesters)

Onderdeel A (artikel 16)

De nieuwe bedragen voor de ambtstoelagen burgemeesters zijn opgenomen in de tabel bij artikel 16, eerste lid. Er gelden vier bedragen afhankelijk van de inwonersklasse die ingevolge artikel 5 van het rechtspositiebesluit op de desbetreffende burgemeester van toepassing is. De vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:

– Vakliteratuur

– Excursies

– Bureaukosten, porti

– Contributies, lidmaatschappen

– Ontvangsten thuis

– Representatie

– Zakelijke giften

De nieuwe bedragen zijn als volgt vastgesteld. De kostensoorten fax/pc en cursussen, congressen worden in de bedrijfsvoering ondergebracht en worden geacht rechtstreeks door de gemeente te worden verstrekt. Op grond van gemiddelden uit het SGBO onderzoek uit 1998 is berekend welk percentage van de totale kosten door deze kostensoorten werden bestreken. Dit percentage is in mindering gebracht op de bestaande ambtstoelage. Het resterende deel van de ambtstoelage is gebruteerd op de wijze zoals beschreven in het algemene deel van de toelichting. Onder de onder de ambtstoelage ressorterende kostensoort «contributies, lidmaatschappen» behoort niet de contributie voor het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB). Gelet op het belang van de activiteiten van het genootschap voor de ambtsvervulling, is overeengekomen dat deze contributie voor de burgemeester direct door de gemeente wordt voldaan.

Onderdeel B (artikel 17)

Dit betreft een correctie van een schrijffout.

Onderdeel C (artikel 17a)

In de praktijk is gebleken dat er bij voormalig burgemeesters met een werkloosheidsuitkering een nadeel kan optreden in de pensioensfeer indien zij belast worden met de waarneming van het burgemeesterschap. Door het vervullen van de waarneming in een kleinere gemeente dan de gemeente van waaruit de voormalig burgemeester werkloos werd, wordt de bezoldiging lager en daarmee ook de pensioengrondslag. Weliswaar voorziet het Besluit bovenwettelijke uitkeringen sector Rijk in de mogelijkheid van een loonaanvulling indien de bezoldiging lager is dan de bezoldiging van waaruit de betrokkene werkloos werd, maar deze aanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen.

Ingevolge het nieuwe tweede lid van artikel 17a wordt, indien de bezoldiging voor de waarneming minder is dan de bezoldiging voor het burgemeestersambt waaruit hij werkloos werd, door de gemeente een aanvulling op de bezoldiging toegekend. Deze aanvulling bedraagt het verschil tussen de bezoldiging voor het ambt waaruit hij werkloos werden de bezoldiging voor de waarneming. De loonaanvulling heeft doorwerking naar de pensioengrondslag. De gemeente krijgt de kosten van de loonaanvulling door het Rijk vergoed.

Onderdeel D (artikel 30)

Aan artikel 30 wordt een tweede lid toegevoegd dat de terbeschikkingstelling aan de burgemeester regelt van de benodigde computer- en communicatieapparatuur (PC, ISDN-aansluiting, fax, telefoon e.d.). Ten aanzien van deze door de Kroon benoemde bestuurders wordt het wenselijk geacht dat de aanspraak op de benodigde apparatuur imperatief wordt geformuleerd. Indien er geen telefoonvoorzieningen worden verstrekt, blijft de rijksregeling voor het gebruik van de privé-telefoonaansluiting voor dienstdoeleinden als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van toepassing.

Artikel III (Gedeputeerden)

Onderdeel A (artikelen 7 en 8)

Paragraaf 1 van hoofdstuk 3 bevatte bepalingen over de toekenning van een pseudo-overhevelingstoeslag aan gedeputeerden. De bepalingen kunnen worden geschrapt aangezien de overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 is vervallen en in de lonen gebruteerd. Zie ook onderdeel A van artikel IV.

Onderdeel B en C (artikelen 21 en 22)

Artikel 21 behelst de vaste vergoeding voor de aan het ambt verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:

– Representatie

– Vakliteratuur

– Contributies, lidmaatschappen

– Telefoonkosten

– Bureaukosten, porti

– Zakelijke giften

– Bijdrage aan fractiekosten

– Ontvangsten thuis

– Excursies

Overeenkomstig de hierboven toegelichte algemene lijn maken de kostensoorten fax/pc en cursussen, congressen geen deel meer uit van de vergoeding. Het alsdan resterende bedrag is opgenomen in het eerste lidvan artikel 21. Het tweede lid bevat het gebruteerde bedrag. Zoals in het algemene deel ook reeds is toegelicht, geldt het gebruteerde bedrag uitsluitend voor gedeputeerden die op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 hebben geopteerd voor het loonbelastingregime.

Artikel 22 wordt aangepast aan de in artikel 21 gehanteerde terminologie van de vaste onkostenvergoeding.

Artikel IV (Wethouders)

Onderdeel B (artikel 25)

Het eerste lid van artikel 25 bevat de tabel met de nieuwe bedragen van de maximale onkostenvergoedingen voor wethouders geldend voor de respectievelijke inwonersklassen. De vergoeding is opgebouwd op basis van de ook bij gedeputeerden genoemde kostencomponenten.

De tabel in het tweede lid heeft betrekking op wethouders die hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor deze wethouders gelden gebruteerde bedragen voor de onkostenvergoeding.

De artikelen V en VI (Raads- en statenleden)

Het nieuwe bedrag voor de vaste vergoeding van leden van provinciale staten wordt genoemd in het derde lid van artikel 2 van het rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Het vierde lid betreft het gebruteerde bedrag dat geldt voor statenleden die hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. De bedragen van de onkostenvergoedingen voor gemeenteraadsleden zijn opgenomen in bijlagen bij het rechtspositiebesluit raadsen commissieleden (tabellen II en III). De vergoedingen zijn opgebouwd op basis van de kostencomponenten genoemd die ook bij wethouders en gedeputeerden zijn genoemd.

De terbeschikkingstelling van computer- en communicatieapparatuur aan raads- en statenleden wordt geregeld in artikel 6a van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden respectievelijk artikel 7a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Het laatstgenoemde artikel is van overeenkomstige toepassing op leden van de raad van een deelgemeente (zie nieuw artikel 16, eerste lid). De terbeschikkingstelling van computer- en communicatieapparatuur dient bij verordening te worden geregeld. Daarbij zij opgemerkt dat deze verordening dient te worden aangemerkt als een verordening bedoeld in artikel 99 van de Gemeentewet. In het wetsartikel is bepaald dat gemeenteraadsleden voordelen ten laste van de gemeente, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, slechts genieten voor zover de raad dit bij – door gedeputeerden staten goed te keuren – verordening heeft bepaald. De wetgever heeft het wenselijk geacht dat de toekenning van dergelijke faciliteiten voor rekening van de gemeente inzichtelijk wordt geregeld.1 Voor de toekenning van faciliteiten aan leden van provinciale staten bevat artikel 96, tweede lid, van de Provinciewet een overeenkomstige bepaling.

De artikelen VII en VIII (Waz-compensatie)

Met ingang van 1 januari 1998 zijn onder meer gedeputeerden en wethouders onder de werking van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) gebracht.

Bij besluit van 28 januari 2000, houdende wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz, zijn zij van de werkingssfeer uitgezonderd met ingang van de datum waarop zij rechtstreeks onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zullen zijn gebracht2. Het betreffende wetsvoorstel1 kent op dit punt een terugwerkende kracht tot en met 25 maart 2000.

In algemene zin wordt voor de rechtspositie van bedoelde politieke ambtsdragers zoveel mogelijk aangesloten bij die van ambtenaren. In vergelijking tot ambtenaren hebben bedoelde politieke ambtsdragers in 1998, 1999 en 2000 als gevolg van de toepasselijkheid van de Waz een inkomensnadeel geleden. Voor hen is namelijk net als bij ambtenaren de overhevelingstoeslag aanzienlijk verlaagd, maar zij moesten – anders dan de ambtenaren, waarvoor de premie voor arbeidsongeschiktheid een werkgeverspremie werd – wel zelf premie blijven betalen. Tegenover dit inkomensnadeel voor de politieke ambtsdragers staat een voordeel voor de «werkgevers» van de politieke ambtsdragers. Net zo als de werkgever van ambtenaren hebben zij aanzienlijk minder overhevelingstoeslag hoeven te betalen, waar echter niet tegenover stond dat de premie voor de arbeidsongeschiktheid door hen moest worden betaald. Het betreft hier een structureel voordeel.

In verband met een en ander wordt het redelijk geacht dat de «werkgevers» van de bedoelde politieke ambtsdragers hen compenseren voor het inkomensnadeel dat zij in de jaren 1998,1999 en 2000 hebben geleden.

Als algemene regeling wordt voorgesteld dat de betreffende politieke ambtsdrager over de jaren dat hij premie voor de Waz heeft betaald, kan verzoeken om een tegemoetkoming. In het tweede en derde lid van artikel VII wordt aangegeven hoe die tegemoetkoming berekend wordt. De in de betreffende periode genoten bezoldiging als gedeputeerde of wethouder vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, doch niet meer dan f 84 000, wordt verminderd met f 29 000 en vervolgens vermenigvuldigd met het percentage van de Waz-premie. De bedragen van f 84 000 en f 29 000 hangen samen met het feit dat er voor de Waz in de betreffende jaren een maximumpremie-inkomen gold van f 84 000 en een premievrij-inkomen van f 29 000. De hoogte van de vakantieuitkering bedroeg in de betreffende jaren 8% en de hoogte van de eindejaars-uitkering bedroeg in de jaren 1998 en 1999 0,8% en in 2000 1%.

De Waz-premie bedroeg achtereenvolgens in 1998 7,9%, in 1999 8,42% en in 2000 8,8%.

In verband met het feit dat de aldus berekende tegemoetkoming hoger kan zijn dan de daadwerkelijk betaalde Waz-premie als gevolg van de aftrek voor de Waz van andere inkomsten ten aanzien waarvan betrokkene onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) viel, is bepaald dat de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de betaalde premie.

In het vierde lid is tenslotte een voorziening getroffen voor de situatie dat voor een betrokkene naast het inkomen als gedeputeerde of wethouder ook andere inkomens tot het premie-inkomen voor de Waz zijn gerekend. In dat geval is het niet redelijk het eerder genoemde premievrije-inkomen van f 29 000 volledig in mindering te brengen op uitsluitend het inkomen als gedeputeerde of wethouder. Op verzoek van betrokkene – die daarvoor zelf de benodigde gegevens zal moeten verstrekken – kan het bedrag van f 29 000 dan in evenredigheid aan de verschillende inkomens worden toegerekend.

Artikel IX

De nieuwe vergoedingsystematiek geldt per 1 januari 2001 en wordt toegepast in samenhang met de belastingherziening 2001. De vereiste aanpassing van de respectievelijke rechtspositiebesluiten dient derhalve met terugwerkende kracht te geschieden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Stb. 1994, 451, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 januari 2001, Stb. 47.

XNoot
2

Stb. 1994, 462, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 januari 2001, Stb. 47.

XNoot
3

Stb. 1994, 241, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juli 1998, Stb. 503.

XNoot
4

Stb. 1994, 243, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juli 1998, Stb. 503.

XNoot
5

Stb. 1994, 242, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juli 1998, Stb. 503.

XNoot
6

Stb. 1994, 244, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juli 1998, Stb. 503.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Zie brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kamerstukken II, 1999–2000, 27 238, nr. 1.

XNoot
2

Stcrt. 2001, nr. 4.

XNoot
1

Kamerstukken II, 1975–1976, 13 238, nr. 6, blz. 13.

XNoot
2

Stb. 2000, 49.

XNoot
1

Kamerstukken II, 27 220.