Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2001, 358Wet

Wet van 16 juli 2001 tot wijziging van de Gemeentewet en de Provinciewet in verband met een aanpassing van de procedure tot benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Gemeentewet en de Provinciewet te wijzigen teneinde de invloed van de raad op de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van de burgemeester respectievelijk de invloed van de provinciale staten op de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van de commissaris van de Koning te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Gemeentewet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 61 wordt vervangen door de artikelen 61, 61a, 61b, 61c, 61d en 61e die luiden:

Artikel 61

  • 1. De burgemeester wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.

  • 2. De commissaris van de Koning overlegt met de raad over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt. De raad geeft daarbij aan of hij een raadplegend referendum over kandidaten zal houden ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming.

  • 3. Na het overleg met de commissaris stelt de raad uit zijn midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. De commissaris verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan de commissaris. Deze brengt zijn oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie.

  • 4. De vertrouwenscommissie verschaft zich door tussenkomst van de commissaris de door haar nodig geachte informatie over de kandidaten. Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de raad en aan de commissaris.

  • 5. De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven, of, indien in overeenstemming met de in artikel 61e genoemde eisen een raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming is gehouden, binnen een maand nadat het raadplegend referendum is gehouden, een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In bijzondere, door de raad te motiveren gevallen, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat.

  • 6. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Artikel 61a

  • 1. De burgemeester kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes jaar.

  • 2. De raad zendt een aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester tenminste vier maanden voor de eerste dag van de maand waarin de herbenoeming dient in te gaan, aan Onze Minister door tussenkomst van de commissaris van de Koning.

  • 3. Voordat de raad een aanbeveling opstelt, overlegt hij met de commissaris over het functioneren van de burgemeester.

  • 4. De commissaris brengt advies uit aan Onze Minister over de aanbeveling van de raad.

  • 5. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de commissaris dan wel op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 61b

  • 1. De burgemeester kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.

  • 2. Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad, kan de raad, door tussenkomst van de commissaris van de Koning, een aanbeveling tot ontslag zenden aan Onze Minister.

  • 3. Voordat de raad verklaart dat van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad sprake is, overlegt hij met de commissaris over de aanleiding tot die verklaring.

  • 4. Een aanbeveling vormt geen onderwerp van beraadslagingen en wordt niet vastgesteld dan nadat de raad tenminste twee weken en ten hoogste drie maanden tevoren heeft verklaard, dat tussen de burgemeester en de raad sprake is van een verstoorde verhouding.

  • 5. De oproeping tot de vergadering waarin over de aanbeveling wordt beraadslaagd of besloten, wordt tenminste achtenveertig uur voor de aanvang of zoveel eerder als de raad heeft bepaald, bij de leden van de raad bezorgd. Zij vermeldt het voorstel tot de aanbeveling.

  • 6. De commissaris brengt advies uit aan Onze Minister over de aanbeveling.

  • 7. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de commissaris dan wel op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 61c

  • 1. De beraadslagingen, bedoeld in de artikelen 61, derde en vierde lid, 61a, derde lid, en 61b, derde lid, vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.

  • 2. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan de raad worden gezonden dan wel die door de raad aan Onze Minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.

  • 3. De aanbevelingen van de raad, bedoeld in artikel 61, vijfde lid, artikel 61a, tweede lid, en artikel 61b, tweede lid, zijn openbaar.

Artikel 61d

  • 1. De commissaris verricht de werkzaamheden, genoemd in de artikelen 61, 61a en 61b, volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de burgemeester te volgen procedure.

Artikel 61e

De raad betrekt de uitslag van het in artikel 61, tweede lid, bedoelde referendum bij de vaststelling van zijn aanbeveling inzake de benoeming, indien het referendum overeenkomstig de volgende eisen is gehouden:

a. Gerechtigd tot deelname aan het referendum zijn zij die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad en op de dag waarop het referendum gehouden wordt de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

b. Het object van het referendum bestaat uit de namen van twee sollicitanten die door de vertrouwenscommissie zijn ontvangen en door de raad benoembaar worden geacht. De referendumgerechtigden wordt de vraag voorgelegd welke sollicitant zij als eerste op de aanbeveling wensen.

c. De opkomst is ten minste dertig procent van het aantal referendumgerechtigden.

B

In artikel 73, tweede lid, vervalt «, onder g,».

ARTIKEL II

De Provinciewet2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 61 wordt vervangen door de artikelen 61, 61a, 61b, 61c en 61d die luiden:

Artikel 61

  • 1. De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.

  • 2. Onze Minister overlegt met provinciale staten over de eisen die aande te benoemen commissaris worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt.

  • 3. Na het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten uit hun midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. Onze Minister verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van commissaris hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister. Deze brengt zijn oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie.

  • 4. De vertrouwenscommissie verschaft zich de door haar nodig geachte informatie over de kandidaten. Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de staten en aan Onze Minister.

  • 5. Provinciale staten zenden Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen. In bijzondere, door provinciale staten te motiveren gevallen, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat.

  • 6. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.

Artikel 61a

  • 1. De commissaris van de Koning kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes jaar.

  • 2. Provinciale staten zenden een aanbeveling inzake de herbenoeming van de commissaris tenminste vier maanden voor de eerste dag van de maand waarin de herbenoeming dient in te gaan, aan Onze Minister.

  • 3. Voordat provinciale staten een aanbeveling opstellen, overleggen zij met Onze Minister over het functioneren van de commissaris.

  • 4. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts op zwaarwegende gronden af van de aanbeveling.

Artikel 61b

  • 1. De commissaris van de Koning kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.

  • 2. Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de commissaris en provinciale staten, kunnen de staten een aanbeveling tot ontslag zenden aan Onze Minister.

  • 3. Voordat de staten verklaren dat van een verstoorde verhouding tussen de commissaris en de staten sprake is, overleggen zij met Onze Minister over de aanleiding tot die verklaring.

  • 4. Een aanbeveling vormt geen onderwerp van beraadslagingen en wordt niet vastgesteld dan nadat provinciale staten tenminste twee weken en ten hoogste drie maanden tevoren hebben verklaard, dat tussen de commissaris en de staten sprake is van een verstoorde verhouding.

  • 5. De oproeping tot de vergadering waarin over de aanbeveling wordt beraadslaagd of besloten, wordt tenminste achtenveertig uur voor de aanvang of zoveel eerder als provinciale staten hebben bepaald, bij de leden van de staten bezorgd. Zij vermeldt het voorstel tot de aanbeveling.

  • 6. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling op zwaarwegende gronden.

Artikel 61c

  • 1. De beraadslagingen, bedoeld in de artikelen 61, derde en vierde lid, 61a, derde lid, en 61b, derde lid, vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.

  • 2. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan provinciale staten worden gezonden dan wel die door provinciale staten aan Onze Minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.

  • 3. De aanbevelingen van de staten, bedoeld in artikel 61, vijfde lid, 61a, tweede lid, en 61b, tweede lid, zijn openbaar.

Artikel 61d

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de commissaris van de Koning te volgen procedure.

B

In artikel 72, tweede lid, vervalt «, onder f,».

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te Tavarnelle, 16 juli 2001

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties a.i.,

A. H. Korthals

Uitgegeven de eenendertigste juli 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1994, 762, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2001, Stb. 111.

XNoot
2

Stb. 1998, 276, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 januari 2001, Stb. 85.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/1997, 1997/1998, 1998/1999, 1999/2000, 25 444.

Handelingen II 1999/2000, blz. 6495–6535; 6571–6588; 6590–6612; 2000/2001, blz. 178–179.

Kamerstukken I 2000/2001, 25 444 (11, 11a, 11b, 11c, 11d, 11e, 11f).

Handelingen I 2000/2001, blz. 1531–1552; 1585–1603; 1612–1628, zie vergadering d.d. 10 juli 2001.