Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2001, 303AMvB

Besluit van 20 juni 2001, houdende wijziging van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen door het stellen van nadere regels over de wijze van heffen van de belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën, van 19 december 2000, nr. FO2000/U102743;

Gelet op artikel 257 van de Gemeentewet;

De Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2001, nr. W04.01.0020/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën, van 7 juni 2001, nr. FO2001/61034;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen1 wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 1 wordt een nieuw artikel 1a ingevoegd, luidende als volgt:

Artikel 1a

  • 1. De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders bedoeld in artikel 234, tweede lid, onder a, van de wet kunnen inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. Het college gaat daartoe slechts over indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten dienste staan.

  • 2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, zal de belastingplichtige voor de voldoening op aangifte tenminste moeten kunnen kiezen tussen een rekening-gebonden chipkaart en een niet-rekening gebonden chipkaart met landelijke dekking. Voorts dienen in de lokale situatie voldoende oplaad- en verkooppunten beschikbaar te zijn.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 20 juni 2001

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de derde juli 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Inleiding

Bijgaand voorstel voorziet er in dat de gemeenten expliciet de mogelijkheid krijgen te bepalen dat betaling van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 225, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet (ter zake van het parkeren van een voertuig op een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze) uitsluitend nog langs elektronische weg kan geschieden. In eerste instantie valt daarbij te denken aan betaling door middel van een zogenaamde chipper of chipknip, waarvan er thans al zo'n 20 miljoen in omloop zijn. Binnenkort zullen alle banken trouwens de chipkniptechnologie gaan gebruiken. Daarnaast moet dan echter ook een niet-rekening gebonden chipkaart beschikbaar zijn voor diegenen die niet over een chipper of chipknip beschikken, dan wel deze niet kunnen gebruiken. Dat is een losse chipkaart die niet aan een bankrekening is gebonden en waarmee, zoals bij een telefoonkaart, tot maximaal een bepaald bedrag kan worden betaald. Het besluit schrijft echter voor dat deze chipkaart, anders dan de telefoonkaart, overal gebruikt moet kunnen worden waar ook met een chipper of chipknip betaald kan worden. Met het oog hierop wordt het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen aangevuld. De bevoegdheid een regel te stellen als hier bedoeld vloeit voort uit artikel 257 van de Gemeentewet.

Voor veel gemeenten vormt het heffen van parkeerbelasting (parkeergelden) een belangrijk regulerend onderdeel van het parkeerbeleid. Tevens vormen de parkeergelden een belangrijke bron van inkomsten: in totaal ging het in het jaar 2000 naar schatting om f 630 miljoen; dit bedrag groeit jaarlijks met ongeveer 10%.

Lokale overheden worden echter in ernstige mate geconfronteerd met problemen van diefstal en vernieling bij het innen van parkeergelden via muntautomaten. Dat betekent een grote kostenpost voor de gemeenten, terwijl daardoor in sommige grote steden dagelijks een kwart of meer van alle automaten de gehele dag of een deel van de dag buiten gebruik is. Hieronder wordt in een aparte paragraaf meer uitgebreid ingegaan op de praktische problemen bij het innen van parkeergelden die de aanleiding vormen voor deze maatregel. Om deze problemen structureel aan te kunnen pakken, willen veel gemeenten de mogelijkheid hebben om parkeermeters en -automaten te exploiteren waar uitsluitend elektronisch kan worden betaald.

Daarbij is tevens van belang dat alle parkeerautomaten uiterlijk in januari 2002 gereed moeten zijn voor het verwerken van betalingen in euro. Het ligt dan ook voor de hand om de investeringsbeslissingen voor het elektronisch betalen en voor de euro te koppelen, zodat er aanzienlijke kostenbesparingen kunnen worden gerealiseerd. Relevant is ook dat elektronisch betalen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het bespoedigen van het invoeringsproces van de euro.

Gemeenten beslissen zelf of zij ook daadwerkelijk hier toe over willen gaan. Een randvoorwaarde is wel dat burgers redelijkerwijs in staat moeten zijn om op deze wijze aan de betalingsverplichting te voldoen. Behalve met rekening gebonden chipkaarten van banken (chipper of chipknip) moet daarom ook betaald kunnen worden met niet-rekening gebonden chipkaarten, die op veel plaatsen los te koop zullen moeten worden aangeboden. Met deze los verkrijgbare chipkaarten hebben diegenen die niet over een bankpas beschikken met een (opgeladen) chipfaciliteit dan de mogelijkheid om op eenvoudige wijze hun parkeerbelasting te voldoen. Dat moeten chipkaarten zijn met een landelijke dekking, zodat daarmee overal betaald kan worden waar ook met de chipper of chipknip betaald kan worden.

Aard van de regeling

Artikel 234 van de Gemeentewet bepaalt dat de hier bedoelde belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze, en dat als voldoening op aangifte uitsluitend wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. Als voor deze wijze van heffen wordt gekozen en het inwerkingstellen gebeurt door het inwerpen van munten of via betaling met een chipkaart of niet-rekeninggebonden chipkaart, vallen dus in één handeling het doen van aangifte en het betalen van de belasting samen. De door burgemeester en wethouders te stellen regels betreffen onder meer de toegestane muntsoorten en het al dan niet toestaan van elektronische betaalwijzen. Elektronische betaling van parkeerbelastingen komt nu ook al voor.

De vraag is of het mogelijk moet zijn de wijze van betaling (via de voorschriften voor de wijze waarop aangifte moet worden gedaan) inderdaad te beperken tot een elektronische wijze van betaling. De Gemeentewet bepaalt in artikel 231 dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing zijn op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. Deze wetten kennen echter geen bepalingen over de wijze van betalen. De Gemeentewet kent ook geen aanvullende of afwijkende bepaling op dat punt voor de gemeentelijke belastingen. Dit brengt mee dat artikel 6:112 BW over voldoening van verbintenissen van toepassing is.

Artikel 6:112 BW stelt als hoofdregel dat er met gangbaar geld betaald moet worden. De term gangbaar geld betreft primair de (chartale) betaling in wettige betaalmiddelen. Artikel 6:112 BW laat evenwel de mogelijkheid open dat in bepaalde situaties de betalingsmogelijkheid wordt beperkt tot andere vormen van betaling, via een wettelijke regeling (bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet) of een rechtshandeling, dan wel op basis van gewoonte of redelijkheid en billijkheid. Een andere vorm van betaling is bijvoorbeeld girale betaling (6:114 BW) waartoe de chip- en pin-betalingen worden gerekend. Het zou echter niet redelijk zijn om moderne vormen van betaling exclusief voor te schrijven als burgers niet redelijkerwijs in staat gesteld worden om op deze wijze aan de betalingsverplichting te voldoen. Dit betekent dat er, bij een voorschrift dat uitsluitend langs elektronische wijze op aangifte kan worden voldaan, voldoende praktische mogelijkheden daartoe aan de belastingplichtigen ten dienste moeten staan. Daarbij moet dan in ieder geval ook met chipknip of niet-rekeninggebonden chipkaart betaald kunnen worden, en moeten er gemeten naar de lokale omstandigheden voldoende oplaad- en verkooppunten beschikbaar zijn.

Achtergronden

Praktische problemen bij de inning van parkeergelden

Er bestaat bij de gemeenten een grote praktische behoefte aan deze faciliteit. De Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) heeft onlangs een enquête gehouden met betrekking tot het parkeerbeleid van gemeenten. Uit de reacties van gemeenten komt naar voren dat van de 537 gemeenten er 150 zijn die betaald parkeren hebben ingevoerd en dat 12 gemeenten overwegen dit in te voeren. Ruim één derde deel van alle parkeerautomaten bevindt zich in de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Gemeenten rapporteren een toename in vernieling van parkeerautomaten en van diefstal van parkeergelden. In sommige grote steden is hierdoor dagelijks zelfs een kwart of meer van de automaten de hele dag of een gedeelte van de dag buiten gebruik. Ook zijn er gevallen bekend van grootschalige fraude rondom de afhandeling van de contante kasstromen.

De vernieling van parkeerautomaten betekent een grote kostenpost voor gemeenten door het verlies van inkomsten en de kosten van de herstelwerkzaamheden. Tevens leidt het buiten gebruik zijn van automaten tot problemen en ergernis voor burgers die hiervan normaal gebruik willen maken; zij zijn namelijk gedwongen om een andere parkeerautomaat te zoeken, en in veel gevallen een grotere afstand af te leggen dan in het gemeentelijk parkeerbeleid was voorzien.

Hierdoor bestaat in toenemende mate de behoefte om het gebruik van chartaal geld te beperken en elektronische betaalmiddelen te hanteren voor het voldoen van parkeergelden. Bij een deel van de parkeerautomaten is nu reeds een voorziening aanwezig voor elektronisch betalen, naast de optie om met chartaal geld te betalen.

Het is gelet op het voorgaande niet verwonderlijk dat bijna driekwart van de «betaald-parkeren gemeenten» in de eerder genoemde BNG-enquête (op ambtelijk niveau) aangeeft graag de optie te hebben parkeergelden uitsluitend elektronisch te innen en zo de problemen bij het innen van chartaal geld te kunnen vermijden. Voor de gemeenten leidt dit tot een hogere opbrengst van de parkeergelden en minder kosten. Voor de burgers neemt de gebruikersvriendelijkheid toe, doordat automaten veel minder vaak buiten bedrijf zullen zijn, zodat men niet (zoals nu) gedwongen is alsnog een andere betaalautomaat of een andere parkeerplaats te zoeken. Bovendien kunnen klanten dan altijd gepast betalen, wat bij chartale betaling slechts mogelijk is wanneer men over voldoende kleingeld beschikt. Wel is het waarschijnlijk dat voor de niet-rekeninggebonden chipkaart kosten in rekening gebracht zullen worden bij de koper van zo'n kaart.

De invoering van de euro

De vraag hoe de omschakeling op eurobetalingen bij parkeerautomaten zo goed mogelijk kan worden vormgegeven, is voor gemeenten prangender geworden door de komst van de chartale euro per 1-1-2002. Hierdoor zullen gemeenten aanzienlijke investeringen moeten doen voor het omschakelen van de parkeerautomaten. Per automaat moet rekening worden gehouden met een bedrag van minimaal f 1500,– (alleen automatiseringskosten en inbouw). Grotere steden hebben 500 tot 2500 parkeerautomaten. Deze problematiek is ook besproken in het Landelijk Euro Gemeenten Overleg, waaraan deelgenomen wordt door een 28-tal gemeenten, VNG, BNG, IPO en de ministeries van Financiën, BZK en SZW. Daarbij is door gemeenten de wens uitgesproken om in de investeringsbeslissing rondom de euro de optie mee te kunnen nemen om parkeerautomaten te introduceren die alleen elektronische betaalmiddelen accepteren. Beide investeringen kunnen dan immers worden gecombineerd.

Een additionele reden om een formele basis te creëren voor het uitsluitend elektronisch betalen van parkeergelden is dat het gebruik van elektronische betaalmiddelen tijdens de chartale omwisseling naar de euro als vangnet kan fungeren voor incidentele situaties waarin onvoldoende chartaal geld beschikbaar is. Deze vangnetfunctie kan juist in de periode rond 1 januari 2002 van belang zijn wanneer parkeerautomaten beschikken over een muntmechanisme, dat ofwel alleen (nog) guldens accepteert ofwel (reeds) alleen nog maar euro's. De mogelijkheden voor het publiek voor chartale betaling worden in deze situatie immers beperkt. In bredere zin kan het uitsluitend elektronisch betalen van parkeergelden bijdragen aan een ruimere acceptatie van deze wijze van betalen door het publiek, wat ook op andere gebieden de omschakeling naar de euro kan vergemakkelijken.

Elektronisch betalen

Elektronisch geld kan worden omschreven als een op een elektronische drager opgeslagen monetaire waarde die algemeen kan worden gebruikt voor betalingen aan andere partijen dan de uitgever ervan, zonder dat bij die transacties noodzakelijkerwijs sprake is van een toegang tot een rekening op naam bij een financiële instelling, maar fungerend als een vooruitbetaald betaalmiddel aan toonder. Een veel voorkomende vorm hiervan zijn de chipper en de chipknip. Binnenkort zullen alle banken trouwens, zoals hiervoor al aangegeven, de chipkniptechnologie gaan gebruiken. Op dit moment zijn er in Nederland zo'n 20 miljoen van deze chipkaarten in omloop, gekoppeld aan bankpassen. Hiermee hebben vrijwel alle Nederlanders een middel voorhanden om elektronisch te kunnen betalen. Hoewel het feitelijke gebruik van de chipfaciliteiten toeneemt is de omvang hiervan nog steeds zeer beperkt: veel chipkaarten zijn niet opgeladen en minder dan 1% van het aantal betalingen vindt plaats door middel van chipbetalingen. Wél is het zo dat in gemeenten waar parkeergeld nu al elektronisch betaald kan worden het aandeel van elektronisch betalen substantieel hoger ligt, namelijk op circa 10%. Het is evenwel nodig burgers die geen rekening gebonden chipkaart bezitten bijvoorbeeld omdat zij tijdelijk in Nederland verblijven, zoals toeristen, ook een faciliteit te kunnen aanbieden. Voor deze groepen is een ruime beschikbaarheid van niet-rekeninggebonden chipkaarten welke door het hele land gebruikt kunnen worden essentieel voor het kunnen introduceren van de mogelijkheid van uitsluitend elektronisch betalen van parkeergelden.

Het is een absolute voorwaarde dat zowel de banken als de lokale overheden bijdragen aan een ruime distributie van de niet-rekeninggebonden chipkaarten. Slechts wanneer dit in voldoende mate gebeurt, kan gesteld worden dat alle burgers in alle redelijkheid in staat gesteld worden om de parkeergelden elektronisch te kunnen voldoen. Hierbij is het aan gemeenten zélf om te beoordelen of de lokale omstandigheden het elektronisch incasseren van parkeergelden toelaten dan wel de mogelijkheid voor chartale betaling wordt opengehouden.

Artikelsgewijs

Artikel I

In het nieuw op te nemen artikel 1a is concreet vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het vaststellen van de voorschriften, met betrekking tot de wijze waarop de parkeermeters of de parkeerautomaten in werking gesteld moeten worden, kan bepalen dat dit uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. De tweede volzin bepaalt dat het college hiertoe slechts overgaat indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten dienste staan. Het tweede lid bepaalt expliciet dat de belastingplichtige voor de voldoening op aangifte tenminste moet kunnen kiezen tussen een rekening-gebonden chipkaart, binnenkort dus alleen de chipknip, of een niet-rekening gebonden chipkaart met landelijke dekking. Daar is vervolgens nog uitdrukkelijk aan toegevoegd dat er in de lokale situatie voldoende oplaadpunten voor de chipknip, en verkooppunten voor de niet-rekeninggebonden chipkaart zullen moeten zijn. Andere middelen voor elektronische betaling zijn daarmee echter niet uitgesloten.

Artikel II

De niet-rekeninggebonden chipkaart, die moet dienen als alternatief voor diegenen die niet beschikken over een chipknip, zal door de banken volgend jaar uitgebracht worden, tegelijk met de invoering van de chartale euro. De brede beschikbaarheid van zo'n chipkaart met landelijke dekking is zoals eerder opgemerkt voor de regering een voorwaarde wil een gemeentebestuur er toe over kunnen gaan te bepalen dat de parkeerbelasting voortaan uitsluitend nog langs elektronische weg kan worden betaald. Dit besluit zal daarom niet eerder dan in 2002 praktische betekenis krijgen. De besluitvorming op gemeentelijk niveau en vooral ook de uitvoering daarvan vergt echter een behoorlijke termijn. Er is daarom geen reden om af te wijken van de gebruikelijke inwerkingtredingstermijn.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Stb. 1990, 574, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 9 april 1999, Stb. 179.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 augustus 2001, nr. 155.