Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2001, 296AMvB

Besluit van 14 juni 2001, houdende wijziging van het Huursubsidiebesluit en het Besluit vangnetregeling huursubsidie (verklaring huurgegevens, verlaging kostenvergoeding, tolerantiemarge en enkele andere wijzigingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 maart 2001, nr. MJZ2001023255, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 11, tweede lid, 26a, derde lid, 26b, vijfde lid, en 26f, zesde lid, van de Huursubsidiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 mei 2001, nr. W08.01.0123/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juni 2001, nr. MJZ 2001062763, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Huursubsidiebesluit1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 vervalt.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. die:

1°. een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is, die niet wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente, of

2°. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, die door Onze Minister is aangewezen krachtens artikel 11, tweede lid, van de wet.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, is van overeenkomstige toepassing, als de toegelaten instelling of de gemeente een andere verhuurder vertegenwoordigt.

ARTIKEL II

Artikel 2 van het Huursubsidiebesluit blijft van toepassing op de aanvraag om toekenning van huursubsidie, voorzover die aanvraag betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002.

ARTIKEL III

Het Besluit vangnetregeling huursubsidie2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt «artikel 26f, vierde lid» vervangen door: artikel 48a, eerste lid.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «RBH-subsidietijdvak» vervangen door: bijdragetijdvak.

2. In het derde lid wordt «het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964» vervangen door: het tijdstip, bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

C

In artikel 6, tweede lid, wordt «RBH-subsidietijdvak» vervangen door: bijdragetijdvak.

D

Artikel 7, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

    a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: f 450;

    b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: f 200, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een voorschot kan worden verkregen tot ten hoogste f 450.

E

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:

f. indien de declaratie van uitbetaalde bijdragen en uitvoeringskosten van de gemeenten f 40 000 of meer bedraagt, de verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

    a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: f 450;

    b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: f 200, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een vergoeding kan worden verkregen tot ten hoogste f 450.

F

Artikel 9, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. De verklaring heeft uitsluitend een goedkeurende strekking voorzover, naar het oordeel van de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de som van de fouten bij de uitbetalingen van bijzondere bijdragen in de huurlasten niet meer bedraagt dan:

    a. indien het totale bedrag van de in het subsidiejaar uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten meer dan f 2 000 000 bedraagt: 2% van het uitbetaalde bedrag;

    b. indien dat bedrag meer dan f 1 000 000, doch f 2 000 000 of minder bedraagt: 3% van het uitbetaalde bedrag;

    c. indien dat bedrag meer dan f 500 000, doch f 1 000 000 of minder bedraagt: 4% van het uitbetaalde bedrag;

    d. indien dat bedrag meer dan f 250 000, doch f 500 000 of minder bedraagt: 5% van het uitbetaalde bedrag;

    e. indien dat bedrag meer dan f 100 000, doch f 250 000 of minder bedraagt: 6% van het uitbetaalde bedrag, of

    f. indien dat bedrag f 100 000 of minder bedraagt: 10% van het uitbetaalde bedrag.

G

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Het onderdeel, getiteld «Accountantsverklaring», wordt vervangen door:

Accountantsverklaring

Opdracht

Ingevolge artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet hebben wij de bijgevoegde door ons gewaarmerkte einddeclaratie Vangnetregeling huursubsidie over het subsidiejaar ... van de gemeente ... gecontroleerd. Deze einddeclaratie is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring bij de einddeclaratie te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten en met inachtneming van het onderstaande accountantsprotocol en het accountantsprotocol vangnetregeling huursubsidie dat door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de gemeenten is verstrekt. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de einddeclaratie geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen in de einddeclaratie. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat:

– de in de einddeclaratie opgenomen gegevens juist en volledig zijn weergegeven

– de bepalingen van de Huursubsidiewet, het Besluit vangnetregeling huursubsidie alsmede de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde nadere regelgeving zijn nageleefd.

(plaats, datum)

(naam accountant en ondertekening)

2. Punt 4, tweede volzin, van het onderdeel, getiteld «Accountantsprotocol», komt te luiden:

  • 4. De verklaring heeft uitsluitend een goedkeurende strekking voorzover, naar het oordeel van de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de som van de fouten bij de uitbetalingen van bijzondere bijdragen in de huurlasten niet meer bedraagt dan:

    a. indien het totale bedrag van de in het subsidiejaar uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten meer dan f 2 000 000 bedraagt: 2% van het uitbetaalde bedrag;

    b. indien dat bedrag meer dan f 1 000 000, doch f 2 000 000 of minder bedraagt: 3% van het uitbetaalde bedrag;

    c. indien dat bedrag meer dan f 500 000, doch f 1 000 000 of minder bedraagt: 4% van het uitbetaalde bedrag;

    d. indien dat bedrag meer dan f 250 000, doch f 500 000 of minder bedraagt: 5% van het uitbetaalde bedrag;

    e. indien dat bedrag meer dan f 100 000, doch f 250 000 of minder bedraagt: 6% van het uitbetaalde bedrag, of

    f. indien dat bedrag f 100 000 of minder bedraagt: 10% van het uitbetaalde bedrag.

ARTIKEL IV

Voorzover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002, wordt voor de toepassing van artikel 3, derde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie onder het in dat lid bedoelde tijdstip verstaan het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

ARTIKEL V

  • 1. Artikel III, onderdelen A, B, onder 1, C en G, onder 1, van dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2000.

  • 2. De artikelen I, onderdeel A, II, III, onderdeel B, onder 2, en IV van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 2001.

  • 3. De artikelen I, onderdeel B, en III, onderdelen D, E, F en G, onder 2, van dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2001. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2001, treden de artikelen I, onderdeel B, en III, onderdelen D, E, F en G, onder 2, van dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werken zij terug tot en met 1 juli 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 14 juni 2001

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. W. Remkes

Uitgegeven de achtentwintigste juni 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Artikel I van dit besluit strekt onder meer tot een wijziging van het Huursubsidiebesluit, daar waar het betreft een uitbreiding van de categorie «onzelfstandige woning», waarvan de huurder bij een eerste aanvraag om toekenning van huursubsidie een zogenoemde «brengplichtverklaring» moet overleggen.

Voorts worden in artikel III enkele wijzigingen aangebracht aangaande het Besluit vangnetregeling huursubsidie. Deze wijzigingen hebben met name betrekking op de verlaging kostenvergoeding en de zogenoemde «tolerantiemarge» bij het controleren door een accountant van de door de gemeente verstrekte gegevens in verband met de uitvoering van de vangnetregeling.

Daarnaast worden in de artikelen I, II, III en IV van dit besluit nog enkele wijzigingen in en ten aanzien van voornoemde besluiten doorgevoerd welke verband houden met de Wet inkomstenbelasting 2001, die op 1 januari 2001 in werking is getreden.

Tot slot zijn in artikel V van dit besluit nog enkele slotbepalingen opgenomen.

Artikelsgewijs

artikelen I, onderdeel A, en II

In artikel I, onderdeel A, van dit besluit wordt bepaald dat artikel 2 van het Huursubsidiebesluit, inhoudende de waarderingsgrondslag voor motorrijtuigen, vervalt. In artikel II wordt bepaald dat artikel 2 van het Huursubsidiebesluit van toepassing blijft voorzover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002.

Deze bepalingen hebben de volgende achtergrond.

Bij aanvragen om toekenning van huursubsidie wordt, voorzover het subsidiejaar eindigt voor 1 juli 2002, het vermogen conform de Wet op de vermogensbelasting 1964 in ogenschouw genomen. Artikel 56a, onder c, van de Huursubsidiewet bepaalt dat in dat geval onder rekenvermogen wordt verstaan het gezamenlijke vermogen van de huurder en de medebewoners op 1 januari 2000. De auto maakt deel uit van dat vermogen.

De Wet op de vermogensbelasting 1964 is met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken. Per 1 januari 2001 is de Wet inkomstenbelasting 2001 in werking getreden. Het vermogensbegrip is geënt op de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (box III-vermogen). De auto maakt geen deel uit van box III.

artikel I, onderdeel B

Sinds 1995 is de zogenoemde «brengplicht» van kracht. Huurders dienen de «brengplichtverklaring», welke wordt opgesteld door de voorzitter van de huurcommissie, te voegen bij het aanvraagformulier huursubsidie. Deze «brengplichtverklaring» behelst een verklaring omtrent de redelijkheid van de huurprijs en de juistheid van andere gegevens betreffende de woonruimte, een en ander voorzover van belang voor de toepassing van de wet.

De brengplicht was in eerste instantie alleen van toepassing verklaard op huurders die voor het eerst huursubsidie aanvragen en een zelfstandige woonruimte, een onvrije etage of een onzelfstandige woonruimte bewonen in eigendom bij een particuliere verhuurder.

Een brengplicht voor huurders van woonruimte van sociale verhuurders werd niet nodig geacht, aangezien deze verhuurders expliciet de taak hebben in het belang van de volkshuisvesting werkzaam te zijn.

Sinds de invoering van de Huursubsidiewet per 1 juli 1997 is het mogelijk geworden om begeleid wonen-projecten bestaande uit onzelfstandige woonruimten in het bezit van toegelaten instellingen of gemeenten door het Rijk aan te laten wijzen. Bij deze projecten is vaak sprake van vermenging van volksgezondheids- en volkshuisvestingsaspecten. Een vereiste daarbij is dat sprake is van een afzonderlijk zorgcontract en een afzonderlijk huurcontract. Uitgangspunt is dat het huurcontract slechts woonelementen en geen zorgelementen (bijvoorbeeld kamer nachtwacht) mag bevatten.

De huurders in deze projecten komen alsdan voor huursubsidie in aanmerking (artikel 11, tweede lid juncto artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Huursubsidiewet).

Artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Huursubsidiewet bepaalt dat huursubsidie slechts wordt toegekend voor de huur van een woning die een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is. Voorts bepaalt artikel 11, tweede lid, van de Huursubsidiewet dat het eerste lid, onderdeel b, van voormeld artikel slechts toepassing vindt als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die door de minister is aangewezen.

Naar aanleiding van voormelde projecten werd in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Huursubsidiebesluit bepaald dat niet alleen ten aanzien van een zelfstandige woonruimte, een onvrije etage of een onzelfstandige woonruimte, die niet wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente, de zogenoemde «brengplicht» geldt, doch ook voor een huurder van een onzelfstandige woonruimte, die krachtens artikel 11, tweede lid, van de Huursubsidiewet door de minister is aangewezen, en die wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente.

Nu in de praktijk blijkt dat in dit kader ook particuliere instellingen zonder winstoogmerk voornemens zijn om begeleid wonen-projecten op te zetten dan wel reeds hebben opgezet, is ervoor gekozen om door middel van een splitsing van onderdeel b van artikel 4, eerste lid, van het Huursubsidiebesluit te bepalen dat huurders, die een onzelfstandige woonruimte bewonen, die door de minister krachtens artikel 11, tweede lid, van de Huursubsidiewet is aangewezen, aan de zogenoemde «brengplicht» moeten voldoen. Het maakt alsdan niet meer uit of deze onzelfstandige woonruimte wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet, door een gemeente, dan wel door een particuliere instelling zonder winstoogmerk. Zo heeft artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van het Huursubsidiebesluit enkel betrekking op huurders van een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage en onderdeel b, onder 2°, van voormeld artikellid alleen op huurders van onzelfstandige woonruimte.

Thans geldt dus ook voor huurders die een eerste aanvraag tot toekenning van huursubsidie doen en een onzelfstandige woning, die krachtens artikel 11, tweede lid, van de Huursubsidiewet, door de minister is aangewezen, huren, en die wordt verhuurd door een particuliere instelling zonder winstoogmerk, de zogenoemde «brengplicht» (onderdeel B, onder 1).

De wijziging in onderdeel B, onder 2, loopt hierbij mee.

artikel III, onderdelen A, B, onder 1, en C

Deze wijzigingen zijn van technische aard.

artikelen III, onderdeel B, onder 2, en IV

Blijkens artikel 1, onder k, van de Huursubsidiewet wordt onder peiljaar verstaan het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar. Onder subsidiejaar wordt blijkens artikel 1, onder m, van die wet, verstaan het tijdvak dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar. Indien een aanvraag om toekenning van huursubsidie wordt ingediend gedurende de eerste helft van 2002 is (nog) het inkomen over het jaar 2000 relevant. Indien een aanvraag om toekenning van huursubsidie wordt ingediend gedurende de tweede helft van 2002 (vanaf 1 juli) is het inkomen over het jaar 2001 relevant, zodat vanaf dat moment de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.

Dit houdt in dat indien bij aanvragen om toekenning van huursubsidie het subsidiejaar eindigt voor 1 juli 2002, de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing blijft. Alsdan worden voor de toepassing van artikel 26a, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet inkomsten aangemerkt als te zijn genoten op het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

artikel III, onderdelen D en E, onder 2

In de eerste helft van 2000 is in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: het Ministerie van VROM) onderzoek ingesteld naar de hoogte van de uitvoeringskosten die bij de gemeenten zijn gemoeid met de uitvoering van de zogenoemde Vangnetregeling huursubsidie in relatie tot de daarvoor door het Ministerie van VROM verstrekte vergoedingen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de feitelijk door de gemeenten gemaakte uitvoeringskosten aanzienlijk lager zijn dan de vergoedingen die daarvoor door het Ministerie van VROM worden verstrekt. Hiervan is melding gemaakt in de Evaluatie Huursubsidiewet (Kamerstukken II 2000/2001, 27 445, nr. 1, blz. 3).

Er is dan ook overgegaan tot een verlaging van de aan de gemeenten te verstrekken vergoedingen. Dit betreft het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar en de totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar. Ten aanzien van een positieve beschikking op een aanvraag wordt f 450 (in plaats van f 1000) uitgekeerd. Bij een negatieve beschikking op een aanvraag wordt f 200 (in plaats van f 500) uitgekeerd. De maximale kostenvergoeding per huishouden per subsidiejaar bedraagt f 450 (in plaats van f 1000).

In de artikelen 7, vijfde lid, aanhef en onder b, en 8, derde lid, aanhef en onder b, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie is thans onder meer bepaald dat het totaal aan voorschotverlening respectievelijk de totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing f 200 bedraagt. Dit resulteert bij een tweetal afwijzingen in een totaalbedrag van f 400. Om te voorkomen dat gemeenten voor een derde afhandeling een bedrag van f 50 kunnen gaan claimen, aangezien het maximumbedrag ad f 450 nog niet is bereikt, is in de artikelen 7, vijfde lid, en 8, derde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie opgenomen dat per huishouden per subsidiejaar voor de behandeling van maximaal twee aanvragen een voorschotverlening respectievelijk kostenvergoeding kan worden verkregen tot een totaalbedrag van ten hoogste f 450.

Voormelde bedragen zijn gebaseerd op de uit het onderzoek gebleken gemiddelde verhouding tussen de werkelijke kosten en de daarvoor verstrekte vergoedingen. Er is rekening gehouden met het gegeven dat een positieve beschikking op een eerste aanvraag dikwijls gevolgd wordt door een of meer vervolgaanvragen.

Voor de kostenvergoeding voor een negatieve beschikking behoeft geen rekening te worden gehouden met vervolgbeschikkingen.

artikel III, onderdeel E, onder 1

In artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet is bepaald dat iedere gemeente bij de opgave betreffende de te declareren kosten een verklaring moet voegen van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten.

Bij de nadere uitwerking van het bijbehorende accountantsprotocol voor de gemeentelijke accountant is gebleken dat een strikte toepassing van de regelgeving op dit gebied met name voor de kleinere gemeenten tot zeer hoge controlekosten leidt die niet in verhouding staan tot de gedeclareerde bedragen en de verkregen extra zekerheid. Het aantal controlepunten en de wijze waarop de accountant het onderzoek uit moet voeren is voor grote en kleine aantallen aanvragen gelijk. Bovendien is met het oog op de te verkrijgen betrouwbaarheid het aantal te controleren aanvragen bij kleine gemeenten relatief groter dan bij grote gemeenten. Als gevolg hiervan blijkt dat de onkostenvergoedingen die gemeenten met een klein aantal aanvragers ontvangen niet toereikend zijn om de kosten van de accountant voor die gemeenten te compenseren.

Het is daarom dat thans enkel de verplichting tot het overleggen van een verklaring, als voornoemd, aan gemeenten wordt opgelegd, indien de declaratie van uitbetaalde bijdragen en uitvoeringskosten van de gemeenten f 40 000 of meer bedraagt. Bij schrijven d.d. 9 augustus 1999, kenmerk HIS 99179844, zijn de colleges van burgemeester en wethouders hierover geïnformeerd, zij het dat toentertijd werd uitgegaan van een grens van f 50 000.

Aan het indertijd aangekondigde voornemen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 230, nr.3, blz. 19) om de gemeentelijke administraties steekproefsgewijs te controleren op rechtmatigheid van de verstrekte bijzondere bijdrage in de huurlasten is gevolg gegeven. Kleinere gemeenten, die relatief weinig aanvragen afhandelen en niet de verplichting hebben een accountantsverklaring over te leggen dienen een eigen administratie bij te houden. Bij deze gemeenten zijn door de accountantsdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer steekproefsgewijze controlesuitgevoerd in de administraties over het subsidietijdvak 1998/1999. Betreffende de administraties over het subsidietijdvak 1999/2000 zullen in de zomer van 2001 controles worden uitgevoerd.

artikel III, onderdelen F en G, onder 2

Burgemeester en wethouders declareren op basis van artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet, uiterlijk op 30 september volgend op het subsidiejaar de daarin gemaakte kosten van de uitvoering van de zogenoemde vangnetregeling. Bij deze declaratie wordt een accountantsverklaring overgelegd.

De accountant controleert de juistheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten.

In artikel 9, vierde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie en in de bijlage bij artikel 9, tweede lid, van dat besluit, onder «Accountantsprotocol», punt 4, tweede volzin, was bepaald dat deze verklaring alleen een goedkeurende strekking kan hebben voorzover, naar het oordeel van de accountant, de som van de fouten bij de toekenningen niet meer bedraagt dan één procent van het totale bedrag van de toegekende bijzondere bijdragen in de huurlasten (de zogenoemde tolerantiemarge).

Om te voorkomen dat bij met name kleinere gemeenten, zoals blijkt uit geluiden uit de praktijk, de controle-inspanningen in relatie tot de uitbetaalde bijdragen in het subsidiejaar te groot worden, is voormeld percentage thans vervangen door een ruimere tolerantiemarge, te weten variërend van twee tot tien procent van het totale bedrag van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten, waarbij de hoogte van het percentage toeneemt naarmate de hoogte van dat totale bedrag in het subsidiejaar afneemt.

Daarnaast is «toekenningen» en «toegekende» in zowel artikel 9, vierde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie als ook in de bijlage bij artikel 9, tweede lid, van dat besluit, onder «Accountantsprotocol», punt 4, tweede volzin, telkenmale vervangen door «uitbetalingen» respectievelijk «uitbetaalde». Dit heeft te maken met het feit dat de declaraties op kasbasis zijn. De accountant controleert dus de concrete uitbetalingen.

artikel III, onderdeel G, onder 1

Bij voormeld schrijven d.d. 9 augustus 1999 zijn de colleges van burgemeester en wethouders eveneens geïnformeerd over de ruimere tolerantiemarge, zoals hiervoor omschreven in de artikelsgewijze toelichting op artikel III, onderdelen F en G, onder 2. Bij dit schrijven is een Accountantsprotocol Vangnetregeling huursubsidie gevoegd. In dit protocol wordt uitvoerig ingegaan op de in dit kader te volgen procedure en in het algemeen op de op basis van artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet door te voeren accountantscontrole. Het vereiste dat in het kader van de accountantscontrole tevens dit inmiddels aan de colleges van burgemeester en wethouders toegezonden protocol in acht moet worden genomen, is thans in de onderliggende Accountantsverklaring opgenomen. Voorts zijn ten opzichte van de eerdere accountantsverklaring, die als bijlage was gevoegd bij artikel 9, tweede lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie, enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. W. Remkes


XNoot
1

Stb. 1997, 269, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 september 1999, Stb. 407.

XNoot
2

Stb. 1998, 321, gewijzigd bij besluit van 28 augustus 1998, Stb. 540.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 juli 2001, nr. 130.