Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2001, 28Wet

Wet van 21 december 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Penitentiaire beginselenwet (strafrechtelijke opvang verslaafden)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in een wettelijke regeling voor de strafrechtelijke opvang van verslaafden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht1 wordt als volgt gewijzigd.

In het Eerste Boek, titel IIA, wordt na de tweede afdeling een derde afdeling toegevoegd, luidende:

DERDE AFDELING PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR DE OPVANG VAN VERSLAAFDEN

Artikel 38m

  • 1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor de opvang van verslaafden, indien:

    1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

    2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte is veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan;

    3°. de verdachte verslaafde is, en het onder 2° vermelde misdrijf, het door hem begane feit en de omstandigheid dat er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan, samenhangen met zijn verslaving, en

    4°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

  • 2. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van de verdachte ten behoeve van zijn terugkeer in de maatschappij en de beëindiging van zijn recidive.

  • 3. Onder verslaafde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een persoon ten aanzien van wie uit feiten en omstandigheden blijkt van lichamelijke of psychische afhankelijkheid van een of meer middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

  • 4. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van een gedragsdeskundige. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

  • 5. Het vierde lid blijft buiten toepassing indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maakt de deskundige over de reden van de weigering rapport op. De rechter doet zich zo veel mogelijk een ander advies of rapport dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen.

  • 6. Bij het opleggen van de maatregel neemt de rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de veelheid van misdrijven waarvoor deze eerder is veroordeeld in aanmerking.

Artikel 38n

  • 1. De maatregel geldt voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij hij is opgelegd, onherroepelijk is geworden.

  • 2. Bij het bepalen van de duur van de maatregel kan de rechter rekening houden met de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot observatie, is doorgebracht.

Artikel 38o

  • 1. De plaatsing geschiedt in een door onze Minister van Justitie aangewezen inrichting voor de opvang van verslaafden.

  • 2. Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de maatregel in en buiten de inrichting en de rechtspositie van degene aan wie de maatregel is opgelegd.

  • 3. De kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel komen ten laste van de Staat. De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel komen overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten laste van gemeenten die deelnemen aan de tenuitvoerlegging daarvan.

Artikel 38p

  • 1. De rechter kan bepalen dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd.

  • 2. De rechter die bepaalt dat de door hem opgelegde maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste drie jaren.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid geldt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

  • 4. De rechter stelt ter bescherming van de veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde. De rechter kan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

  • 5. Een voorwaarde als bedoeld in het vierde lid kan inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of intramuraal laat behandelen. Opname in een inrichting vindt in dit verband plaats voor een door de rechter te bepalen duur van ten hoogste twee jaren. Deze voorwaarde wordt slechts gesteld, indien de veroordeelde zich bereid heeft verklaard de behandeling te ondergaan.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de eisen waaraan een inrichting en een behandeling als bedoeld in het vijfde lid moeten voldoen.

  • 7. De in het vierde lid gestelde voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

  • 8. Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden.

Artikel 38q

De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de veroordeelde of diens raadsman dan wel ambtshalve met inachtneming van de artikelen 38m tot en met 38p:

1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;

2°. aan een andere reclasseringsinstelling dan die welke daarmee tevoren was belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden opdragen.

Artikel 38r

De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, bevelen dat de maatregel alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Artikel 38s

  • 1. De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij het opleggen van de maatregel en nadien eenmaal op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de veroordeelde of zijn raadsman of ambtshalve, bepalen dat het openbaar ministerie hem binnen een bepaalde termijn bericht over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij het bericht is gevoegd een verklaring van de directeur van de inrichting omtrent de stand van uitvoering van het plan van opvang van de veroordeelde.

  • 2. Indien de rechter naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze.

Artikel 38t

De termijn van de maatregel loopt niet:

a. gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsbeneming heeft onttrokken;

b. wanneer hij zich langer dan een dag achtereen ongeoorloofd ophoudt buiten de inrichting waarin hij is geplaatst.

Artikel 38u

Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde beëindigen.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 369, tweede lid, wordt na «artikel 37a, eerste lid,» ingevoegd: of artikel 38m.

B

Artikel 509m wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 269 tot en met 272, 273, eerste en derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid, 281, 284, eerste lid, 286 tot en met 297, 299 tot en met 301, 309 tot en met 311, 315, 318 tot en met 322, 324, 328 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346.

    b. Het derde lid vervalt.

    c. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

C

In het Vierde Boek wordt na titel IIB een nieuwe titel IIC ingevoegd, luidende:

TITEL IIC RECHTSPLEGINGEN IN VERBAND MET DE MAATREGEL VAN PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR DE OPVANG VAN VERSLAAFDEN

Artikel 509y

In deze titel wordt verstaan onder:

veroordeelde: degene die is geplaatst in een inrichting voor de opvang van verslaafden;

maatregel: plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden;

reclasseringswerker: degene die ingevolge artikel 38p, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is belast met het onderhouden van contact met de veroordeelde.

Artikel 509z
  • 1. Wanneer het openbaar ministerie van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der bepalingen van de artikelen 38q of 38r van het Wetboek van Strafrecht, dient het een daartoe strekkende, met redenen omklede, vordering in. Wanneer degene aan wie de maatregel voorwaardelijk is opgelegd een verzoek als bedoeld in artikel 38q van het Wetboek van Strafrecht heeft gedaan, wordt het verzoek door de griffier ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat daarop zo spoedig mogelijk een conclusie neemt.

  • 2. Tot kennisneming van de vordering of het verzoek is bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg de maatregel heeft opgelegd.

  • 3. Acht de rechtbank zich onbevoegd dan verwijst zij de zaak naar de rechtbank die haar behoort te berechten. De vordering wordt in dat geval geacht te zijn ingediend door de officier van justitie bij die laatste rechtbank.

  • 4. Onmiddellijk na de indiening van de vordering of conclusie bepaalt de voorzitter een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de stukken de rechtbank aanleiding geeft de vordering of het verzoek buiten verdere behandeling te laten.

  • 5. Het openbaar ministerie doet vervolgens zo spoedig mogelijk de veroordeelde en de reclasseringswerker tijdig tot het bijwonen van het onderzoek oproepen, onder betekening van de vordering of conclusie aan de veroordeelde.

Artikel 509aa

Wanneer de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, bepaalt de voorzitter onmiddellijk na ontvangst van de in dat artikellid bedoelde inlichtingen een dag voor het onderzoek van de zaak. Het openbaar ministerie doet vervolgens zo spoedig mogelijk de veroordeelde tijdig tot het bijwonen van het onderzoek oproepen.

Artikel 509bb
  • 1. Indien de vordering van het openbaar ministerie strekt tot toepassing van artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht, wordt aan de veroordeelde, zo hij geen advocaat heeft, door het bureau rechtsbijstandvoorziening op last van de voorzitter een advocaat toegevoegd.

  • 2. De advocaat is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen.

  • 3. De artikelen 38, 39, 41, tweede lid, 45 tot en met 49 en 50, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 509cc
  • 1. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde en diens advocaat zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen. De voorzitter kan voorts de dagvaarding of oproeping van getuigen en deskundigen vanwege het openbaar ministerie bevelen. Andere personen kunnen op zijn last door de griffier worden uitgenodigd om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn.

  • 2. De veroordeelde en de reclasseringswerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter griffie kennisnemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 is van toepassing.

Artikel 509dd
  • 1. De behandeling van de zaak door de raadkamer vindt in het openbaar plaats.

  • 2. Het onderzoek geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 269 tot en met 272, 273, eerste en derde lid, 274 tot en met 281, 284, eerste lid, 286 tot en met 297, 299 tot en met 301, 309 tot en met 311, 315, 318 tot en met 322, 324, 328 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, 346.

  • 3. Het openbaar ministerie en de veroordeelde zijn bevoegd, hangende het onderzoek, wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.

Artikel 509ee
  • 1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht, geeft de beslissing de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid.

  • 2. De beslissing op een vordering of een verzoek tot toepassing van artikel 38q van het Wetboek van Strafrecht is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.

  • 3. De beslissing wordt onverwijld betekend aan de veroordeelde. Bij de betekening van de beslissing inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s, tweede lid, wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, en de termijn waarbinnen het rechtsmiddel kan worden aangewend.

  • 4. Indien de beslissing een wijziging van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 38p, vierde lid, bevat, wordt de beslissing aan de veroordeelde in persoon betekend.

  • 5. De beslissing, bedoeld in artikel 38q, onderdeel 2°, wordt schriftelijk meegedeeld aan de instelling of deskundige.

  • 6. Indien de rechtbank de maatregel overeenkomstig artikel 38s, tweede lid, beëindigt, blijft de maatregel van kracht zolang de beslissing niet onherroepelijk is.

Artikel 509ff
  • 1. Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s, tweede lid, kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem.

  • 2. De artikelen 409, eerste lid, 410, 449, eerste lid, 450 tot en met 454, 455, eerste lid, en 509z, vierde en vijfde lid, en 509aa tot en met 509dd zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 509gg
  • 1. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechtbank of doet, met vernietiging daarvan, wat de rechtbank had behoren te doen. Artikel 509ee, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De beslissing van het gerechtshof is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.

D

In artikel 558, derde lid, wordt na «overheidswege,» ingevoegd: plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden,.

E

In artikel 559a, tweede lid, wordt «vrijheidsstraf of» vervangen door «vrijheidsstraf,» en wordt na «van overheidswege» ingevoegd: of van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.

ARTIKEL III

In artikel 73, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie3 wordt «en 509v» vervangen door: , 509v en 509ff.

ARTIKEL IV

De Penitentiaire beginselenwet4 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel t, wordt na «verpleging» ingevoegd: , plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.

B

Aan artikel 4 wordt een zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het tweede lid is niet van toepassing op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd.

1. Het eerste lid, eerste volzin, komt te luiden:

Inrichtingen zijn te onderscheiden in huizen van bewaring, gevangenissen en inrichtingen voor de opvang van verslaafden.

2. In het tweede lid wordt na verlettering van onderdeel g tot onderdeel h een nieuw onderdeel g ingevoegd, luidende:

g. personen aan wie de maatregel is opgelegd tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht indien opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is;

D

Na artikel 10 wordt een nieuw artikel 10a ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

  • 1. Inrichtingen voor de opvang van verslaafden zijn bestemd voor de opvang van personen aan wie een maatregel als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

  • 2. Onze Minister kan een inrichting voor de opvang van verslaafden aanwijzen als huis van bewaring. Hij kan tevens een huis van bewaring aanwijzen als een inrichting voor de opvang van verslaafden.

E

Na hoofdstuk IV wordt een nieuw hoofdstuk IVA ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IVA. OPVANG VAN VERSLAAFDEN

Artikel 18a

  • 1. De directeur draagt zorg dat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een maand na binnenkomst van de gedetineerde in een inrichting voor de opvang van verslaafden, zo veel mogelijk in overleg met hem, een plan van opvang wordt vastgesteld.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan een plan van opvang ten minste moet voldoen en de voorschriften die bij de vaststelling of een wijziging van het plan in acht genomen moeten worden.

Artikel 18b

De directeur draagt zorg dat de opvang overeenkomstig het plan van opvang plaatsvindt.

Artikel 18c

  • 1. De gedetineerde heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het verloop van de opvang. Deze evaluatie vindt ten minste eens per zes maanden plaats.

  • 2. Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel heeft bepaald dat het openbaar ministerie hem binnen een door hem vastgestelde termijn bericht over de wenselijkheid of de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging daarvan, vindt de eerste evaluatie in ieder geval plaats voor het verstrijken van die termijn.

  • 3. De directeur draagt zorg dat van iedere evaluatie een verslag wordt gemaakt en dat dit verslag zo spoedig mogelijk met de gedetineerde wordt besproken.

  • 4. Indien de gedetineerde van oordeel is dat het evaluatieverslag feitelijk onjuist of onvolledig is, heeft hij het recht op dit verslag schriftelijk commentaar te geven. Indien het evaluatieverslag niet overeenkomstig het commentaar wordt verbeterd of aangevuld, draagt de directeur zorg dat het commentaar aan het verslag wordt gehecht.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de procedure die met betrekking tot de evaluatie dient te worden gevolgd en de eisen die aan het verslag daarvan ten minste dienen te worden gesteld.

ARTIKEL V

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juli 1998 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (taakstraffen)5 (kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 2) tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

In artikel I wordt in artikel 38m, eerste lid, onder 2°, de zinsnede «het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte» vervangen door: een taakstraf.

ARTIKEL VI

  • 1. Onze Minister van Justitie zendt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na drie jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

  • 2. De gemeenten die deelnemen aan de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden, verlenen hun medewerking aan de totstandkoming van het in het eerste lid bedoelde verslag.

ARTIKEL VII

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze wet slechts van toepassing is in bij dat koninklijk besluit aan te wijzen arrondissement of arrondissementen. Behoudens eerdere intrekking vervalt deze aanwijzing drie jaren na het in het eerste lid bedoelde tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 2000

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de achttiende januari 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2000, Stb. 2001, 20.

XNoot
2

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2000, Stb. 616.

XNoot
3

Stb. 1999, 195, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2000, Stb. 177.

XNoot
4

Stb. 1998, 430, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2000, Stb. 2001, 20.

XNoot
5

Stb. 2000, 365.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1997/1998, 1998/1999, 1999/2000, 2000/2001, 26 023.

Handelingen II 1999/2000, blz. 4268–4286; 4500–4515; 4520–4539; 4557–4558.

Kamerstukken I 1999/2000, 26 023 (215, 215a, 215b); 2000/2001, 26 023 (16, 16a, 16b, 16c).

Handelingen I 2000/2001, blz. 559–588; vergadering d.d. 19 december 2000 en 16 januari 2001.