Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2001, 20Wet

Wet van 13 december 2000, houdende tijdelijke instelling van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Tijdelijke instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en het College van Advies voor de justitiële kinderbescherming samen te voegen tot een Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming en aan de Raad tevens een toezichthoudende taak toe te kennen op het terrein van de tenuitvoerlegging van aan jeugdigen opgelegde straffen en maatregelen, en deswege het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten te wijzigen en de Beginselenwet gevangeniswezen in te trekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I RAAD VOOR STRAFRECHTSTOEPASSING EN JEUGDBESCHERMING

ARTIKEL 1

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

b. vrijheidsstraf: gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis, militaire detentie en (vervangende) jeugddetentie;

c. vrijheidsbeperkende straf: voorwaardelijke vrijheidsstraf en taakstraf;

d. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring, gijzeling, terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, plaatsing in een justitiële jeugdinrichting met toepassing van artikel 261 dan wel artikel 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden en vrijheidsbeneming die op andere gronden dan de in onderdeel b genoemde gronden plaatsvindt;

e. vrijheidsbeperkende maatregel: voorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel;

f. de Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

ARTIKEL 2

  • 1. Er is een Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.

  • 2. De Raad is gevestigd te 's-Gravenhage.

ARTIKEL 3

  • 1. De Raad adviseert Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging over de toepassing en uitvoering van beleid en regelgeving op het terrein van de strafrechtstoepassing en omtrent jeugdigen, mede in het licht van de overige werkzaamheden hem bij of krachtens de wet opgedragen.

  • 2. De Raad houdt algemeen toezicht op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, vrijheidsbeperkende straffen, vrijheidsbenemende maatregelen en vrijheidsbeperkende maatregelen door inrichtingen en instellingen die onder verantwoordelijkheid van Onze Minister een taak uitoefenen in het kader van die tenuitvoerlegging. De Raad slaat in het bijzonder acht op de toepassing van het bij of krachtens de wet bepaalde omtrent de rechtspositie van personen aan wie een dergelijke straf of maatregel is opgelegd.

  • 3. De Raad is belast met rechtspraak die hem bij de wet is opgedragen.

  • 4. De Raad verricht voor het overige de werkzaamheden die hem bij of krachtens de wet worden opgedragen.

ARTIKEL 4

  • 1. De Raad heeft een voorzitter en ten hoogste zestig overige leden. De Raad kan uit de overige leden ondervoorzitters aanwijzen.

  • 2. De voorzitter en de overige leden worden, de Raad gehoord, op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd.

  • 3. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste zes jaren. Herbenoeming kan eenmaal en voor ten hoogste zes jaren plaatsvinden.

  • 4. Onze Minister draagt zorg voor openbaarmaking van een vacature in de Raad.

ARTIKEL 5

  • 1. De leden van de Raad worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel 3 genoemde taken alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.

  • 2. Van de Raad maken in ieder geval deel uit:

    a. met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht,

    b. deskundigen uit de kring van het maatschappelijk werk,

    c. deskundigen op het gebied van de gedragswetenschappen,

    d. advocaten, en

    e. artsen.

  • 3. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf, worden niet benoemd in de Raad, indien zij in verband met hun werkzaamheden betrokken zijn bij de in artikel 3, eerste lid, genoemde beleidsterreinen.

  • 4. Bij de samenstelling van de Raad wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

Artikel 6

  • 1. De leden van de Raad worden op eigen aanvraag door Onze Minister ontslagen.

  • 2. De leden kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

ARTIKEL 7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van de Raad vastgesteld.

ARTIKEL 8

  • 1. In de Raad kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd.

  • 2. De artikelen 4, tweede en derde lid, en 5 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De plaatsvervangende leden kunnen met bepaalde taken worden belast.

ARTIKEL 9

  • 1. De Raad heeft een secretaris.

  • 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Raad uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad.

  • 3. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.

  • 4. De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de Raad.

  • 5. Onze Minister benoemt, bevordert, schorst en ontslaat, na overleg met de voorzitter van de Raad, de secretaris, en, na overleg met de secretaris, de andere medewerkers.

  • 6. Onze Minister draagt, na overleg met de Raad, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Raad.

ARTIKEL 10

De Raad wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris.

ARTIKEL 11

De Raad kan zich verdelen in secties en kan de uitoefening van bepaalde taken opdragen aan commissies uit zijn midden.

ARTIKEL 12

  • 1. De Raad stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder geval regels over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken. Daarbij wordt voorzien in waarborgen tegen vermenging van de adviserende, toezichthoudende en rechtsprekende taak van de Raad.

  • 2. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister en behoeft diens goedkeuring.

ARTIKEL 13

De Raad kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

ARTIKEL 14

  • 1. De Raad kan zich doen bijstaan door andere dan de in artikel 13 bedoelde personen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken nodig is.

  • 2. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL 15

  • 1. De leden van de Raad hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichtingen en instellingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, waar personen aan wie een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, verblijven.

  • 2. De leden van de Raad ontvangen van de directeur van de inrichting of de instelling die is belast met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, een vrijheidsbeperkende straf of een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregel, of van de personen, werkzaam bij die inrichting of instelling, alle door hen gewenste inlichtingen.

  • 3. Bij de uitoefening van toezicht zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De leden van de Raad die bij de uitvoering van hun taak de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, zijn verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

ARTIKEL 16

De Raad zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister een ontwerp voor de begroting voor het daaropvolgende kalenderjaar van de aan zijn taakvervulling verbonden uitgaven.

ARTIKEL 17

  • 1. De Raad zendt Onze Minister jaarlijks voor 1 september een werkprogramma voor het komende kalenderjaar toe.

  • 2. Onze Minister verstrekt de Raad tijdig een overzicht van de voornemens om advies te vragen.

ARTIKEL 18

De Raad houdt bij het vervullen van zijn taken zo veel mogelijk rekening met het werkprogramma. Onverminderd de Comptabiliteitswet vervult hij zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.

ARTIKEL 19

De Raad stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

ARTIKEL 20

De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

HOOFDSTUK II WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

ARTIKEL 21

In artikel 13, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht1 wordt «sectie terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing» vervangen door: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.

ARTIKEL 22

De Beginselenwet gevangeniswezen2 wordt ingetrokken.

ARTIKEL 23

De Wet op de jeugdhulpverlening3 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de artikelen 60, 61, 81 en 84, alsmede voor een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 82,» vervangen door: de artikelen 60 en 61.

2. In het derde lid wordt «de artikelen 61, 65 en 84» vervangen door: de artikelen 61 en 65.

B

Hoofdstuk XV vervalt.

ARTIKEL 24

Artikel 7 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie4 wordt als volgt gewijzigd:

A

In het eerste lid wordt «het College van advies voor de justitiële kinderbescherming» vervangen door «de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming» en vervalt de tweede volzin.

B

In het tweede lid wordt «het College van Advies of de in het eerste lid bedoelde commissie» onderscheidenlijk «het College van Advies» vervangen door: de Raad.

ARTIKEL 25

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel n, komt te luiden:

n. Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;.

B

Artikel 9 komt te luiden:

ARTIKEL 9

De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XV en XVI.

C

In artikel 10, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, wordt «de sectie terbeschikkingstelling» telkens vervangen door: de Raad.

D

Artikel 36, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;

E

In de artikelen 67, tweede lid, en 69, tweede lid, wordt «de sectie terbeschikkingstelling» telkens vervangen door: de Raad.

ARTIKEL 26

De Penitentiaire beginselenwet6 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel j, komt te luiden:

j. Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;.

B

Artikel 6 komt te luiden:

ARTIKEL 6

De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XII, XIII en XV, en hoofdstuk 7 van de Penitentiaire maatregel.

C

In artikel 7, tweede lid, onderdeel d, wordt «de sectie gevangeniswezen» vervangen door: de Raad.

D

Artikel 37, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;.

E

In de artikelen 69, tweede lid, en 73, eerste lid, wordt «de sectie gevangeniswezen» telkens vervangen door: de Raad.

F

In artikel 76, derde lid, wordt «de sectie terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing» vervangen door: de Raad.

ARTIKEL 27

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 april 1998 ingediende voorstel voor een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (26 016)7 tot wet is verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel j, komt te luiden:

j. Raad: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;.

B

Artikel 6 komt te luiden:

ARTIKEL 6

De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XIV en XV.

C

In artikel 7, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, wordt «het College van advies» telkens vervangen door: de Raad.

D

Artikel 42, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;.

E

In de artikelen 74, tweede lid, en 78, eerste lid, wordt «het College van advies» telkens vervangen door: de Raad.

HOOFDSTUK III OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 28

  • 1. De Raad treedt in de plaats van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en het College van advies voor de justitiële kinderbescherming.

  • 2. De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en de leden van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming zijn van rechtswege benoemd in de Raad.

  • 3. De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor de eerste maal zijn herbenoemd, kunnen op of na dat tijdstip worden herbenoemd voor ten hoogste zes jaren.

  • 4. De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor de tweede maal zijn herbenoemd, treden af na het verstrijken van hun derde ambtstermijn.

ARTIKEL 29

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.

ARTIKEL 30

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 13 december 2000

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de elfde januari 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 13 december 2000, Stb. 616.

XNoot
2

Stb. 1951, 596.

XNoot
3

Stb. 1989, 360, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 2 november 2000, Stb. 481.

XNoot
4

Stb. 1988, 566, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 23 november 2000, Stb. 496.

XNoot
5

Stb. 1997, 280, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
6

Stb. 1998, 430, gewijzigd bij de Wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
7

Stb. 2000, 481.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 26 871.

Handelingen II 2000/2001, blz. 1587.

Kamerstukken I 2000/2001, 26 871 (86, 86a).

Handelingen I 2000/2001, blz. 403 t/m 404.