Besluit van 3 april 2001 tot aanpassing van enkele SZW-a.m.v.b.'s aan de Vreemdelingenwet 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 21 februari 2001, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, WBJA/W2/01/8728;

Gelet op de artikelen 3, vijfde lid, en 7, derde lid, van de Algemene bijstandswet, 3, vijfde lid, en 6, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 3, vijfde lid, en 6, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 1, zesde lid, en 4, tweede lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten, 3, vierde en zesde lid, van de Werkloosheidswet, 1, zesde lid, en 3, vierde en zesde lid, van de Ziektewet, 1, zesde lid, en 3, vierde en zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 1, zesde lid, van de Toeslagenwet, 1, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 1, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 1, zesde lid, en 6, derde en vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 3, vijfde lid, en 13, derde en vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde en vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 69, eerste lid onder d, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, 3, eerste lid onder c, en 4, tweede lid onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen en artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid,

De Raad van State gehoord (advies van 15 maart 2001, nr. W12.010108/IV)

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 27 maart 2001, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/AB/01/19665;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz1 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede «en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen» vervangen door:«, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet voorzieningen gehandicapten».

B. In artikel 1, eerste lid, wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet» twee maal vervangen door: in de zin van artikel 8, onder a tot en met e , of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

C. In artikel 1, eerste lid, onder b, wordt de zinsnede «de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet» vervangen door: de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

D. In artikel 1, tweede lid onder b, wordt «Vreemdelingenwet» vervangen door: Vreemdelingenwet 2000.

E. In artikel 3 wordt «Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz» vervangen door: Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg.

ARTIKEL II

In het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 19902 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. In artikel 4 wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet» vervangen door: bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

B. In artikel 4c wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4 of 5, van de Vreemdelingenwet» vervangen door: in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vreemdelingenwet 2000.

C. In artikel 16a wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet» vervangen door: in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL III

In het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 19993 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Ingevoegd wordt een artikel 9a, luidende:

Artikel 9a Vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.

Een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, is, ongeacht of hij als ingezetene kan worden beschouwd, verzekerd op grond van de volksverzekeringen met ingang van de dag waarop positief op de verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt.

B. In artikel 10, eerste lid, wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet» twee maal vervangen door: in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

C. In artikel 10, eerste lid onder b, wordt de zinsnede «de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet» vervangen door: de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

D. In artikel 10, tweede lid onder b, wordt «Vreemdelingenwet» vervangen door: Vreemdelingenwet 2000.

E. In artikel 11, eerste lid, wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4 of 5, van de Vreemdelingenwet» vervangen door: in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vreemdelingenwet 2000.

F. In artikel 23 wordt de zinsnede «in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet» vervangen door: in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL IV

In artikel 3, eerste lid, onder d, 2e, van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 19984 wordt «Vreemdelingenwet» vervangen door: Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL V

In artikel 7, eerste lid onder g, van het Besluit van 24 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 686)5 wordt «de Vreemdelingenwet (Stb.1965,40)» vervangen door: de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL VI

In het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. In artikel 1a wordt onderdeel a vervangen door:

a. rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder a, c of l, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, in verband met een aanvraag van een verblijfsvergunning asiel of een aanvraag om voortgezette toelating, en

B. In artikel 1b wordt «Vreemdelingenwet» vervangen door: Vreemdelingenwet 2000.

C. In artikel 2:

1) vervalt onderdeel a;

2) wordt in onderdeel b de zinsnede «een vreemdeling die krachtens artikel 9 van de Vreemdelingenwet is toegelaten» vervangen door: «een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, en is toegelaten»;

3) wordt in onderdeel b.1. na «Nederlander» ingevoegd: «of gemeenschapsonderdaan die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000»;

4) vervalt onderdeel c;

5) wordt in onderdeel d na «Vreemdelingenwet» ingevoegd: «of Vreemdelingenwet 2000»;

6) wordt in onderdeel e de zinsnede «een vreemdeling aan wie krachtens artikel 9 van de Vreemdelingenwet een vergunning tot verblijf is verleend» vervangen door: een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL VII

Artikel 1 van het Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb.407) wordt vervangen door:

Artikel 1

  • 1. Het recht zich als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren, komt toe aan:

    a. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder a of l, van de Vreemdelingenwet 2000, ten aanzien van wie krachtens artikel 2 of 3 van de Wet arbeid vreemdelingen het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet niet van toepassing is;

    b. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, die onvrijwillig werkloos is terwijl het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen nog van toepassing is, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsluit;

    c. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsloot, indien de vreemdeling onvrijwillig werkloos is, en mits hij:

    1° voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

    2° binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2. Het recht op registratie eindigt voor een vreemdeling, bedoeld in het eerste lid onder c, zodra:

    a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

    b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

ARTIKEL VIII

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop hoofdstuk 7 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 3 april 2001

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de negentiende april 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Naar verwachting op 1 april 2001 zal de thans geldende Vreemdelingenwet worden vervangen door de Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 495). Dit besluit bevat de aanpassingen van de algemene maatregelen van bestuur op het werkterrein van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid welke in verband hiermee nodig zijn.

De wijzigingen zijn voor het merendeel van technische aard. In de besluiten voorkomende verwijzingen naar de thans geldende Vreemdelingenwet worden vervangen door verwijzingen naar de corresponderende artikelen van de nieuwe Vreemdelingenwet 2000. Dit geschiedt in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (artikel I), het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (artikel II), het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (artikel III), het op diverse sociale zekerheidswetten gebaseerde Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding (artikel IV), het op de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid gebaseerde Koninklijk Besluit van 24-12-1997 (Stb. 796) (artikel V), het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (artikel VI) en het, krachtens de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 gebaseerde, Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 (Stb. 407) (artikel VII).

Enkele wijzigingen zijn van meer inhoudelijke aard:

1. Bij wet van 24 december 1998, Stb.742, (in werking getreden m.i.v. 1 januari 1999) is artikel 4 van de Wet voorzieningen gehandicapten aangepast aan de uitgangspunten van de «Koppelingswet». Ook in het kader van die wet geldt derhalve het uitgangspunt dat uitsluitend vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning werd verleend aanspraken op de desbetreffende voorzieningen kunnen doen gelden. Het tweede lid van dit artikel 4 biedt de mogelijkheid de groep van rechthebbende vreemdelingen in beperkte mate uit te breiden. Het wordt wenselijk geacht dat te dien aanzien dezelfde regeling gaat gelden, als reeds geldt in het kader van de Algemene bijstandswet, de Ioaw en de Ioaz. Dit wordt geregeld in artikel I, onderdelen A en E, van bijgaand besluit.

2. Het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000 houdt in, dat de thans bestaande onderscheidingen in typen verblijfsvergunningen worden vervangen door enerzijds verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd (gedurende de eerste 5 resp. 3 jaren van rechtmatig verblijf, al naar gelang het de verblijfsvergunning regulier dan wel de verblijfsvergunning asiel betreft), en anderzijds verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd (voor de periode daarna).

In het kader van de sociale zekerheid is hierbij het uitgangspunt, dat voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning (ongeacht of deze voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd is verstrekt) in principe dezelfde sociale zekerheidsregelingen van toepassing zijn als voor Nederlanders gelden. Dit is aldus ook in hoofdstuk 7 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 vastgelegd.

In het kader van de volksverzekeringen is vervolgens de vraag gerezen, wat de implicaties van deze benadering in concreto zullen zijn. In het bijzonder rees de vraag of, en met ingang van welk tijdstip, vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, indien zij niet over looninkomsten beschikken en uit dien hoofde voor de volksverzekeringen verzekerd zijn, als ingezetenen van Nederland kunnen worden beschouwd, en uit dien hoofde verzekerd zouden zijn. Ten aanzien van deze vraag heeft de Sociale Verzekeringsbank een tweetal uitvoeringstoetsen uitgebracht. In de eerste uitvoeringstoets d.d. 24 september 1999 – uitgebracht op basis van de tekst van de Invoeringswet zoals deze bij de Tweede Kamer zou worden ingediend – kwam de SVB tot de conclusie dat houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel in het algemeen na verloop van één jaar na het verlenen van de verblijfsvergunning als ingezetene van Nederland kunnen worden aangemerkt. Indien de feiten of omstandigheden van de individuele betrokkene daartoe aanleiding geven, zou het ingezetenschap evenwel eerder of later aangenomen worden. In een aanvullende uitvoeringstoets d.d. 25 juli 2000 kwam de Sociale Verzekeringsbank tot de conclusie dat een tijdens de parlementaire behandeling in het wetsontwerp Vreemdelingenwet 2000 aangebrachte wijziging ertoe zou dwingen om ten aanzien van het ingezetenschap voor onderscheidene categorieën vergunninghouders te differentiëren naar de grond voor de vergunningverlening. Het betrof hier de wijziging, als neergelegd in de 3e nota van wijziging bij de Vreemdelingenwet 2000 (Kamerstukken TK 26 732 nr. 73), waaruit voortvloeide dat bij de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel de grond voor die verlening – zoals onderscheiden in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 – in de toekennende beschikking zou moeten worden vermeld.

Een dergelijke differentiatie in aanspraken in het kader van de sociale zekerheidswetgeving zou ertoe leiden dat de betrokken vreemdelingen een rechtens relevant belang zouden verkrijgen om – ook wanneer hen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel wordt verleend – via bezwaar en beroepsprocedures in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 de grond voor die toelating nader te laten toetsen. Aangezien hiermee een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe Vreemdelingenwet 2000 (te weten: het beperken van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures in het kader van die wet) in gevaar zou komen, heeft deze tweede uitvoeringstoets aanleiding gegeven om via aanpassing van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 zeker te stellen dat de verzekeringspositie van vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel gelijk is. Het voornemen daartoe is ook aan Eerste Kamer medegedeeld (Memorie van antwoord EK, Kamerstukken EK 26 732/26 975 nr. 5b).

Bedoelde wijziging is neergelegd in artikel III, onderdeel A, van bijgaand besluit. Het daardoor ingevoegde artikel 9a houdt in dat alle vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel vanaf de datum van afgifte daarvan verzekerd zullen zijn voor de volksverzekeringen, zodat zijuiteraard mits ook aan de overige uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan – aanspraak zullen krijgen op de uit die verzekeringen voortvloeiende uitkeringen en verstrekkingen. De eis van ingezetenschap wordt derhalve niet meer aan deze vreemdelingen gesteld; als eis geldt wel dat de vreemdeling in Nederland verblijf houdt, en dat dit verblijf rechtmatig verblijf is in de zin van artikel 8, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.

Tenslotte wordt nog opgemerkt dat de sociale zekerheidsrechten van de betrokken vreemdelingen in de periode welke voorafgaat aan de afgifte van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel zijn geregeld in de krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers vastgestelde regelingen. Overeenkomstig de door de zgn «Koppelingswet» getrokken lijnen is de reguliere sociale verzekeringswetgeving in die periode niet van toepassing, behoudens wanneer tijdens die opvangperiode rechtmatig (i.e. in overeenstemming met de eisen welke zijn neergelegd in de Wet arbeid vreemdelingen) in Nederland arbeid zou worden verricht.

3. De wijzigingen van de Wet arbeid vreemdelingen, als neergelegd in hoofdstuk 7 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000, leiden ertoe dat het tewerkstellingsvergunnings-vereiste krachtens die wet in beginsel zal gelden gedurende de eerste 3 jaar dat vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (regulier of asiel) in Nederland verblijven. Na deze drie jaren komt dit vergunningsvereiste te vervallen, hetzij omdat aan de betrokken vreemdeling een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel wordt verleend, hetzij omdat de betrokken vreemdeling krachtens artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen van de werkingssfeer van die wet wordt uitgezonderd, middels een aantekening op de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier. Tegen deze achtergrond wordt ter toelichting op artikel VI het volgende opgemerkt:

Onderdeel A: De wijziging, als vervat in onderdeel a, leidt er ten eerste toe dat een aanvrager van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, zolang hij nog in afwachting is van een beslissing op zijn verblijfsvergunningsaanvraag of een tegen een zodanige beslissing ingesteld bezwaar of beroep, en die niet voor uitzetting in aanmerking komt, onbetaald vrijwilligers-werk zal mogen verrichten zonder dat het tewerkstellingsvergunningsvereiste op grond van de Wet arbeid vreemdelingen geldt. Hetzelfde geldt ten aanzien van een vreemdeling die over een vergunning tot bepaalde tijd (regulier of asiel) beschikt, dan wel die aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije een verblijfsrecht kan ontlenen. Tenslotte vloeit uit de wijziging voort dat de vrijstelling ten aanzien van vrijwilligerswerk blijft gelden in gevallen waarin een vreemdeling niet meer beschikt over een verblijfsvergunning of verblijfsrecht, in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000, doch waarin hij, in verband met een met het oog op voortgezet verblijf ingediende aanvraag of bezwaar- of beroepschrift, wel een verblijfsrecht heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h van de Vreemdelingenwet 2000.

Onderdeel C1: Dit onderdeel van artikel 2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen dient te vervallen, gelet op de bij de parlementaire behandeling van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 gekozen, en in dat kader gemotiveerde, beleidslijn dat het vergunningsvereiste van de Wet arbeid vreemdelingen in principe dient te gelden gedurende de eerste drie jaren dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland verblijft. Het vervallen van dit artikelonderdeel geeft geen aanleiding tot overgangsrecht. Krachtens artikel l15, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 worden de op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 geldende verblijfs-vergunningen zonder beperkingen aangemerkt als verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd op grond van de Vreemdelingenwet 2000, zodat de betrokken vreemdelingen op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, zoals dit komt te luiden na de inwerkingtreding van hoofdstuk 7 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000, niet meer onder de werkingssfeer van de Wet arbeid vreemdelingen vallen.

Onderdelen C2 en C3: Na gezinshereniging krijgen de tot Nederland toegelaten gezinsleden in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen dezelfde positie als degene die reeds in Nederland verblijft. De in deze onderdelen neergelegde wijzigingen brengen daarin geen verandering, behoudens dat gezinshereniging met een rechtmatig in Nederland verblijvende gemeenschapsonderdaan thans expliciet gelijk wordt gesteld aan gezinshereniging met een in Nederland woonachtige Nederlander.

Onderdeel C4: Gelet op de bij onderdeel C1 weergegeven beleidslijn dient ook onderdeel d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen te vervallen. Ook ten aanzien van dit onderdeel behoeft niet te worden voorzien in overgangsrecht, aangezien de op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 geldende voorwaardelijke vergunningen tot verblijf met een aantekening als bedoeld in artikel 4 van de Wet arbeid vreemdelingen hun kracht behouden, gelet op artikel 115, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 2, onder d, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

Tenslotte wordt nog opgemerkt dat het beginsel, dat bij de beoordeling van een tewerkstellingsvergunningsaanvraag met betrekking tot een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, geen toetsing zal plaatsvinden op de aanwezigheid van prioriteitgenietend arbeidsaanbod, niet is vastgelegd in het thans voorliggende beluit, maar zal worden vastgelegd in een ministeriële regeling krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

4. Door de wijziging van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, welke voortvloeit uit de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000, wordt het recht om zich als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren reeds toegekend aan vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven, in de zin van artikel 8, onder b t/m e, van de Vreemdelingenwet 2000. Door de wijziging, als neergelegd in artikel VII van dit besluit komt dit recht eveneens toe aan vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier en aan vreemdelingen die een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, indien deze vreemdelingen krachtens artikel 2 of 3 van de Wet arbeid vreemdelingen in Nederland arbeid mogen verrichten zonder dat daarvoor het vereiste van een tewerkstellingsvergunning geldt. Voorts is geregeld dat vreemdelingen met een vergunning tot verblijf regulier (mits deze het verrichten van arbeid toelaat) ten aanzien van wie het tewerkstellingsvergunningsvereiste nog wel geldt, zich eveneens als werkzoekende kunnen laten registreren, doch zulks alleen in geval van onvrijwillige werkloosheid. Tenslotte is thans geregeld dat het recht op registratie van een vreemdeling die in de hiervoor bedoelde zin rechtmatig in Nederland heeft verbleven (in gevallen waarin de verblijfstitel zich niet verzette tegen het verrichten van arbeid gedurende het verblijf), behouden blijft gedurende de periode dat een aanvraag-, bezwaar of beroepsprocedure wordt doorlopen met het oog op voortgezette toelating, totdat deze procedure tot een onherroepelijke beslissing heeft geleid, dan wel totdat de uitzetting van de vreemdeling is gelast; ook in dit geval geldt de aanspraak op registratie uitsluitend bestaat in geval van onvrijwillige werkloosheid. Voor de formulering van e.e.a. is aansluiting gezocht bij de overeenkomstige bepalingen in het kader van de sociale zekerheidswetgeving, zoals gewijzigd door de artikelen 1 tot en met III van dit besluit.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

Stb. 1998, 308.

XNoot
2

Stb. 1989, 402, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 december 2000, Stb. 611.

XNoot
3

Stb. 1998, 746, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 januari 2001, Stb. 27.

XNoot
4

Stb. 1997, 790, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 december 2000, Stb. 622.

XNoot
5

Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1998, Stb. 340.

XNoot
6

Stb. 1995, 406, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 oktober 2000, Stb. 464.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven