Besluit van 6 december 2000, houdende wijziging van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (veiligheidsadviseur en aansluiting veiligheidsvoorschriften)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2000, nr. MJZ2000032185, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, drs. J.F. Hoogervorst, en Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 319), richtlijn nr. 96/86/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 335), richtlijn nr. 96/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 1996 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren (PbEG L 145), richtlijn nr. 96/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235), en richtlijn nr. 96/87/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 96/49/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 335) alsmede op de artikelen 15c, derde lid, 16, eerste lid, 21, eerste lid, 31, eerste lid, 32, eerste en tweede lid, en 67, eerste lid, van de Kernenergiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2000, nr. W08.00 0144/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 november 2000, nr. MJZ2000136891, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, drs. J.F. Hoogervorst, en Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

ARTIKEL I

Het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk I komt te luiden:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. wet: Kernenergiewet;

    b. VSG: Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen;

    c. VLG: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen;

    d. VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen;

    e. richtlijn 94/55/EG: richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 319);

    f. richtlijn 96/49/EG: richtlijn nr. 96/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235);

    g. douanekantoor: douanekantoor voorzien in de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de Douanewet, waar de formaliteiten, bedoeld in de artikelen 40 en 43 van Verordening nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302), dienen te worden vervuld.

  • 2. Artikel 2 van het Definitiebesluit Kernenergiewet is van toepassing.

  • 3. Een wijziging van richtlijn 94/55/EG of richtlijn 96/49/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 1a

De artikelen 11, tweede lid, 16a, 21 tot en met 25, 31 tot en met 33, 37a en 37b van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen a, b, en c komen te luiden:

a. van stoffen als bedoeld in de bladen 1 tot en met 4 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG;

b. van stoffen als bedoeld in de bladen 5 tot en met 10 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG, tenzij deze stoffen tevens vallen onder blad 12 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG, en niet zijn opgeslagen op de in onderdeel d van dit lid voorgeschreven wijze;

c. van stoffen als bedoeld in blad 11 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG, indien het model van het collo voldoet aan de eisen met betrekking tot type B(M) zonder voortdurende druknivellering, gesteld in de randnummers 1732 tot en met 1740 van bijlage 1 bij de VSG, en de activiteit van de stoffen niet meer bedraagt dan bedoeld in blad 11, onder 10(d), van randnummer 704 van bijlage 1 bij de VSG;.

b. In onderdeel d wordt «blad 11 van klasse 7 van het VSG» vervangen door «blad 12 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG» en «randnummer 1610 van het VSG» door: randnummer 1741 van bijlage 1 bij de VSG.

c. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt, vervalt onderdeel e.

2. In het tweede lid wordt «randnummer 1675 van het VSG» vervangen door: randnummer 1757 van bijlage 1 bij de VSG.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Onze Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel h wordt gewijzigd als volgt:

1°. In de aanhef wordt «de bladen 10 en 11 van klasse 7 van het VSG» vervangen door: de bladen 11 en 12 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG.

2°. In het onderdeel aangeduid met «1°» wordt «de randnummers 1673(3) en 1674(5) van het VSG» vervangen door: de randnummers 1753(3) en 1754(3) van bijlage 1 bij de VSG.

3°. In het onderdeel aangeduid met «2°» wordt «randnummer 1675(2)(c) van het VSG» vervangen door: randnummer 1757(3)(c) van bijlage 1 bij de VSG.

b. Onderdeel i komt te luiden:

i. in het geval, bedoeld onder 13 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG: de gegevens, bedoeld in randnummer 1758(2) van bijlage 1 bij de VSG;.

c. In onderdeel j wordt «de randnummers 1675(3) en 1676(3) van het VSG» vervangen door: de randnummers 1757(4) en 1758(3) van bijlage 1 bij de VSG.

3. In het derde lid wordt «Onze Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken.

D

Na artikel 4a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4b

Met betrekking tot het vervoer van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden:

Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning radioactieve stoffen te vervoeren of voorhanden te hebben geldt voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van stoffen als bedoeld in blad 11 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG, tenzij het model van het collo voldoet aan de eisen met betrekking tot type B(M) zonder voortdurende druknivellering, gesteld in de randnummers 1732 tot en met 1740 van bijlage 1 bij de VSG, en.

b. In onderdeel a wordt «blad 10, onder 7(d), van klasse 7 van het VSG» vervangen door: blad 11, onder 10(d), van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG.

2. In het tweede lid wordt «blad 12 van klasse 7 van het VSG» vervangen door: blad 13 van klasse 7 van bijlage 1 bij de VSG.

F

Artikel 6, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «onder a-g» vervangen door: onder a tot en met g.

2. In onderdeel b, onder 1°, wordt «randnummer 1673(3) van het VSG» vervangen door: randnummer 1753(3) van bijlage 1 bij de VSG.

3. In onderdeel b, onder 2°, wordt «randnummer 1675(2)(c) van het VSG» vervangen door: randnummer 1757(3)(c) van bijlage 1 bij de VSG.

4. In onderdeel c wordt «randnummers 1676(2) van het VSG» vervangen door: randnummer 1758(2) van bijlage 1 bij de VSG.

5. In onderdeel d wordt «de randnummers 1675(3) en 1676(3) van het VSG» vervangen door: de randnummers 1757(4) en 1758(3) van bijlage 1 bij de VSG.

G

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen over de spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

H

Artikel 7, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a vervalt.

2. De onderdelen b tot en met e worden geletterd a tot en met d.

I

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kunnen Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG dat toelaat.

2. In het tweede lid wordt na «het eerste lid,» ingevoegd: eerste volzin,.

3. In het derde lid wordt na «het eerste lid» ingevoegd: , eerste volzin,.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan alleen worden uitgeoefend in de gevallen en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG.

J

In artikel 9, tweede lid, wordt «artikel 7, tweede lid, onder b en c,» vervangen door: artikel 7, tweede lid, onder a en b,.

K

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kunnen Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG dat toelaat.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Het woord «radiactieve» wordt vervangen door: radioactieve.

b. Na «het eerste lid,» wordt ingevoegd: eerste volzin,.

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Na «het eerste lid» wordt ingevoegd: , eerste volzin,.

b. De woorden «artikel 8, derde lid,» worden vervangen door: artikel 8, derde en vierde lid,.

L

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over land, anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in plaats van «VSG» telkens wordt gelezen «VLG», in plaats van «artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen «artikel 5, eerste of derde lid, onder a, van richtlijn 94/55/EG» en in plaats van «artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen: «artikel 6, negende tot en met elfde lid, van richtlijn 94/55/EG».

M

1. Voor de tekst van artikel 12 wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen over land, anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in artikel 10, eerste lid, in plaats van «artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen «artikel 5, eerste of derde lid, onder a, van richtlijn 94/55/EG» en in plaats van «VSG» wordt gelezen: VLG.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Ten aanzien van de krachtens het eerste lid van toepassing zijnde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen: artikel 6, negende tot en met elfde lid, van richtlijn 94/55/EG.

N

In artikel 14, eerste lid, aanhef, en tweede lid, wordt «de artikelen 7 en 8» vervangen door: de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid,.

O

In artikel 16, eerste lid, aanhef, en tweede lid, wordt «de artikelen 9 en 10» vervangen door: de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid,.

P

In artikel 18, tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 7, tweede lid, onder d en e» vervangen door: artikel 7, tweede lid, onder c en d.

Q

In artikel 24, eerste lid, wordt «Onze Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken.

R

In de artikelen 5, eerste lid, onder b, 6, eerste en tweede lid, 15, 20, 27, eerste lid, 28, eerste lid, en 29, tweede lid, wordt «van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur» telkens vervangen door: van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

ARTIKEL II

In artikel 3 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet2 vervalt «, met uitzondering van de artikelen 11, tweede lid, 16a, 37a en 37b,».

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 6 december 2000

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de elfde januari 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

Dit besluit strekt tot een aantal aanpassingen van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (verder: Vervoersbesluit). Zo is het Vervoersbesluit gewijzigd in verband met de wijziging van een aantal regelingen op het gebied van vervoer van gevaarlijke stoffen waarnaar in het Vervoersbesluit wordt verwezen. Verder is de aansluiting van het Vervoersbesluit op twee EG-kaderrichtlijnen op het gebied van vervoer van gevaarlijke stoffen verbeterd. Voorts wordt met het onderhavige besluit een EG-richtlijn inzake veiligheidsadviseurs uitgevoerd voor het vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Deze wijzigingen worden hierna nader toegelicht. Ten slotte is van de gelegenheid gebruikgemaakt om een verouderde naam van een ministerie aan te passen, om het Vervoersbesluit in overeenstemming te brengen met de gewijzigde taakverdeling tussen de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken1 en om een omissie te herstellen.

Op 1 januari 1999 zijn de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (verder: VSG), de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (verder: VLG) en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (verder: VBG) van kracht geworden. In verband hiermee zijn de definities van VSG, VLG en VBG in artikel 1 aangepast aan de citeertitels van de VSG, VLG en VBG. Doordat in de nieuwe citeertitels van de VSG, VLG en VBG geen jaartal meer voorkomt, gelden toekomstige wijzigingen van deze regelingen – anders dan voorheen – automatisch voor het vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Het spreekt vanzelf dat, voorzover bij dergelijke wijzigingen blad- en randnummers worden gewijzigd, de verwijzingen in het Vervoersbesluit naar deze nummers wel moeten worden aangepast.

Aangezien de blad- en randnummering in de nieuwe VSG niet meer dezelfde is als die in de versie van de VSG waar het Vervoersbesluit tot nog toe vanuit ging, zijn in de artikelen 2, 3, 5 en 6 de verwijzingen naar de VSG aangepast.

In dit besluit is voorts de aansluiting van het Vervoersbesluit op een aantal EG-richtlijnen op het terrein van vervoer van gevaarlijke stoffen verbeterd. Het betreft richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 319) (verder: richtlijn 94/55/EG) en richtlijn nr. 96/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235) (verder: richtlijn 96/49/EG).

Richtlijn 94/55/EG is gewijzigd door richtlijn nr. 96/86/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 335) (verder: richtlijn 96/86/EG) en richtlijn 96/49/EG is gewijzigd door richtlijn nr. 96/87/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 96/49/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 335) (verder: richtlijn 96/87/EG).

Op grond van de vrijwel identieke richtlijnen 94/55/EG en 96/49/EG is het vervoer van gevaarlijke stoffen, waaronder splijtstoffen, ertsen enradioactieve stoffen worden begrepen, over de weg en over de spoorweg toegestaan, voorzover het vervoer van de desbetreffende stof niet is verboden en indien wordt voldaan aan de in de bijlagen bij de richtlijnen genoemde voorwaarden. De bijlagen bij de richtlijnen bevatten het zgn. ADR (Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) en het zgn. RID (Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke stoffen). Nederlandse vertalingen hiervan zijn opgenomen in de VLG en de VSG. Verder bevatten de richtlijnen een groot aantal bepalingen die de lidstaten in bepaalde situaties de mogelijkheid bieden van deze voorwaarden af te wijken dan wel er ontheffing van te verlenen.

Het Vervoersbesluit wordt in verband met de richtlijnen 94/55/EG en 96/49/EG op twee punten gewijzigd.

Artikel 7, tweede lid, onder a, liet voor het vergunningplichtige vervoer van splijtstoffen over de spoorweg (en artikel 11 voor het vervoer over de weg) het al dan niet opnemen van een voorschrift dat de betrokken bepalingen van de VSG (respectievelijk de VLG) in acht moesten worden genomen, over aan de vergunningverlener. Nu bij al het vergunningplichtige vervoer van splijtstoffen en ertsen aan de betrokken bepalingen van de VSG en de VLG moet worden voldaan, is deze discretionaire bevoegdheid vervallen. De wijzigingen van de artikelen 7, tweede lid, en 8, eerste lid, strekken hiertoe. Doordat het bij de verlening van deze vervoersvergunningen reeds vaste praktijk was om een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden, heeft deze wijziging geen gevolgen voor de vervoerders van splijtstoffen en ertsen.

Het in acht nemen van de betrokken bepalingen van de VLG en de VSG, bij het niet-vergunningplichtige vervoer van splijtstoffen en ertsen en bij zowel het vergunningplichtige als het niet-vergunningplichtige vervoer van radioactieve stoffen, over de weg of over de spoorweg is krachtens de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, en 12 reeds wettelijk voorgeschreven.

De tweede aanpassing in dit verband betreft artikel 8, derde lid. Dit lid biedt de mogelijkheid om van de betrokken bepalingen van de VSG ontheffing te verlenen. Voor een dergelijke, ongeclausuleerde, bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen is geen ruimte meer nu de richtlijnen 94/55/EG en 96/49/EG de mogelijkheid hiertoe hebben beperkt. Deze beperking is in een nieuw vierde lid van artikel 8 aangebracht.

Artikel 8, derde lid, wordt door de artikelen 10, derde lid, 11, 12, 14, eerste en tweede lid, 16, eerste en tweede lid, 19, tweede lid, en 22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard voor het vervoer van radioactieve stoffen over de spoorweg en voor het vervoer van splijtstoffen en ertsen en radioactieve stoffen over land, anders dan over de spoorweg, naar en van zee of over zee, over de binnenwateren en in een luchtvaartuig. Hierdoor waren in een aantal van deze bepalingen aanpassingen noodzakelijk.

Ten slotte wordt in dit besluit uitvoering gegeven aan richtlijn nr. 96/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 1996 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren (PbEG L 145) (verder: richtlijn 96/35/EG). Op grond van deze richtlijn moeten ondernemingen die gevaarlijke goederen, waaronder splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen, vervoeren, laden of lossen, een veiligheidsadviseur aanwijzen. De veiligheidsadviseur is ermee belast te helpen bij de preventie van de aan dit soort vervoer verbonden gevaren voor de veiligheid van personen, bezittingen en milieu. De veiligheidsadviseur moet aan bepaalde scholingseisen voldoen. Richtlijn 96/35/EG wordt voor Nederland grotendeels uitgevoerd door de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen. Ten gevolge van artikel 2, derde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is deze regeling echter niet van toepassing op splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet. Om die reden moet er voor splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen binnen het kader van de kernenergiewetgeving een regeling worden getroffen. Aangezien er geen reden is om af te wijken van de regeling die voor de overige gevaarlijke stoffen op dit punt geldt, is ervoor gekozen de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing te verklaren op het vervoeren, laden en lossen van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. De aan het Vervoersbesluit toegevoegde artikelen 4b en 6a strekken hiertoe.

Het ontwerp-besluit is op 15 oktober 1999 ingevolge artikel 33, derde alinea, van het op 25 maart 1957 te Rome totstandgekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Trb. 1957, 92) voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (kenmerk 10 323). De Commissie heeft bij brief van 21 december 1999 laten weten geen officiële aanbeveling inzake het ontwerp-besluit te zullen doen.

Het ontwerp-besluit is voorts op 10 februari 2000 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen [notificatienummer 2000/0037/NL] ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Mogelijke technische voorschriften zijn opgenomen in hoofdstuk I van bijlage 2 bij de VLG, in bijlage 2 bij de VSG en in de bijlagen 1 en 2 bij de VBG.

Op het ontwerp-besluit zijn geen reacties ontvangen.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A

In artikel 1, eerste lid, zijn de omschrijvingen van VSG, VLG en VBG aangepast aan de citeertitels van de met ingang van 1 januari 1999 van kracht zijnde regelingen betreffende vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg, het land, respectievelijk de binnenwateren.

Aan artikel 1, eerste lid, zijn omschrijvingen van de richtlijnen 94/55/EG en 96/49/EG toegevoegd. Deze omschrijvingen zijn van belang voor het nieuwe artikel 1, derde lid, en de artikelen 8, eerste en vierde lid, 10, eerste lid, 11 en 12.

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de begripsbepalingen in artikel 1, eerste lid, te letteren. Tevens is bij het gebruik van citeertitels van regelingen de niet meer gebruikelijke verwijzing naar de Staatscourant komen te vervallen.

Het nieuwe derde lid van artikel 1 is nodig om te bepalen op welk moment een eventuele wijziging van de richtlijnen 94/55/EG of 96/49/EG voor de toepassing van het Vervoersbesluit van kracht wordt. Dit geldt overigens alleen indien de betrokken wijzigingsrichtlijn niet tot wijziging van het Vervoersbesluit aanleiding geeft.

Artikel I, onderdeel A en artikel II

Artikel 3 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet bepaalde dat dat besluit, met uitzondering van de artikelen 11, tweede lid, 16a, 37a en 37b, niet van toepassing is op het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag in verband met het vervoer van radioactieve stoffen. Ten onrechte waren in de opsomming van artikelen die wel van toepassing zijn de artikelen 21 tot en met 25, 31, 32 en 33 van dat besluit niet vermeld. Dat verzuim wordt hierbij hersteld. Teneinde ook splijtstoffen en ertsen, alsmede de handelingen vervoeren en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen, onder de reikwijdte van genoemde artikelen te brengen, is deze materie van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet verplaatst naar het Vervoersbesluit. In het nieuwe artikel 1a van het Vervoersbesluit worden bedoelde artikelen van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 3 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet wordt door artikel II van het onderhavige wijzigingsbesluit aan deze wijziging aangepast.

Artikel I, onderdelen B, C, E en F

De verwijzingen in de artikelen 2, 3, 5 en 6 naar de VSG zijn aangepast aan de gewijzigde nummering in bijlage 1 bij de VSG. Het vervallen van artikel 2, eerste lid, onderdeel e, hangt samen met het vervallen van de indeling in nucleaire veiligheidsklassen in bijlage 1 bij de VSG. Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om artikel 6, tweede lid, onderdeel a, in overeenstemming te brengen met aanwijzing 65 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikel I, onderdelen C en Q

De wijzigingen van de artikelen 3, eerste en derde lid, en 24, eerste lid, vloeien voort uit de gewijzigde taakverdeling tussen de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken.

Artikel I, onderdelen D en G

De nieuwe artikelen 4b en 6a dienen ter uitvoering van richtlijn 96/35/EG. Deze richtlijn is voor Nederland uitgevoerd in de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Regeling). De Regeling is ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen echter niet van toepassing op splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet. Door de Regeling hier van overeenkomstige toepassing te verklaren op het vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen wordt ervoor gezorgd dat richtlijn 96/35/EG ook ten aanzien van deze stoffen wordt uitgevoerd en bovendien op dezelfde wijze als voor alle overige gevaarlijke stoffen is geschied.

De Regeling is krachtens de artikelen 4b en 6a van overeenkomstige toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen en de met dit vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden. De Regeling is van overeenkomstige toepassing op zowel vergunningplichtig als niet-vergunningplichtig vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen over de spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de binnenwateren.

Artikel I, onderdeel H

Door dit onderdeel vervalt in artikel 7, tweede lid, de bepaling dat bij onder meer de verlening van vergunningen voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg het voorschrift kan worden opgenomen dat de betrokken bepalingen van de VSG in acht dienen te worden genomen. Op grond van het eveneens gewijzigde artikel 8, eerste lid, moeten de betrokken bepalingen van de VSG bij al het vervoer van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg in acht worden genomen. Zie hiervoor de toelichting bij artikel I, onderdeel I.

Artikel I, onderdeel I

De wijziging van artikel 8, eerste lid, heeft tot gevolg dat in alle gevallen van vervoer van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg aan de betrokken bepalingen van de VSG moet worden voldaan. Dit geldt zowel voor de gevallen waarin een vervoersvergunning is vereist, als voor de gevallen waarin geen vervoersvergunning is vereist. Voor de gevallen waarin voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van deze stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer een vergunning is vereist, biedt de nieuwe tweede volzin van artikel 8, eerste lid, het vergunningverlenend gezag de mogelijkheid om, binnen de grenzen van artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG, aan de vergunning voorschriften te verbinden die afwijken van de VSG. Op grond van artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG behoudt namelijk iedere lidstaat, onverminderd andere communautaire wetgeving, het recht om, uitsluitend om andere redenen dan de vervoersveiligheid, zoals met name nationale veiligheid of milieubescherming, het vervoer (per spoor) van bepaalde gevaarlijke goederen op zijn grondgebied te reguleren of te verbieden. De aanpassingen van artikel 8, tweede en derde lid, vloeien voort uit de wijzigingen in het eerste lid.

Artikel 8, derde lid, maakt het mogelijk ontheffing te verlenen van de betrokken bepalingen van de VSG. Door richtlijn 96/49/EG zijn de mogelijkheden daartoe echter beperkt tot de in die richtlijn genoemde gevallen en onder de aldaar genoemde voorwaarden. Deze beperking is in het nieuwe vierde lid van artikel 8 tot uitdrukking gebracht.

De situaties, waarin krachtens artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG van de toepassing van de VSG kan worden afgeweken, zijn:

– vervoer van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen, met uitzondering van middel- en hoogradioactieve stoffen;

– eenmalig vervoer van gevaarlijke goederen;

– geregeld vervoer van gevaarlijke goederen op bepaalde trajecten dat deel uitmaakt van een industrieel proces, wanneer dit vervoer lokaal van aard is;

– vervoer van gevaarlijke goederen bij proefnemingen die nodig zijn om de op dat vervoer van toepassing zijnde regels te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische en industriële ontwikkelingen; en

– lokaal vervoer van gevaarlijke goederen over korte afstand binnen haven- of luchthavengebieden of industrieterreinen.

In de eerste, derde en vijfde situatie is raadpleging van de Commissie vereist en in de vierde situatie moet, na tussenkomst van de Commissie, voor de tijdelijke afwijkingen een multilaterale overeenkomst met de andere lidstaten worden gesloten. Alleen in de tweede situatie kan een lidstaat zonder tussenkomst van de Commissie afwijking van de op het vervoer van gevaarlijke goederen van toepassing zijnde regels toestaan.

Artikel I, onderdeel J

In artikel 9, tweede lid, is de verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aangepast aan de verlettering die in het laatstgenoemde artikel heeft plaatsgehad.

Artikel I, onderdeel K

Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van deze stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer een vergunning is vereist, biedt de tweede volzin van artikel 10, eerste lid, het vergunningverlenend gezag de mogelijkheid om, binnen de grenzen van artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG, aan de vergunning voorschriften te verbinden die afwijken van de VSG. Op grond van artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG behoudt namelijk iedere lidstaat, onverminderd andere communautaire wetgeving, het recht om, uitsluitend om andere redenen dan de vervoersveiligheid, zoals met name nationale veiligheid of milieubescherming, het vervoer (per spoor) van bepaalde gevaarlijke goederen op zijn grondgebied te reguleren of te verbieden.

Aangezien ook voor het vervoer van radioactieve stoffen over de spoorweg de mogelijkheid voor het verlenen van ontheffingen door richtlijn 96/49/EG is beperkt, moet artikel 8, vierde lid, hier van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Artikel I, onderdelen L en M

De artikelen 11 en 12 verklaren de artikelen 7 en 8, respectievelijk 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op het vervoeren van splijtstoffen en ertsen, respectievelijk radioactieve stoffen, over land, anders dan over de spoorweg. Nu in artikel 8, vierde lid, wordt verwezen naar bepalingen van richtlijn 96/49/EG, moet daarvoor bij het overeenkomstig toepassen van artikel 8, vierde lid, worden gelezen: artikel 6, negende tot en met elfde lid, van richtlijn 94/55/EG. Nu in de artikelen 8, eerste lid, en 10, eerste lid, wordt verwezen naar artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG, moet daarvoor bij het overeenkomstig toepassen van eerstgenoemde artikelen worden gelezen: artikel 5, eerste lid, en derde lid, onder a, van richtlijn 94/55/EG. Dit eerste lid is inhoudelijk identiek aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG. Volgens artikel 5, derde lid, onder a, van richtlijn 94/55/EG kan iedere lidstaat ten aanzien van het vervoer door op zijn grondgebied geregistreerde of in gebruik genomen voertuigen stringentere bepalingen blijven toepassen, met uitzondering van voorschriften inzake de constructie.

De situaties waarin krachtens artikel 6, negende tot en met elfde lid, van richtlijn 94/55/EG van de toepassing van de VLG kan worden afgeweken, zijn:

– vervoer van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen, met uitzondering van middel- en hoogradioactieve stoffen;

– vervoer van gevaarlijke goederen bij proefnemingen die nodig zijn om de op dat vervoer van toepassing zijnde regels te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische en industriële ontwikkelingen; en

– eenmalig vervoer van gevaarlijke goederen.

In de eerste situatie is raadpleging van de Commissie vereist en in de tweede situatie moet, na tussenkomst van de Commissie, voor de tijdelijke afwijkingen een multilaterale overeenkomst met de andere lidstaten worden gesloten. Alleen in de derde situatie kan een lidstaat zonder tussenkomst van de Commissie afwijking van de op het vervoer van gevaarlijke goederen van toepassing zijnde regels toestaan.

Artikel I, onderdeel N

Artikel 14, eerste en tweede lid, verklaart de artikelen 7 en 8 van overeenkomstige toepassing op het vervoeren van splijtstoffen en ertsen naar en van zee of over zee, respectievelijk over de binnenwateren. Dit besluit beperkt dit tot de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid. Hierdoor blijft de mogelijkheid van ontheffing, bedoeld in artikel 8, derde lid, gehandhaafd, zonder dat de beperking, bedoeld in artikel 8, vierde lid, op het vervoeren van splijtstoffen en ertsen naar en van zee of over zee of over de binnenwateren van toepassing wordt. De bij artikel 8, vierde lid, bedoelde beperking in verband met richtlijn 96/49/EEG is immers niet relevant voor het vervoer van splijtstoffen en ertsen naar en van zee of over zee of over de binnenwateren, aangezien er voor dit soort vervoer geen vergelijkbare EG-richtlijn bestaat.

Artikel I, onderdeel O

In artikel 16, eerste en tweede lid, is de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 10, derde lid, vervangen door een van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 8, derde lid. Hierdoor blijft de mogelijkheid van ontheffing, bedoeld in artikel 8, derde lid, gehandhaafd, zonder dat de beperking, bedoeld in artikel 8, vierde lid, op het vervoeren van radioactieve stoffen naar en van zee of over zee of over de binnenwateren van toepassing wordt. Het eveneens door dit besluit gewijzigde artikel 10, derde lid, verwijst namelijk ook naar artikel 8, vierde lid, dat de mogelijkheid voor het verlenen van ontheffing in verband met richtlijn 96/49/EG beperkt. De bij artikel 8, vierde lid, bedoelde beperking in verband met richtlijn 96/49/EEG is echter niet relevant voor het vervoer van radioactieve stoffen naar en van zee of over zee of over de binnenwateren, aangezien er voor dit soort vervoer geen vergelijkbare EG-richtlijn bestaat.

Artikel I, onderdeel P

In artikel 18, tweede lid, onderdeel b, is de verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aangepast aan de verlettering die in het laatstgenoemde artikel heeft plaatsgehad.

Artikel III

Artikel I, onderdelen D en G, verwijst naar de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen, die met ingang van 31 december 1999 in werking is getreden. Dit is tevens de datum waarop de uitvoering van richtlijn 96/35/EG, waartoe de genoemde regeling strekt, moest zijn voltooid. Voor het onderhavige besluit is voorzien in inwerkingtreding vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit is geplaatst. Dit maakt het mogelijk het besluit op zo kort mogelijke termijn in werking te laten treden, rekening houdend met de wachttijd van vier weken, bedoeld in artikel 76, tweede lid, tweede volzin, van de wet.

Transponeringstabel

In de onderstaande tabel wordt aangegeven op welke wijze de verschillende artikelen van de richtlijnen 94/55/EG, 96/35/EG, 96/49/EG, 96/86/EG en 96/87/EG, voorzover het het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen betreft, zijn uitgevoerd in de Nederlandse wetgeving.

Artikelen in richtlijn 94/55/EG (vervoer over de weg)Uitvoering
1–2behoeven geen uitvoering
3, eerste lid15b, eerste lid, en 19, eerste lid, Kernenergiewet
3, tweede lid11 en 12 jo. 8 en 10 Vervoersbesluit
4–5, tweede lid, derde lid, onder b, vierde en vijfde lidoptioneel: wordt niet toegepast
5, eerste lid, en derde lid, onder a11 jo. 8, eerste lid, en 12, eerste lid, jo. 10, eerste lid, Vervoersbesluit
6, tweede lid, eerste volzin3, VLG, bijlage 2, jo 8, 10, 11 en 12 Vervoersbesluit
6, eerste en tweede lid, tweede volzin, derde t/m achtste lid en twaalfde lidoptioneel: wordt niet toegepast
6, negende, tiende en elfde lid11 en 12, tweede lid, jo. 8, derde en vierde lid, Vervoersbesluit
711 en 12 jo. 8 en 10 Vervoersbesluit
8–12behoeven geen uitvoering
artikelen in richtlijn 96/35/EG (veiligheidsadviseurs) 
14b en 6 Vervoersbesluit
2behoeft geen uitvoering
3–4, tweede lid4b en 6 Vervoersbesluit
4, derde lid7, eerste lid, onder a, Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet jo. 5:16 Algemene wet bestuursrecht
5–74b en 6 Vervoersbesluit
8–12behoeven geen uitvoering
artikelen in richtlijn 96/49/EG (vervoer per spoor) 
1–2behoeven geen uitvoering
3, eerste lid15b en 19 Kernenergiewet
3, tweede lid8, eerste lid, en 10, eerste lid, Vervoersbesluit
4–5, tweede t/m vierde lidoptioneel: wordt niet toegepast
5, eerste lid8, eerste lid, en 10, eerste lid, Vervoersbesluit
6, eerste t/m achtste lid en dertiende lidoptioneel: wordt niet toegepast
6, negende t/m twaalfde lid en veertiende lid8, derde en vierde lid, Vervoersbesluit
7, eerste lid8, eerste lid, Vervoersbesluit
7, tweede lidoptioneel: wordt niet toegepast
8–12behoeven geen uitvoering
artikelen in richtlijn 96/86/EG (wijz. van 94/55/EG) 
111 en 12 jo. 8, eerste lid, en 10, eerste lid, Vervoersbesluit
2–4behoeven geen uitvoering
artikelen in richtlijn 96/87/EG (wijz. van 96/49/EG) 
18, eerste lid, en 10, eerste lid, Vervoersbesluit
2–4behoeven geen uitvoering

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk


XNoot
1

Stb. 1987, 403, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 maart 1996, Stb. 167.

XNoot
2

Stb. 1986, 465, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 december 1998, Stb. 1999, 19.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 februari 2001, nr. 31.

XNoot
1

Koninklijk besluit van 21 juni 1999, houdende overdracht van de zorg voor de Kernenergiewet (Stb. 275).

Naar boven