Besluit van 15 maart 2001, houdende regels voor textielreinigingsbedrijven (Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 maart 2000, nr. MJZ2000031894, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op richtlijn nr. 1991/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 1991/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 1999 betreffende de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85) en de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2000, nr. W08.00.0121/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 maart 2001, nr. MJZ 2001029286, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;

b. bijlage 1: bij dit besluit behorende bijlage 1;

c. bijlage 2: bij dit besluit behorende bijlage 2;

d. vergunning: vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;

e. reinigen: procesmatig schoonmaken van textiel met behulp van oplosmiddelen in een daarvoor geschikte machine;

f. wassen: procesmatig schoonmaken van textiel met behulp van water in een daarvoor geschikte machine;

g. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning:

1°. behorende bij een inrichting als bedoeld in artikel 2, of

2°. die op een bedrijventerrein is gelegen met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare;

h. brandbare vloeistof: stof in vloeibare toestand die of een verfproduct dat een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55°C (K3-vloeistof);

i. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

j. gevoelig object:

a. woning;

b. dienst- of bedrijfswoning;

c. gezondheidsinstelling;

d. onderwijsinstelling, kantoor en winkel.

Artikel 2

  • 1. Dit besluit is van toepassing op inrichtingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van het reinigen, wassen, persen, mangelen, strijken of drogen van textiel.

  • 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3

Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:

a. de totale capaciteit van de inrichting voor het reinigen en wassen groter is dan 25 000 kg per dag;

b. de individuele beladingscapaciteit van de opgestelde machines voor het reinigen groter is dan 50 kg;

c. in de inrichting een installatie aanwezig is, die geschikt is voor de verbranding van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;

d. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7 500 kW of meer;

e. in de inrichting textiel wordt geverfd;

f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van:

1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,

2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en

3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;

g. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde poetsdoeken, voorzover deze dienen te worden aangemerkt als gevaarlijk afval in de zin van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, worden gewassen of gereinigd, of

h. in de inrichting textiel wordt gereinigd of gewassen die met radioactiviteit is besmet.

Artikel 4

  • 1. De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 en 2, gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

  • 2. Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 1, hoofdstukken 1 tot en met 3, of bijlage 2 inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere middelen wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de in artikel 6, negende lid, bedoelde gegevens. Het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel.

Artikel 5

  • 1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

    a. de in bijlage 1 opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, waterbesparing, lucht, verlichting en bodembescherming, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 1 is aangegeven, of

    b. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van grondstoffen, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.9.1 van bijlage 1 betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

  • 2. De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.

  • 3. Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Artikel 6

  • 1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. De melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

  • 3. Bij de melding wordt vermeld:

    a. het adres van de inrichting;

    b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven;

    c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting;

    d. de indeling en uitvoering van de inrichting en

    e. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.

  • 4. Bij de melding wordt de rapportage van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem gevoegd. Het onderzoek naar de nulsituatie richt zich uitsluitend op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatste een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden.

  • 5. Indien bij de melding geen rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem is gevoegd, kan het bevoegd gezag besluiten dat een zodanig onderzoek niet is vereist, indien aannemelijk is dat de kans op toekomstige bodemverontreiniging afwezig is.

  • 6. Bij de melding voor een inrichting waarin wordt gereinigd, wordt een onderzoek naar de dampdoorlaatbaarheid van de bouwkundige scheidingsconstructies tussen de inrichting en niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten, gevoegd.

  • 7. De in het derde, vierde en zesde lid bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien degene die de inrichting drijft, deze gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt.

  • 8. Degene die de melding doet, geeft bij de melding aan welke gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.

  • 9. Bij de melding overeenkomstig artikel 4, tweede lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de volgens die melding toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.

Artikel 7

  • 1. Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.

  • 2. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens het Besluit chemische wasserijen milieubeheer blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.

Artikel 8

  • 1. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit chemische wasserijen milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

  • 2. De melding geschiedt binnen twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Artikel 6, derde tot en met het achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, bij het bevoegd gezag een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het oprichten van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 6.

Artikel 9

Het Besluit chemische wasserijen milieubeheer wordt ingetrokken.

Artikel 10

Het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer1 wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Indien een gedeelte van een inrichting als bedoeld in het eerste lid is ingericht als tankstation voor het wegverkeer type B als bedoeld in het Besluit tankstations milieubeheer, met uitzondering van toepassing van artikel 1, onder c, onderdeel 1°, van het Besluit tankstations milieubeheer, geldt voor dat gedeelte uitsluitend het Besluit tankstations milieubeheer.

B

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt.

1. In onderdeel c wordt na «onherroepelijk was» ingevoegd: , of die situaties waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 1990 een vergunning nog in werking en onherroepelijk was en waarvoor de voornoemde afstand van 50 meter is vervangen door een afstand van 30 meter.

2. Onderdeel i komt te luiden:

i. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van het opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks.

C

In de bijlage worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. In voorschrift 2.1.2 wordt telkens na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

2. Voorschrift 2.2.5 komt te luiden:

2.2.5 In de werkplaats alsmede in enig ander gebouw van de inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen bijgevuld, met uitzondering van brandstof die in de categorie brandbare vloeistof valt.

Artikel 11

Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer2 wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 3, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt.

1. In onderdeel f komt «verstikkende gassen en» te vervallen.

2. In onderdeel g wordt na «vellen,» ingevoegd: ruwe tabak, ruwe tropische producten,.

3. In onderdeel h wordt na «wordt opgeslagen» ingevoegd: in bovengrondse tanks.

4. De aanhef van onderdeel i komt te luiden: vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van:.

5. Onderdeel n komt te luiden:

n. meer dan in totaal 30 000 kg aan gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in emballage als bedoeld in de voorschriften 2.1.4, 2.2.6 en 2.2.8 worden opgeslagen, niet zijnde gassen of gasmengsels in gasflessen of binnen één van de vormen van opslag als bedoeld in de voorschriften 2.1.4, 2.2.6 en 2.2.8 meer dan 10 000 kg wordt opgeslagen,.

6. Na onderdeel s wordt, onder wijziging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een komma, een onderdeel ingevoegd, dat komt te luiden: t. carcinogene, teratogene, mutagene stoffen of organische peroxiden worden op- of overgeslagen.

B

In de bijlage worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. Voorschrift 1.3.13 komt te luiden:

1.3.13 Bedrijfsafvalwater afkomstig uit:

a. een ruimte als bedoeld in voorschrift 1.3.10, onder a, dat niet is geleid door een slibvangput en een vetafscheider als bedoeld in dat voorschrift,

b. een ruimte waar grafische processen plaatsvinden,

c. een parkeergarage,

d. een wasplaats, of

e. een opslagplaats van zand, grond of akkerbouwproducten, wordt,

alvorens vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

2. In voorschrift 1.6.11 komt de eerste volzin te vervallen en wordt na «dan 15 kW per m2.» een volzin ingevoegd, luidende: Op verzoek van het bevoegd gezag toont degene die de inrichting drijft aan, dat zodanige brandpreventieve voorzieningen zijn getroffen dat aan de eerste volzin wordt voldaan.

3. In voorschrift 2.1.2 wordt telkens na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

4. In voorschrift 2.2.2 wordt na «Gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

5. In voorschrift 2.2.3, laatste volzin, wordt na «vloeibare gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

6. In voorschrift 2.2.6, onder i, onderdeel 1° , wordt «brandbare vloeistoffen» vervangen door: vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55°C.

7. In voorschrift 2.2.8 wordt telkens na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

8. In voorschrift 3.4.1 komt de aanhef te luiden:

Van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, die aan het einde van de werkdag binnen de inrichting aanwezig zijn en voor zover de opslag in totaal meer bedraagt dan 2500 kg, bedoeld in voorschrift 2.1.4, 2.2.6 en 2.2.8, wordt een registratie bijgehouden met ten minste de volgende gegevens:.

9. In voorschrift 4.7.1 wordt na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

Artikel 12

Het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer3 wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 3, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt.

1. De aanhef van onderdeel g komt te luiden: in de inrichting vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van:.

2. In onderdeel j, onder 8°, wordt «type C of type D» vervangen door: type A of type B.

B

In de bijlage worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. In voorschrift 1.6.13 komt de eerste volzin te vervallen en wordt na «dan 15 kW per m2.» een volzin ingevoegd luidende: Op verzoek van het bevoegd gezag toont degene die de inrichting drijft aan, dat zodanige brandpreventieve voorzieningen zijn getroffen dat aan de eerste volzin wordt voldaan.

2. In voorschrift 2.1.2 wordt telkens na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: en brandbare vloeistoffen.

3. In voorschrift 2.3.1 wordt na de laatste volzin een volzin toegevoegd, luidende: Op verzoek van het bevoegd gezag toont degene die de inrichting drijft aan, dat zodanige brandpreventieve voorzieningen zijn getroffen dat aan de eerste volzin wordt voldaan.

4. In voorschrift 4.4.3 wordt «3.2.12» vervangen door: 3.2.13.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2001.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 maart 2001

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Uitgegeven de negenentwintigste maart 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ HET BESLUIT TEXTIELREINIGINGSBEDRIJVEN MILIEUBEHEER

A. BEGRIPSBEPALINGEN

In deze bijlage wordt verstaan onder:

algemeen:

– NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;

– ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten;

– PER: tetrachlooretheen;

– R113: 1,1,2-trichloorethaan en 1,2,2-trifluorethaan;

– regenereren: tot een standaardkwaliteit opwerken of voor hergebruik geschikt maken van stoffen of preparaten die door terugwinning en inzameling uit installaties, apparaturen of producten zijn verkregen;

– vluchtige organische stof: organische stof die bij een temperatuur van 293,15 K een dampspanning heeft van 10 Pa (0,1 mbar) of meer, of die onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;

– wit- en bruingoed: producten als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit verwijdering wit- en bruingoed;

– categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen;

met betrekking tot geluid en trilling:

– langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999;

– geluidgevoelige bestemmingen: gebouwen of objecten aangewezen krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder;

– geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;

– piekniveau (LAmax): maximaal geluidniveau, gemeten in de meterstand «F» of «fast»;

– trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillingsgrootheid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meeten beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR);

met betrekking tot veiligheid:

– CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;

– CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag van gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1994;

– CPR 3: Richtlijn CPR 3 van de CPR, getiteld «Opslag van organische peroxiden», tweede druk, uitgave 1997;

– zeer licht ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K0-vloeistof) met een vlampunt van minder dan 0 °C en een kookpunt van 35 °C of minder, alsmede gasvormige stof die, of gasvormig preparaat dat, bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kan ontbranden;

– licht ontvlambare stof: stof die of preparaat dat:

a. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kan stijgen en ten slotte ontbranden;

b. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kan worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijft branden of gloeien;

c. in vloeibare toestand een vlampunt beneden 21 °C heeft (K1-vloeistof);

d. in gasvormige toestand, bij normale druk, met lucht ontvlambaar is, of

e. bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelt;

– ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand met een vlampunt van ten minste 21 °C en ten hoogste 55 °C;

– brandbare vloeistof: stof in vloeibare toestand die een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55 °C;

– veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 2 van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;

met betrekking tot lozingen:

– bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

– openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

– riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

met betrekking tot de bescherming van de bodem:

– NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen;

– CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen;

– CUR/PBV-aanbeveling 44: «Beoordeling van vloeistofdichte voorzieningen»;

– vloeistofdichte vloer of voorziening: vloer of voorziening geïnspecteerd en goedgekeurd overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44;

– bodembeschermende voorziening: fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert;

– bodembeschermende maatregel: handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of proces, om de kans op emissies of immissies te reduceren;

– PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening: verklaring op basis van het KIWA/PBV document 99–02 Model Verklaring vloeistofdichte voorziening.

B. VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Paragraaf 1.1 Geluid en trilling

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 1 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 1

 07:00–19:00 uur19:00–23:00 uur23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van woningen50 dB(A)45 dB(A)40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige woning35 dB(A)30 dB(A)25 dB(A)
LAmax op de gevel van woningen70 dB(A)65 dB(A)60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige woning55 dB(A)50 dB(A)45 dB(A)

b. de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in tabel I opgenomen piekniveaus niet van toepassing zijn op het laden en lossen;

c. de in tabel I aangegeven waarden binnen in- of aanpandige woningen niet gelden indien de gebruiker van deze woningen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen, en

d. de in tabel I aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidgevoelige bestemmingen.

1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 7.2 van bijlage 1 van het Besluit chemische wasserijen milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van het geluidniveau op de gevel van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in tabel I van voorschrift 1.1.1 met 5 dB(A) verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden waren vastgelegd in de milieuvergunning die in werking en onherroepelijk was op 1 april 1990. In dat geval gelden die lagere waarden.

Paragraaf 1.2 Energie

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50 000 kWh elektriciteit of 25 000 m3 aardgas, geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 worden die energiemaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

Paragraaf 1.3 Afvalstoffen en afvalwater

1.3.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft:

a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en

b. geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen.

1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in ieder geval voor:

a. papier- en kartonafval;

b. kunststofafval;

c. wit- en bruingoed;

d. glasafval en

e. textielafval.

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover voorkomen niet mogelijk is, worden zij zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater wordt niet in een riolering gebracht, indien dat water:

a. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen,

b. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt, of

c. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt.

1.3.6 Bedrijfsafvalwater dat overigens in een openbaar riool wordt gebracht:

a. belemmert niet de doelmatige werking:

1°. van dat riool,

2°. van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk of

3°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk,

b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en

c. heeft geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater,

d. heeft een concentratie aan chloroform in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 10 301, van ten hoogste 25 mg per liter, en

e. heeft een concentratie aan PER in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 10 301, van ten hoogste 0,1 mg per liter.

1.3.7 Voorschrift 1.3.6 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling van afvalwater en het transport daarvan.

1.3.8 In de vloer van een ruimte waar met oplosmiddel wordt gereinigd, is geen schrobput aanwezig, die in verbinding staat met een riolering.

1.3.9 Van bedrijfsafvalwater kan op eenvoudige wijze een steekmonster worden genomen. Hiertoe is een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening aanwezig.

Paragraaf 1.4 Lucht

1.4.1 Verwarmings- en stooktoestellen zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt. Binnen een inrichting worden geen andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie bedrijfsmatig verstookt of verbrand.

Paragraaf 1.5 Verlichting

1.5.1 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.

Paragraaf 1.6 Veiligheid

1.6.1 In ruimten waar zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool.

1.6.2 Accu's zijn tijdens het laden opgesteld in een goed geventileerde ruimte.

1.6.3 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.4 Teneinde een begin van brand effectief te kunnen bestrijden zijn voldoende mobiele brandblusmiddelen aanwezig.

Paragraaf 1.7 Waterbesparing

1.7.1 Indien het waterverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5 000 m3 geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.7.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.7.1 worden die waterbesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

Paragraaf 1.8 Bodembescherming

1.8.1 Een bodembeschermende voorziening of maatregel voldoet aan bodemrisicocategorie A zoals gedefinieerd in de NRB.

1.8.2 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich uitsluitend op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging van de bodemkwaliteit vormen. Uiterlijk binnen vier weken na het tijdstip van het buiten gebruik stellen wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem niet is vereist, indien aannemelijk is dat de kans op bodemverontreiniging afwezig is.

Paragraaf 1.9 Overig algemeen

1.9.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

HOOFDSTUK 2. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT ACTIVITEITEN DIE IN DE INRICHTING WORDEN VERRICHT

Paragraaf 2.1 Reinigen met PER

2.1.1 De immissie-concentratie van PER in niet tot de inrichting behorende in- of aanpandige ruimten van gevoelige objecten bedraagt niet meer dan 0,25 mg/m3 als weekgemiddelde. De in de eerste volzin bedoelde grenswaarde geldt niet in een in- of aanpandige ruimte van een gevoelig object indien de gebruiker van die ruimte geen toestemming geeft voor het doen uitvoeren van metingen aan de PER-concentratie in die ruimte.

2.1.2 a. De immissie-concentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, bedraagt niet meer dan 0,25 mg/m3 als jaargemiddelde.

b. Voor inrichtingen waarbinnen reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit met PER wordt gereinigd, geldt onderdeel a vanaf vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Indien binnen een zodanige inrichting een installatie die is ingericht voor reiniging met PER wordt gewijzigd of uitgebreid, geldt onderdeel a vanaf het moment dat de wijziging of uitbreiding in werking treedt.

2.1.3 a. Indien binnen de inrichting met PER wordt gereinigd, toont degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag aan dat aan voorschrift 2.1.1 alsmede aan onderdeel a van voorschrift 2.1.2 wordt voldaan. Daartoe verricht degene die de inrichting drijft, metingen die worden uitgevoerd met inachtneming van de meetvoorschriften uit bijlage 2. De metingen worden uiterlijk verricht binnen drie maanden na het van toepassing worden van voorschrift 2.1.2, dan wel op een eerder tijdstip na goedkeuring van het bevoegd gezag. De rapportage van de metingen wordt aan het bevoegd gezag overhandigd.

b. Voor inrichtingen waarbinnen reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit met PER wordt gereinigd, geldt onderdeel a vanaf vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Indien binnen een zodanige inrichting een installatie die is ingericht voor reiniging met PER wordt gewijzigd of uitgebreid, geldt onderdeel a vanaf het moment dat de wijziging of uitbreiding in werking treedt.

2.1.4 De in de inrichting aanwezige reinigingsmachines zijn ten minste voorzien van een diepkoelsysteem waardoor de temperatuur van het mengsel van lucht- en PER-damp zodanig wordt gekoeld dat de concentratie van PER, gemeten direct boven het pas geloste textiel, niet meer bedraagt dan 340 mg/m3. De hoeveelheid PER die vrijkomt via de drooglucht alsmede uit het gereinigde textiel, bedraagt niet meer dan 20 g/kg gereinigd textiel.

2.1.5 Reinigingsmachines die worden geplaatst na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zijn ten minste voorzien van een poederloos filter alsmede van een voorziening voor het dampvrij uitruimen van de distilleerketel.

2.1.6 De reinigingsmachine is opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of -voorziening.

2.1.7 De werkruimte of de opstellingsruimte van een reinigingsmachine zijn door middel van een mechanisch afzuigsysteem geventileerd. Het afzuigsysteem blijft ten minste 15 minuten na het beëindigen van de activiteiten waarbij PER-dampen in deze ruimten vrijkomen, in werking.

2.1.8 De uit de in voorschrift 2.1.7 bedoelde ruimten komende ventilatielucht wordt naar de buitenlucht afgevoerd via een afvoerleiding die uitmondt op ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m afstand van de uitmonding gelegen bebouwing, of indien dit niet mogelijk is, op een andere wijze ter goedkeuring door het bevoegd gezag tot een afdoende verspreiding van de ventilatielucht leidt.

2.1.9 Indien een ontluchtingsleiding van een reinigingsmachine niet bovendaks uitmondt, wordt de uit deze ontluchtingsleiding uittredende lucht tezamen met de uit de in voorschrift 2.1.7 bedoelde ruimten komende ventilatielucht afgevoerd.

2.1.10 Leidingen die PER-damp kunnen bevatten, zijn gasdicht uitgevoerd en bestand tegen PER-damp. Leidingen die door ruimten voeren die niet tot de inrichting behoren, hebben een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.

Paragraaf 2.2 Reinigen met andere oplosmiddelen dan PER

2.2.1 De machine voor het reinigen is zodanig geconstrueerd dat:

a. deze geschikt is voor het desbetreffende oplosmiddel, en

b. er tijdens het reinigen geen oplosmiddel kan ontwijken.

2.2.2 De machine voor het reinigen met een koolwaterstof wordt zodanig ingesteld, gebruikt en onderhouden dat de hoeveelheid van die koolwaterstof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht niet meer bedraagt dan 20 g/kg gereinigd textiel. Binnen de inrichting worden behalve PER, uitsluitend niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen toegepast.

2.2.3 De machine voor het reinigen met oplosmiddelen is opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of voorziening.

2.2.4 Binnen de inrichting dan wel aan scheidingsconstructie tussen de inrichting en niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten, worden zodanige maatregelen getroffen dat verspreiding van dampen als gevolg van het reinigen met andere oplosmiddelen, naar bedoelde ruimten wordt voorkomen.

Paragraaf 2.3 Wassen

2.3.1 De opslag of overslag van zout geschiedt op zodanige wijze dat geen zout in de bodem of, anders dan via de onthardingsinstallatie, in de riolering kan geraken.

2.3.2 Uitmondingen van afvoerleidingen zijn zodanig gesitueerd, dan wel een aanwezige ontgeuringsinstallatie is zodanig uitgevoerd en onderhouden, dat geen geurhinder nabij woningen optreedt.

Paragraaf 2.4 Opslag of overslag, bewerking en verwerking van gevaarlijke stoffen

2.4.1 De opslag of overslag, bewerking of verwerking van gevaarlijke stoffen geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen of gegevens op de verpakking of het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.4.2 Werkzaamheden met vloeibare of visceuze gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening of maatregel. De bodembeschermende voorziening is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen. Indien boven de bodembeschermende voorziening zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, kan deze voorziening 100% van deze vloeistoffen opvangen. Indien boven de bodembeschermende voorziening andere gevaarlijke vloeistoffen of brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, is de inhoud van de bak ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de overige opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen of brandbare vloeistoffen. De bodembeschermende voorziening is permanent tegen inregenen beschermd.

2.4.3 Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. Als behalve de werkvoorraden in een ruimte meer dan 25 kg of liter gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, vindt de opslag plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 15–1. Logen en zuren worden gescheiden bewaard. In de inrichting wordt in totaal ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen opgeslagen. Indien in een opslagruimte meer dan 2 500 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning ten minste 20 meter.

2.4.4 Organische peroxiden worden opgeslagen overeenkomstig CPR 3.

Paragraaf 2.5 Stoomketel

2.5.1 Het spuien van een stoomketel geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte voorziening naar een openbaar riool.

2.5.2 De spuitank is voorzien van een ontluchtingsleiding die zodanig is bemeten dat tijdens het spuien geen zodanige overdruk in de spuitank kan ontstaan, dat de spuiketel kan bezwijken.

2.5.3 De ontluchtingsleiding mondt op een zodanige plaats uit dat omwonenden geen overlast ondervinden van eventueel ontwijkende waterdamp.

HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE BEDRIJFSVOERING VAN DE INRICHTING

Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak

3.1.1 De inrichting wordt regelmatig schoongemaakt en verkeert in een goede staat van onderhoud. Alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen, destillatieresidu of andere met PER, R113 of gehalogeneerde chloorfluorkoolwaterstoffen verontreinigd afval worden direct opgeruimd.

3.1.3 Indien aan emballage lekkage ontstaat, wordt deze lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt voorkomen dat:

a. vloeistoffen of vaste stoffen in de bodem terechtkomen,

b. giftige of explosieve gassen of dampen zich verspreiden, en

c. geurhinder in de omgeving ontstaat.

Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen

3.2.1 Aan een verwarmings- of stooktoestel en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Op een verwarmings- of stooktoestel met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde aan voorschrift 1.4.1 te voldoen.

3.2.2 Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties als bedoeld in voorschrift 3.2.1 geschieden door:

a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde rechtspersoon, of

b. een andere rechtspersoon die ter zake van die activiteit of activiteiten over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt.

3.2.3 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blustoestellen, of een ten minste gelijkwaardige erkende instantie.

3.2.4 Emballage voor gevaarlijke stoffen, destillatieresidu, met oplosmiddel verontreinigd afval, olie of afgewerkte olie wordt regelmatig gecontroleerd op lekkages. Een vloeistofdichte vloer wordt regelmatig visueel op vloeistofdichtheid geïnspecteerd.

3.2.5 Indien een machine voor het reinigen met oplosmiddel is voorzien van een actief koolfilter, wordt dit koolfilter zo vaak vervangen of geregenereerd, dat de goede werking daarvan is gegarandeerd.

3.2.6 a. Van een vloeistofdichte vloer of voorziening wordt de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een deskundige inspecteur, zoals bedoeld in de PBV/CUR-Aanbeveling 44. De deskundig inspecteur of rechtspersoon waarbij hij werkzaam is, is daartoe gecertificeerd door een door de Raad voor de Accreditatie erkende certificeringsinstelling.

b. Van een vloeistofdichte vloer of voorziening, die is aangelegd vóór 1 april 1990, wordt, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een deskundig inspecteur, zoals bedoeld in de PBV/CUR-Aanbeveling 44.

c. Van een vloeistofdichte vloer of voorziening, die is aangelegd tussen 1 april 1990 en 1 januari 2001, wordt, binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een deskundig inspecteur, zoals bedoeld in de PBV/CUR-Aanbeveling 44.

d. Bij goedkeuring wordt door de deskundig inspecteur een PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening afgegeven. De keuringstermijn wordt door de deskundig inspecteur vastgesteld. Degene die de inrichting drijft, controleert door middel van een globale visuele controle met regelmatige intervallen de vloeistofdichte vloer of voorziening. De frequentie van deze controle wordt door de deskundig inspecteur vastgesteld.

3.2.7 Indien in de inrichting gevaarlijke stoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de vloeistofdichte vloer of voorziening en de bodembeschermende voorziening of maatregel, worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende aspecten en vloeistofdichtheid.

3.2.8 Indien bij de werkzaamheden binnen de inrichting bedrijfsafvalwater vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het bedrijfsafvalwater. Daarbij wordt ten minste aangegeven wanneer en op welke wijze controle van de desbetreffende installaties en onderdelen van de inrichting plaatsvindt.

3.2.9 De gedragsregels, bedoeld in de voorschriften 3.2.7 en 3.2.8, zijn binnen een inrichting zodanig aanwezig dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de gedragsregels worden nageleefd.

3.2.10 Degene die de inrichting drijft registreert het gebruik van vluchtige organische stoffen (VOS) in de inrichting. De registratie bevat ten minste de volgende gegevens:

a. het totaal aan inkoop van VOS-houdende producten, over elk kalenderjaar;

b. de voorraad aan VOS-houdende producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;

c. de totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die per kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;

d. het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde hoeveelheden en het voorraadverschil en

e. de totale hoeveelheid textiel (uitgedrukt in kg gereinigd textiel) dat is gereinigd met PER of een ander VOS-houdend product, over elk kalenderjaar.

De berekening van het totale verbruik van vluchtige organische stoffen wordt uiterlijk 2 maanden na afloop van het kalenderjaar in de registratie opgenomen. De registratie wordt in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. De registratie wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Paragraaf 3.3 Bewaren van documenten

3.3.1 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande documenten of een kopie daarvan, gedurende vijf jaar na dagtekening:

a. de resultaten van op basis van voorschrift 2.1.3, 4.3.1 en 4.4.1 verrichte onderzoeken naar respectievelijk de immissie-concentratie van PER, de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen en de mogelijkheden van het voorkomen van emissies naar de lucht,

b. onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties,

c. periodieke inspecties zoals bedoeld in voorschrift 3.2.6 van vloeistofdichte vloeren of voorzieningen,

d. certificaten of bewijzen van:

1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen en

2°. onderhoud of keuringen van de in de inrichting aanwezige voorzieningen en installaties,

e. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van gas, water en elektriciteit,

f. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen,

g. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen,

h. de registratie van vluchtige organische stoffen, bedoeld in voorschrift 3.2.10 en

i. een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister.

HOOFDSTUK 4. NADERE EISEN

Paragraaf 4.1 Geluid en trilling

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en piekniveaus (LAmax) naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden. Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, is de etmaalwaarde niet lager dan 40 dB(A).

4.1.2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1, indien binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van 35 dB(A) wordt gewaarborgd. De in de vorige volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet, indien de gebruiker van deze woningen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 m van de inrichting geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eis vaststellen op welke plaats de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde aan voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 4.1.1 of 4.1.3 te voldoen.

4.1.5 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2 een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van de Stichting Bouwresearch, Rotterdam, uitgave 1993.

Paragraaf 4.2 Energie

4.2.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de rendabele maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.2.2.

4.2.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan niet de verplichting inhouden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen, faciliteiten en processen.

4.2.3 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan geen betrekking hebben op de eigenschappen van toestellen of installaties waarop de Wet energiebesparing toestellen van toepassing is.

Paragraaf 4.3 Afvalstoffen en afvalwater

4.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of

b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.3.1.

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar worden voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in de inrichting naar het oordeel van het bevoegd gezag zodanig zijn gewijzigd dat dit ter uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.

4.3.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.3.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen, die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.3.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.2, 1.3.3 en 1.3.4.

4.3.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het uitvoeren van metingen indien op basis van de geregistreerde gegevens niet vaststaat of de emissie-eis van water niet wordt overschreden, en

b. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.6 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.7.

4.3.5 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de situering van een controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 1.3.9.

Paragraaf 4.4 Lucht

4.4.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

a. het doen uitvoeren van metingen indien op basis van de beschikbare gegevens niet vaststaat of aan voorschrift 2.1.1, 2.1.2 of 2.2.4 wordt voldaan,

b. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen van emissies naar de lucht of naar niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten,

c. de ten behoeve van het voorkomen van emissies naar de lucht of naar niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten te treffen maatregelen, en

d. de situering en hoogte van de in voorschrift 2.1.8 bedoelde afvoerleiding.

Paragraaf 4.5 Verlichting

4.5.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de te treffen maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door de in voorschrift 1.5.1 bedoelde verlichting.

Paragraaf 4.6 Waterbesparing

4.6.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.7.2.

4.6.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.6.1 kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het waterverbruik, die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen en faciliteiten, en drie jaar voor processen.

Paragraaf 4.7 Bodembescherming

4.7.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de binnen de inrichting te treffen voorzieningen en maatregelen, bedoeld in de voorschriften 2.1.6, 2.2.4 en 2.4.2, en het in acht nemen van gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de NRB.

BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ HET BESLUIT TEXTIELREINIGINGSBEDRIJVEN MILIEUBEHEER

1. Meetvoorschriften voor metingen in de binnenlucht

1.1 Methoden en meetinstrumentarium

Voor PER-concentratiemetingen in de binnenlucht kunnen twee methoden worden toegepast:

1.1.1 Meetmethode met adsorptiemateriaal

Voor binnenluchtmetingen wordt gebruik gemaakt van monsterneming door middel van adsorptiemateriaal in buisjes of zogenoemde badges.

Bij de toepassing van buisjes of badges worden de door de fabrikant of leverancier opgestelde gebruiksvoorschriften in acht genomen.

De bemonstering van de binnenlucht kan zowel passief als actief plaatsvinden.

In geval van actieve bemonstering vindt deze plaats met een daartoe geschikte pomp.

De gasconcentratie in de binnenlucht wordt daarbij na analyse van de koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de aangetroffen hoeveelheid PER in de bemonstering en het totaal doorgezogen luchtvolume.

De toe te passen buisjes dan wel badges hebben een detectielimiet van 0,1 mg/m3 of lager, en zijn voor de bedoelde toepassing gevalideerd door een daartoe erkend instituut.

De meettijd bedraagt tenminste één week.

1.1.2 Methode met continu registrerende meetapparatuur

Voor binnenluchtmetingen kan gebruik worden gemaakt van continu registrerende meetapparatuur zoals een infraroodspectrometer, die een detectielimiet heeft van 0,1 mg/m3 of lager.

Gemeten wordt tenminste gedurende één hele werkdag waarbij het begin van een meting ligt op tenminste één uur vóór de start van de bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op één uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering.

1.2 Bepaling weekgemiddelde immissieconcentratie

a. Bij toepassing van de methode onder 1.1.1:

Met de buisjes dan wel badges wordt een gemiddelde immissieconcentratie gemeten over de meetperiode.

b. Bij toepassing van de methode onder 1.1.2:

De weekgemiddelde immissieconcentratie wordt vervolgens berekend door de gemiddelde gemeten immissieconcentratie tijdens de bedrijfsvoering te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op weekbasis en het totaal aantal uren in een week (168 uur).

c. Correctie in verband met expositieduur:

De gemeten of berekende immissieconcentratie volgens methode 1.1.1 of 1.1.2 mag uitsluitend voor de gevoelige objecten: woningen, dienst- of bedrijfswoningen, gezondheidsinstellingen, onderwijsinstellingen, kantoren en winkels worden gecorrigeerd met de expositieduur, op basis van de gemiddelde verblijfstijd in genoemde objecten die redelijkerwijs mag worden verondersteld. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.

1.3 Weerscondities

Deze zijn van invloed op de mate en de snelheid van verdunning van uit de inrichting geëmitteerde PER-dampen. De geëmitteerde PER-dampen kunnen via openstaande ramen in aangrenzende ruimtes komen en de kwaliteit van de binnenlucht beïnvloeden.

De metingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd onder de op de meetlocatie van toepassing zijnde meest voorkomende weerscondities met betrekking tot windrichting en windsnelheid.

Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation welke het dichtste bij de locatie is gelegen. Deze gegevens worden in het meetverslag vermeld.

1.4 Meetplaats

De te bemonsteren ruimte is een ruimte waar personen verblijven of werkzaam zijn en grenst, voor zover mogelijk, direct aan de inrichting.

Het punt van monsterneming wordt vrij in de betreffende ruimte gepositioneerd op een zodanige plaats dat gassen kunnen worden bemonsterd. De lucht dient er ongehinderd omheen te kunnen circuleren, dus niet tegen muren aan, niet in hoeken en op niet minder dan 50 cm afstand van vloer, wanden en plafond.

In geval van monsterneming met behulp van badges of buisjes dienen deze gedurende de voorgeschreven meettijd, in de betreffende ruimte op dezelfde plek aanwezig te zijn.

1.5 Omstandigheden bemonsterde ruimte

Gedurende de bemonsteringsperiode worden de gebruikers van de te bemonsteren ruimte verzocht geen gebruik te maken van oplosmiddelhoudende materialen zoals verven, poetsmiddelen, boenwas, lijmen etcetera. Deze middelen beïnvloeden de meetwaarde.

De individuele omstandigheden in de bemonsterde ruimte(n) ten tijde van de meting dient te worden vastgelegd. Het betreft daarbij informatie over de duur van de aanwezigheid van personen en de wijze en tijdsduur van eventuele ventilatie in de ruimte ten tijde van de meting.

2. Meetvoorschriften voor metingen in de buitenlucht

2.1 Methode en meetinstrumentarium

De immisieconcentratiemetingen worden uitgevoerd met continu registrerende meetapparatuur zoals een infraroodspectrometer, die een detectielimiet heeft van 0,1 mg/m3 of lager.

Gemeten wordt tenminste gedurende één hele werkdag, waarbij het begin van een meting ligt op tenminste één uur vóór de start van de bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op één uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering.

In ieder geval wordt de meting gedurende één meetdag uitgevoerd bij de meest voorkomende windcondities.

Indien het gevoelige object zich niet aan de lijzijde van de meest voorkomende windrichting bevindt, wordt een meting uitgevoerd gedurende een tweede hele werkdag bij een tegenovergestelde windrichting.

2.2 Weerscondities

De weerscondities zijn van invloed op de mate en de snelheid van verdunning van uit de inrichting geëmitteerde PER-dampen.

De metingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd onder de op de meetlocatie van toepassing zijnde meest voorkomende weerscondities met betrekking tot windrichting en windsnelheid.

Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation welke het dichtste bij de locatie is gelegen. Deze gegevens worden in het meetverslag vermeld.

De metingen worden uitgevoerd onder weerscondities welke geen bijzondere beïnvloeding kunnen uitoefenen op de meetwaarden, dat wil zeggen wanneer er geen neerslag valt en het niet mistig is.

2.3 Meetplaats

De PER-immissieconcentraties worden gemeten nabij de dichtst bij de ventilatieopening gelegen gevoelige objecten, zoals, terrassen, balkons, opengaande ramen en tuinen van derden of op de terreingrens tussen het textielreinigingsbedrijf en terreinen van derden.

Bij een bovendakse afvoer van de ruimteventilatielucht worden de metingen uitgevoerd in het zoggebied (opmengvolume) aan de lijzijde van het gebouw.

Bij een afvoer van de ruimteventilatielucht via de gevel worden de metingen uitgevoerd aan die zijde van het gebouw waarin de uitblaasopening aanwezig is.

2.4 Berekening jaargemiddelde immissieconcentratie

De jaargemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op jaarbasis en het totaal aantal uren in een jaar (8760 uur).

Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd. In het meetrapport wordt zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie vermeld.

De gemeten gemiddelde immissie is het gewogen gemiddelde van de gemeten immissies op de meetdagen, waarbij als weegfactor de procentuele verdeling op jaarbasis van de op de meetdagen heersende windcondities wordt gekozen.

3. Bedrijfsomstandigheden in de inrichting tijdens binnen- en buitenmetingen

Voor het verkrijgen van een reëel beeld van de immissieconcentraties op leefniveau dienen de metingen onder representatieve bedrijfsomstandigheden te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de volgende aspecten in acht moeten worden genomen en in het meetverslag moeten worden vastgelegd:

1. Gedurende de meetdagen dient de reinigingsmachine met de gangbare capaciteit te worden beladen en gebruikt. Dit betekent dat er gedurende een meetdag minimaal 4 tot circa 9 charges textiel worden gereinigd. Gegevens met betrekking tot aantal gereinigde charges staan vermeld in het logboek milieuzorg. De tijdens de meetdag gereinigde textiel wordt gelijktijdig met het reinigen op de aanwezige opmaakapparatuur op een in het betrokken bedrijf gangbare wijze opgemaakt met behulp van stoom.

2. De reinigingsmachines worden beladen met een voor het individuele textielreinigingsbedrijf gangbare gemiddelde beladingsgraad. Deze kan worden berekend aan de hand van de jaarproductie van in PER gereinigde kleding (in koolwaterstoffen, natgereinigde en natgewassen textiel buiten beschouwing gelaten), de totale machinecapaciteit (uitsluitend PER-reinigingsmachines) en het aantal reinigingscharges in deze PER-machines op jaarbasis. Gegevens met betrekking tot de beladingsgraad staan vermeld in het logboek.

3. Leg vast onder welke omstandigheden de textiel in de reinigingsmachine wordt gedroogd (droogtijd, droogtemperatuur en de PER-concentratie boven het pas geloste textiel).

Leg vast de verversingsgraad van de lucht in de werkruimte alsmede de opstellingsruimte van de reinigingsmachine.

NOTA VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

1.ALGEMENE TOELICHTING24
1.1Terugblik en ontwikkelingen ten aanzien van de milieuregelgeving voor inrichtingen24
1.2De nieuwe opzet van het besluit25
1.3Relatie met andere beleidsterreinen29
1.4Toetsing van het ontwerp-besluit32
1.4.1Aantal inrichtingen waarop het besluit van toepassing zal zijn32
1.4.2Aard en omvang van de kosten en baten van het besluit32
1.4.3Bescherming van het milieu34
1.4.4Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid39
1.5Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure41
1.6Notificatie43
2.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING43
3.TOELICHTING BIJLAGE 151
3.1Algemeen51
3.2Begrippen52
3.3Voorschriften52
4.TOELICHTING BIJLAGE 269
   

1. ALGEMENE TOELICHTING

1.1. Terugblik en ontwikkelingen ten aanzien van de milieuregelgeving voor inrichtingen

Van vergunningen naar algemene regels

Medio jaren tachtig is begonnen met het opstellen van algemene regels voor bedrijven in het kader van de toenmalige dereguleringsoperatie «Actieprogramma Deregulering Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer». Deze operatie is erop gericht de vergunningplicht – toen nog op basis van de Hinderwet – te vervangen door een stelsel van algemene regels of standaardvoorschriften. Met algemene regels kon de regulering van de milieuaspecten van veel bedrijven gestalte krijgen en kon de achterstand in de vergunningverlening binnen een korte tijd snel worden geëlimineerd.

De MDW-operatie algemene milieuregels voor inrichtingen

In zijn brief van 19 december 1994 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal presenteerde het kabinet het plan van aanpak «Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit» (MDW) (Kamerstukken II 1994/95, 24 036, nr. 1). Doel daarvan is regels die het bedrijfsleven onnodig belasten, te verminderen en te vereenvoudigen en de wetgevingskwaliteit te verbeteren. Ter uitwerking van het regeerakkoord kreeg in december 1994 de projectorganisatie MDW gestalte. In dat kader stelde het kabinet de MDW-werkgroep Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in met de opdracht te onderzoeken in hoeverre het stelsel van milieuregelgeving, met name het stelsel van vergunningen en algemene regels voor inrichtingen, kon worden verbeterd.

Het kabinet informeerde bij brief van 10 juli 1995 de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het standpunt dat het naar aanleiding van het rapport van de MDW-werkgroep van 20 juni 1995 had ingenomen (Kamerstukken II 1994/95, 24 036, nr. 6). Naar aanleiding van dat advies heeft het kabinet besloten om de besluiten op grond van artikel 8.40 Wet milieubeheer (Wm) voortaan vorm te geven aan de hand van de volgende uitgangspunten:

– meer inrichtingen onder het bereik van algemene regels;

– globalisering, bundeling en groter bereik algemene regels;

– voorschriften beperken tot wat strikt noodzakelijk is; accent op doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften;

– flexibilisering door middel van nadere eisen;

– vereenvoudigen van de meldingsplicht bedoeld in artikel 8.41 Wm.

Het eerste herziene en vastgestelde artikel 8.40-amvb waarin de aanbevelingen zijn verwerkt, is het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. In de nota van toelichting bij dat besluit is uitgebreid ingegaan op de redenen voor het hanteren van bovenstaande uitgangspunten. Voor een nadere uiteenzetting over die uitgangspunten wordt daar dan ook naar verwezen.

1.2. De nieuwe opzet van het besluit

Verantwoordelijkheid bedrijfsleven en overheid

In het afgelopen decennium is zowel bij de overheden als bij het bedrijfsleven het inzicht gegroeid dat elk bedrijf zelfstandig verantwoordelijk is voor het milieu. Degene die de inrichting drijft, moet nagaan wat de mogelijke nadelige milieugevolgen zouden kunnen zijn als de inrichting in werking wordt gebracht of in bedrijf is. Op hem rust ook de verantwoordelijkheid na te gaan op welke wijze deze gevolgen kunnen worden voorkomen of, indien dat niet kan, zoveel mogelijk beperkt.

De geschetste verantwoordelijkheid van de onderneming neemt niet weg dat in laatste instantie de overheid het tot haar verantwoordelijkheid moet rekenen het milieu te beschermen. Artikel 21 van de Grondwet bepaalt dat de zorg van de overheid is gericht op de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemers moet daarom worden gezien als een belangrijke mede-verantwoordelijkheid doch impliceert niet een overdracht van de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de overheid.

De wijze van normstelling

Het besluit bevat tal van concrete voorschriften die erop gericht zijn de nadelige gevolgen die de categorieën van inrichtingen waarop het besluit betrekking heeft, kunnen veroorzaken, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Soms zijn dit doelvoorschriften, soms zijn het concrete voorschriften waaraan voorzieningen, installaties of activiteiten binnen de inrichting moeten voldoen. Op weer andere onderdelen zijn concrete voorschriften geformuleerd die handelingen vergen of de handelingsvrijheid beperken. De in het besluit opgenomen voorschriften beogen een beschermingsniveau te realiseren dat voldoet aan het uitgangspunt ALARA (as low as reasonably achievable) uit de Wet milieubeheer. De voorschriften zijn vergelijkbaar met voorschriften die mogen worden verwacht in een zogeheten adequate milieuvergunning ten behoeve van een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.

Als vangnetbepaling in het besluit fungeert voorschrift 1.9.1. Een zodanig vangnet is noodzakelijk, aangezien een volledig dekkend pakket van maatregelen voor alle denkbare situaties niet mogelijk is. Voorschrift 1.9.1 fungeert daarnaast als sluitstuk in situaties waarin geen van de voorschriften van het besluit van toepassing is, maar waarbij naar redelijke maatstaven moet worden geoordeeld dat een aantasting van het milieu in concreto niet aanvaardbaar is.

Verbreding reikwijdte en vernieuwing

De Wm kent een andere werking en reikwijdte dan de Hinderwet. De aloude invalshoek van gevaar, schade en hinder is door de Wm vervangen door het uitgangspunt dat een zo groot mogelijke bescherming van het milieu geboden is. Het begrip «bescherming van het milieu» van de Wm omvat, naast de klassieke hiervoor genoemde Hinderwet-thema's, onder meer de zorg voor een doelmatige verwijdering, preventie en hergebruik van afvalstoffen, de zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen, en het beperken van de gevolgen die verband houden met het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting.

Overeenkomstig artikel 1.1 Wm zijn bij de totstandkoming van dit besluit de aspecten afvalpreventie, energie- en waterbesparing, grondstoffenextensivering en het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting bezien.

Afvalpreventie en energie- en waterbesparing wijken in essentie af van de meer klassieke milieu-aspecten uit de Hinderwet. In tegenstelling tot bijvoorbeeld stank of lawaai leveren tekortkomingen of nalatigheden van een bedrijf ten aanzien van afvalpreventie en energiebesparing geen onmiddellijk benadeelden op. Het gaat om de bescherming van het milieu in ruime zin zonder dat een directe relatie kan worden gelegd met de (woon)omgeving. Juist vanwege dat bijzondere karakter is het wenselijk en mogelijk voorschriften op te nemen die meer ruimte bieden voor specifieke invulling naar omstandigheden, mogelijkheden of anderszins.

Energiebesparing

Overwogen is op welke wijze het aspect van energiegebruik in het besluit vorm zou kunnen krijgen. Het huidige beleidskader voor het Rijk inzake energiebesparing is in belangrijke mate gebaseerd op stimulering van energiebesparing door middel van andere instrumenten dan directe regulering. Daarbij kan worden gewezen op de meerjarenafspraken die voor de natwasbedrijven zijn gemaakt, het programma van de Nederlandse Maatschappij voor Energie en Milieu (NOVEM) voor de lichte industrie en de introductie van energiediensten. Deze instrumenten gaan uit van een grote verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven zelf. Daarnaast krijgt de energiebesparing gestalte in thema's als duurzaam bouwen en de ontwikkeling van energieprestatie-normen. Recent is ook de zogenaamde regulerende energiebelasting (REB) van kracht geworden in aanvulling op fiscale ondersteunende regelingen (VAMIL en EIA). In het licht van deze benadering en ter voorkoming van overregulering is de regeling van de energiebesparing in dit besluit terughoudend opgezet. De energieparagraaf richt zich op die inrichtingen die een relatief groot energieverbruik kennen.

Tenslotte valt te vermelden dat op grond van de Wet energiebesparing toestellen (W.E.T.) in het belang van de energiebesparing regels gesteld kunnen worden met betrekking tot toestellen en installaties. Zo zijn er ter toepassing van EU-richtlijnen onder meer eisen gesteld ten aanzien van het energiegebruik van cv-ketels. Dergelijke eisen gelden algemeen, onafhankelijk van de plaats van het toestel of de installatie. Met betrekking tot toestellen/installaties waarvoor op grond van de W.E.T. voorschriften zijn gegeven, kunnen geen nadere eisen worden vastgesteld op grond van dit besluit.

Waterbesparing

Tevens is nagegaan op welke wijze het aspect van het watergebruik als onderdeel van het bredere beleid van het beperken van het grondstoffengebruik, in het besluit vorm zou kunnen krijgen. Tot op heden gaat het Rijk uit van een grote eigen verantwoordelijkheid van de bedrijven en instellingen. In het licht van deze benadering en ter voorkoming van overregulering is de regeling van de waterbesparing in dit besluit terughoudend opgezet. De waterbesparingsparagraaf richt zich op die inrichtingen die een relatief groot waterverbruik kennen.

Afvalstoffen (afvalpreventie en afvalscheiding)

Om voor afvalpreventie de juiste condities te creëren is het «Actieprogramma afvalpreventie bij bedrijfsmatige activiteiten» uitgevoerd, dat zowel betrekking heeft op regulerende als stimulerende instrumenten. Onder afvalpreventie wordt verstaan: «het voorkomen of beperken van het ontstaan van afval door reductie aan de bron, door intern hergebruik of door de vermindering van de totale milieuschadelijkheid daarvan.» Welke maatregelen redelijkerwijs kunnen worden gevergd, wordt bepaald door de stand van de techniek en door de technische en financiële mogelijkheden van het betreffende bedrijf.

Om de juiste condities voor hergebruik en nuttige toepassing van afvalstoffen te realiseren is het Programma gescheiden inzamelen van bedrijfsafval (GIBA) opgesteld door het Afval Overleg Orgaan (AOO).

Bij gevaarlijk afval is de noodzaak van specifieke eindverwerking de reden om tot afvalscheiding over te gaan. Afvalscheiding betreft het scheiden, gescheiden houden en gescheiden afgeven van afval dat zowel integraal als gescheiden vrijkomt.

Voor enkele veel voorkomende afvalstoffen zijn concrete scheidingsverplichtingen opgenomen; voor de andere componenten is gekozen voor een inspanningsverplichting.

De gevolgen van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting

Problemen en overlast, voortkomend uit de verkeersstroom, verbonden aan een inrichting, hangen sterk samen met de specifieke situering van die inrichting in zijn omgeving. Potentiële hinder door vervoersbewegingen dient dan ook in eerste instantie te worden behandeld in het kader van de ruimtelijke ordening, gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen of het hoofdstuk VI Verkeerslawaai, van de Wet geluidhinder. De hinder die wordt ondervonden, is sterk afhankelijk van de situering van de inrichting en het karakter van de omgeving.

De wijze waarop de geluidhinder daarvan moet worden benaderd en beoordeeld, dient in overeenstemming plaats te vinden met de wijze waarop het verkeersgeluid van verkeer wordt vastgesteld in het kader van de Wet geluidhinder. Daarbij kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» (Kenmerk MBG 96006131, Stcrt. 1996, nr. 44), tevens als hulpmiddel dienen.

Indirecte lozing van afvalwater

Indirecte lozingen, dat wil zeggen lozingen op het riool, kunnen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken onder meer door het in het milieu geraken van verontreinigende stoffen. De lozingen via het openbaar riool kunnen verder nadelige gevolgen voor het milieu hebben, indien deze de doelmatige werking van de riolering of het zuiveringstechnisch werk belemmeren, bijvoorbeeld door aantasting van de riolering of de daarbij behorende apparatuur. Tot 1 maart 1996 kreeg de aanpak voor indirecte lozingen die niet zijn aangewezen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), gestalte via de gemeentelijke lozingsverordeningen. Vanaf de genoemde datum zijn de Wm en de Wvo zo aangepast, dat alle milieu-aspecten van indirecte lozingen – voorzover het niet gaat om indirecte lozingen die zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, Wvo – in milieuvergunningen of bij algemene regels op grond van de Wm worden geregeld.

Melding

In het systeem van artikel 8.40 Wm is een melding en een bekendmakingsregeling ingebouwd, zodat het bevoegd gezag en de belanghebbenden kunnen nagaan of de ondernemer terecht oordeelt of een besluit op zijn bedrijf van toepassing is. Is een 8.40-besluit op het bedrijf van toepassing dan is de ondernemer gehouden de voorschriften van dat besluit na te leven. In het systeem van de wet is in eerste en laatste instantie de ondernemer verantwoordelijk voor de beoordeling welk regime op zijn bedrijf van toepassing is.

In artikel 8.41 Wm is niet geregeld of en hoe het bevoegd gezag op de melding moet reageren. Als de melding volkomen in orde is, bestaat voor het bevoegd gezag geen verplichting hierop te reageren. Oordeelt het bevoegd gezag dat de melding ten onrechte is gedaan, dan vloeit uit de handhavingsopdracht van de wet voort dat het bevoegd gezag aan de ondernemer laat weten dat voor de inrichting een vergunning noodzakelijk is en dat zonder die vergunning de wet wordt overtreden. De wet stelt voor deze mededeling overigens geen duidelijke termijn. Vanuit handhavingsoptiek is het wenselijk dat het bevoegd gezag bij een klaarblijkelijke onterechte melding niet te lang wacht met het kenbaar maken van zijn opvatting. De mededeling aan het bedrijf dat de activiteiten vergunningplichtig zijn, moet in beginsel worden gezien als een informatieve mededeling die geen rechtsgevolg heeft. De rechtsgevolgen vloeien voort uit de wet zelf.

De verplichting tot melding van de oprichting, uitbreiding of verandering van de inrichting en de algemene bekendmaking daarvan door het bevoegd gezag biedt derden-belanghebbenden de gelegenheid de gemeente in te schakelen indien zij van mening zijn dat ten onrechte wordt gemeld, vestiging in strijd is met het bestemmingsplan of overigens gehandeld wordt in strijd met ordenings- of vestigingsregels.

Derden-belanghebbenden kunnen bij het bevoegd gezag een verzoek tot handhaving indienen als een inrichting niet aan de voorschriften voldoet (artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer). Op zo'n verzoek moet het bevoegd gezag binnen een maand reageren. Een voorbeeld hiervan is een ten onrechte gedane melding door een bedrijf, waardoor het verbod van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer wordt overtreden. Een ieder kan dan het bevoegd gezag verzoeken om een sanctie op te leggen.

Nadere eisen

Artikel 8.42 Wm biedt de mogelijkheid in een 8.40-besluit de verplichting op te leggen te voldoen aan nadere eisen van een bestuursorgaan met betrekking tot daarbij aan te geven onderwerpen. Door het stellen van nadere eisen kunnen de desbetreffende voorschriften worden toegesneden op concrete gevallen.

Een regeling als bedoeld in artikel 8.40, eerste lid, Wm veronderstelt dat de te regelen inrichtingen zich alle in een betrekkelijk homogene situatie bevinden, zowel wat de gevolgen voor het milieu betreft, als wat de in de betrokken inrichtingen gebezigde werkwijzen aangaat. Ook speelt de mate van homogeniteit van de omgeving waarin de inrichtingen liggen een belangrijke rol voor bevoegd gezag, bedrijven en derden-belanghebbenden voor de bepaling van de behoefte aan een individuele beoordeling. Die homogeniteit moet het mogelijk maken algemeen geldende voorschriften toe te passen die voor de betrokken categorie voldoen. Bij het ontbreken van die homogeniteit zou in een zeer groot aantal gevallen de behoefte worden gevoeld om gebruik te maken van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, zowel in de vorm van aanscherping om alsnog het gewenste beschermingsniveau te bereiken, als in de vorm van verlichting van de voorschriften om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van de betrokken inrichting. Het gevaar dreigt dan dat de bestuurlijke last daarvan de bestuurlijke last benadert, of zelfs evenaart of overtreft, die is verbonden aan het verlenen van vergunningen. Hoewel het besluit overeenkomstig het MDW-rapport een breed terrein bestrijkt, wordt de homogeniteit toch zodanig geacht dat slechts in een beperkt aantal gevallen gebruik zal behoeven te worden gemaakt van de in artikel 5 van het besluit gegeven bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen.

Artikel 5 van het besluit biedt aan het bevoegd gezag de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen. De figuur van nadere eisen is niet nieuw. Ook in tot op heden geldende 8.40-besluiten is op diverse plaatsen de mogelijkheid gecreëerd dat het bevoegd gezag nadere eisen stelt.

Nadere eisen worden in de praktijk doorgaans terughoudend en afgewogen toegepast in die situaties waarbij lokale omstandigheden een specifieke benadering noodzakelijk maken. Het komt zelden voor dat een nadere eis wordt gesteld zonder voorafgaand overleg met degene die de inrichting drijft. In de praktijk blijkt dat in de meeste gevallen in goed overleg tussen het bedrijf en het lokale gezag eventuele onduidelijkheden worden weggenomen over de wijze waarop de regelgeving in het concrete geval moet worden nageleefd of welke activiteiten of voorzieningen kunnen bijdragen tot een juiste bescherming van het milieu. Dan kan ook van het stellen van een formele nadere eis worden afgezien.

De inhoudelijke en procedurele eisen die ons recht stelt aan de beschikking, houdende nadere eisen, dragen ertoe bij dat de bevoegde instanties niet anders dan weloverwogen daartoe overgaan. De nadere eis is een ambtshalve beschikking, die niet kan worden genomen dan nadat het bevoegd gezag zich zorgvuldig een beeld heeft gevormd van de relevante feiten en de betrokken belangen. Daarbij zijn niet alleen de milieubelangen en de belangen van derden-belanghebbenden aan de orde maar ook de bedrijfseconomische belangen. Er moet een duidelijke en redelijke verhouding zijn tussen het met de nadere eis beoogde doel en de kosten of inspanningen die het bedrijf moet maken om aan de eis te kunnen voldoen. Nadere eisen kunnen in hun algemeenheid niet zo ver gaan dat daardoor een bedrijf – in vergelijking met soortgelijke bedrijven of (internationale) ondernemingen uit dezelfde bedrijfstak – overmatig hoge kosten zou moeten maken om aan deze eisen te kunnen voldoen.

De mogelijke angst dat de nadere eisen, zoals in dit besluit geregeld, tot een soort «verkapte vergunning» zouden leiden wordt niet gedeeld. De Minister van VROM zal de ontwikkeling op dit punt in overleg met het bedrijfsleven en de VNG monitoren en evalueren.

1.3 Relatie met andere beleidsterreinen

Bij de opzet van dit besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders worden gereguleerd.

Ruimtelijke ordening en bedrijfsvestiging

Er is een sterke verwantschap tussen milieubeleid en ruimtelijk beleid. Het bestemmingsplan is op gemeentelijk niveau het afstemmingskader tussen beide beleidsvelden. Een optimaal samenspel tussen milieu en ruimtelijke ordening zou moeten leiden tot een juiste afweging van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen, die vervolgens wordt vastgelegd in bestemmingen en (gebruiks)voorschriften. Deze zijn vanwege hun normerend karakter bindend voor een ieder en dienen tevens als toetsingskader bij bouw- en aanlegvergunningen.

Bestemmingsplannen kunnen normen bevatten ter bescherming van het milieu zoals vestigingsnormen en collectieve normen (geluidzones, veiligheidszones etc.). Op grond daarvan kan de toelaatbaarheid van individuele bedrijven binnen het bestemmingsplankader worden beoordeeld. Een goed ruimtelijke ordeningsbeleid kan diverse milieugebonden knelpunten van inrichtingen voorkomen.

Opgemerkt wordt dat de handhaving van het geschetste kader uiteindelijk bepalend zal zijn voor de vraag of de stelsels van de ruimtelijke ordening en van milieu op deze wijze naadloos op elkaar aansluiten.

Bouwvergunning en Bouwbesluit

In het Bouwbesluit op grond van de Woningwet zijn vier uitgangspunten gehanteerd: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. De voorschriften zijn gegeven op basis van levensduur, kosten en milieu-aspecten. Daarnaast dient de gemeenteraad nog een bouwverordening vast te stellen, waarin met name de brandveiligheid (brandwerende en blusvoorzieningen) binnen gebouwen wordt gegarandeerd.

In de 8.40-besluiten, waarvoor het onderhavige besluit in de plaats treedt, zijn diverse voorschriften opgenomen die betrekking hebben op bouwkundige scheidingsconstructies, brandwerendheid, ventilatie van ruimten etcetera. Veelal bleek er sprake van overlap met de eisen die voortvloeien uit het Bouwbesluit en de bouwverordening. Bij de totstandkoming van het onderhavige besluit is gekozen voor een meer zuivere afbakening tussen milieu- en bouwvoorschriften. Voorschriften die betrekking hebben op bouwtechnische elementen van een inrichting, zijn zoveel mogelijk vermeden.

Provinciale milieuverordening

Artikel 1.2 Wm regelt de provinciale milieuverordening (PMV). De verordening is het kader voor tal van onderwerpen waarvan is geoordeeld dat deze beter op provinciaal niveau kunnen worden geregeld. Naast het aanwijzen van bijzondere gebieden is in hoofdstuk 10 van de Wm vastgelegd dat zaken met betrekking tot de verwijdering van afvalstoffen op provinciaal niveau geregeld kunnen worden. In dat verband is onder meer besloten het bestaande uitsluitingscriterium met betrekking tot stiltegebieden niet meer op te nemen. De provinciale verordening biedt namelijk de mogelijkheid de vestiging van inrichtingen in gebieden te reguleren. Meer specifiek voor geluid voorzien de 8.40-besluiten in een systematiek die leidt tot maatwerk in normstelling.

Voor wat betreft afval zijn in AOO-verband de overheden met elkaar overeengekomen dat regels voor het bewaren en het zich ontdoen van afvalstoffen in de amvb zullen worden opgenomen. Voor het overige blijft de PMV van toepassing.

Gemeentelijke verordening

Artikel 121 van de Gemeentewet biedt de gemeenten een verordenende bevoegdheid zolang deze niet in strijd is of komt met een hogere wettelijke regeling. In verband hiermee kan zich de vraag voordoen of gemeenten de bevoegdheid hebben bij Algemene plaatselijke verordening (APV) voorzieningen te treffen, die bepaalde vormen van nadelige gevolgen, veroorzaakt door inrichtingen, (zoals hinder) reguleren. Bepaalde vormen van milieugevolgen, zoals geluid, zijn sterk afhankelijk van de specifieke situering van een inrichting in zijn omgeving. Dit kan aanleiding zijn voor een locatie-specifieke benadering.

Regels vanuit nutsbedrijf

De levering van gas, water en licht en de daarvoor gebruikte installaties door nutsbedrijven, alsmede de daarvoor in inrichtingen in gebruik zijnde toestellen en voorzieningen, moeten voldoen aan diverse specifieke normen (NEN, KOMO) en (periodieke) keuringen door erkende installateurs. De levering en het gebruik is vanwege veiligheids- en gezondheidsredenen met grote waarborgen omgeven. De verwijzing naar deze normen vereist bij controle een zeer specifieke kennis, deskundigheid en ervaring. Bij de nutsbedrijven en de erkende installateurs is deze aanwezig.

Bij de opzet van het onderhavige besluit is gekozen voor een meer zuivere afbakening tussen milieuvoorschriften en bepalingen van de nutsbedrijven. Voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van toestellen en installaties voor gas, water en licht, zijn zoveel mogelijk vermeden. Deze aspecten vallen reeds onder de leverings- en veiligheidsvoorschriften van de nutsbedrijven.

Specifieke algemene regels

In dit besluit zijn geen onderwerpen opgenomen, waarvoor reeds op basis van besluiten krachtens artikel 8.44 Wm regels zijn gesteld. Deze regels bestaan zelfstandig naast, en zijn additioneel aan dit besluit. In de oorspronkelijke 8.40-besluiten waren diverse richtlijnen zoals die van de Commissie voor Preventie van Rampen (CPR) uitgewerkt in diverse voorschriften. De grotere reikwijdte van het onderhavige besluit bewerkstelligt dat het aantal gevallen waarin deze onderwerpen niet van toepassing zullen zijn, toeneemt. Daarom is ervoor gekozen deze richtlijnen niet in het besluit uit te werken doch deze van toepassing te verklaren.

Europese Oplosmiddelenrichtlijn

In de Richtlijn inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties (1999/13/EG) zijn emissie-eisen opgenomen voor chemische wasserijen. Deze richtlijn is in Nederland door middel van het «Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn» in de wetgeving geïmplementeerd. Voor chemische wasserijen die onder het onderhavige besluit vallen zal de implementatie van de Europese Richtlijn plaatsvinden door middel van het onderhavige besluit.

Voor reiniging met PER vindt implementatie van de EG-richtlijn plaats door middel van voorschrift 2.1.4. Chemische wasserijen die reinigen met PER moeten op basis van dit voorschrift in het bezit zijn van een goed functionerende diepkoelinstallatie, waarbij de concentratie van PER, gemeten direct boven het pas geloste textiel, niet meer mag bedragen dan 340 mg/m3 en de hoeveelheid PER die vrijkomt, via de drooglucht én via restanten in het gereinigde textiel, niet hoger is dan 20 gram/kg gereinigd en gedroogd textiel.

Voor chemische wasserijen die reinigen met alifatische koolwaterstoffen vindt implementatie van de EG-richtlijn plaats door middel van voorschrift 2.2.2. In dit voorschrift is geregeld dat bij gebruik van alifatische koolwaterstoffen de hoeveelheid VOS in het gereinigd textiel en in de vrijkomende drooglucht niet meer mag bedragen dan 20 g/kg gereinigd textiel.

De eis van 20 g/kg gereinigd en gedroogd textiel is gelijk aan de eis uit de EG-richtlijn. Daarnaast is voor beide reinigingsactiviteiten in onderhavig besluit de verplichting tot het voeren van een oplosmiddelenboekhouding opgenomen in voorschrift 3.2.10. Bedrijven die onder onderhavig besluit vallen en voldoen aan de eisen uit voorschrift 2.1.4 en 2.2.2, beide in combinatie met 3.2.10, voldoen tevens aan de vereisten uit de EG-richtlijn.

Handhaving

Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, onder a, Wm is het bestuursorgaan waaraan de melding als bedoeld in artikel 6 van dit besluit wordt gericht, het bestuursorgaan dat heeft zorg te dragen voor de bestuurlijke handhaving van hetgeen bij of krachtens dit besluit is gesteld. Gezien onder meer de aard van de activiteiten waarop dit besluit van toepassing is, zullen in nagenoeg alle gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting zich bevindt, het bevoegde gezag zijn voor de bestuurlijke handhaving van dit besluit.

De zorg voor de handhaving van dit besluit houdt allereerst in dat het bevoegde gezag in eerste instantie verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van het besluit. De zorg voor de bestuurlijke handhaving omvat voorts de plicht voor het bevoegde gezag om gegevens die van belang zijn met het oog op de uitoefening van de bestuurlijke handhaving te verzamelen en te registreren. Dit volgt uit artikel 18, eerste lid, onder b, Wm.

Naast een bestuurlijke aanpak kan ook via het strafrecht worden opgetreden in geval van overtreding van dit besluit en de voorschriften die hierop zijn gebaseerd. De grondslag hiervoor ligt in de Wet op de economische delicten (WED). Zie artikel 1a, onder 1 en 2, van de WED. Indien er een reële keuzemogelijkheid bestaat tussen een bestuursrechtelijke en een strafrechtelijke aanpak zal per individueel geval in overleg tussen de betrokken instanties moeten worden besloten welke aanpak het meest aangewezen is.

1.4. Toetsing van het ontwerp-besluit

1.4.1. Aantal inrichtingen waarop het besluit van toepassing zal zijn

Niet alle inrichtingen in de onderscheiden categorieën komen te vallen onder het bereik van het besluit. Artikel 3 van het besluit beperkt de reikwijdte. Bedrijven die voldoen aan de in dit artikel genoemde nadere specifieke kenmerken, zijn òf vergunningplichtig òf vallen onder het bereik van een ander besluit, gebaseerd op artikel 8.40.

Het totaal aantal inrichtingen dat tot de sector textielreinigingsbedrijven behoort, kan worden geschat op een kleine 900 bedrijven.

Vooralsnog kan worden gesteld dat vrijwel alle bedrijven van de bovengenoemde inrichtingen moeten worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wm en dus ook vallen onder het bereik van de Wm. Zouden er geen besluiten op grond van artikel 8.40 Wm voor bedrijven uit deze sectoren gelden, dan zouden op basis van de bovengenoemde raming ongeveer 900 inrichtingen vergunningplichtig zijn.

Het thans ingetrokken Besluit chemische wasserijen milieubeheer geldt bij benadering voor 500 inrichtingen. Hieruit kan worden afgeleid dat voor het moment van inwerkingtreding van het onderhavige besluit naar benadering 400 inrichtingen uit de genoemde bedrijfssector formeel een Wm-vergunning nodig heeft.

Bij de inwerkingtreding van het besluit zullen naar verwachting:

– circa 550 bedrijven waar met oplosmiddelen wordt gereinigd (chemische wasserijen),

– circa 150 (nat)wasserijen en linnenverhuurbedrijven, en

– maximaal 150 wassalons, onder het besluit vallen en derhalve geen vergunning krachtens de Wm nodig hebben. Dat is een stijging van voorheen 500 tot ongeveer 850 op het moment van de inwerkingtreding van het besluit. Zo'n 50 bedrijven behouden de vergunningplicht.

1.4.2. Aard en omvang van de kosten en baten van het besluit

a. Structurele en eenmalige effecten

Zonder vergunning is het verboden een inrichting op te richten, in werking te hebben of een wijziging in de aard of de werkzaamheden aan te brengen. Het vervallen van de vergunningplicht is een structureel effect voor alle inrichtingen waarop het besluit van toepassing is. Het betreft niet alleen oprichtingsvergunningen doch ook wijzigingsvergunningen.

Het is niet bekend hoe hoog de totale kosten van de vergunningverlening jaarlijks zijn voor de bedrijven die vallen onder het bereik van het besluit. De aard en omvang van de inrichtingen lopen sterk uiteen. Een grove berekening kan evenwel enig zicht op de financiële effecten geven. De kosten die een gemiddelde inrichting kwijt is aan een Wm-vergunningprocedure liggen tussen de f 2000,– en f 20 000,–. In die kosten zijn opgenomen de op geld waardeerbare inzet van het bedrijf (loonkosten), externe adviseurs en out of pocket-kosten.

Zou worden aangenomen dat gemiddeld eens per 10 jaar een dergelijke procedure moet worden doorlopen (oprichtingsen wijzigingsvergunningen) en dat deze gemiddeld f 10 000,– kost, dan zou voor de desbetreffende sector het totaal aan jaarlijkse procedurekosten zonder dit besluit gesteld kunnen worden op ongeveer f 400 000,– (400 inrichtingen x 10% x f 10 000,–). In de situatie onder dit besluit lopen die kosten terug tot circa f 50 000,– (50 x 10% x f 10 000,–).

Het meldingensysteem is veel minder kostbaar dan het vergunningensysteem. De kosten voor een bedrijf voor het doen van een melding op grond van de oude 8.40-besluiten worden op basis van een steekproef gemiddeld gesteld op f 500,– tot f 2 500,– per melding. In die kosten zijn opgenomen de op geld waardeerbare inzet van het bedrijf (loonkosten), externe adviseurs en out of pocket-kosten. In de situatie zonder dit besluit bedragen de meldingskosten circa f 75 000,– (500 x 10% x f 1 500,–).

De kosten voor het doen van de vereenvoudigde melding, die in het onderhavige besluit is voorzien, zijn minimaal. Naar schatting beloopt de op geld waardeerbare moeite voor het doen van de nieuwe melding f 100,– tot f 1500,–. De kosten die de sector zal maken voor het doen van meldingen volgens dit besluit, worden op jaarbasis geschat op f 68 000,– (850 x 10% x f 800,–).

Samengevat bedragen de kosten:

– zonder dit besluit circa f 475 000,– per jaar,

– met het inwerking zijn van dit besluit circa f 120 000,– per jaar.

Een besparing wordt bereikt van ruim f 350 000,– per jaar.

Aangetekend wordt dat bestaande bedrijven die reeds in bezit zijn van een vergunning op het moment dat dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, niet genoodzaakt zijn zich te melden bij het bevoegd gezag.

b. Rechten

Met het in werking treden van het besluit vervalt de verplichting tot het aanvragen van vergunningen op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer. Het bedrijf of de instelling is slechts gehouden de oprichting of de wijziging van de inrichting aan het bevoegd gezag te melden. Het bevoegd gezag kan geen rechten in rekening brengen voor dergelijke meldingen.

Voor alle beschikkingen krachtens de Wet milieubeheer kunnen vanaf 1-1-1998 geen rechten meer in rekening worden gebracht (artikel 15.34a van de Wet milieubeheer). De derving bij gemeenten en provincies van opbrengsten uit de milieuleges wordt gecompenseerd door centrale financiering via het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Over 1998 vindt een compensatie plaats op basis van de inkomsten van de afgelopen drie jaren. Ter bepaling van de hoogte van de compensatie in 1998 wordt het gemiddelde bedrag genomen van de twee jaren waarin de inkomsten het hoogst zijn. De verdeling van de middelen in het Gemeentefonds en het Provinciefonds zal vooralsnog gebeuren via een integratie-uitkering. Voor de periode na 1998 zal, in overleg met de VNG en het IPO, worden bezien op welke wijze inpassing in het Gemeentefonds en het Provinciefonds zal geschieden.

Verwacht mag worden dat de compensatie structureel een toereikend niveau heeft. De meeste bedrijven beschikken inmiddels over een geactualiseerde Wet milieubeheer-vergunning. Dit betekent dat de kosten en de gederfde opbrengsten voor de lokale overheden in de toekomst waarschijnlijk een neerwaartse tendens zullen laten zien. Deze tendens zal worden versterkt doordat als gevolg van de verruimde reikwijdte van dit besluit de vergunningplicht voor meer bedrijven zal komen te vervallen.

Er zijn in het algemeen geen extra kosten te voorzien. Voor die gevallen waarin bestaande bedrijven en instellingen voor het eerst onder het bereik van dit pakket van algemene regels komen te vallen, is het denkbaar dat kosten moeten worden gemaakt om aan de regelgeving te voldoen. Overigens moet worden verwacht dat het aantal van dergelijke gevallen laag ligt. De thans bestaande bedrijven en instellingen, die voor het eerst onder het bereik van het besluit komen te vallen, waren, voordat het besluit in werking trad, reeds vergunningplichtig.

c. De gevolgen voor de omvang van de administratieve lasten

Onder het begrip administratieve lasten wordt in dit kader verstaan de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen die voortvloeien uit dit besluit. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Het besluit bevat de volgende informatieverplichtingen:

a. vaste informatieverplichtingen:

– melding op grond van artikel 6 van het besluit;

b. voorwaardelijke informatieverplichtingen:

– onderzoek op verzoek van het bevoegd gezag:

* voorschrift 4.3.1 (onderzoek naar het voorkomen of beperken van ontstaan van afvalstoffen);

– onderzoek nulsituatie bodem bij de melding;

– maatregelen energiebesparing en waterbesparing, voorschriften 1.2.1 resp. 1.7.1;

– registratie vluchtige organische stoffen, voorschrift 3.2.10.

Paragraaf 3.3 bevat regels voor de bewaring van uiteenlopende documenten.

Het is op dit moment onmogelijk om vast te stellen in hoeveel gevallen (procentueel of absoluut) het bevoegd gezag gebruik zal maken van de bevoegdheid tot het afzien of verlangen van onderzoek. Ook de hoogte van het bedrag dat per onderzoek moet worden besteed is afhankelijk van veel uiteenlopende factoren.

1.4.3. Bescherming van het milieu

Bij de beslissing tot het vaststellen van dit besluit zijn verder de volgende milieurelevante aspecten betrokken.

a. De gevolgen voor het milieu die de textielreinigingsbedrijven kunnen veroorzaken en de bestaande toestand van het milieu

In het Besluit chemische wasserijen milieubeheer is in de nota van toelichting aangegeven vanuit welke beleidsvisie dat besluit regelend optreedt ten aanzien van de emissie van PER (tetrachlooretheen). Zowel stank als toxicologische aspecten zijn daarbij betrokken. De in het Besluit chemische wasserijen milieubeheer neergelegde maatregelen strekten ertoe dat rond de eeuwwisseling een adequate situatie zou zijn bereikt. Een in 1996 door TNO uitgevoerd onderzoek heeft aangegeven dat bij bedrijven met een voorzieningenniveau conform dat besluit geen overschrijding van de stanknorm hoort op te treden.

Ten aanzien van de emissie van het andere reinigingsmiddel, de chloorfluorkoolwaterstof (CFK) R113, is de normstelling eenvoudig. Met ingang van 1 januari 2000 geldt hiervoor een absoluut verbod op grond van de EG-verordening 2037/2000. Dit verbod geldt ook voor R113 dat is geregenereerd en wordt via een wijziging van het CFK-besluit naar verwachting medio 2001 in de nationale wetgeving geïmplementeerd.

Door de uitbreiding van werkingssfeer van het onderhavige besluit zijn ook (nat)wasbedrijven en wassalons onder de werking van besluit gebracht. De milieuaspecten van de natwasbedrijven blijven beperkt tot watergebruik, energie, en afvalwater. Met name vanwege de lozing van het afvalwater zijn deze bedrijven altijd goed bekend geweest bij het bevoegd gezag. Gesteld mag worden dat de vergunningsituatie bij deze bedrijven zodanig is dat er vrijwel geen bedrijven zijn die geen of een verouderde dan wel inadequate Wm-vergunning hebben.

Daarnaast geldt dat de drie genoemde aspecten tot de primaire kostenposten behoren. Dit vormt voor de bedrijfstak een grote stimulans om hierop te besparen.

Voorts wordt nauwelijks gebruik gemaakt van andere chemicaliën dan industriële zepen.

De milieubelasting van wassalons tenslotte is volledig vergelijkbaar met het particuliere huishouden.

Resumerend kan gesteld worden dat op grond van de oorspronkelijke gegevens de toestand van het milieu in de betrokken sector geen aanleiding geeft tot verregaande aanpassingen of aanscherpingen van de milieuregels in het nieuwe besluit. Echter nieuwe kennis over de effecten van de stof PER heeft geleid tot aanscherping van de normstelling voor die stof. In onderdeel b van deze paragraaf wordt hierop ingegaan.

b. De mogelijkheden tot bescherming van het milieu

Toepassing van PER, nieuwe normstelling

Vanaf 1985 (na vaststelling in het Indicatief Meerjarenplan Milieubeheer 1986–1990) zijn tot dusver in het milieubeleid de volgende milieukwaliteitsdoelstellingen voor PER gehanteerd (jaargemiddelde waarden):

– Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR):2,5 mg/m3
– grenswaarde geurhinder:2,0 mg/m3
– richtwaarde geurhinder:1,0 mg/m3
– Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR)/streefwaarde:0,025 mg/m3

In het thans ingetrokken Besluit chemische wasserijen milieubeheer van 25 januari 1990 worden de volgende PER-niveaus als toetsingswaarden voor de buitenluchtkwaliteit gehanteerd (jaargemiddelde waarden):

– bij bestaande inrichtingen (opgericht vóór 1 april 1990):2 mg/m3
– bij nieuwe inrichtingen (opgericht na 1 april 1990):1 mg/m3

Als emissiereducerende techniek voor PER was in het ingetrokken besluit een diepkoelsysteem voorgeschreven, dat voor nieuwe reinigingsmachines (na 1 april 1990 geplaatst) direct en voor bestaande machines (vóór 1 april 1990 geplaatst) vanaf 1 april 2000 verplicht was. Reinigingsmachines, voorzien van een goed werkend diepkoelsysteem, zullen in de praktijk niet leiden tot overschrijding van de toetsingswaarde van 1 mg/m3. Bovengenoemde toetsingswaarden waren opgesteld om geurhinder bij omwonenden te voorkomen. Bij deze waarden werden tevens geen nadelige gezondheidseffecten bij omwonenden verwacht, want het toen gehanteerde MTR van 2,5 mg/m3 werd dan niet overschreden.

Uit nieuwe wetenschappelijke gegevens (onder andere een rapport van de Wereld Gezondheids Organisatie uit 1995) heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) eind 1996 voor PER een nieuwe MTR-waarde afgeleid. De meest kritische effecten bij de afleiding van deze waarde betreffen de effecten op de nieren en het centrale zenuwstelsel van de mens. Voor de afleiding van de nieuwe MTR-waarde zijn vele (vooral buitenlandse) onderzoekgegevens geanalyseerd. Vooral een studie bij werknemers in stomerijen naar beginnende nierschade en een studie bij vrijwilligers naar de neurotoxiciteit van PER (duizeligheid, verminderde visuele vermogens en verminderde controle over bewegingen) waren daarbij belangrijk. Het RIVM heeft op basis van deze gegevens een waarde van 0,25 mg/m3 als MTR gerapporteerd. Deze waarde wordt ook door de Wereld Gezondheids Organisatie gehanteerd als veilige waarde. Volgens het RIVM kunnen effecten bij langdurende concentratieniveaus van PER van meer dan 0,25 mg/m3 niet uitgesloten worden. Boven 1,1 mg/m3 kunnen ernstige effecten op gaan treden.

In het kader van het project Integrale Normstelling Stoffen (INS) is eind 1997 een uitgebreid rapport verschenen over 150 stoffen en hun MTR-en VR-waarden, waarbij onder meer de nieuwe waarden voor PER officieel zijn vastgesteld.

De regering hanteert bij het milieubeleid als algemeen uitgangspunt, zoals onder meer vastgelegd in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) (Kamerstukken II 1988/89, 21 137, nrs. 1–2), dat vanaf het jaar 2000 de MTR-waarde niet meer overschreden mag worden. Na het bereiken hiervan dient door toepassing van het ALARA-principe (As Low As Reasonable Achievable) gestreefd te worden naar het bereiken in 2010 van het Verwaarloosbare Risiconiveau (de VR-waarde, die een factor 100 strenger is dan het MTR). Echter, voor het gebruik van PER als reinigingsmiddel voor textiel, heeft het Ministerie van VROM moeten vaststellen, dat er op korte termijn geen voldoende alternatieve reinigingstechnieken of -stoffen voorhanden zijn. Het vasthouden aan het op korte termijn halen van het MTR zou voor de branche betekenen dat naar verwachting ongeveer de helft van de bedrijven gesloten moet worden. Het gaat dan om bedrijven die omringd zijn door andere gebouwen, waardoor er weinig verdunning van de geloosde PER in de buitenlucht optreedt.

Bij de opstelling van het besluit in 1997 is ingeschat dat binnen 5 tot 10 jaar wel alternatieven voor reiniging met PER beschikbaar zullen zijn. Samen met de branche-organisatie NETEX is gekeken naar mogelijkheden om daar zo goed mogelijk op in te spelen. Deze mogelijkheden liggen in principe in twee richtingen:

De eerste richting

Het zoeken en vinden van andere reinigingstechnieken en -stoffen, waardoor het gebruik van PER niet meer nodig is. Volgens IR-TNO («Stand der techniek beperking van PER-emissies naar de lucht bij textielreiniging», 20 november 1996) is als extra emissiebeperkende techniek bij nieuwe installaties bij textielreinigingsbedrijven die PER gebruiken, alleen een poederloos filter en het dampvrij uitruimen van de destilleerketel goed mogelijk. Op dit moment is reeds 50% van de PER-machines uitgerust met een poederloos filter en bij 10% wordt dampvrij uitgeruimd. Hiermee wordt de emissie tijdens het uitruimen van het destillatieresidu beperkt. De extra kosten voor deze voorzieningen bedragen circa 15% van de aanschaf van een nieuwe machine. Deze kosten wegen op tegen het voordeel voor de gezondheidsaspecten en arbeidsomstandigheden van de werknemers van het textielreinigingsbedrijf. De emissiereductie van PER naar het milieu bedraagt echter slechts een enkel procent. Op korte termijn zijn geen goed uitvoerbare extra emissiebeperkende technieken bij PER-machines te verwachten.

Wel zijn alternatieve reinigingsmethoden en -middelen in ontwikkeling. De belangrijkste daarvan, die naar verwachting binnen enkele jaren het niveau van commerciële toepassing zullen hebben bereikt, zijn:

a. natreiniging, zijnde een professionele reinigingsmethode met als oplosmiddel water in plaats van chemische oplosmiddelen;

b. reiniging met sub- of superkritische kooldioxide (CO2);

c. reiniging met alifatische koolwaterstoffen; deze koolwaterstoffen zijn aromaatvrij en niet gehalogeneerd.

In overleg met de bedrijfstak is vastgesteld dat het naar huidige inzichten te verwachten is dat PER-emissievrije reinigingstechnieken, als alternatief voor het volledige aanbod van te reinigen artikelen, binnen tien jaar, gerekend vanaf 1997, operationeel en goed beschikbaar zullen zijn. Omdat echter door de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XI, nr. 5) aangedrongen is op het spoedig terugdringen van de toepassing van PER is bepaald dat de MTR voor PER ingaat op het tijdstip vijf jaar na inwerkingtreding van het besluit. Voor nieuwe situaties, dat wil zeggen het ingebruiknemen van PER-reiniging na inwerkingtreding van dit besluit, is de MTR direct van toepassing.

De tweede richting

Het zoeken naar technieken of maatregelen om de immissie van PER op leefniveau te reduceren. Hierbij kan worden gedacht aan het verplaatsen en samenvoegen van kleinere textielreinigingsbedrijfjes uit de bebouwde kom naar industrieterreinen. De vestigingen in de winkelcentra zouden dan kunnen blijven fungeren als inzamel- en servicelocatie.

Het beleid moet er op gericht zijn deze tendens te stimuleren.

Overgangsperiode bestaande situaties

Voor bestaande situaties gelden in beginsel de eisen die in het onderhavige besluit zijn opgenomen, namelijk dat alle machines van een diepkoelsysteem moeten zijn voorzien. In de afgelopen jaren is uit metingen in het veld gebleken dat bij toepassing van dergelijke machines ruim binnen de normstelling uit het oude Besluit chemische wasserijen milieubeheer wordt gebleven. Zoals hierboven al beschreven is deze normstelling gebaseerd op het toenmalige MTR. Gedurende de overgangsperiode wordt dus feitelijk voor wat betreft de nu aanwezige situaties, de reeds bestaande normstelling voortgezet. Vijf jaar na inwerkingtreding van het besluit vervalt deze benadering. Voor alle situaties is dan de nieuwe MTR van toepassing.

Gezien de nu levende verwachting dat binnen enkele jaren het gebruik van PER sterk verminderd zal zijn, is geen normstelling en tijdstip ten aanzien van de Streefwaarde (vroeger VR, Verwaarloosbaar Risico) vastgelegd. Dit is de waarde die aangeeft wanneer er sprake is van verwaarloosbare effecten op het milieu. Mocht PER in de toekomst daadwerkelijk niet meer worden gebruikt, dan is tevens en gelijktijdig voldaan aan de geformuleerde streefwaarde.

In de tussentijd wordt de invoering van alternatieven voor reiniging met PER, daar waar mogelijk gestimuleerd. De beperkte omvang van de branche in Nederland maakt echter dat bedrijven voornamelijk volgend zijn op ontwikkelingen in het buitenland. Vooral in Duitsland en de Verenigde Staten vindt veel onderzoek naar alternatieven plaats. Stimulering in Nederland zal doorgaans gericht worden op het invoeren van algemeen toepasbare technieken.

De navolgende stoffen (of stofreeksen) kunnen mogelijk dienen ter vervanging:

– HFK's (gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen),

– HCFK's (gehalogeneerde chloorfluorkoolwaterstoffen), voor zover deze een (zeer) lage graad van aantasting van de ozonlaag hebben (de zogenaamde zachte HCFK's),

– koolwaterstoffen,

– glycolethers (bekend onder de commerciële naam «Rynex»),

– natreiniging en

– subkritisch en superkritisch CO2.

In onderdeel c van deze paragraaf wordt ingegaan op het Nederlandse beleid dat voor deze stoffen geldt.

Overige milieu-aspecten

In het Besluit chemische wasserijen milieubeheer, waarvoor dit besluit in de plaats is getreden, waren geen voorschriften of beperkingen gesteld ten aanzien van het energieverbruik of het verbruik van voorraden en grondstoffen. De bevordering van energiebesparing loopt voor een belangrijk deel via andere wegen dan inrichtingsgebonden regulering. De wijze waarop in dit besluit de regulering van het energieverbruik vorm heeft gekregen, is reeds toegelicht in paragraaf 1.2.3 van deze nota van toelichting.

In de stomerijbranche is reeds geruime tijd aandacht voor hergebruik van grondstoffen. Het relatief vluchtige karakter van de reinigingsmiddelen maakt het mogelijk deze van het vuil te scheiden. Dat gebeurt in twee stappen:

1. in het bedrijf zelf door het vuile reinigingsmiddel te destilleren en

2. door het resterende destillatieresidu af te voeren naar een verwerker voor dit afval, alwaar het verder gescheiden wordt.

Het vrijkomende reinigingsmiddel wordt hergebruikt.

Natreiniging, als alternatief voor reiniging met chemische oplosmiddelen, is een professionele machinale reiniging met behulp van water. Het is een beduidend andere techniek dan het natwassen van linnengoed uit bedrijven en instellingen. Het proces is sinds begin jaren '90 voorzichtig op de markt gebracht. Uit diverse tests blijkt een wisselend beeld van de toepasbaarheid, waarbij de kwaliteit van het aangeboden textiel, het soort proces (beladingsgraad, procestemperatuur, reinigingsen hulpstoffen) en de wijze van opmaak grote invloed hebben op het eindresultaat van de reiniging. Omdat water als oplosmiddel wordt gebruikt, vindt emissie naar de lucht niet plaats. De belangrijkste milieu-aspecten zijn wateren energieverbruik en lozing van het proceswater.

Het waterverbruik is met name bij het natwasproces van linnengoed uit bedrijven en instellingen redelijk omvangrijk. Paragraaf 1.7 van bijlage 1 bij het besluit geeft de basis voor een waterbesparingsbeleid dat per inrichting kan worden vastgesteld.

c. De milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens artikel 5.1 Wm, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben

De textielreinigingsbedrijven kunnen in het kader van hun normale bedrijfsvoering gevolgen hebben voor de milieukwaliteit. Voor de verschillende (potentiële) reinigingsmiddelen zijn geen milieukwaliteitseisen op grond van artikel 5.1 Wm gesteld. Wel geldt voor deze stoffen het navolgende beleid.

PER (tetrachlooretheen)

Het nieuwe beleid en het te voeren overgangsbeleid is hierboven beschreven in onderdeel b van deze paragraaf.

CFK R113

Voor dit reinigingsmiddel geldt een algeheel verbod, ook voor geregenereerd reinigingsmiddel.

Zachte HCFK's

Hoewel de ozonlaagaantastende eigenschappen van deze stoffen beduidend minder zijn dan die van de CFK's, is het beleid erop gericht het gebruik van deze stoffen te ontmoedigen. Deze stoffen dragen namelijk ook bij aan de broeikasproblematiek. Het inzetten van deze stoffen als reinigingsmiddel zal dan ook slechts van tijdelijke aard kunnen zijn. Momenteel zijn geen ontwikkelingen zichtbaar, die toepassing van deze stoffen met zich brengen.

HFK's

Deze stoffen dragen wel bij aan de broeikasproblematiek, maar bezitten geen ozonlaagaantastende eigenschappen. Het beleid is gericht op het gebruik ervan in gesloten toepassingen.

Koolwaterstoffen

Voor dit type reiniging worden aromaatvrije, niet-gechloreerde koolwaterstoffen toegepast. De milieu- en gezondheidsrisico's van deze stoffen zijn aanmerkelijk minder dan van PER; een nadeel is de brandbaarheid ervan. Deze omstandigheid stelt hoge eisen aan de constructie van de reinigingsmachine en de activiteiten van het personeel met deze stoffen.

Gelet op de ervaringen met dit reinigingsmiddel in onder meer Duitsland, is het reinigen in een alifatische koolwaterstof voor een groot deel van het aangeboden textiel een goede vervanging van reinigen in PER.

Glycolethers (Rynex)

Omdat de samenstelling van het middel Rynex niet bekend is, kan geen inschatting worden gegeven van mogelijke normstelling voor het middel of onderdelen ervan. In Nederland zijn met het middel enkele proeven uitgevoerd, maar voor zover bekend zijn deze proefnemingen gestaakt en wordt het middel niet toegepast. De reden daarvoor kan worden teruggevoerd op de agressiviteit en de geur van het middel.

CO2

Het in te zetten reinigingsmiddel wordt «gefabriceerd» door het aan de atmosfeer te onttrekken. Omdat hier geen sprake is van het ontstaan van CO2 is het algemene reductiebeleid niet van toepassing. Momenteel wordt met de toepassing van CO2 in het buitenland ervaring opgedaan en zijn reinigingsmachines op nog beperkte schaal operationeel. Op welke termijn en in welke mate CO2 als gangbaar reinigingsmiddel in Nederland zal worden toegepast is op dit moment moeilijk te voorspellen. Bijzondere aandacht is nodig voor de veiligheidsaspecten van de betreffende toestellen, aangezien de in de installatie optredende druk tot enkele tientallen bar kan oplopen. Hierop is overigens afzonderlijke regelgeving van toepassing (Besluit drukapparatuur).

1.4.4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

a. Tot wie richt zich het besluit?

Het besluit richt zich primair op de inrichtingen binnen de branche van textielreiniging. Deze branche omvat reiniging van particuliere kleding en bedrijfskleding, en zogenaamde witwasbedrijven voor textiel uit de gezondheidszorg en de horeca. Degene die de inrichting drijft, draagt ervoor zorg dat de voorschriften worden nageleefd.

b. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Gedurende vele jaren is ervaring opgedaan met het Besluit chemische wasserijen milieubeheer, waarvoor het onderhavige besluit in de plaats treedt, en andere besluiten op grond van artikel 8.40 Wm. Het toegenomen milieubewustzijn, de toename van de professionalisering binnen de sectoren (onder meer tot uitdrukking komend in het door de branche opgestelde milieuzorghandboek en de bereidheid uit eigen beweging externe adviezen te vragen) en de maatschappelijke druk, leiden tot een hoge graad van spontane naleving van de tot op heden bestaande besluiten. Waar belemmeringen in het verleden zijn geconstateerd, zijn deze thans zo veel mogelijk weggenomen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat zich belangrijke negatieve veranderingen in de naleving zullen voordoen.

Bij de totstandkoming van dit besluit is veel aandacht besteed aan een goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit en de voorschriften. Ook in het overleg met derden over het besluit speelden deze thema's een belangrijke rol. Over de uitvoerbaarheid van het besluit is met vertegenwoordigers van de betrokken branches en van gemeenten overleg gevoerd. De in dat kader gedane suggesties zijn waar mogelijk meegenomen bij de redactie van het besluit. Een en ander heeft – in vergelijking met de «oude» 8.40-besluiten – onder meer geleid tot een grotere toegankelijkheid van het besluit en een eenvoudiger en duidelijker redactie van de voorschriften. Verwacht mag worden dat dit een positief effect heeft op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit.

In dit besluit is, zoals al eerder opgemerkt, een belangrijke plaats toegekend aan zorgplichtbepalingen en doelvoorschriften. Bij de vraag of er al dan niet sprake is van overtreding van een dergelijk voorschrift is, (nog) sterker dan bij andersoortige voorschriften, de specifieke situatie van het desbetreffende geval bepalend. Dergelijke voorschriften geven aan het bevoegd gezag, maar ook aan degene die de inrichting drijft, derhalve relatief veel beoordelingsvrijheid. Tegelijkertijd leggen deze bepalingen aan de betrokkenen een grote verantwoordelijkheid op voor een juiste invulling ervan.

De verruimde werking van dit besluit (zie artikel 1.1, tweede lid, onder b, Wm) komt vooral tot uitdrukking in de bepalingen over energie, waterverbruik, verlichting en afvalpreventie. Deze bepalingen zijn in vergelijking met de voorgaande amvb's nieuw en zullen daarom wellicht enige extra aandacht vragen van het bevoegde gezag.

Dit besluit is tevens van toepassing op een aantal inrichtingen dat voorheen niet onder een 8.40-besluit viel, maar waarvoor een vergunning gold. Naar mag worden aangenomen zal dit gegeven een structurele vermindering van de werkbelasting voor het bevoegd gezag met zich meebrengen. Dit betreft in het bijzonder het vervallen van procedures voor de eventuele verlening (bij nieuwe gevallen) of wijziging van een vergunning op grond van de Wm. In dit verband mag tevens worden verwacht dat het aantal bezwaar- en beroepsprocedures zal verminderen. Niet alleen voor het bestuur, maar ook voor de rechterlijke macht is er wat dat betreft sprake van een te verwachten vermindering van de werklast.

c. Uitvoeringskosten

De kosten voor de diverse sectoren om naleving van de in het besluit gestelde regels te bewerkstelligen, hangen sterk af van het «milieugedrag» van dit moment. Inrichtingen die tot op heden nauwelijks aandacht aan het milieu besteedden, zullen voor grotere inspanningen komen te staan dan inrichtingen die reeds voldeden aan nu geldende milieu-eisen (via vergunning of algemene regels). Voor de onderwerpen die nieuw zijn in de Wm zullen vrijwel alle bedrijven met dezelfde inspanningen geconfronteerd worden. Over de hoogte van die kosten zijn geen inschattingen te maken. De verschillen tussen de bedrijven naar aard, complexiteit en stadium van interne milieuzorg zijn te groot om hierover zinvolle uitspraken te doen. Wel kan worden opgemerkt dat de inspanningen die binnen inrichtingen wordt getroost om bijvoorbeeld het energiegebruik, waterverbruik of het ontstaan van afvalstoffen terug te dringen, veelal direct of op korte termijn financieel voordeel opleveren.

d. Omvang en mogelijkheden van controle

Gemeenten hebben een zelfstandige verantwoordelijkheid bij de bepaling van de mate van toezicht en controle op de naleving van het besluit. In de huidige praktijk werken veel gemeenten met zogenaamde stappenschema's, waarin een getrapte aanpak voor de handhaving van de 8.40-besluiten en vergunningen voor inrichtingen is neergezet. De mate waarin (vervolg)controle plaatsvindt wordt voor een belangrijk deel bepaald door de prioriteiten die in de gemeentelijke milieutaakstelling zijn aangegeven.

1.5. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

1.5.1 Aantal en algemene duiding van de reacties

Naar aanleiding van de publicatie van het ontwerp van dit besluit in de Staatscourant van 21 juli 1998, nr. 135, heeft de Minister van VROM tien schriftelijke reacties ontvangen. Een overzicht daarvan is als bijlage bij deze nota van toelichting opgenomen.

Van de binnengekomen reacties ging een groot aantal in op de redactie of de technische inhoud van de voorschriften opgenomen in de bijlage van dit besluit. Naast vragen over of signalen van onduidelijkheid zijn ook voorstellen gedaan voor tekstuele verbetering, verduidelijking en aanvulling. Alle voorstellen zijn met zorg geanalyseerd en waar deze tot verbetering van het besluit leiden, zijn deze omgezet in aanpassingen van het besluit.

Onderstaand volgen de belangrijkste elementen uit de reacties en de beoordeling daarvan.

1.5.2 De reikwijdte van het besluit en de reacties daarop

De voorgestelde reikwijdte van het besluit leidde nauwelijks tot reacties. Alleen werd een onduidelijkheid gesignaleerd die valt terug te voeren op de in artikel 1 gehanteerde definities van reinigen (met oplosmiddelen) en wassen (met water). Bezien is of de definities aanpassing behoeven, maar gebleken is dat kan worden volstaan met een nadere toelichting op de gebruikte definities in de nota van toelichting bij het besluit.

1.5.3 De voorschriften van het besluit en de reactie daarop

In de ontvangen reacties lag de nadruk op de normstelling ten aanzien van reinigingsmiddelen, in het bijzonder van die van PER. Het commentaar op de normstelling ten aanzien van het reinigingsmiddel PER is als volgt samen te vatten:

* in tegenstelling tot wat in de toelichting wordt gesuggereerd, bestaan er momenteel wel degelijk alternatieven voor het met PER reinigen van textiel;

* de termijn waarin de overschrijding van het MTR voor PER wordt gedoogd, is veel te lang;

* het gedogen van overschrijding van het MTR is in strijd met het NMP-3;

* de afwegingen die geleid hebben tot die lange gedoogtermijn, zijn niet valide en onvoldoende onderbouwd.

Hierover het volgende. In paragraaf 1.4.3 van de nota van toelichting bij het besluit is aangegeven dat het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) voor PER in 1997 met een factor 10 is aangescherpt. Het MTR is een wetenschappelijk afgeleide waarde voor een stof, die aangeeft bij welke concentratie óf geen negatief effect te verwachten is óf een kans van 10–6 op sterfte voorspeld kan worden (uit NMP-3). Op grond van een beschouwing van de technische mogelijkheden naar verdergaande reducties van de uitstoot van PER wordt verwacht dat technische oplossingen door middel van aanpassing van de bestaande apparatuur niet meer voldoende zullen zijn. De huidige emissie wordt voornamelijk veroorzaakt door het vrijkomen van PER bij het opmaken van het gereinigde textiel, dat wil zeggen het in model brengen na het reinigingsproces. Een andere benadering van het reinigingsproces zelf is nodig.

Bij de voorbereiding van het besluit in 1997 is een inschatting gemaakt welke tijd nodig lijkt te zijn voor een omschakeling naar andere reinigingsmiddelen. Tevens is ingeschat in welk stadium verschillende kansrijke initiatieven waren en is gekeken naar een gemiddelde afschrijvingstermijn voor bestaande reinigingsmachines. Mede naar aanleiding van overleg met de branche is vastgesteld dat een definitieve omschakeling binnen enkele jaren zowel technisch als economisch haalbaar is. Dit is overeenkomstig het in het NMP-3 vastgelegde beleid, omdat daarin is vastgelegd dat bij de invoering van het MTR «rekening gehouden zal worden met technische en economische haalbaarheid».

Gezien de nu levende verwachting dat binnen enkele jaren het gebruik van PER sterk teruggedrongen, dan wel uitgesloten, zal zijn, is geen normstelling en tijdstip ten aanzien van de Streefwaarde (vroeger VR, Verwaarloosbaar Risico) vastgelegd. Dit is de waarde die aangeeft wanneer er sprake is van verwaarloosbare effecten op het milieu. Wordt PER daadwerkelijk niet meer gebruikt in de nabije toekomst, dan is tevens voldaan aan de geformuleerde streefwaarde. Dit is eerder dan op grond van het NMP-beleid dient te geschieden.

De besluiten ex artikel 8.40 Wm die op grond van de MDW-operatie worden vastgesteld, worden begeleid in een flankerend spoor. In het flankerend spoor wordt bezien op welke (branche-eigen) wijze aandacht kan worden besteed aan de alternatieve reinigingsmiddelen en -methoden. Inmiddels heeft de branche-organisatie NETEX via de haar ter beschikking staande kanalen de bedrijven reeds op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen aangaande het reinigingsmiddel PER.

Ook is verzocht om inzicht te geven welke relatie bestaat tussen de normen uit het onderhavige besluit enerzijds en de normstelling uit de EU-richtlijn inzake «de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties» anderzijds. Als reactie daarop wordt opgemerkt dat de implementatie van EU-richtlijn zal plaatsvinden door middel van dit besluit met de voorschriften 2.1.4, 2.2.3 en 3.2.10. In de nota van toelichting is in de paragraaf over de relatie met andere beleidsterreinen hierop verder ingegaan.

Tenslotte zijn de diverse suggesties tot verbetering of aanvulling van bepaalde voorschriften of details daarvan in het besluit overgenomen.

1.6. Notificatie

Aangezien het besluit in de bijlagen algemene milieuvoorschriften geeft waar bepaalde inrichtingen aan moeten voldoen, die ook betrekking hebben op installaties, is niet uitgesloten dat hiervan enige invloed uitgaat op het verkeer van goederen, zoals bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-Verdrag. Om die reden is het ontwerp-besluit op 12 juni 1998 ingevolge richtlijn nr. 1998/34/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109) voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (geregistreerd onder nummer 98/0271/NL).

Het ontwerp-besluit is voorts op 18 augustus 1998 voorgelegd aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie (geregistreerd onder nummer 98 394), ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech gesloten Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235). Een aankondiging van het ontwerp-besluit is gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1998, 135).

Er zijn geen reacties ontvangen naar aanleiding van deze notificaties.

2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Voor de inrichtingen voor de uitoefening van het textielreinigingsbedrijf zijn in de regel burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, het bevoegd gezag.

In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen wassen en reinigen. Onder wassen wordt verstaan het schoonmaken van textiel met behulp van water. Dit kan zowel grootschalig gebeuren (linnengoed van bedrijven en instellingen), als op kleinere schaal (schoonmaken van kleding). De term reinigen is voorbehouden aan het schoonmaken van textiel met behulp van chemische oplosmiddelen.

Artikel 2

In het eindrapport van de MDW-werkgroep Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (de Werkgroep van Dinter) van 20 juni is opgenomen dat ten opzichte van de tot dan toe bestaande besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer een andere benadering van de reikwijdte mogelijk is. In die besluiten is doorgaans de homogeniteit van een bedrijfstak bepalend voor de keuze en afbakening. De werkgroep adviseerde de aard en de mate van de milieuproblemen die inrichtingen kunnen veroorzaken, als vertrekpunt te hanteren. Hierdoor kunnen veel meer bedrijven onder algemene regels worden gebracht zonder dat het aantal besluiten toeneemt. De uitwerking en verfijning van de werkingssfeer heeft plaatsgevonden op basis van het rapport «Praktijkervaringen met amvb's, cluster 3 chemische wasserijen» van mei 1996 van het bureau Haskoning en het rapport «Werkingssfeer amvb's 8.40 van de Wet milieubeheer» van 11 september 1996 van het bureau Heidemij.

Het begrip inrichting is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zeker begrenzing pleegt te worden verricht. Om onder de werking van dit besluit te vallen, moet het textielreinigingsbedrijf in de eerste plaats behoren tot een in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) genoemde categorie. Dit houdt in dat de inrichting op basis van artikel 1.1, derde lid, Wm is aangewezen als inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en dat de inrichting vergunningplichtig is. In artikel 1.1, vierde lid, Wm is bepaald dat daarbij als één inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Dit besluit laat zich in het algemeen karakteriseren als een besluit voor inrichtingen waar textiel wordt schoongemaakt of in model gebracht alsmede aanverwante andere activiteiten. Voorbeelden van typen bedrijven die onder het besluit vallen zijn: stomerijen, wasserettes, natwasserijen, witwasserijen, wasserijen met of zonder strijkinrichtingen en reconditioneringsbedrijven. Ten opzichte van het thans ingetrokken Besluit chemische wasserijen milieubeheer betekent dit een verruiming van de werkingssfeer.

Niet onder dit besluit vallen bedrijven die zich bezig houden met het kleuren van textiel (de zogenoemde textielveredelingsbedrijven) of het schoonmaken van meubelen (bijvoorbeeld banken, autostoelen of tapijten). Onder het modelleren van textiel wordt niet verstaan het maken of herstellen van kleding; naaiateliers vallen derhalve buiten de reikwijdte van dit besluit.

Artikel 3

De uitsluitingscriteria van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer zijn ten opzichte van het oude Besluit chemische wasserijen milieubeheer aanzienlijk aangepast. De belangrijkste aanpassing is dat de werking van het besluit niet langer beperkt is tot bedrijven die reinigen met specifiek genoemde oplosmiddelen. Daardoor, en ook door enkele andere aanpassingen, vallen ook grotere wasserijen onder de reikwijdte van het besluit. Voorts mogen andere brandstoffen dan aardgas worden gebruikt voor ruimteverwarmingsinstallaties, warmwaterinstallaties of stoomopwekkingsinstallaties.

Naast het laadvermogen is ook de capaciteit van het bedrijf van belang: indien meer dan 25 ton wasgoed per dag kan worden gereinigd is het besluit niet van toepassing. Tevens is een bedrijf vergunningplichtig indien een ondergrondse tank is geïnstalleerd die buiten de reikwijdte van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (BOOT) valt. Te denken valt aan de opslag van chemicaliën in een ondergrondse tank. Voor het onderhoud en gebruik van een dergelijke tank dient de inrichtinghouder te voldoen aan specifieke voorschriften. Aangezien in de praktijk weinig wasserijen chemicaliën in ondergrondse tanks zullen opslaan, zijn die uit het oogpunt van efficiënte regelgeving uitgesloten.

Artikel 4, eerste lid

Binnen het stelsel van de milieuwetgeving wordt degene die de inrichting drijft, primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de voorschriften of de beperkingen die aan de inrichting zijn gesteld. In artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is dat zo verwoord dat degene die de inrichting drijft ervoor zorg draagt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Artikel 4, eerste lid, bewerkstelligt dat er geen discussie over behoeft te ontstaan dat degene die de inrichting drijft, ervoor zorg draagt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Dit brengt met zich dat degene die de eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van de inrichting draagt, bouwkundige, technische of organisatorische maatregelen treft om te waarborgen dat de voorschriften worden nageleefd en dat milieubedreigende ofschadelijke situaties worden voorkomen.

Dit wil overigens niet zeggen dat die eindverantwoordelijkheid alleen ligt bij degene die de inrichting drijft. Het feit dat aan andere personen, zoals ondergeschikten, geen rechtstreekse verplichting wordt opgelegd, laat onverlet dat bij de toepassing van het strafrecht ook andere personen binnen de organisatie kunnen worden vervolgd.

Dit lid bepaalt dat in ieder geval de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage1 en 2, worden nageleefd. De in de bijlage opgenomen voorschriften zijn gesteld opdat de ondernemer op eenvoudige wijze kan bezien welke milieu-aspecten voor zijn bedrijfsvoering van belang zijn.

Het voorschriftenpakket is veranderd ten opzichte van de voorschriften in het Besluit chemische wasserijen milieubeheer. Aspecten die reeds door andere beleidsvelden zijn geregeld, komen alleen nog in het besluit voor als deze per se noodzakelijk zijn uit het oogpunt van de milieubescherming.

tweede lid

Hier is het zogenaamde gelijkwaardigheidsbeginsel neergelegd. Hierin is bepaald dat degene die de inrichting drijft, andere maatregelen kan treffen dan in het desbetreffende voorschrift zijn opgenomen.

Degene die een alternatief middel wil gaan toepassen, dient dit vooraf te melden aan het bevoegd gezag, onder overlegging van gegevens waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu kan worden bereikt (zie artikel 6, negende lid, en de toelichting daarop). De strekking van dit artikellid is om zowel het bevoegd gezag als de ondernemer tijd te geven voor een verantwoorde afweging en keuze van het alternatieve middel. Het is het bevoegd gezag dat uiteindelijk beoordeelt of met de toepassing van het andere middel een gelijkwaardige bescherming van het milieu kan worden bereikt.

Artikel 5, eerste lid, onder a

Hier is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen die door de inrichting moeten worden nageleefd, doch uitsluitend ter uitvoering van deze voorschriften voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 1 is aangegeven. Bij het stellen van een nadere eis is van belang wat de stand van de kennis of wetenschap is bij vergelijkbare bedrijven. Daarbij kan onder meer gebruik worden gemaakt van algemeen aanvaarde kennisdocumenten, handboeken, fact-sheets over specifieke onderwerpen of door de branche ontwikkelde milieuzorghandboeken, zoals dat van de NETEX of specifieke informatiebladen. Bij de invoeringsbegeleiding van dit besluit zal aandacht worden besteed aan het genereren en in stand houden van algemeen of specifiek toepasbare kennisdocumenten en fact-sheets.

onder b

Op basis van onderdeel b kan het bevoegd gezag eveneens nadere eisen stellen als dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu. Deze bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is alleen bedoeld voor die zaken die in de voorschriften niet aan de orde komen. Deze nadere eis-vorm staat naast de nadere eis-mogelijkheden die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van bijlage 1 van het besluit. De belangrijkste restricties bij toepassing van deze «aanvullende» nadere eis is dat hierdoor geen overlap mag ontstaan met het reeds bepaalde in de bijlage en dat de nadere eis wordt gesteld in het belang van de bescherming van het milieu.

De volgende overwegingen hebben geleid tot het opnemen van de mogelijkheid deze nadere eis te stellen.

1. In de eerste plaats is bij het opstellen van dit besluit uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie met de op dat moment bestaande kenmerken. Het kan uit het oogpunt van milieubescherming nodig zijn om eisen te stellen inzake bijzondere en van de gangbare situatie afwijkende bedrijfsprocessen.

2. Daarnaast kennen algemene regels, zoals dit besluit, altijd beperkingen op het punt van het leveren van maatwerk. Dit besluit is immers een generiek instrument met een landelijke werking. De algemene regels zullen in principe adequaat zijn. Met name de situering van een inrichting ten opzichte van zijn omgeving kan aanleiding geven tot grote onderlinge verschillen in de benaderingswijze en oplossingsmogelijkheden. De keuzebevoegdheid moet om die reden zo veel mogelijk op lokaal niveau worden gelegd. Naar gelang de lokaal-specifieke omstandigheden daartoe nopen kunnen bij nadere eis de noodzakelijke toegesneden maatregelen worden vastgelegd. Het gaat hierbij doorgaans om de gevolgen van indirecte hinder, waaronder de gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting, buiten de grenzen van een inrichting. Opgemerkt wordt dat daarbij de ruimtelijke ordening, het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder de primaire instrumenten zijn om geluidhinder maar ook luchtverontreiniging tegen te gaan. Indien deze instrumenten geen afdoende resultaat bieden omdat de hinder te zeer gebonden is aan één inrichting, kan zonodig van de nadere eis gebruik worden gemaakt. Zeker in bestaande en van oudsher gegroeide situaties met een verkeerssituatie waarop de inrichtinghouder geen invloed kan uitoefenen, moet terughoudendheid worden betracht bij het stellen van een nadere eis. Immers veelal is de overheid beheerder van ruimte en infrastructuur. Het geeft geen pas in dergelijke situaties maatregelen af te wentelen op bedrijven. De wijze waarop in evidente knelpuntsituaties de geluidhinder moet worden benaderd en beoordeeld dient in overeenstemming te zijn met de wijze waarop het verkeersgeluid van verkeer wordt vastgesteld in het kader van de Wet geluidhinder. Daarbij kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» tevens als hulpmiddel dienen. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat het geluid van voetgangers buiten beschouwing blijft.

3. Bij het opstellen van de voorschriften is als uitgangspunt gekozen dat eenvoud en milieurelevantie voorop dienen te staan. Voorkomen moet worden dat bepaalde aspecten die voor een ondernemer van belang zijn, door verscheidene beleidsterreinen worden gereguleerd, met bovendien het risico van onderlinge verschillen in regels. Om die reden is het besluit sterk terughoudend op het gebied van de ruimtelijke ordening, de bouwregelgeving en regelgeving vanuit het nutsbedrijf. In het geval dat deze beleidskaders in een specifieke situatie toch als onvoldoende worden beoordeeld, is het onder artikel 5 mogelijk hierin te voorzien. Voorbeelden zijn extra brandveiligheidseisen zoals brandwerendheid aan bouwconstructies, veiligheidseisen voor toestellen en installaties voor gas, water en elektriciteit.

4. Ten slotte kunnen zich bijzondere bedrijfsomstandigheden voordoen met onvoorziene milieugevolgen, al dan niet het gevolg van bijvoorbeeld een calamiteit, onzorgvuldig handelen of een afwijking binnen een gangbaar bedrijfsproces. Met name kan gedacht worden aan het voorschrijven bijvoorbeeld van bodemonderzoek of onderzoek naar het gebruik of verbruik van bepaalde stoffen.

Het instrument nadere eisen maakt het mogelijk om te komen tot een op een concrete situatie toegesneden, doelmatige oplossing. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is bedoeld voor die gevallen waarin de situatie in een inrichting zodanig is dat ofwel de voorschriften nadere uitwerking behoeven ofwel deze situatie in de voorschriften niet is voorzien. Gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument nadere eis kan worden verwacht dat het gebruik beperkt zal blijven tot bijzondere en incidentele gevallen. Het stellen van een nadere eis is een besluit in de zin van artikel 1.3 van de Algemene wet bestuursrecht. In paragraaf 1.2 zijn algemene uitgangspunten aangegeven voor de toepassing van de bevoegdheid tot het stellen van een nadere eis.

Artikel 6, eerste tot en met derde lid

Degene die het voornemen heeft om een inrichting op te richten, die valt onder het besluit, moet ten minste vier weken voor hij zijn plan ten uitvoer gaat brengen, daarvan melding doen aan het bevoegd gezag. Bij de gegevens over de aard en omvang van de inrichting moet worden aangegeven wat de belangrijkste kernelementen van de inrichting zijn, die de inrichting typeren. Daarbij zal kunnen worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik.

De gegevens over de indeling en uitvoering van de inrichting kunnen worden verstrekt door het aanleveren van een plattegrond, waarop staan aangegeven:

– de grenzen van het terrein van de inrichting;

– de ligging en indeling van de gebouwen;

– de bestemming van de te onderscheiden ruimten.

De gegevens moeten zodanig zijn dat het bevoegd gezag inzicht verkrijgt in de binnen de inrichting uit te voeren activiteiten of processen.

Ook wanneer men van plan is een inrichting uit te breiden of te veranderen, is men verplicht dit te melden, zij het niet in alle gevallen. Alleen indien een uitbreiding of verandering leidt tot een wijziging van de gegevens waarover het bevoegd gezag op grond van een eerdere melding beschikt, is een dergelijke melding vereist. Zolang er in die gegevens niets verandert, behoeven veranderingen of uitbreidingen niet te worden gemeld. Het achterwege laten van een melding neemt niet weg dat degene die een inrichting drijft, moet voldoen aan de voorschriften van het besluit. De omstandigheid die wel aanleiding geeft tot een melding, kan bijvoorbeeld betreffen: een substantiële vergroting van de omvang van een bedrijf, een geheel ander type bedrijf, een significante verhoging van de geluidemissie, etcetera.

Ingevolge de bestaande besluiten moest de melding ook aan de Inspecteur Milieuhygiëne worden gezonden. Deze regeling is niet overgenomen. De regeling volgens de bestaande besluiten is opgesteld in een tijd van grote achterstanden in de uitvoering van de vergunningen- en handhavingspraktijk. Met name als gevolg van de tot voor kort geldende en op de lokale milieu-uitvoering gerichte specifieke bijdrageregelingen en de stimulerende rol van de Inspectie Milieuhygiëne met het oog op de gewenste kwaliteitsverbetering, zijn de inhoudelijke kwaliteit en prestaties van de bevoegde gezagsinstanties inmiddels zodanig, dat een individuele toetsing door de Inspecteur Milieuhygiëne minder noodzakelijk wordt geacht.

In dit besluit is afgezien van het opnemen van een verplichting tot het overleggen van een akoestische rapportage. De onder dit besluit vallende inrichtingen hebben doorgaans een relatief lage geluidemissie en hebben bovendien een eenvoudig geluidprofiel vanwege de stationaire opstelling van de geluidbronnen. Een veel dynamischer geluidprofiel, zoals het geval is bij bijvoorbeeld de horeca of de autobranche, is doorgaans de aanleiding om wel vooraf een akoestisch onderzoek bij de melding te verlangen.

vierde en vijfde lid

Deze bepalingen hebben betrekking op het zogenaamde nulsituatie-onderzoek bodem. Het gaat hier niet om het opsporen van historische bodemverontreiniging. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) geeft een handreiking voor de beoordeling of een activiteit bodembedreigend is. Is dat het geval, dan is de NRB van toepassing en is een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem noodzakelijk. Het onderzoek kan beperkt blijven tot die plaatsen binnen de inrichting waar de betreffende bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.

Omdat inmiddels duidelijk is dat bij een aanzienlijk deel van de stomerijen (chemische wasserijen) bodemverontreiniging door PER aanwezig zal zijn, wordt momenteel getracht een branchegewijze aanpak van de sanering daarvan te realiseren in het kader van de BSB-operatie (bodemsanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen). Mede gelet hierop, wordt geadviseerd om de toepassing van de gegeven bevoegdheid tot het doen van bodemonderzoek af te stemmen met het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming.

zesde lid

Bij nieuwe vestiging, of bij belangrijke meldingplichtige wijzigingen van chemische wasserijen, met name in oudere panden met in- of aanpandige gevoelige bebouwing is het noodzakelijk na te gaan of scheidingsconstructies onderling dampdicht zijn. Dit kan bijvoorbeeld met een eenvoudige tracermethode. Het onderzoek heeft tot doel een mogelijk knelpunt vroegtijdig te signaleren en te voorkomen dat activiteiten worden gestart in een situatie die achteraf niet in overeenstemming blijkt met de gestelde voorschriften. Niet als meldingsplichtige wijziging bij een chemische wasserij wordt beschouwd: het vervangen van een reinigingsmachine door eenzelfde of verbeterd type (bijvoorbeeld een 4e generatie in een 5e generatie) machine, het verminderen van het aantal reinigingsmachines en het beëindigen van reinigingsactiviteiten.

zevende en achtste lid

In het zevende lid van artikel 6 is bepaald dat het niet nodig is dat degene die de melding doet, gegevens die hij bij een eerdere gelegenheid al eens aan het bevoegd gezag heeft verstrekt en die bij het bevoegd gezag bekend zijn, nogmaals aan het bevoegd gezag verschaft. Op grond van het achtste lid dient bij de melding duidelijk te worden gemaakt ten aanzien van welke (soort) gegevens wordt verwezen naar informatie die naar wordt verondersteld (nog) aanwezig is bij het bevoegd gezag. Het kan in deze gevallen bijvoorbeeld gaan om gegevens die in een bedrijfsmilieuplan zijn opgenomen, of gegevens die in het kader van een vergunningprocedure al aan het bevoegd gezag bekend zijn gemaakt, zoals een plattegrond of tekening van de inrichting die bij een aanvraag voor een gemeentelijke bouwvergunning dan wel in een ander kader is verstrekt. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, niet toereikend zijn of niet (meer) voldoende actueel, stelt het bevoegd gezag degene die de melding heeft gedaan, in de gelegenheid de bij de melding verstrekte gegevens aan te vullen.

negende lid

In artikel 4, tweede lid, is bepaald dat degene die een alternatief gelijkwaardig middel wil gaan toepassen dit moet melden aan het bevoegd gezag. Om het bevoegd gezag in staat te stellen te kunnen beoordelen dat met dit middel inderdaad een gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt, dient degene die het middel wil gaan toepassen aan het bevoegd gezag gegevens te verstrekken waaruit dit blijkt.

Artikel 7, eerste lid

Bepaalde vergunningvoorschriften, behorend bij een bij de inwerkingtreding respectievelijk het van toepassing worden van dit besluit reeds geldende vergunning, blijven gedurende drie jaar gelden als nadere eis. Daarna vervallen deze voorschriften. Het bevoegd gezag heeft derhalve drie jaar de tijd om eventueel nieuwe nadere eisen te stellen. Dit geldt slechts indien voor het onderwerp waarop het vergunningvoorschrift betrekking heeft, in de in de bijlage opgenomen voorschriften de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen door het bevoegd gezag is opgenomen. Is dat niet geval, dan vervalt het vergunningvoorschrift reeds zodra de voorschriften van de bijlage op de inrichting van toepassing worden. Het voorgaande geldt voor alle vergunningvoorschriften ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit. Daarnaast geldt de beperking dat het alleen kan gaan om onderwerpen uit artikel 5, eerste lid, onder a. Deze beperking is het gevolg van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een restrictieve uitleg wordt gegeven aan artikel 7, tweede lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer en het Besluit woonen verblijfsgebouwen milieubeheer (Zie ABRS van 13 april 1999, nr. E03.96 0787 en ABRS van 20 mei 1999, nr. E03.96 0485). In deze uitspraken heeft de Afdeling bepaald dat ten aanzien van de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, onder b, nadere eisen kunnen worden gesteld, indien dat in het belang van de bescherming van het milieu bijzonder is aangewezen. Vervolgens concludeert de Raad van State dat de voorschriften die aan bestaande vergunningen zijn verbonden, niet zijn gesteld op grond van het criterium dat het vanwege het belang van de bescherming van het milieu bijzonder is aangewezen. Daarom leent artikel 7, eerste lid, zich niet voor toepassing op bestaande vergunningvoorschriften die betrekking hebben op de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b.

Het Ministerie van VROM volgt de uitspraken van de Raad van State. De overgangsbepaling heeft alleen betrekking op onderwerpen uit artikel 5, onder a. Voorzover in het verleden een vergunning is verleend onder voorschriften die betrekking hebben op onderwerpen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, dient het bevoegd gezag, voorzover zulks noodzakelijk wordt geoordeeld, alsnog een nadere eis te stellen. Onverlet blijft de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om in deze periode van drie jaar de nadere eis te wijzigen dan wel in te trekken (artikel 5, derde lid).

Het komt niet zelden voor, dat vergunningvoorschriften slechts kunnen worden verstaan in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag om vergunning. Ook zijn gevallen bekend waarin die gegevens hoewel niet opgenomen als voorschrift, bepalend zijn voor de vaststelling of de inrichting binnen de grenzen van hetgeen is vergund in werking is. In zo'n geval gaat het meestal om de omvang van de activiteiten waarbij het bevoegd gezag ervoor heeft gekozen de aanvraag deel te laten uitmaken van de vergunning, in plaats van een uitdrukkelijke vermelding van de aangevraagde activiteiten in de voorschriften. Doet zich het eerste geval voor, dan worden sommige voorschriften als nadere eis zinledig doordat met het vervallen van de vergunningplicht de aanvraag geen betekenis meer heeft. Doet zich het tweede geval voor, dan zou in het geheel geen nadere eis blijven gelden, hoewel dit wel nodig kan zijn. Om hieraan tegemoet te komen is tot uitdrukking gebracht dat voorschriften worden geacht aan de vergunning te zijn verbonden, indien in de aanvraag gegevens staan die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften.

tweede lid

In dit lid is bepaald dat de op basis van het Besluit chemische wasserijen milieubeheer gestelde nadere eisen of op basis van een vergunning gestelde nadere eisen, gelden als nadere eisen, gesteld krachtens dit besluit. Ook geldt dat voor het onderwerp waarop de nadere eisen, gesteld krachtens de vergunning dan wel eerdergenoemd besluit, betrekking hebben, in artikel 5 de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen door het bevoegd gezag is opgenomen. Als deze bevoegdheid er niet is, vervallen de oorspronkelijk gestelde nadere eisen. Het voorgaande geldt voor alle gestelde nadere eisen ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit. Ook hier geldt dat het bevoegd gezag te allen tijde de mogelijkheid heeft om de oude dan wel nieuwe nadere eisen te wijzigen of in te trekken.

Artikel 8, eerste en tweede lid

Dit artikel geldt voor inrichtingen, reeds opgericht voordat dit besluit op die inrichtingen van toepassing wordt, die niet vielen onder het Besluit chemische wasserijen milieubeheer (en die derhalve vergunningplichtig zijn), maar niet beschikken over een geldige vergunning. Voor deze inrichtingen geldt geen overgangstermijn, maar geldt artikel 8, tweede lid. Degene die een dergelijke inrichting drijft, dient ten hoogste twaalf weken na de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel 6, tweede lid, aan het bevoegd gezag te melden dat hij de inrichting in werking heeft.

derde lid

Indien een vergunningaanvraag op grond van het oude recht is ingediend en in behandeling is genomen, doch ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit daarop nog niet onherroepelijk is beslist of de vergunning nog niet in werking was, geld het derde lid. In die gevallen is het niet nodig de aanvraag in te trekken en vervolgens een melding overeenkomstig artikel 6 te doen, waarbij wederom dezelfde gegevens worden verstrekt. In dit lid is namelijk bepaald dat zo'n aanvraag wordt aangemerkt als een melding in de zin van dit besluit.

Artikel 10 t/m artikel 12

In drie voorgaande besluiten zijn enkele onvolkomenheden geconstateerd die directe consequenties hebben voor de toepassing van deze besluiten. Het betreft de volgende besluiten: het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer en het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Het is noodzakelijk deze onvolkomenheden op een snelle wijze te herstellen.

In het Besluit inrichtingen motorvoertuigen milieubeheer had de aanvankelijke schakelbepaling tot gevolg dat een aantal essentiële bepalingen uit het Besluit tankstations milieubeheer niet van toepassing is op het tankstationdeel. Door de aanpassing in artikel 10, onderdeel A, wordt bereikt dat alle bepalingen van dat besluit van toepassing zijn op de specifieke combinatie van een tankstation met een herstelinrichting voor motorvoertuigen, aangemerkt als type B. Voor de toepassing van het Besluit tankstations milieubeheer gaat het om een tankstation type B, zoals is omschreven in artikel 1, onder c, onderdeel 2° tot en met 10°, van het Besluit tankstations milieubeheer. Buiten beschouwing blijft artikel 1, onder c, onderdeel 1°, van het Besluit tankstations milieubeheer.

Met betrekking tot het autospuiten is destijds in het Besluit herstelinrichtingen motorvoertuigen milieubeheer in artikel 1, tweede lid, onder c, geregeld dat indien voor 1 april 1990 een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer onherroepelijk is verleend, voor deze inrichting de afstand van 50 meter vervangen wordt vervangen door een afstand van 30 meter. Deze situaties worden nu ook onder de werking van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer gebracht.

De uitzondering in voorschrift 2.2.5 met betrekking tot het bijvullen met brandbare vloeistoffen is in artikel 10, onderdeel C, onder 2, toegevoegd zodat het verbod beperkt blijft tot zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare stoffen die een hoog brand- en ontploffingsgevaar opleveren. Onder de categorie brandbare vloeistof valt bijvoorbeeld dieselolie of huisbrandolie waarbij door de veel hogere vlampunten het risico dusdanig klein is dat een uitzondering toelaatbaar is.

In het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer zijn de uitsluitingsgronden aangevuld met enkele criteria, onder meer afkomstig uit het inmiddels vervallen Besluit opslag goederen milieubeheer. Gelet op de aard en milieurelevantie van deze activiteiten wordt bij nader inzien deze uitsluitingsgronden wel noodzakelijk geacht. Het gaat onder meer om de opslag van ruwe tabak, ruwe tropische producten en de opslag van brandbare vloeistoffen.

Het voorschrift 1.6.11 met betrekking tot de vuurbelasting is verbeterd in verband met de aanvankelijk tegenstrijdige formulering.

In het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer zijn in hoofdzaak de met beide andere besluiten overeenkomstige aanpassingen gepleegd. De correcties met betrekking tot brandbare vloeistoffen gelden voor alledrie de besluiten. De categorie brandbare vloeistoffen valt buiten de definitie van de categorie gevaarlijke stoffen en dient alsnog te worden toegevoegd.

Artikel 13

De datum van inwerkingtreding van het besluit is in overeenstemming met de uiterste datum van implementatie van richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 1999 betreffende de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85), welke mede door dit besluit (in voorschrift 2.1.4. van de bijlage) is geïmplementeerd.

3. TOELICHTING BIJLAGE 1 (Voorschriften)

3.1 Algemeen

Niet alle voorschriften zijn op elk textielreinigingsbedrijf van toepassing. Een aantal voorschriften houdt verband met de aanwezigheid van bepaalde toestellen, apparaten of stoffen dan wel met het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Wanneer geen sprake is van die toestellen, apparaten of stoffen, zijn de desbetreffende voorschriften niet relevant.

Voorschriften die zijn gebaseerd op andere wetgeving, zijn in het besluit niet opgenomen. Voorbeelden van andere weten regelgeving die naast het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer van toepassing kan zijn:

– Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (BOOT);

– Besluit opslag propaan milieubeheer;

– Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten 1995 (zgn. CFK-besluit);

– Wet bodembescherming en bijbehorende uitvoeringsbesluiten (o.a. het Lozingenbesluit bodembescherming) en in het kader daarvan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB).

Ook eisen die via andere wet- en regelgeving worden opgelegd, zijn in dit besluit niet opgenomen. Hier kan onder meer worden gedacht aan eisen op grond van gebruiksvergunningen van de brandweer, het Bouwbesluit en de bouwverordening (bijvoorbeeld ten aanzien van brandwerende constructies en blusmiddelen). Installatie-eisen, zoals in NEN-normen vastgelegd en die door de installatie- en nutsbedrijven worden gehanteerd, zijn niet in dit besluit opgenomen.

Voorzover de gemeente bevoegd gezag is voor de handhaving van bovenstaande wet- en regelgeving, dient deze zoveel mogelijk integraal te worden uitgevoerd.

3.2 Begrippen

De omschrijvingen van begrippen met betrekking tot geluiden trillinghinder sluiten aan op die van de Wet geluidhinder.

Het openbaar riool omvat het gemeentelijk rioolstelsel en dat wat daartoe behoort en verband houdt met de uitvoering van de gemeentelijke taak van de inzameling en het transport van afvalwater. Dat kunnen zijn rioolgemalen, persleidingen en andere openbare werken en installaties. Niet ertoe behoren particuliere aansluitingen en voorzieningen voor de inzameling en het transport, die geen eigendom van een gemeente zijn.

3.3 Voorschriften

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Paragraaf 1.1. Geluid en trilling

1.1.1

Zowel voor bestaande als nieuwe bedrijven is in beginsel de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder opgenomen als de standaard geluidnorm. Voor het buitenniveau betekent dat een etmaalwaarde van 50 dB(A), voor het binnenniveau van in- of aanpandige woningen een etmaalwaarde van 35 dB(A). Voor de toegestane piekniveaus zijn waarden gesteld die overeenkomen met de grenzen zoals opgenomen in de reeds bestaande algemene maatregelen van bestuur alsmede de gangbare praktijk bij vergunningverlening. Uitgangspunt daarbij is dat met deze normen doorgaans een acceptabele geluidkwaliteit, in de zin van geluidbeleving en risico's voor de persoonlijke gezondheid, in de directe omgeving van het bedrijf wordt bereikt. In de praktijk blijken overschrijdingen van piekwaarden door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van de autoportieren en het starten en wegrijden van de voertuigen.

Met woningen worden in dit voorschrift bedoeld de woningen die niet kunnen worden aangemerkt als dienst- of bedrijfswoning, en woningen die geen deel uitmaken van de inrichting.

Controle of berekening van de geluidniveaus moet geschieden overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999. Voor het bepalen van de buitenniveaus gelden de waarden op de gevel zonder gevelreflectie, ook wel het «invallende geluid» genoemd. Metingen ter controle van geluidniveaus binnen woningen moeten worden verricht op een afstand van ten minste 1 meter van de muren, 1,5 meter boven de vloer en 1,5 meter van de ramen. Teneinde verstoring door staande golven te verminderen, is het noodzakelijk op ten minste drie punten te meten; bij laagfrequent geluid moet zonodig op meer dan drie punten worden gemeten. De gemeten waarden moeten energetisch worden gemiddeld. Metingen moeten worden uitgevoerd met gesloten ramen en buitendeuren. De beoordeling van meetresultaten moet overeenkomstig bovengenoemde handleiding plaatsvinden.

1.1.2

In dit voorschrift is het algemene doel van het besluit ten aanzien van het aspect trillinghinder neergelegd. Het uitgangspunt is primair dat continue trillingen in woningen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals wasmachines. Niet alle inrichtingen zullen trillinghinder veroorzaken.

Bij wasserijen kan door het gebruik van de machines trillinghinder ontstaan of door het aan- en afrijden van (vracht)wagens voor het vervoeren van kleding en eventueel benodigde apparatuur en stoffen. Er is derhalve gekozen voor een algemeen voorschrift met de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om nadere eisen te stellen.

Naar verwachting zullen trillingsmetingen slechts sporadisch noodzakelijk zijn. Voor het objectief vaststellen van trillingen kan in beginsel gebruik worden gemaakt van indicatieve meetmethodieken.

1.1.3

Dit voorschrift geldt uitsluitend voor inrichtingen die reeds waren opgericht voor de datum waarop het Besluit chemische wasserijen milieubeheer van toepassing werd. Voor die inrichtingen geldt een maximaal toelaatbaar geluidniveau van 55 dB(A), tenzij de daarvóór geldende milieuvergunning lagere waarden bevatte. Hiermee wordt de in dat besluit gehanteerde overgangsregeling gecontinueerd; de algemene afwijkingsmogelijkheid voor geluid is hierop overigens wel van toepassing.

Paragraaf 1.2 Energie

1.2.1

In het algemeen deel van deze toelichting is reeds ingegaan op het energiegebruik. Daar is ook aangegeven dat de voorschriften van dit besluit zich richten op de grotere energieverbruikers uit de betrokken bedrijfssectoren. Indien het bevoegd gezag daarom verzoekt, zal zo'n bedrijf moeten aangeven welke maatregelen of voorzieningen het heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat een zo zuinig mogelijk gebruik van energie wordt gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit:

– de deelname aan een meerjarenafspraak (MJA), waarbij moet blijken dat het bedrijf zich aan de afspraken houdt; voor de natwasserijen is een MJA afgesloten; op dit moment wordt op verzoek van de Tweede Kamer onderzocht of een teruggaveregeling voor MJA-bedrijven technisch mogelijk is;

– de realisatie of een uitgewerkte planning voor de uitvoering van maatregelen op basis van de adviezen die door externe deskundigen zijn gegeven; zo'n advies kan bijvoorbeeld door een energiebedrijf worden gegeven;

– eventuele andere documenten of verklaringen waaruit blijkt dat het bedrijf de gevraagde prestatie op dit gebied levert of zal leveren.

1.2.2

Inrichtingen zullen die maatregelen dienen te treffen die zich binnen een redelijke tijd terugverdienen, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke neveneffecten. Hierbij wordt uitgegaan van de binnen de branche gebruikelijke terugverdientijden. De terugverdientijd zal mede afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het bedrijf en het tijdstip waarop de maatregel wordt uitgevoerd.

De inrichting heeft binnen termen van redelijkheid ruimte om bij de besluitvorming over de energievoorzieningen aansluiting te zoeken bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf.

Of aan de verplichting wordt voldaan kan blijken uit de documenten of de verklaringen die hierboven bij de toelichting bij voorschrift 1.2.1 zijn genoemd.

Paragraaf 1.3 Afvalstoffen en afvalwater

1.3.1

Deze algemene bepaling geeft aan dat de zorg voor het milieu zich ook uitstrekt tot afval, en met name tot het beperken van afval. Bij textielreinigingsbedrijven zijn globaal de volgende afvalstromen te onderscheiden:

– het gebruikelijke kantoor- en dienstenafval,

– afval dat met resten reinigingsmiddel is verontreinigd (gevaarlijk afval),

– afvalwater en slibafzetting.

Voorop staat dat de verantwoordelijkheid van de ondernemer een primaire rol speelt in het zoveel mogelijk nakomen van de zorg voor afvalpreventie. Omdat de functie van textielreiniging eruit bestaat het vuil van het textiel te scheiden, is een algemene reductieverplichting slechts zeer beperkt in te vullen. Doorgaans zijn de inspanningen van de ondernemer erop gericht om zoveel mogelijk reinigingsmiddel uit het afgescheiden vuil te verwijderen. Zo wordt het destillatieresidu aan verwerkers van gevaarlijk afval aangeboden, die deze scheiding verzorgen.

Van belang is dat de beschikbare informatie toegankelijk wordt gemaakt voor bedrijven en het bevoegd gezag. In gevallen waarbij niet op dergelijke informatie kan worden teruggevallen doch waarbij afvalpreventie van substantieel belang is, bestaat de mogelijkheid een onderzoek te verlangen naar de preventiemogelijkheden. Voorbeelden van afvalpreventie worden per branche, bedrijfstak of per thema nader uitgewerkt in informatiebladen van Infomil (lnformatiecentrum milieuvergunningen).

Enkele preventiemogelijkheden, specifiek voor het reinigen met oplosmiddel, zijn: beperken van lekverliezen door inspectie en onderhoud; zorgvuldige en gesloten opslag van reinigingsmiddel en destillatieresidu; zo kort mogelijke laad- en lostijden van de machine; zorgvuldige afstelling en bediening van de reinigingsmachine. Ook kan gedacht worden aan het hergebruik van kledinghangers, of het inkopen van grotere eenheden of van producten die in herbruikbare verpakking zijn verpakt; te denken valt bijvoorbeeld aan hervulbare flessen of dozen. Daarnaast kan bijvoorbeeld bij bedrijfsmatige natwasserijen, zoals voor ziekenhuizen, het schone wasgoed worden verpakt in herbruikbare zakken in plaats van eenmalig plastic.

1.3.2

In beginsel moeten alle afvalstromen zoveel mogelijk worden gescheiden en gescheiden worden gehouden ten behoeve van hergebruik of van een specifieke wijze van verwijdering; de gescheiden afgifte dient zoveel mogelijk te worden bevorderd. Als uitgangspunt geldt dat het de verantwoordelijkheid is van de ondernemer om zoveel mogelijk over te gaan tot afvalscheiding van alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen.

Voor een aantal afvalstoffen is een directe afvalscheidingsverplichting opgenomen. In het Programma GIBA is bepaald bij welke hoeveelheden ervan wordt uitgegaan dat zich geen fysieke, financiële of organisatorische belemmeringen voordoen om tot afvalscheiding over te gaan. Scheiding kan echter niet worden verlangd indien afvalstoffen niet voor hergebruik in aanmerking komen, bijvoorbeeld doordat deze zijn vermengd met andere afvalstoffen en nascheiding door het bedrijf of instelling niet in de rede ligt.

Onder wit- en bruingoed, gedefinieerd in onderdeel A van bijlage 1, wordt een veelheid aan apparaten verstaan zoals koel- of vriesapparatuur, elektrische of elektronische keukenapparatuur, geluidsapparatuur, computers en beeldontvangstapparatuur. Voor wit- en bruingoed is ter uitvoering van het Besluit verwijdering wit- en bruingoed een verwijderingsstructuur opgericht. Onder kunststoffen valt een diversiteit aan kunststoffen en mengsels waarin deze voorkomen.

In de informatiebladen wordt aangegeven welke stromen voor scheiding in aanmerking komen. Ook worden de diverse omstandigheden waarbij het scheiden van afvalstoffen redelijkerwijs kan worden verlangd, met inachtneming van het Programma GIBA nader beschreven. Naast gevallen van niet-herbruikbaarheid kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan fysieke, organisatorische of financiële belemmeringen.

Het gelijkwaardigheidsbeginsel voor afvalscheiding houdt in dat bijvoorbeeld, in plaats van scheiding van afvalstoffen aan de bron, uit financieel of technisch oogpunt gekozen kan worden voor nascheiding in een scheidingsinstallatie.

1.3.3

In de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen is uitputtend vastgelegd welke gevaarlijke afvalstoffen voor afvalscheiding in aanmerking komen. De regeling bevat een categorie «overige gevaarlijke afvalstoffen». In de informatiebladen is beschreven welke gevaarlijke afvalstoffen in de regel bij de onder dit besluit vallende inrichtingen ontstaan. Bij het scheiden van gevaarlijke afvalstoffen zal het meestal gaan om stoffen die qua hoeveelheid, aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met klein gevaarlijk afval uit huishoudens. De wijze van afvalscheiding kan daarmee vergelijkbaar zijn. Onder gescheiden houden wordt hier bedoeld dat vermenging van verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen wordt voorkomen. Aan deze bepaling kan al worden voldaan door het desbetreffende afval te bewaren in afzonderlijke emballage in een verzamelcontainer, -doos of soortgelijke bewaarplaats.

1.3.4

Indien de opslag van afvalstoffen geuroverlast veroorzaakt moeten speciale voorzieningen worden getroffen. In veel gevallen zal het voldoende zijn om de afvalstoffen op te slaan in een afgesloten bak of container en regelmatig af te voeren. In sommige gevallen zullen specifieke maatregelen nodig zijn. Deze bepaling geeft tevens aan dat er bij de opslag van afvalstoffen rekening moet worden gehouden met de latere hergebruiksmogelijkheden.

Bedrijfsafvalwater

Bij het besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wm met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, is aan het Besluit chemische wasserijen milieubeheer een aantal voorschriften toegevoegd met betrekking tot de indirecte lozing van afvalwater. De voorschriften 1.3.6 en verder sluiten hierbij aan. De systematiek van de voorschriften is enigszins aangepast zodat deze beter aansluiten bij de vorige voorschriften. De voorschriften zijn bezien in het licht van de ruimere werkingssfeer van dit besluit, hetgeen heeft geleid tot enkele aanpassingen.

Wanneer in de voorschriften is aangegeven dat bedrijfsafvalwater met bepaalde kenmerken niet in de riolering wordt gebracht, betekent dit dat ook het lozen van bedrijfsafvalwater met die kenmerken op de bedrijfsriolering niet is toegestaan. Voor deze redactie is gekozen wanneer het ongewenst wordt geacht dat dit bedrijfsafvalwater waar dan ook in de riolering wordt gebracht en het tevens redelijkerwijs kan worden voorkomen dat bedrijfsafvalwater met de betreffende kenmerken in de riolering terecht komt.

Wanneer in de voorschriften is aangegeven dat bedrijfsafvalwater met bepaalde kenmerken niet in het openbaar riool mag worden gebracht, betekent dit dat het brengen van bedrijfsafvalwater met die kenmerken in de bedrijfsriolering wel is toegestaan, mits voorafgaand aan de lozing op het openbaar riool een dusdanige behandeling plaatsvindt dat aan de desbetreffende voorschriften wordt voldaan. Van het brengen van bedrijfsafvalwater in het openbaar riool is overigens ook sprake wanneer bedrijfsafvalwater vanuit de bedrijfsriolering niet rechtstreeks in het openbaar riool wordt gebracht, maar bijvoorbeeld via een bedrijfsriolering van een ander bedrijf. Van belang voor de interpretatie van het voorschrift is dat het bedrijfsafvalwater in het openbaar riool terecht komt. Ook wanneer het bedrijfsafvalwater op een andere wijze dan via de bedrijfsriolering vanuit een inrichting in het openbaar riool wordt gebracht (bijvoorbeeld via een straatkolk) is er dus sprake van het brengen van bedrijfsafvalwater in een openbaar riool en gelden de voorschriften van dit besluit.

1.3.5

Dit voorschrift bevat algemene eisen waaraan afvalwater moet voldoen, ongeacht de activiteit waarbij het vrijkomt. Zo is het verboden om bedrijfsafvalwater dat bedrijfsafvalstoffen bevat waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen, in een riolering te brengen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld destillatieresidu bij het reinigen met oplosmiddelen of PER dat bij conventionele reinigingsmachines achterblijft en uiteindelijk in het riool terecht komt.

Ook is het verboden om een gevaarlijke afvalstof, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de bedrijfsriolering terecht komt, in de riolering te brengen. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld restanten reinigingsmiddel PER, HFK's, HCFK's of R113. Voor werkzaamheden of handelingen waarbij niet kan worden voorkomen dat bedrijfsafvalwater vrijkomt dat een gevaarlijke afvalstof is, wordt het in de specifieke voorschriften toegestaan onder bepaalde voorwaarden en in een aangegeven maximum concentratie een bepaalde gevaarlijke afvalstof in een riolering te brengen.

1.3.6

Dit voorschrift strekt tot implementatie van de Richtlijn nr. 1991/271/EEG, inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, en bevat voorschriften die op grond van de richtlijn aan elk lozen op het openbaar riool moeten worden gesteld. De richtlijn is reeds gedeeltelijk geïmplementeerd via de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer (Stcrt. 1996, nr. 59). Omdat met het onderhavige besluit het vergunning-vereiste voor een aantal bedrijven wordt opgeheven, worden delen van de richtlijn die eerst via de instructieregeling werden omgezet in nationaal recht, nu opgenomen als algemene regels in dit besluit. In het onderhavige voorschrift zijn de bescherming van het oppervlaktewater, de zuiveringstechnische werken en het openbaar riool algemeen verwoord. In de overige voorschriften die in het besluit zijn opgenomen, is de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen van indirecte lozingen nader uitgewerkt.

Bij het nat(wit)wasproces ontstaat afvalwater met een hoge temperatuur en een pH-waarde van maximaal 11. Dit is inherent aan het gevoerde proces. Het reinigen en desinfecteren van textiel maakt het noodzakelijk dat bij temperaturen van 60° tot 80 ° C wordt gewassen en een alkalische zeepoplossing met pH tot 11 wordt gebruikt. In de praktijk blijkt het in deze branche moeilijk het afvalwater verder te koelen dan 40 °C, ook het terugbrengen van de pH tot onder de 10 blijkt moeilijk realiseerbaar.

Ten aanzien van de temperatuur en de pH wordt in het algemeen aan de zorgplicht-bepaling, als bedoeld in voorschrift 1.3.6 onder a, b en c, invulling gegeven als de temperatuur lager is dan 30° C en de pH ligt tussen 6,5 en 10. Dit is als zodanig verwoord in het Besluit van 19 januari 1996, waarmee afvalwatervoorschriften zijn toegevoegd aan de amvb's op grond van artikel 8.40 Wm. Uit de toelichting bij dat besluit blijkt dat deze concrete voorschriften doelbewust niet in die amvb's zijn opgenomen om het bevoegd gezag de mogelijkheid te bieden hier in bepaalde omstandigheden van af te wijken.

Afwijking van deze bepalingen is echter alleen gerechtvaardigd als daarmee de doel-matige werking van de riolering niet in het geding komt. Het is niet eenduidig te zeggen bij welke temperatuur en welke pH er aantasting van het riool optreedt. In het algemeen kan gesteld worden dat een hogere temperatuur de aantasting van het riool versnelt. Zo kan ook in zijn algemeenheid gesteld worden dat naarmate de pH verder afwijkt van genoemde grenzen (6,5 en 10) de aantasting van het riool en bijbehorende apparatuur sneller zal optreden. Een en ander is echter sterk afhankelijk van het soort rioolstelsel en de samenstelling van het rioolwater ter plaatse.

Voor diverse bedrijven in deze sector is een vergunning op grond van de vroegere lozingsverordening verleend waarin ruimere voorwaarden zijn opgenomen (temperatuur maximaal 40 ° C en pH kleiner dan 11). Er is geen reden om op grond van dit besluit de voorschriften voor deze bedrijven aan te scherpen tot de algemeen geldende voorschriften (temperatuur van maximaal 30 ° C en een pH kleiner dan 10). Blijkbaar achtte het bevoegd gezag de gestelde voorschriften op die locaties voldoende om de doelmatige werking van de riolering te waarborgen. Hieruit kan echter niet de conclusie getrokken worden dat die verruimde voorschriften ook op andere locaties een adequaat beschermingsniveau bieden.

Indien een bedrijf slechts met uitzonderlijke inspanningen aan de algemeen geldende lozingsparameters (temperatuur maximaal 30 ° C en pH tussen 6,5 en 10) kan voldoen, zal in die situatie een afweging gemaakt moeten worden tussen de inspanning die het bedrijf moet leveren om aan die eisen te voldoen en de mogelijke schade die het riool ten gevolge van deze lozing zal ondervinden.

Bij bedrijven die reinigen met oplosmiddelen in conventionele reinigingsmachines, zal tijdens de reiniging van kleding en textiel een kleine hoeveelheid PER in het bedrijfs-afvalwater terecht komen en op het openbaar riool worden geloosd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in de volgende situaties:

– bij het reinigingsproces wordt water in de trommel toegevoegd, of

– bij conventionele machines waar leidingwater als koelmedium wordt gebruikt.

Een dergelijke lozing van PER op het openbaar riool is toegestaan wanneer de concentratie van PER in het bedrijfsafvalwater niet hoger is dan 0.1 mg/l in enig steekmonster. Bedrijven die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder het Besluit chemische wasserijen milieubeheer vielen, zullen geen problemen bij de naleving van dit voorschrift ondervinden. Bij deze bedrijven zijn alleen nog reinigingsmachines met diepkoelinstallatie aanwezig.

Bij bedrijven waar (wit)wasgoed wordt gebleekt met chloor of met chloorhoudende bleekmiddelen, kunnen organochloorverbindingen worden gevormd. Dit manifesteert zich onder meer in het ontstaan van chloroform. Gegeven de noodzaak tot bescherming van riolering en zuiveringsinstallatie is het noodzakelijk een maximale lozingsnorm voor chloroform op te nemen.

1.3.7

Wanneer bedrijfsafvalwater niet door tussenkomst van een openbaar riool in het oppervlaktewater wordt gebracht, maar via een andere route of door tussenkomst van eigen bijzonder opvangvoorzieningen, is voorschrift 1.3.6 van overeenkomstige toepassing. Welke onderdelen van dat voorschrift relevant zijn, is afhankelijk van de route waarlangs het afvalwater in het oppervlaktewater terecht komt.

Omdat kennis over die route op het lokale niveau aanwezig is, is daar de bevoegdheid gelegd om bij nadere eis een voorschrift op te leggen, dat afdoende bescherming voor riool, zuiveringsinstallatie en oppervlaktewater waarborgt.

1.3.9

Om na te kunnen gaan of een textielreinigingsbedrijf voldoet aan de in het voorschrift 1.3.6 opgenomen NEN-normen dient in het bedrijf een controlevoorziening aanwezig te zijn zodat steeksproefgewijze metingen kunnen worden uitgevoerd.

De verplichting tot het uitvoeren van dergelijke metingen kan door het bevoegd gezag in een nadere eis worden opgelegd, conform het bepaalde in voorschrift 4.3.4.

Paragraaf 1.4 Lucht

1.4.1

Verwarmings- en stookinstallaties kunnen bij een verkeerde afstelling tot rookgassen leiden die een aanzienlijke nadelige invloed hebben op het milieu op alle schaalniveaus. Een goede afstelling van de verbrandingsprocessen kan dat al aanzienlijk beperken. Er bestaat een certificatieregeling, de Certificatieregeling voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties, opgezet door een aantal organisaties in de installatiebranche, aan de hand waarvan bedrijven onder ISO-kwaliteitsgaranties voor afstelling, onderhoud en reparatie van de verbrandingsinstallatie kunnen zorgen. Deze bepaling laat uiteraard onverlet hetgeen in specifieke besluiten ten aanzien van emissies naar de lucht is geregeld.

Paragraaf 1.5 Verlichting

1.5.1

De verlichting moet zodanig zijn aangebracht dat licht niet direct bij omwonenden naar binnen schijnt. Vaak wordt overlast veroorzaakt door schijnwerpers die zijn geplaatst als inbraakpreventie of door lichtbakken voor reclamedoeleinden. Door schijnwerpers en armaturen zorgvuldig af te stellen en te richten kunnen klachten veelal worden verholpen. Voor het objectief vaststellen van hinder door uiteenlopende lichtbronnen is momenteel geen algemeen toepasbare standaardmethodiek beschikbaar en kan niet worden getoetst aan een norm. Wel worden door het Bureau Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) initiatieven ondernomen tot het realiseren van aanbevelingen ten behoeve van het vaststellen en beoordelen van hindersituaties.

Paragraaf 1.6 Veiligheid

1.6.1

Onder (licht) ontvlambare stoffen worden bijvoorbeeld verstaan: aceton, (was)benzine, ethanol, petroleum, spiritus, terpentine en thinner. De verpakkingen zijn voorzien van een vierkant oranje etiket met een vlam. Het verbod op roken en open vuur in de in dit voorschrift bedoelde ruimten moet zijn aangegeven met een gevarensymbool (overeenkomstig NEN 3011) of met duidelijk leesbare tekst.

1.6.2

Over het algemeen is mechanische ventilatie niet nodig, tenzij de acculader en accumulatorenbatterij is opgesteld in een kleine, besloten ruimte. In de meeste gevallen is het voldoende als de acculader in een grote ruimte, liefst nabij een buitendeur is geplaatst.

1.6.3

Een brandschakelaar moet zich bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de stookruimte bevinden, tenzij de stookruimte slecht bereikbaar is (bijvoorbeeld op een zolder die alleen via een vlizotrap te bereiken is). In een dergelijke situatie is het beter de afsluiter op een goed bereikbare, duidelijk aangegeven plaats aan te brengen.

Een gasafsluiter is meestal in de meterkast aanwezig, daar waar gasleidingen het bedrijfspand binnenkomen.

Om te kunnen beoordelen of dit voorschrift op een stookruimte van toepassing is, moet worden nagegaan wat de nominale belasting is van alle installaties die in de stookruimte staan opgesteld.

Paragraaf 1.7 Waterbesparing

1.7.1

In het algemeen deel van deze toelichting is reeds ingegaan op het watergebruik. Bij natwasserijen is dat watergebruik aanzienlijk; een doorsnee bedrijf gebruikt gauw 80 000 m3 per jaar. Indien het bevoegd gezag daarom verzoekt, zal zo'n bedrijf moeten aangeven welke maatregelen of voorzieningen het heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat een zo zuinig mogelijk gebruik van water wordt gemaakt.

Dit kan bijvoorbeeld blijken uit:

– de realisatie of een uitgewerkte planning voor de uitvoering van maatregelen op basis van de adviezen die door externe deskundigen zijn gegeven; zo'n advies kan bijvoorbeeld door een waterleverend bedrijf worden gegeven;

– eventuele andere documenten of verklaringen waaruit blijkt dat het bedrijf de gevraagde prestatie op dit gebied levert of zal leveren.

1.7.2

Inrichtingen zullen die maatregelen dienen te treffen, die zich binnen een redelijke tijd terugverdienen, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke neveneffecten. Hierbij wordt uitgegaan van de binnen de branche gebruikelijke terugverdientijden. De terugverdientijd zal mede afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het bedrijf en het tijdstip waarop de maatregel wordt uitgevoerd. De inrichting heeft binnen termen van redelijkheid ruimte om bij de besluitvorming over de waterbesparingsvoorzieningen aansluiting te zoeken bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf. Of aan de verplichting wordt voldaan kan blijken uit de documenten of de verklaringen die hierboven bij de toelichting bij voorschrift 1.7.1 zijn genoemd.

Paragraaf 1.8 Bodembescherming

1.8.1

De bodemrisicocategorie wordt in de NRB met behulp van een beslismodel vastgesteld. Afhankelijk van de categorie waarin een bedrijfsactiviteit valt zijn er diverse mogelijkheden om de bodem te beschermen. Het uiteindelijke pakket dient een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging op te leveren, aangeduid als bodemrisicocategorie A.

1.8.2

Deze bepaling heeft betrekking op het buiten werking stellen van de inrichting of het beëindigen van bepaalde activiteiten en het daaraan gekoppelde eindsituatie-onderzoek van de bodem. Het eindsituatie-onderzoek heeft een directe relatie met het nulsituatie-onderzoek dat bij het starten van bodembedreigende activiteiten bij de melding is vereist. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) geeft een handreiking voor de beoordeling of een activiteit bodembedreigend is. Evenals bij de nulsituatie het geval is dient het onderzoek beperkt te blijven tot die plaatsen binnen de inrichting waar de desbetreffende bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

Paragraaf 1.9 Overig algemeen

1.9.1

Deze bepaling vormt een aanvullende norm voor de zorg voor het milieu, die degene die de inrichting drijft, behoort te betrachten. De zorgplicht voor het milieu – neergelegd in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer – brengt onder meer met zich dat ook ten aanzien van aangelegenheden in de bescherming waarvan dit besluit niet voorziet omdat specifieke voorschriften ontbreken, degene die de inrichting drijft, de nodige maatregelen en voorzieningen treft om eventuele nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting te voorkomen. Als die gevolgen zich voordoen, is die persoon gehouden deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Dit geldt ook voor de gevallen waarin dit besluit weliswaar een regeling bevat doch waarin tevens moet worden geconcludeerd dat de gestelde voorschriften niet geheel voorzien in een toereikende bescherming van het milieu en waarin van degene die de inrichting drijft, mag worden verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid ook neemt en ervoor zorg draagt dat die nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen of voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk worden beperkt. Dit zou het geval kunnen zijn in situaties waarin bijvoorbeeld sprake is van een emissie van een bepaalde stof naar de lucht en waarvoor paragraaf 1.4 geen of ontoereikende voorschriften bevat.

HOOFDSTUK 2. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT ACTIVITEITEN DIE IN DE INRICHTING WORDEN VERRICHT

Paragraaf 2.1 Reinigen met PER

2.1.1 en 2.1.2

Voor de toelichting bij de normstelling wordt verwezen naar paragraaf 1.4.3, onderdeel b, van het algemene deel van deze toelichting. De strekking van de resterende voorschriften in deze paragraaf is grotendeels gelijk aan de strekking van de overeenkomstige voorschriften uit het ingetrokken Besluit chemische wasserijen milieubeheer.

De normstelling voor binnenruimten van gevoelige objecten is zowel in nieuwe situaties als in bestaande situaties direct van toepassing. De normstelling ter plaatse van gevoelige objecten is uitsluitend voor nieuwe situaties direct van toepassing. Voor bestaande situaties is voorzien in een overgangstermijn van vijf jaar, tenzij tussentijds een wijziging of uitbreiding plaatsvindt. Een wijziging of uitbreiding wordt als zodanig aangemerkt indien deze wijziging of uitbreiding negatieve gevolgen heeft voor het milieu, zoals het bijplaatsen van een PER-reinigingsmachine, het vergroten van de PER-reinigingscapaciteit, of het vervangen van een bestaande «niet-PER» machine door een PER-reinigingsmachine. Het vervangen van een PER-machine door een PER-machine met dezelfde reinigingscapaciteit wordt niet beschouwd als wijziging als bedoeld in voorschrift 2.1.2.

2.1.3

Indien PER wordt gebruikt voor de reiniging van textiel, is het aan degene die de inrichting drijft, om aan te tonen dat de immissie van PER de normstelling niet overschrijdt. Voor nieuwe situaties is dit voorschrift direct van toepassing. Voor bestaande situaties gaat de eis in vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit, tenzij binnen een inrichting een installatie wordt gewijzigd of uitgebreid. De bepaling van de immissieconcentratie is eenmalig en dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de meetvoorschriften uit bijlage 2 behorende bij het besluit.

2.1.4

In dit voorschrift is een emissieconcentratie van 340 mg/m3 boven pas gelost textiel, alsmede een vrachteis van 20 g/kg gereinigd textiel opgenomen ter implementatie van richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 1999 betreffende de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85). Beide waarden gelden afzonderlijk en dienen dus afzonderlijk van elkaar te worden gecontroleerd. Emissies en vrachten hangen vanzelfsprekend wel samen; een lagere emissie zal bij een zelfde doorzet leiden tot een lagere vracht en omgekeerd. Een directe omrekenfactor is echter niet beschikbaar. Beide waarden dienen hoe dan ook als een absoluut plafond te worden beschouwd.

Paragraaf 2.2 Reinigen met andere oplosmiddelen

2.2.1

Om te voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen in reinigingstechnieken door wetgeving te zeer worden belemmerd is in dit voorschrift een algemene eis ten aanzien van reinigingsmachines verwoord. Het gaat om enerzijds de constructieve deugdelijkheid (materiaalkeuze), en anderzijds het gesloten zijn (tijdens de procesgang) van de machine, waardoor geen oplosmiddel kan worden geëmitteerd.

2.2.2

Speciaal voor de toepassing van koolwaterstoffen als reinigingsmiddel is een emissie-eis opgenomen. Deze eis is te beschouwen als een prestatie-eis voor het koel/droog-proces voordat de reinigingsmachine wordt geopend om het textiel te verwijderen. Deze eis geldt voor directe emissie naar de lucht. Oplosmiddel dat als gevaarlijk afval uit de inrichting wordt afgevoerd, wordt hier niet bij betrokken.

Paragraaf 2.3 Wassen

2.3.1

Wasserijbedrijven gebruiken zout voor het ontharden van water voorafgaand aan het wasproces. Voornamelijk zal industriezout worden gebruikt, dat veelal in plastic kunststof zakken van 25 kilogram is verpakt. Indien dit zout ongecontroleerd in de riolering of in de bodem terecht komt kan schade aan het rioleringstelstel worden toegebracht dan wel verontreiniging optreden. Op de inrichtinghouder rust de verantwoordelijkheid te zorgen dat de op- en overslag van zout goed wordt uitgevoerd. Te denken valt aan het controleren van de zakken of het voorkomen dat de opslag in de nabijheid van schrobputjes plaatsvindt.

2.3.2

De van natwasserijen afkomstige geur kan soms leiden tot klachten over stankoverlast. Dit voorschrift regelt dat het bedrijf dan maatregelen moet treffen.

Paragraaf 2.4 Opslag of overslag, bewerking en verwerking van gevaarlijke stoffen

2.4.1 en 2.4.2

Voorschrift 2.4.1 is onder meer van toepassing op de opslag van PER, R113 en andere gevaarlijke stoffen die gebruikt worden in reinigingsprocessen.

Voorschrift 2.4.2 ziet toe op de handelingen die met gevaarlijke stoffen kunnen worden verricht in bijvoorbeeld een werkplaats. Onder (licht) ontvlambare vloeistoffen worden K1- en K2-producten verstaan. In verband met de bijzondere gevaarsaspecten van deze stoffen moet een lekbak 100% opvangcapaciteit bezitten. Als boven een lekbak zowel (licht) ontvlambare stoffen als andere milieugevaarlijke vloeistoffen worden opgeslagen, moet toch een lekbak met 100% opvangcapaciteit worden aangehouden. Doorgaans zal de bedoelde lekbak binnen zijn opgesteld, waardoor automatisch wordt voldaan aan de bescherming tegen inregenen.

Onder installaties die op een vloeistofdichte vloer moeten worden geplaatst, valt onder andere een koelinstallatie, oliekachel of noodstroomaggregaat.

2.4.3

Indien in een inrichting gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, dient dit te gebeuren overeenkomstig de richtlijn CPR 15–1. Onder emballage wordt ook verstaan kunststof big bags. Voor de controle van de voorzieningen die volgens deze CPR moeten zijn getroffen, is een checklist beschikbaar.

Paragraaf 2.5 Stoomketel

2.5.1 tot en met 2.5.3

Het in gebruik hebben van een stoomketel ten behoeve van de verwarming kan in bepaalde gevallen tot hinder leiden voor omwonenden. Onder meer kan het spuien van een stoomketel, dit is het lozen van spuiwater op een riolering, gepaard gaan met enig geluid en kunnen stoomdampen leiden tot overlast.

HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE BEDRIJFSVOERING VAN DE INRICHTING

Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak

3.1.1

Als installaties, toestellen of voorzieningen van een inrichting slecht onderhouden worden, is de kans groot dat gevaarlijke situaties ontstaan of overlast voor de omgeving optreedt. Zorgvuldigheid is een belangrijk element bij het bereiken van een voor het milieuverantwoorde bedrijfsvoering.

3.1.2

Als milieugevaarlijke stoffen of olie worden opgeslagen moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn om gemorste stoffen op te ruimen. Als absorptiemiddel kunnen speciaal hiervoor bestemde korrels worden gebruikt, maar ook bijvoorbeeld zaagsel is een geschikt middel. Gebruikt absorptiemiddel moet als gevaarlijk afval worden opgeslagen en afgevoerd.

Paragraaf 3.2 Controle van installaties en voorzieningen

3.2.1

Het onderhoud van een stook- of CV-installatie en het bijbehorend verbrandingsgasafvoersysteem wordt doorgaans uitbesteed aan een verwarmingstechnisch installatiebedrijf. Dit voert het onderhoud uit volgens de hiervoor geldende NEN-normen en installatie-eisen. Meestal wordt een onderhoudscontract afgesloten. Als bewijs van een uitgevoerde onderhoudsbeurt wordt vaak een sticker met jaartal op de stookinstallatie of CV-ketel aangebracht. Als uitgangspunt gelden in ieder geval de gebruiks- en onderhoudsinstructies van de leverancier van de installatie.

3.2.2

Door de branche is een certificatiesysteem in het leven geroepen voor de genoemde activiteiten. De «Certificatie-regeling voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» staat open voor een ieder, ook voor buitenlandse bedrijven. Aangezien de markt in staat is gebleken tot zelfregulering, kan overheidsinterventie uitblijven. Dit besluit beperkt zich derhalve tot het geven van de functionele eis (voorschrift 1.4.1) en de verplichting tot geregelde controle daarop door de gecertificeerde deskundige (voorschriften 3.2.1 en 3.2.2).

Onderdeel b is opgenomen omdat naar huidige inzichten overheidsregels niet mogen leiden tot een monopolie-positie van één instituut of bedrijf. Het staat degene die de inrichting drijft, derhalve vrij, om voor de voorgeschreven controle op zoek te gaan naar een bedrijf dat niet gecertificeerd is, maar over aantoonbare gelijke deskundigheid beschikt. Daarbij zal hij een vergelijkbare beoordeling moeten maken als door het certificerend instituut wordt gedaan bij bedrijven die gecertificeerd worden.

3.2.3

Inspectie en onderhoud van brandblusmiddelen dient jaarlijks plaats te vinden volgens de voorschriften, vermeld in NEN 2559 en NEN 3211. Bedrijven die blusmiddelen inspecteren en onderhouden moeten beschikken over een REOB-erkenning (Regeling voor de Erkenning van Onderhoudsbedrijven kleine Blusmiddelen). Na inspectie worden blustoestellen en slanghaspels doorgaans voorzien van een label of sticker met datum. Draagbare blustoestellen worden bovendien voorzien van een zegel.

3.2.4 en 3.2.5

Voor de opslag van milieugevaarlijke stoffen, oliën en afvalstoffen ligt de nadruk op een zorgvuldige bedrijfsvoering (zie ook voorschrift 3.1.1). Een opslagplaats moet netjes en overzichtelijk zijn. De verschillende milieugevaarlijke stoffen, oliën en afvalstoffen moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. Dit houdt ook in dat afvalstoffen regelmatig worden afgevoerd (voorschrift 3.1.2). Emballage mag niet lekken en eventueel gemorste stoffen moeten zo spoedig mogelijk worden opgeruimd. Als milieugevaarlijke stoffen of olie worden opgeslagen moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn om gemorste stoffen op te ruimen. Als absorptiemiddel kunnen speciaal hiervoor bestemde korrels worden gebruikt, maar ook bijvoorbeeld zaagsel is een geschikt middel. Gebruikt absorptiemiddel moet als gevaarlijk afval worden opgeslagen en afgevoerd.

3.2.6

De natwasbedrijven, die door de uitbreiding van de werkingssfeer ook onder dit besluit vallen, hebben vaak ook een machine voor het reinigen van textiel staan. Dit zijn niet altijd diepkoelmachines; er zijn ook «open» machines met een dubbel actief koolfilter in de ontluchtingsleiding. Voorschrift 3.2.5 ziet op het reinigen van dit filter.

Paragraaf 3.3 Bewaren van documenten

3.3.1

In nagenoeg elk bedrijf zijn installaties aanwezig die door derden worden onderhouden of gecontroleerd. Vaak worden hiervoor onderhoudscontracten afgesloten. Naast periodieke controles van installaties kan het voorkomen dat andere rapporten zijn opgesteld, metingen zijn verricht of keuringscertificaten zijn afgegeven, die op de een of andere manier met milieu of externe veiligheid te maken hebben.

Resultaten van dergelijke onderzoeken, metingen, controles, alsmede afgiftebewijzen van afval zijn tijdens een controlebezoek vaak moeilijk te achterhalen. Soms worden ze zelfs buiten de inrichting bewaard.

De gedachte achter dit voorschrift is, om alle gegevens met betrekking tot milieu en veiligheid op een centrale plaats binnen de inrichting te bewaren dan wel binnen korte termijn beschikbaar te hebben. Dit levert de volgende voordelen op:

– het bedrijf krijgt een beter inzicht in de «prestaties» die op milieugebied zijn geleverd;

– voor de controlerend ambtenaar wordt een bedrijfscontrole vereenvoudigd, omdat alle relevante informatie binnen korte termijn aanwezig is.

In het ideale geval zal bij een incidentele controle inzicht worden verkregen in het bedrijfsfunctioneren in de tussenliggende periode.

Dit voorschrift geeft aan wat voor onderzoeken, metingen en keuringen op milieugebied bij bedrijven kunnen worden uitgevoerd. Dit betekent niet dat bedrijven door middel van dit voorschrift worden verplicht tot het uitvoeren van bedoelde onderzoeken als dit niet in een van de andere voorschriften is geregeld. Als echter bepaalde rapporten zijn opgesteld, certificaten zijn afgegeven of onderhoudscontracten zijn afgesloten waarbij sprake is van enige milieurelevantie, dan dienen deze binnen de inrichting te worden bewaard (bij voorkeur in een milieuregistratiemap of speciale kast). De mogelijkheid is opengelaten dat de desbetreffende documenten buiten de inrichting worden bewaard. Deze documenten dienen dan wel binnen een door een toezichthouder te stellen termijn voor hem beschikbaar te zijn. Indien de toezichthouder dit nodig acht, dienen de opgeëiste stukken binnen zeer korte tijd beschikbaar te worden gesteld. De keuze van de leiding van de desbetreffende inrichting om in dit artikel genoemde documenten (of een kopie daarvan) buiten de inrichting te bewaren, mag niet ten koste gaan van de voortvarendheid van een ingesteld onderzoek. Tevens moet de registratie van periodieke controles, afgiftebewijzen van afval en andere milieurelevante documenten worden bewaard. Wanneer de originelen op het hoofdkantoor van een concern worden bewaard, verdient het aanbeveling om de filialen van een afschrift van de desbetreffende documenten te voorzien.

Voorschrift 3.3.1 laat de eventuele plicht onverlet om, op grond van andere wetgeving, in dit besluit bedoelde stukken voor langere tijd te bewaren dan hier aangegeven. Overigens wordt nog opgemerkt dat een toezichthouder op basis van artikel 18.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer de bevoegdheid heeft om de hier bedoelde documenten in te zien, en daarvan een of meerdere kopieën te maken, indien dat voor de vervulling van zijn taak nodig is (zie ook artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht).

HOOFDSTUK 4. NADERE EISEN

Paragraaf 4.1 Geluid en trilling

4.1.1 en 4.1.2

Het bevoegd gezag wordt de mogelijkheid geboden in individuele gevallen een andere waarde dan de standaard geluidnorm vast te leggen. Bepalend voor de hoogte van die andere waarde is het geluidniveau binnen de desbetreffende woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen is ongeacht de hoogte van buitenwaarde een vast beschermingsniveau vastgelegd overeenkomstig de binnenwaarde uit voorschrift 1.1.1. Bij toepassing van de nadere eis dient derhalve te worden nagegaan in hoeverre het geluidsniveau binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, die binnen de akoestische invloedssfeer zijn gelegen, wordt beïnvloed. Met de akoestische invloedssfeer wordt hier bedoeld de geluidsbelasting vanwege de inrichting op de gevels van omliggende woningen voorzover die hoger is dan 50 dB(A). Uiteenlopende redenen of argumenten kunnen ten grondslag liggen aan de wens, behoefte of noodzaak voor een andere waarde dan de standaard geluidnorm volgens voorschrift 1.1.1.

In beginsel zal de hoogte van het heersende referentieniveau bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de standaard geluidnorm.

De volgende invulling kan dan aan de orde zijn.

a. Indien het heersende referentieniveau zodanig laag is, dat de in dit voorschrift gestelde standaard geluidnorm zal leiden tot hinder voor de woonomgeving, kan een lagere geluidgrenswaarde aan het bedrijf worden opgelegd. Dit kan zich voordoen in situaties waarbij bedrijven zijn gevestigd in een rustige woonomgeving zoals bijvoorbeeld een stille woonwijk of landelijk gebied. Bij het in overweging nemen van een lagere geluidgrenswaarde zal het bevoegd gezag rekening dienen te houden met de rechtszekerheid ten aanzien van gevestigde bedrijven. Alternatieve maatregelen kunnen in de afweging worden betrokken, waarbij zonodig aandacht moet worden geschonken aan een evenredige lastenverdeling. Van belang is voorts dat bezien kan worden in hoeverre eventuele maatregelen gefaseerd kunnen worden uitgevoerd.

b. Het komt voor dat het heersende referentieniveau zodanig hoog is dat redelijkerwijs van het bedrijf niet kan worden verlangd de lagere standaard geluidnorm na te leven en de handhaving van de geluidsnorm een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering of zelfs sluiting zou kunnen betekenen, terwijl de lokale situatie een soepeler normstelling toelaat. In een dergelijk geval kan de geluidgrenswaarde worden verhoogd. Dit zal zich met name voordoen in drukkere gebieden.

c. Niet uitsluitend het heersende referentieniveau behoeft maatgevend te zijn om afwijking van de norm te wensen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen en de al of niet hierdoor veranderende regelgeving kan daartoe aanleiding vormen.

d. Tenslotte kunnen eventueel ook geluidgrenswaarden boven het referentieniveau worden vastgesteld bijvoorbeeld indien individuele bedrijfseconomische redenen motief zijn om aan de behoeften van het bedrijfsleven tegemoet te komen, en indien is aangetoond dat maatregelen onvoldoende soelaas bieden. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag een afweging moeten maken tussen de belangen van het bedrijfsleven en de belangen van de woonomgeving rond de inrichting. Onder meer kan zich deze problematiek voordoen rond laad- en losactiviteiten en in specifieke situaties waarbij extra geluidruimte moet worden geboden om de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk te maken.

Het gebruik maken van de mogelijkheid tot aanpassing van de standaardnorm vindt plaats op basis van een lokale afweging met inachtneming van bovengenoemde motieven. Voor bestaande bedrijven is een overgangsregeling opgenomen waarbij een ondergrens geldt van 40 dB(A) conform de bestaande besluiten. Als bestaand bedrijf wordt aangemerkt de voor de inwerkingtreding van dit besluit fysiek aanwezige inrichting. Vanzelfsprekend is de beoogde lokale afweging en besluitvorming gebonden aan de opgebouwde praktijk rond de benadering van het onderwerp geluid. Immers, geluid is geen nieuw aspect, maar reeds jarenlang een structureel element in de uitvoeringspraktijk van vergunningverlening, de planologie, de rechtspraak en de handhaving, in technische zin gevoed door uitvoeringsbesluiten, circulaires, richtlijnen en handreikingen.

De beslissing tot het afwijken van de standaardnorm dan wel het voorschrijven van voorzieningen, dient expliciet te worden geformaliseerd door middel van het instrument nadere eis. Van belang hierbij is dat aan de beslissing om af te wijken van de standaardnorm een afdoende akoestische motivering ten grondslag moet liggen, bij voorkeur en voorzover mogelijk ondersteund door relevante geluidmetingen. Een afwijking van de gestelde norm wordt in gevallen van bezwaar of beroep volgens de procedures krachtens de Algemene wet bestuursrecht ter toetsing voorgelegd aan de rechter.

4.1.3

Om te voorkomen dat een inrichting die betrekkelijk ver van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen is gesitueerd, geen toepassing hoeft te geven aan het ALARA-principe en daardoor onbeperkt geluid mag produceren, was in de oude 8.40-besluiten een bepaling opgenomen dat het equivalente geluidsniveau, bij afwezigheid van woningen, op een afstand van 50 meter gold. Het kunnen vaststellen van een andere waarde is mogelijk gemaakt om de geluidruimte beperkt te houden in voorkomende gevallen. Een ander bezwaar ten aanzien van de 50 m grens betrof de amvb-inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen. Voor die inrichtingen die op dergelijke terreinen ver van woningen zijn gesitueerd, moet toch een «geluidruimte» worden gereserveerd in overeenstemming met het 50 m criterium ook al maken deze inrichtingen op 50 m minder geluid. Deze geluidruimte gaat ten koste van de inrichtingen die wel een vergunning behoeven en daardoor worden gedwongen om bij nieuwe vestigingen van amvb-inrichtingen meer geluidmaatregelen te treffen. Immers, de zonegrens en de afgegeven hogere waarden mogen cumulatief niet worden overschreden.

4.1.4

Op grond van dit voorschrift kunnen eventueel te treffen akoestische voorzieningen verplicht worden gesteld of gedragsregels worden opgelegd, die nodig zijn om aan de geluidsvoorschriften van de geluidparagraaf te voldoen. Een zodanige nadere eis zou alleen gesteld moeten worden indien de lokale situatie dat noodzakelijk maakt. Het bevoegd gezag zal in overleg met het betrokken bedrijf moeten vaststellen op welke wijze en met welke middelen aan de geluidsvoorschriften kan worden voldaan.

4.1.5

Voor andere trillingsvormen kan het bevoegd gezag specifieke trillingssterkten bepalen. Hierbij gelden de streefwaarden uit de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van Stichting Bouwresearch (1993) als ondergrens.

In probleemsituaties dient gebruik te worden gemaakt van de in de richtlijn voorgeschreven methode. Deze methode geeft naar de thans beschikbare kennis, de best reproduceerbare resultaten.

Paragraaf 4.2 Energie

4.2.1 en 4.2.2

In omstandigheden of gevallen waarin een specifieke benadering en concretisering noodzakelijk blijkt, biedt voorschrift 4.2.1 de mogelijkheid aan het bevoegd gezag tot het stellen van een nadere eis. Zo'n nadere eis zal moeten beantwoorden aan algemene criteria van zorgvuldigheid (zie ook onderdeel 1.2 van het algemene deel van deze toelichting). Ter concretisering van het beoordelingsaspect «redelijkheid» is in voorschrift 4.2.2 opgenomen dat het bevoegd gezag geen nadere eisen mag stellen die strekken tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die een langere terugverdientijd hebben dan vijf jaar bij gebouwen of faciliteiten en drie jaar bij processen.

Wordt een investering verlangd, dan ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag mede aangeeft op welke termijn die maatregel of voorziening moet worden getroffen. Daarbij kan erop worden gelet dat een aansluiting plaatsvindt bij andere investeringsbeslissingen of – ritmen van het bedrijf.

Infomil stelt informatiebladen op waarin de stand der techniek met betrekking tot energiebesparing wordt beschreven. Deze bladen bevatten lijsten van maatregelen of voorzieningen die bij de concretisering van de nadere eis als leidraad kunnen dienen.

4.2.3

Op grond van de Wet energiebesparing toestellen (W.E.T.) worden in het belang van de energiebesparing regels gesteld met betrekking tot toestellen en installaties. Zo zijn er ter toepassing van EU-richtlijnen onder meer eisen gesteld ten aanzien van het energieverbruik van cv-ketels. Dergelijke eisen gelden algemeen, onafhankelijk van de plaats van het toestel of de installatie. Met betrekking tot toestellen en installaties waarvoor op grond van de W.E.T.voorschriften zijn gegeven, kunnen geen nadere eisen worden gesteld op grond van dit besluit.

Paragraaf 4.3 Afvalstoffen en afvalwater

4.3.1 en 4.3.2

Deze nadere eis-bevoegdheid is gerelateerd aan voorschrift 1.3.1. Bij het toepassen van de verplichting tot het verrichten van een onderzoek moeten de kosten en baten zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Niet tot onderzoek behoeft te worden overgegaan in die gevallen waarbij voor de hand liggende en eenvoudige maatregelen kunnen worden toegepast. De informatiebladen van Infomil bevatten daartoe relevante informatie. Het overgaan tot onderzoek zou zich moeten beperken tot die specifieke situaties waarbij onvoldoende informatie beschikbaar blijkt om tot een verantwoorde keuze te komen omtrent maatregelen of voorzieningen. Ook dient te worden bezien in hoeverre reeds beschikbaar onderzoek, zowel op bedrijfs- als op bedrijfstakniveau, aan de behoefte tegemoet komt.

In gevallen waarin dat noodzakelijk is, kunnen maatregelen in een nadere eis worden vastgelegd. Het bevoegd gezag mag geen nadere eisen stellen die strekken tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die een langere terugverdientijd hebben dan vijf jaar. Bij het bezien van de terugverdientijd moeten de kosten van het nemen van preventiemaatregelen niet uitsluitend worden afgezet tegen de kosten van het verwijderen van afvalstoffen. Preventiemaatregelen hebben immers ook betrekking op besparing van grondstoffen en andere voordelen die zich in de bedrijfsvoering kunnen voordoen.

De informatiebladen bevatten lijsten van maatregelen of voorzieningen die bij de concretisering van de nadere eis als leidraad kunnen dienen.

4.3.4 en 4.3.5

In dit besluit zijn niet voor alle denkbare activiteiten die kunnen worden uitgevoerd en tot het brengen van afvalwater in de riolering kunnen leiden, voorschriften opgenomen. Dat voorkomt, dat dit besluit een pakket aan voorschriften bevat dat voor een groot deel niet relevant zou zijn voor een gangbare inrichting. Voorzover het nodig is om aan dergelijke activiteiten specifieke eisen te stellen ter bescherming van het milieu bieden deze voorschriften daarvoor een basis.

Paragraaf 4.4 Lucht

4.4.1

De nadere eis is bedoeld als eventueel noodzakelijke aanvulling op de reeds gegeven mogelijkheden tot onderzoek naar dampdoorlaatbaarheid van de bouwkundige scheidingsconstructies in artikel 6, zesde lid, en metingen volgens de voorschriften in hoofdstuk 2 van het besluit. Hoewel in beginsel op basis daarvan aangenomen moet worden dat in de regel voldoende informatie beschikbaar is om tot een goede beoordeling te komen, is het niet ondenkbaar dat alsnog de behoefte bestaat aan nader onderzoek naar verspreiding van dampen en eventuele maatregelen.

Paragraaf 4.5 Verlichting

4.5.1

Maatregelen met betrekking tot de lichtbron kunnen door middel van een nadere eis nader worden gedetailleerd.

Paragraaf 4.6 Waterbesparing

4.6.1 en 4.6.2

In omstandigheden of gevallen waarin een specifieke benadering en concretisering noodzakelijk blijkt, biedt voorschrift 4.6.1 de mogelijkheid aan het bevoegd gezag tot het stellen van een nadere eis. Zo'n nadere eis zal moeten beantwoorden aan algemene criteria (zie ook onderdeel 1.2 van het algemene deel van deze toelichting). Ter concretisering van het beoordelingsaspect «redelijkheid» is in voorschrift 4.6.2 opgenomen dat het bevoegd gezag geen nadere eisen mag stellen die strekken tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die een langere terugverdientijd hebben dan vijf jaar. Wordt een investering verlangd, dan ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag mede aangeeft op welke termijn die maatregel of voorziening moet worden getroffen. Daarbij kan erop worden gelet dat een aansluiting plaatsvindt bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf.

4. TOELICHTING BIJLAGE 2 (MEETVOORSCHRIFTEN)

Om een bedrijf aan te kunnen laten tonen dat de gestelde norm niet wordt overschreden is het noodzakelijk te beschikken over betrouwbare meetmethoden. De in bijlage 2 opgenomen methoden zijn daarbij het uitgangspunt. Het is niet ondenkbaar dat in de toekomst aanvullende meetmethoden beschikbaar komen. Indien relevant zal hiervan mededeling worden gedaan, dan wel dit worden geïncorporeerd in de meetvoorschriften van bijlage 2.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

BIJLAGE BEHORENDE BIJ DE NOTA VAN TOELICHTING OP HET BESLUIT TEXTIELREINIGINGSBEDRIJVEN MILIEUBEHEER

Naar aanleiding van de publicatie van het ontwerp-besluit in Staatscourant 135 van 21 juli 1998, hebben de navolgende instanties en personen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun opmerkingen aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter kennis te brengen:

1. Gemeente Etten-Leur

2. Kanters Adviesgroep te Vlaardingen

3. Gemeente Amsterdam

4. Milieudienst Midden-Holland te Gouda

5. Gastec te Apeldoorn

6. DCMR Milieudienst Rijnmond te Schiedam

7. Samenwerkingsverband Milieu Leidse Regio te Leiden

8. Stichting Greenpeace te Amsterdam

9. InfoMil te Den Haag

10. Netex te Ophemert


XNoot
1

Stb. 2000, 262.

XNoot
2

Stb. 2000, 278.

XNoot
3

Stb. 2000, 334.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 april 2001, nr. 71.

Naar boven