Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op een bijzonder militair invaliditeitspensioen vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op bijzonder militair nabestaandenpensioen (Besluit bijzondere militaire pensioenen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 februari 1999, nr. P/99000777;

Gelet op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen;

De Raad van State gehoord (advies van 27 april 1999, No. W07.99.0081/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 1 februari 2001, nr. P/2001000558;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf  Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Besluit AO/IV: het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen;

b. militair, berekeningsgrondslag: hetgeen in het Besluit AO/IV onder die begrippen wordt verstaan;

c. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

d. nabestaande, partner, wees: hetgeen in het pensioenreglement onder die begrippen wordt verstaan;

e. invaliditeit met dienstverband: invaliditeit als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV;

f. AOW: de Algemene Ouderdomswet;

g. Anw: de Algemene nabestaandenwet;

h. AOW-pensioen: het tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen ingevolge de AOW dat de rechthebbende naast zijn pensioen ingevolge dit besluit geniet, in relatie tot het invaliditeitspensioen inclusief het AOW-pensioen van zijn partner en in relatie tot het partnerpensioen tot ten hoogste het AOW-pensioen voor een ongehuwde;

i. Anw-uitkering: de tot een jaarbedrag herleide en met de vakantie-uitkering verhoogde uitkering ingevolge de Anw die een rechthebbende naast zijn pensioen ingevolge dit besluit geniet.

Paragraaf 2 Aanspraken op eigen pensioen

Artikel 2 Het invaliditeitspensioen

  • 1. De militair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft uit hoofde van de dienstverhouding waarin die invaliditeit is ontstaan vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt recht op een invaliditeitspensioen.

  • 2. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen is gelijk aan zoveel procent van de bij de betreffende dienstverhouding behorende berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband op het in dat lid bedoelde moment bedraagt, verminderd met hetzelfde percentage van het AOW-pensioen van de rechthebbende.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde invaliditeitspensioen wordt uitbetaald voor zolang en voor zover het bedrag daarvan de som van het krachtens het pensioenreglement bij dezelfde dienstverhouding behorende ouderdomspensioen, de daar eventueel van af te leiden bijzondere ouderdomspensioenen en de op die pensioenen te verlenen toeslagen overschrijdt.

  • 4. De berekeningsgrondslag voor het invaliditeitspensioen bedraagt niet minder dan f 37 538,54.

Artikel 3 De bijzondere invaliditeitsverhoging

  • 1. De militair met een recht op invaliditeitspensioen heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:

    a. 40 procent van de in artikel 2 bedoelde berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit waaraan dat recht op pensioen wordt ontleend 100 procent bedraagt,

    b. 30 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 80 maar minder dan 100 procent bedraagt,

    c. 20 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 60 maar minder dan 80 procent bedraagt,

    d. 10 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 40 maar minder dan 60 procent bedraagt,

    e. 5 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 20 maar minder dan 40 procent bedraagt.

  • 2. Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:

    a. het verlies van een van de ledematen,

    b. een belangrijke misvorming van het gelaat, welke door hulpmiddelen niet voldoende is te verbergen, zodat de rechthebbende de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt,

    c. onbruikbaarheid van een van de ledematen dan wel uit een toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,

    d. een zodanige vermindering van de beweeglijkheid of bruikbaarheid van twee of meer ledematen, dat de toestand van de rechthebbende is gelijk te stellen met die, bedoeld onder c, of

    e. een zodanige beperking van het gezichtsvermogen, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen,

    bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 30 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

  • 3. Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:

    a. het verlies van twee of meer ledematen,

    b. het totale verlies van het gezichtsvermogen in beide ogen dan wel uit een toestand, welke met blindheid is gelijk te stellen, of

    c. onbruikbaarheid van twee of meer ledematen dan wel uit een toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,

    bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

  • 4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden handen en voeten onder ledematen begrepen.

    5. Indien de invaliditeit met dienstverband bestaat uit meerdere van de in het tweede en derde lid omschreven omstandigheden, bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

Artikel 4 Garantiepensioen

  • 1. Het invaliditeitspensioen voor de ter zake van ziekten of gebreken ontslagen dienstplichtige of reservist die als zodanig een diensttijd van vijf of meer jaren kan aanwijzen die, waren zij als beroepsmilitair doorgebracht of als gewezen beroepsmilitair in verband met arbeidsongeschiktheid opgebouwd, zouden zijn vergolden met een ouderdomspensioen in de zin van het pensioenreglement, bedraagt niet minder dan dat ouderdomspensioen, vastgesteld met gebruikmaking van de berekeningsgrondslag voor dat invaliditeitspensioen en overigens naar de normen en voorwaarden van dat reglement.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder diensttijd verstaan:

    a. het totaal van de werkelijke militaire dienst en

    b. de diensttijd die voor de beroepsmilitair aan het genot van de in artikel 10 van het besluit AO/IV bedoelde arbeidsongeschiktheidsverhoging zou zijn verbonden.

  • 3. Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde garantiepensioen wordt van de daar bedoelde tijd het deel dat kan worden vergolden met een ander pensioen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 5 Uitkering bij overlijden

  • 1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de rechthebbende op invaliditeitspensioen wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen, zoals dat na toepassing van artikel 3 en met voorbijgaan aan artikel 2, derde lid, over een tijdvak van twee maanden op het overlijdensmoment kan worden vastgesteld. De uitkering bij overlijden op het in artikel 2, derde lid, bedoelde ouderdomspensioen en de daarop te verlenen toeslagen wordt op het gevonden bedrag in mindering gebracht.

  • 2. Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid komt de overlijdensuitkering toe aan de wezen die ingevolge dit besluit aan het overlijden recht op wezenpensioen kunnen ontlenen.

  • 3. Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het eerste lid, als van wezen, bedoeld in het tweede lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene kostwinner was van de genoemde betrekkingen.

  • 4. Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als bedoeld in de voorgaande leden, kan het bedrag van de overlijdensuitkering geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

  • 5. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gepensioneerde.

Paragraaf 3 De aanspraken op nabestaandenpensioen

Artikel 6 Het recht op voortdurend partner- of wezenpensioen

  • 1. De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit AO/IP, de nabestaanden van een rechthebbende op invaliditeitspensioen krachtens dit besluit of krachtens de artikelen 7 of 11 van het besluit AO/IV of van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben te rekenen van de dag volgende op diens overlijden recht op partner- of wezenpensioen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2 bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld,

    a. naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 100 procent indien er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken die tot het recht op invaliditeitspensioen hebben of zouden hebben geleid, of

    b. naar de mate van invaliditeit met dienstverband die op het overlijdensmoment bestond indien het onder a bedoelde verband niet aannemelijk moet worden geacht.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zolang niets anders vaststaat, vermissing in de uitoefening van de militaire dienst of tengevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan, gelijkgesteld met een overlijden als bedoeld in het tweede lid, onder a, en vermissing onder andere omstandigheden gelijkgesteld met een overlijden als bedoeld in het tweede lid, onder b.

  • 4. Het recht op pensioen ingevolge dit artikel wordt tot het in artikel 7, derde lid, onder b, bedoelde moment opgeschort indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge dat artikel recht heeft op een hoger pensioen.

Artikel 7 Het recht op tijdelijk verhoogd partner- of wezenpensioen

  • 1. De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV, de nabestaanden van een rechthebbende op verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge artikel 3, vijfde lid, van dat besluit of van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben, indien diens overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, te rekenen van de dag volgende op dat overlijden recht op tijdelijk partner- of wezenpensioen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde tijdelijke pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2 bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld.

  • 3. Het recht op pensioen ingevolge dit artikel vervalt:

    a. indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge artikel 6 recht heeft op een hoger pensioen en

    b. met ingang van de maand waarin de militair aan wiens overlijden het wordt ontleend de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt.

Artikel 8 Onderzoek naar toepasselijkheid

  • 1. De vraag of er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV en de vraag of het overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van dat besluit, worden beantwoord met inachtneming van de resultaten van een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van die verwonding, ziekten of gebreken. Onze Minister regelt de voor dat onderzoek geldende procedure.

  • 2. Indien ter zake van hetzelfde overlijden voor dezelfde nabestaande recht bestaat op meerdere militaire pensioenen, kunnen de in het eerste lid bedoelde vragen uitsluitend positief worden beantwoord voor dat pensioen dat is gekoppeld aan de periode van werkelijke dienst waarin de daar bedoelde verwonding, ziekten of gebreken zijn ontstaan.

  • 3. Indien er op het moment van overlijden een invaliditeit met dienstverband bestond van ten minste 60 procent, wordt die invaliditeit, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond, beschouwd als oorzaak van het overlijden.

  • 4. Een nog bij leven van de militair aangevangen onderzoek naar de mate van zijn invaliditeit met dienstverband leidt niet tot een lager percentage dan het laatstelijk voor hem vastgestelde.

  • 5. Indien er naar het oordeel van de nabestaanden op het moment van overlijden sprake was van een op een te laag niveau vastgestelde mate van invaliditeit met dienstverband, richt het in het eerste lid bedoelde onderzoek zich mede op de aannemelijkheid van die stellingname. Het vierde lid is op de uitkomst van dat deel van het onderzoek van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De nabestaanden van de militair, bij wie op het moment van overlijden geen invaliditeit met dienstverband was vastgesteld, kunnen, tenzij een eerder verzoek van de desbetreffende militair om tot een dergelijke vaststelling te komen is afgewezen, alsnog om de vaststelling daarvan verzoeken.

Artikel 9 Het bedrag van het partnerpensioen

  • 1. Het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen bedragen vijf zevende gedeelten van het invaliditeitspensioen, zoals dat ingevolge de artikelen 6, 7 en 8 kan worden vastgesteld.

  • 2. Op het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen wordt zoveel procent van de Anw-uitkering of het AOW-pensioen van de rechthebbende in mindering gebracht als de te hanteren mate van invalidteit met dienstverband beloopt.

  • 3. Het partnerpensioen en de korting, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bij een volgend huwelijk van de rechthebbende of een volgende aanmerking als partner in de zin van het pensioenreglement, te rekenen van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat huwelijk of die aanmerking heeft plaatsgevonden, blijvend nader vastgesteld. Die nadere vaststelling vindt plaats door vermenigvuldiging van het pensioenbedrag met een breuk waarvan de teller, tot een minimum van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd die de militair op grond van de betrekking waarin zijn invaliditeit met dienstverband is ontstaan op het moment van zijn overlijden krachtens het pensioenreglement kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan 40. Het tijdelijk partnerpensioen vervalt op de bedoelde dag.

  • 4. Tenzij zijn pensioen met toepassing van het vorige lid nader is vastgesteld, heeft de rechthebbende op een partnerpensioen of een tijdelijk partnerpensioen tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van het ingevolge het eerste, tweede en derde lid gevonden pensioenbedrag. Deze toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 72 309,80 en behoort voor de verdere toepassing van dit besluit tot het partnerpensioen of het tijdelijk partnerpensioen.

  • 5. Het partnerpensioen en het tijdelijk partnerpensioen worden uitbetaald voor zolang en voor zover met die pensioenen de som van de krachtens het pensioenreglement aan dezelfde militaire dienstverhouding te ontlenen partner- en bijzondere partnerpensioenen, inclusief de daarop verleende toeslagen, wordt overschreden.

Artikel 10 Het bedrag van het wezenpensioen

  • 1. Het wezenpensioen en het tijdelijk wezenpensioen bedragen van het in artikel 9, eerste lid, bedoelde invaliditeitspensioen:

    a. indien aan hetzelfde overlijden door de verzorger van de wees recht op een partnerpensioen of tijdelijk partnerpensioen, dan wel recht op een bijzonder partnerpensioen ingevolge dit besluit of het pensioenreglement wordt ontleend, een zevende gedeelte en,

    b. in alle andere gevallen, twee zevende gedeelten.

  • 2. Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen of tijdelijke wezenpensioenen gaat een bedrag, gelijk aan vijf zevende gedeelten van het pensioen waarvan zij zijn afgeleid niet te boven.

  • 3. Indien wegens toepassing van het vorige lid de wezenpensioenen of tijdelijke wezenpensioenen een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid naar de omvang van de onverminderde bedragen daarvan.

  • 4. Op de krachtens de voorgaande leden toe te kennen wezenpensioenen of tijdelijke wezenpensioenen wordt zoveel procent van de Anw-uitkering van de rechthebbende in mindering gebracht als de te hanteren mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.

  • 5. De rechthebbende op een wezenpensioen of tijdelijk wezenpensioen heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 15 jaar bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van zijn krachtens de voorgaande leden vastgesteld pensioen. Deze toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 72 309,80 en behoort voor de verdere toepassing van dit besluit tot het wezenpensioen.

  • 6. Het wezenpensioen en het tijdelijk wezenpensioen worden uitbetaald voor zolang en voor zover met die pensioenen het krachtens het pensioenreglement aan dezelfde militaire dienstverhouding te ontlenen wezenpensioen, inclusief de daarop verleende toeslagen, wordt overschreden.

Artikel 11 Garantiepensioen voor nabestaanden

Voor de nabestaanden van de dienstplichtige of reservist bedragen de in de artikelen 9 en 10 bedoelde pensioenen niet minder dat het nabestaandenpensioen dat zou kunnen worden vastgesteld indien dat met gebruikmaking van de geldende berekeningsbreuk rechtstreeks werd afgeleid van het in artikel 4 bedoelde garantiepensioen.

Paragraaf 4 Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 12 Indexering

  • 1. De berekeningsgrondslagen worden overeenkomstig hoofdstuk 12 van het pensioenreglement aangepast aan de algemene bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel. De invaliditeitspensioenen, bijzondere invaliditeitsverhogingen en de van de invaliditeitspensioenen af te leiden nabestaandenpensioenen worden aan de hand van die aangepaste berekeningsgrondslagen nader vastgesteld.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, bedoeld in artikel 2, vierde lid, artikel 9, vierde lid, en artikel 10, vijfde lid.

  • 3. Indien de bedragen aan AOW-pensioen of Anw-uitkering worden gewijzigd als gevolg van een wijziging van het netto-minimumloon, zoals voorzien in artikel 9 van de AOW en de artikelen 17, 25, 29 en 31 van de Anw, worden de kortingen die van dat pensioen of die uitkering afhankelijk zijn aan de gewijzigde bedragen aangepast.

Artikel 13 Toekenning

  • 1. De pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen worden toegekend op aanvraag van de belanghebbende en worden op een jaarbedrag vastgesteld.

  • 2. De pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat.

  • 3. In afwijking van het tweede lid gaat een pensioen, een verhoging of een toeslag waarvoor de aanvraag niet tijdig bij Onze Minister is binnengekomen niet eerder in dan een jaar voor de dag van binnenkomst van die aanvraag.

  • 4. In afwijking van het tweede lid bepaalt Onze Minister de ingangsdatum van een nabestaandenpensioen bij vermissing.

  • 5. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van bedragen die overeenkomstig artikel 12 en de daaraan voorafgaande vergelijkbare regels zijn gebracht op het niveau van het moment van toekenning.

Artikel 14 Einde

  • 1. De pensioenen en pensioenverhogingen eindigen met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid eindigen het invaliditeitspensioen en de bijzondere invaliditeitsverhoging bij vermissing op een door Onze Minister te bepalen dag.

  • 3. Indien degene aan wiens vermissing het wordt ontleend in leven blijkt te zijn, eindigt het op grond daarvan toegekende nabestaandenpensioen met ingang van een door Onze Minister te bepalen dag. Op grond van het tweede lid vervallen pensioenen of verhogingen worden met ingang van die dag opnieuw toegekend.

  • 4. Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin:

    a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of, voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd in het huwelijk is getreden dan wel partij is geworden bij de aanmerking van een partner dan wel als partner is geregistreerd in de zin van het pensioenreglement;

    b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen in de zin van dit besluit of bijzonder partnerpensioen in de zin van het pensioenreglement ontleent.

  • 5. Het recht op een toeslag vervalt vanaf het moment dat niet meer aan de voorwaarden voor de toekenning daarvan wordt voldaan.

Artikel 15 Betaling

De betaling van de pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen geschiedt in maandelijkse termijnen.

Paragraaf 5 Overgangsbepalingen

Artikel 16

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op de gewezen militair en diens nabestaanden voor zolang recht op een vergelijkbaar pensioen kan worden ontleend aan de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet, genoemd in artikel A 1, onder j, van die wet, het Nabestaandenreglement militairen of het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen.

  • 2. Vanaf de dag waarop het in het eerste lid bedoelde recht in verband met de intrekking van de desbetreffende bepalingen vervalt, wordt aan de gewezen militair of diens nabestaanden een pensioen krachtens dit besluit toegekend. Daarbij wordt:

    1e gebruik gemaakt van de mate van invaliditeit met dienstverband zoals die laatstelijk onder de werking van de in het eerste lid bedoelde wetten en regelingen is of had kunnen worden vastgesteld;

    2e als berekeningsgrondslag aangemerkt de pensioen- of berekeningsgrondslag die onder de werking van de in het eerste lid bedoelde wetten en regelingen laatstelijk is of zou zijn gehanteerd voor de vaststelling van een invaliditeitsverhoging of invaliditeitspensioen, dan wel partner- of wezenpensioen;

    3e artikel 8 van dit besluit toegepast met gebruikmaking van de beslissingen die krachtens vergelijkbare voorschriften uit de in het eerste lid bedoelde wetten en regelingen zijn genomen.

Artikel 17

In afwijking van dit besluit wordt:

1e invaliditeit met dienstverband vastgesteld naar de inhoud van artikel E 11 van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die voor 1 januari 1998 gold, indien de verwonding, ziekten of gebreken waaraan een recht op invaliditeitspensioen of een recht op nabestaandenpensioen kan worden ontleend voor 1 januari 1998 zijn ontstaan;

2e Indien het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend aan een met een voor 1 januari 1986 liggend ontslag afgesloten periode van militaire dienst, de in artikel III, onderdeel B, van de Wet invoering franchisesysteem militaire pensioenen bedoelde rechten daaronder begrepen, de in artikel 2, tweede lid, bedoelde korting vastgesteld op zoveel maal 0,8 procent als de mate van invaliditeit met dienstverband beloopt, of, indien tevens recht bestaat op een aan dezelfde militaire dienstverhouding te ontlenen ouderdomspensioen ingevolge het pensioenreglement en dat in totaliteit tot een hoger percentage leidt, voor elk vol jaar van de voor de berekening van dat ouderdomspensioen in aanmerking te nemen diensttijd 2 procent en voor elke resterende maand daarvan 1/6 procent;

3e op aanvraag van de rechthebbende bij de vaststelling van de onder 2e bedoelde korting dat deel van het AOW-pensioen buiten beschouwing gelaten waarop recht is verkregen door vrijwillige premiebetaling in de zin van die wet;

4e op aanvraag van de rechthebbende bij de vaststelling van de onder 2e bedoelde korting eveneens dat deel van het AOW-pensioen buiten beschouwing gelaten dat in mindering wordt gebracht of geacht kan worden in mindering te worden gebracht op een ander pensioen, niet zijnde het onder 2e bedoelde ouderdomspensioen;

5e indien het recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging wordt ontleend aan een met een voor 1 januari 1998 liggend ontslag afgesloten periode van militaire dienst, dat recht uitsluitend getoets aan de inhoud van de artikelen E 8, E 9, F 8 en F 9 van de Algemene militaire pensioenwet of de daarmee vergelijkbare artikelen in een vroegere militaire pensioenwet, bedoeld in artikel A 1, onder j, van die wet, zoals die artikelen laatstelijk voor intrekking hebben geluid;

6e indien het recht op partner- of wezenpensioen wordt ontleend aan invaliditeit die is ontstaan in een voor 1 januari 1986 met ontslag beëindigd dienstverband, of aan een overlijden in actieve dienst voor die datum, de in artikel 9, tweede lid, en 10, vierde lid, omschreven kortingen vastgesteld zoals hiervoor onder 2e, 3e en 4e bedoeld, met dien verstande dat daar waar het recht op pensioen wordt ontleend aan een overlijden tussen 31 december 1965 en 1 januari 1996 het aan invaliditeit met dienstverband te relateren kortingspercentage, voor de onder 2e bedoelde afweging, tot een maximum van 80 wordt vastgesteld op tien zevende gedeelten daarvan;

7e het recht op tijdelijk nabestaandenpensioen uitsluitend verleend indien de militair na 31 december 1997 is overleden;

8e de toepassing van de artikelen 4 en 11 uitsluitend gereserveerd voor situaties waarin de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op pensioen kan worden ontleend na 31 december 1997 is ontstaan, tenzij op die datum recht bestond op een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c, van de Algemene militaire pensioenwet, zoals dat artikel op dat moment luidde, dan wel een naar diensttijd berekend pensioen ter zake van ziekten of gebreken krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van artikel A 1, onder j, van die wet;

9e indien de artikelen 4 en 11 worden toegepast op grond van de onder 8e bedoelde uitzondering, gerekend met de diensttijd die voor de vaststelling van het daar bedoelde recht in aanmerking werd genomen;

10e indien de belanghebbende op de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt uitsluitend recht heeft op het pensioen, bedoeld in artikel 19, onder 5e, van het Besluit AO/IV, dat pensioen tot hetzelfde bedrag toegekend, waarbij het voor de korting, bedoeld in artikel 2, tweede lid, alsmede de toepassing van het onder 2e, 3e en 4e gestelde, geacht wordt te zijn berekend naar 4 voor 1 januari 1986 liggende dienstjaren en het in verband met de toepassing van artikel 12 geacht wordt te zijn berekend naar de in artikel 2, vierde lid, bedoelde minimumpensioengrondslag;

11e bij overlijden van een onder 10e bedoelde pensioengerechtigde zijn pensioen beschouwd als het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, waarbij voor de vaststelling van de korting, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en artikel 10, vierde lid, wordt gehandeld overeenkomstig het onder 2e, 3e en 4e gestelde.

Artikel 18

  • 1. Op de op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit ten laste van Onze Minister komende wettelijke nabestaandenpensioenen die niet direct zijn afgeleid van een pensioen- of berekeningsgrondslag, van een naar invaliditeit met dienstverband of naar diensttijd berekend pensioen, dan wel van een pensioen, als bedoeld in artikel 17, onder 10e, blijven voor de verdere looptijd daarvan de bepalingen van toepassing die dat pensioen op die datum beheersten.

  • 2. Een bijzonder partnerpensioen dat op grond van artikel 22, vierde lid, van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen ten laste van Onze Minister komt, wordt, zodra dat artikel is ingetrokken, voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een bijzonder partnerpensioen in de zin van het pensioenreglement. Het betreffende pensioen wordt voor de verdere looptijd daarvan geacht te zijn toegekend op grond van dit besluit. De inhoud van artikel H 3 van de Algemene militaire pensioenwet, zoals dat op 31 december 1995 luidde, blijft op dat bijzondere nabestaandenpensioen van toepassing. De in artikel 9, tweede lid, bedoelde korting wordt vervangen door de krachtens dat vierde lid vast te stellen korting.

  • 3. Een weduwenpensioen, toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet, zoals genoemd in artikel A 1, onder j, van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die wet voor intrekking luidde, waarvan het recht op uitbetaling is vervallen in verband met een volgend huwelijk en dat bij toepassing van de voormalige artikelen Y 14a van de Algemene militaire pensioenwet of 22, zesde lid van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen ten laste van Onze Minister zou zijn gekomen en bij de vaststelling waarvan invaliditeit met dienstverband een rol speelt, kan op aanvraag van de weduwe opnieuw worden toegekend naar de bepalingen van dit besluit. Artikel 8, vierde lid, is op dat pensioen van toepassing.

Artikel 19

In afwijking van artikel 2, eerste lid, wordt het invaliditeitspensioen dat wordt ontleend aan een periode van werkelijke dienst die voor 1 januari 1966 met een ontslag is beëindigd berekend naar de mate van invaliditeit met dienstverband die voor de betrokkene laatstelijk is vastgesteld. Op aanvraag van de belanghebbende vindt herkeuring plaats naar de in het Besluit AO/IV daaromtrent gegeven regels. De uitslag van die herkeuring leidt niet tot een lager invaliditeitspercentage dan het percentage waarnaar het pensioen op het moment van indienen van het verzoek wordt berekend. De invaliditeitspercentages worden daarbij naar boven afgerond op veelvouden van 10. Het invaliditeitspensioen en de bijzondere invaliditeitsverhoging worden met ingang van de dag waarop de aanvraag om herkeuring is ontvangen zo nodig aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 20

Indien een lopend invaliditeits- of nabestaandenpensioen krachtens een vroegere regeling is omgezet naar een vergelijkbaar pensioen ingevolge dit besluit, en dat pensioen, verhoogd met het pensioen waarop in verband met dezelfde dienstverhouding ingevolge het pensioenreglement recht bestaat, een lager bruto totaalbedrag oplevert dan dat waarop voor die omzetting recht bestond, heeft de belanghebbende recht op een toeslag ten bedrage van het verschil. De betreffende toeslag behoort voor de toepassing van de artikelen 5 en 12 tot het pensioen.

Paragraaf 6 Andere voorzieningen in verband met de invaliditeit met dienstverband

Artikel 21 Voorzieningen en verstrekkingen

In aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels, kan Onze Minister ten behoeve van de krachtens dit besluit gepensioneerde militair, die lijdt aan een ziekte of gebrek waarvoor in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV, verband met de uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, nadere en zonodig afwijkende regels stellen op grond waarvan genoemde gepensioneerde militairen in aanmerking kunnen worden gebracht voor, naar het oordeel van Onze Minister, noodzakelijke voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden en geneeskundige verstrekkingen. De door Onze Minister krachtens dit artikel te stellen regels mogen niet afwijken ten nadele van de belanghebbenden.

Paragraaf 7 Slotbepalingen

Artikel 22 Bijzondere gevallen

Onze Minister is bevoegd om in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van dit besluit tot een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van dit besluit overeenkomt.

Artikel 23 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 24 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere militaire pensioenen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 6 februari 2001

Beatrix

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de negenentwintigste maart 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit steunt op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen (Stb. 2001, 37). Het vervangt voor alle groepen gewezen militairen en hun nabestaanden de in de voormalige Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet), de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Amp-wet, het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen en het Nabestaandenreglement militairen vastliggende rechten op een als gevolg van invaliditeit- of arbeidsongeschiktheid met dienstverband boven de algemeen gebruikelijke rechten uitstijgend invaliditeits- of nabestaandenpensioen. In de memorie van toelichting op de genoemde kaderwet is aangegeven waarom het tot stand moest komen, welke plaats het in een vernieuwd militair pensioenstelsel inneemt en waarom het zich beperkt tot de inkomenspositie van de geïnvalideerde militair na zijn 65e levensjaar en zijn nabestaanden. Voor een nadere toelichting op die punten wordt ter bekorting naar dat stuk verwezen.

Het besluit heeft handhaving van de status-quo als uitgangspunt. Aan de rechten die terzake op de ingangsdatum ervan aan het bestaande regelgevingscomplex konden worden ontleend is niets wezenlijks toegevoegd of afgedaan. Waar de terminologie afwijkt van de tot dusverre in de regels gehanteerde is dat gedaan omdat het besluit open moet staan voor alle groepen gewezen militairen en hun nabestaanden die in het verleden in verband met een ontslag of overlijden ter zake van ziekten of gebreken met dienstverband aan de regelgeving enig recht op pensioen konden ontlenen. Ter bekorting wordt voor een nadere toelichting op de in het vervolg uniform te gebruiken termen verwezen naar het algemeen gedeelte van de nota van toelichting op het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.

Dat in het Sectoroverleg Defensie met de daar vertegenwoordigde Centrales van Overheidspersoneel is overeengekomen voor dit besluit thans niet veel verder te gaan dan vastlegging van de status-quo, heeft te maken met de omvang van het totale omvormingstraject. Die omvang moge blijken uit de tranponeringstabel die als bijlage bij deze nota van toelichting is gevoegd. Een wat verdergaande modernisering, met name wordt dan gedacht aan de in de besluiten opgenomen regeling voor een bijzondere invaliditeitsverhoging en ook wel de actualiteit van de medische tabel die voor de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband bij defensie in gebruik is, ziet de ondergetekende als eerste aandachtspunt voor het na de totstandkoming van het nieuwe stelsel voort te zetten overleg.

Het besluit vernieuwt wel op een drietal andere punten. In de eerste plaats biedt het zelfstandige pensioenaanspraken die worden uitbetaald voor zover de einduitkomst die van een gelijktijdig recht krachtens het pensioenreglement overschrijdt. Omdat de regels waarlangs rekening wordt gehouden met het gelijktijdig genot van AOW-pensioen of een Anw-uitkering voor de invaliditeits- en bijzondere nabestaandenpensioenen inmiddels sterk zijn gaan verschillen van die voor het naar diensttijd te berekenen reguliere ouderdoms- of nabestaandenpensioen, maakt het systeem die afweging nadat de betreffende regels zijn toegepast. Bij het ouderdoms- en gewone nabestaandenpensioen is dat het sinds 1995 in de pensioenwetgeving neergelegde systeem van korting via een van de burgerlijke staat onafhankelijke franchise en bij de invaliditeits- en bijzondere nabestaandenpensioen een kortings- of anticumulatiesysteem dat, gezien het karakter van die pensioenen, aan de hand van het uitgangspunt, de mate van invaliditeit met dienstverband, rechtsreeks kort met de bedragen die men feitelijk aan algemeen pensioen geniet. De tweede vernieuwing ligt in de introductie van dat uniform werkende kortings- of anticumulatiesysteem. Het voormalige stelsel kende meerdere kortingssystemen. Voor grote groepen invaliditeitsgepensioneerden en nabestaanden geldt nog steeds het oorspronkelijke inbouwstelsel. Voor dienstplichtigen en reservisten heeft zich daarnaast een franchisestelsel ontwikkeld dat rekening houdt met de burgerlijke staat. Voor de beroepsmilitairen en hun nabestaanden bestaat er naast inbouw een kortingssyteem. Het besluit heeft die mogelijkheden teruggebracht tot een uniform werkende methode van anticumuleren en doet dat via het overgangsrecht zodanig dat de oorspronkelijke einduitkomst opnieuw wordt gehaald. In het verlengde van die anticumulatiemethode ligt de derde vernieuwing. Het voormalige stelsel hield ingevolge artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet (Anw) voor het bepalen van de korting op een nabestaandenpensioen nog rekening met de regels uit de vroegere Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Omdat de Anw strengere toelatings- en berekeningscriteria hanteert dan die AWW was er aanleiding om in bepaalde gevallen de vastgestelde korting via een speciaal daartoe in het Nabestaandenreglement militairen en het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaanden pensioen opgenomen reparatie-artikel weer teniet te doen. Een kortings- of anticumulatiesysteem als voorgesteld, werkend met de bedragen aan algemeen pensioen die men feitelijk geniet, maakt een dergelijke omweg overbodig. De bedoelde vernieuwingen hebben overigens voornamelijk een technische achtergrond, werken sterk vereenvoudigend en leveren de gepensioneerden geen nadelen op.

Waar het besluit voorzieningen kent voor het dienstplichtig personeel hebben die in de eerste plaats tot doel de in het verleden ontstane rechten op eigen- of nabestaandenpensioen van een nieuwe basis te voorzien. Sinds de afschaffing van de opkomstplicht gaat het daarbij om een pensioenbestand in afbouw. Omdat de dienstplicht als zodanig is blijven bestaan worden ondanks dat de betreffende regels ook voor de toekomst gehandhaafd.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1

Dit besluit bouwt in beginsel voort op wat in het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen is geregeld. Het is genomen ten behoeve van dezelfde doelgroep en gaat voor de vaststelling van de kern van de zaak, de aanwezigheid van invaliditeit met dienstverband, uit van dezelfde criteria.

Artikel 2

Waar invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft een betrokkene, aansluitend op zijn recht op invaliditeitspensioen ingevolge het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, recht op een invaliditeitspensioen. Dat invaliditeitspensioen bedraagt zoveel procent van de berekeningsgrondslag als de invaliditeit met dienstverband beloopt die bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd aanwezig was. Op dat pensioen wordt een gelijk percentage van het algemeen pensioen dat de betrokkene en zijn eventuele partner genieten in mindering gebracht. Het pensioen wordt tenslotte uitbetaald voor zover en zolang het de aanspraak op het aan dezelfde dienstverhouding te ontlenen en naar diensttijd te berekenen ouderdomspensioen overschrijdt. De bestaande minimumberekeningsgrondslag keert daarbij in de regels terug. Het betreffende minimum wordt thans als vast bedrag genoemd in artikel F 10a van de Algemene militaire pensioenwet en wordt via hoofdstuk L van die wet in de tijd aangepast aan de gemiddelde loonontwikkeling van het overheidspersoneel. In het nieuwe recht is dat niet anders.

Artikel 3

De situaties waarin er sprake kan zijn van een bijzondere invaliditeitsverhoging of smartengeld en de niveaus daarvan zijn uit de voormalige Amp-wet en de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Amp-wet overgenomen.

Artikel 4

Het hier bedoelde garantiepensioen werd ingevoerd bij de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW). Het biedt bij een diensttijd van vijf jaren of meer ook de dienstplichtige of reservist recht op een naar diensttijd berekend ouderdomspensioen. Dat pensioen is in dit besluit geregeld omdat het pensioenreglement, bij het ontbreken van enige premieplicht, de betreffende voorziening niet kan bieden.

Artikel 5

Het recht op een uitkering bij overlijden is uit de voormalige pensioenwetgeving overgenomen. Zowel het niveau ervan als de groep mogelijke rechthebbenden is identiek.

Artikel 6

Dit artikel biedt het recht op voortdurend nabestaandenpensioen indien het overlijden rechtstreeks verband houdt met de militaire dienst onder oorlogs- of daarmee vergelijkbare omstandigheden en indien de militair recht had op een naar zijn mate van invaliditeit met dienstverband berekend invaliditeitspensioen maar door andere oorzaken is overleden. In het tweede lid is het ook tot dusverre bestaande verschil in berekening uiteengezet. Het derde lid handhaaft de ook vroeger geldende regels bij vermissing. Het vierde lid schort de rechten tijdelijk op indien mocht blijken dat dezelfde nabestaande eveneens aanspraak heeft op een hoger tijdelijk pensioen.

Artikel 7

In dit artikel is het recht op tijdelijk pensioen vastgelegd. Dat recht ontstaat indien het overlijden in overwegende mate verband houdt met de bij de militair geconstateerde arbeidsongeschiktheid met dienstverband. Het pensioen wordt dan, tot het moment waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, berekend naar een veronderstelde mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent. De betreffende rechten zijn ook in het oude recht betrekkelijk nieuw. Zij zijn per 1 januari 1998 ingevoerd als gevolg van de stelselwijziging krachtens de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. De betreffende rechten bestaan dan ook alleen indien het overlijden van de pensioengever na 31 december 1997 heeft plaatsgevonden.

Artikel 8

Voor de bepaling van het niveau van de aanspraak op nabestaandenpensioen is het noodzakelijk om vast te stellen of er van een relatie tussen de arbeidsongeschiktheid of de invaliditeit en het overlijden sprake kan zijn geweest. De regels die in dat verband in dit artikel zijn neergelegd zijn rechtstreeks overgenomen uit het voormalige Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen.

Artikel 9

Het partnerpensioen wordt vanouds vastgesteld op vijf zevende gedeelten van de ingevolge de artikelen 6, 7 en 8 vast te stellen berekeningsbasis. Op het langs die weg gevonden bedrag wordt zoveel procent van de Anw-uitkering of het AOW-pensioen in mindering gebracht als gold voor de vaststelling van het invaliditeitspensioen waarvan het partnerpensioen wordt afgeleid. Het partnerpensioen en de korting daarop worden bij het aangaan van een nieuwe relatie op de ook vroeger gebruikelijke wijze nader vastgesteld. Op het betreffende partnerpensioen wordt tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een toeslag van 15 procent verleend in verband met de premieplicht AOW. De betreffende toeslag en de maximering daarvan zijn uit de bestaande regels overgenomen. Het partnerpensioen wordt uitbetaald voor zover het de aan hetzelfde overlijden verbonden aanspraken krachtens het pensioenreglement overschrijdt.

Artikel 10

De wezenpensioenen worden afgeleid van het invaliditeitspensioen waarnaar ook het partnerpensioen wordt of zou moeten worden berekend. Afhankelijk van de vraag of de verzorger van de wees zelf recht op pensioen heeft, beloopt de berekeningsbreuk een of twee zevende gedeelten van dat invaliditeitspensioen. Het totaal aan wezenpensioenen wordt daarbij gemaximeerd op vijf zevende gedeelten. Ook hier is het invaliditeitspercentage maatgevend voor het niveau van de vermindering van een eventuele Anw-uitkering en kan er in verband met de premieplicht AOW een toeslag van 15 procent worden verleend. Het pensioen wordt tenslotte uitbetaald voor zover het bedrag ervan de rechten op wezenpensioen krachtens het pensioenreglement overschrijdt.

Artikel 11

Een op grond van artikel 4 toegekend garantiepensioen werkt met toepassing van de geldende berekeningsbreuk door naar de nabestaandenpensioenen.

Artikel 12

De pensioenen en vaste bedragen worden aangepast aan de gemiddelde salarisontwikkeling bij de overheid. Gebruik is daarbij gemaakt van de regels die krachtens het pensioenreglement ook gelden voor de onderliggende, algemeen gebruikelijke pensioenvoorzieningen.

Artikelen 13, 14 en 15

In de sfeer van de toekenning, het einde en de betaling van de pensioenen is geen wijziging in de bestaande situatie gebracht. Hoewel niet is afgestapt van de gebruikelijke ambtshalve toekenning en begeleiding, is gehandhaafd dat men de pensioenen moet aanvragen en dat er daarbij van een maximale terugwerkende kracht van een jaar sprake is. Met name waar het gaat om de voortzetting van de in het Besluit AO/IV vastgelegde rechten bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, zal die ambtshalve benadering de volle aandacht krijgen. Voortzetting van rechtswege is hier problematisch omdat in de nieuwe structuur de verantwoordelijke uitvoeringsorganen duidelijk zijn gesplitst. De ondergetekende gelooft echter niet, dat de rechthebbenden van die splitsing enige schade zullen ondervinden. Juist de bouw van een goede verzekerdenadministratie behoort immers tot de hoofdpunten van het hele vernieuwingsproces en zal de administratie ook in staat stellen de rechthebbenden actief te benaderen. Zoals gebruikelijk eindigen de eigen- en partnerpensioenen met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden en de wezenpensioenen tevens bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar of bij het aangaan van een partnerrelatie. Voor vermissing zijn de bijzondere regels opgenomen die ook vroeger in die situatie golden. De betaling van de pensioenen blijft op maandbasis geschieden.

Artikel 16

Gezien de omvang van het totale vernieuwingsproces benadert dit artikel de overstap van oud naar nieuw op een wijze die, zo dat nodig mocht blijken, fasering toelaat. Voorts garandeert dit artikel dat bij de overgang van een pensioen op grond van de vervallen regels naar een pensioen op grond van dit besluit de berekeningsfactoren dezelfde zijn.

Artikel 17

onder 1e

Indien de verwonding, ziekten of gebreken waaraan een recht op invaliditeitspensioen of een daarvan af te leiden partnerpensioen kan worden ontleend voor 1 januari 1998 zijn ontstaan, wordt voor de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband en de vraag naar het verband tussen die invaliditeit en het overlijden gebruik gemaakt van artikel E 11 van de voormalige Amp-wet, zoals dat artikel voor die datum luidde. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op artikel 19, onder 1e, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids en invaliditeitsvoorzieningen militairen.

onder 2e

Met dit onderdeel wordt de korting die in artikel 2, tweede lid, voor het gelijktijdig genot van een AOW-pensioen is opgenomen, voor de gevallen waarop dat van toepassing was teruggebracht tot het niveau van het inbouwstelsel.

onder 3e

In het inbouwstelsel bleven door vrijwillige premiebetaling opgebouwde AOW-rechten buiten korting. Voor de gevallen die op het moment van de overstap naar het kortingssysteem van dit besluit onder dat inbouwstelsel vielen, blijft dat recht gehandhaafd.

onder 4e

In het inbouwstelsel bleef dat deel van het AOW-pensioen dat tevens werd gekort op een ander pensioen bij de vaststelling van het militair pensioen buiten beschouwing. Dit onderdeel handhaaft ook dat recht voor de hiervoor onder 3e bedoelde groep.

onder 5e

Bij de OOW zijn de rechten op een bijzondere invaliditeitsverhoging uitgebreid met de van het invaliditeitspercentage afhankelijke bedragen. Omdat die uitbreiding geen betrekking had op de gevallen die voor 1 januari 1998 waren ontstaan, is de bijpassende overgangsmaatregel hier opnieuw opgenomen.

onder 6e

In dit onderdeel zijn de onder 2e, 3e en 4e bedoelde afwijkingen op het kortingsstelsel doorgetrokken naar de bijbehorende nabestaandenpensioenen.

onder 7e

Voor de nabestaanden van de dienstplichtige of reservist bestaat er slechts recht op een aan arbeidsongeschiktheid met dienstverband gekoppeld tijdelijk pensioen indien de militair na 1 januari 1998 is overleden. In dat verband moet worden opgemerkt dat ook voor de militair zelf de arbeidsongeschiktheid met dienstverband eerst tot een verhoging kan leiden indien die situatie na die datum is ontstaan.

onder 8e

Dit onderdeel behandelt de rechten op het garantiepensioen voor de reservist of dienstplichtige en het daarvan af te leiden nabestaandenpensioen. Zoals bij de introductie van de betreffende rechten bij wijze van overgangsmaatregel werd vastgelegd, kan het betreffende pensioenrecht slechts tot stand komen als de invaliditeit met dienstverband waaraan het wordt ontleend na 1 januari 1998 is ontstaan. In dit stelsel moest een uitzondering op die regel worden gemaakt voor een diensttijdpensioen dat de reservist in deze situatie op grond van de voormalige Amp-wet zou kunnen toekomen en voor de naar diensttijd berekende pensioenen krachtens een vroegere militaire pensioenwet waarop de dienstplichtige of reservist aanspraak kan maken.

onder 9e

Dit onderdeel sluit aan op de onder 8e bedoelde uitzondering en geeft aan dat in voorkomend geval de opgebouwde diensttijd rechtstreeks vanuit het oude pensioenrecht moet worden overgenomen.

onder 10e, 11e

Het vaste bedrag aan invaliditeitspensioen dat de voormalige Amp-wet de voor de invoering van het franchisestelsel ontslagen reservist of dienstplichtige nog biedt, wordt op grond van dit onderdeel ook na het 65e levensjaar gecontinueerd. Voor de vaststelling van de korting en voor de indexering zijn de aannames vastgelegd die ook vroeger bij de verdere ontwikkeling van die pensioenen werden gehanteerd. Met het onder 11e gestelde kunnen aan deze vaste pensioenbedragen ook partnerpensioenen worden gekoppeld.

Artikel 18

In dit onderdeel is een aantal overgangsbepalingen bestendigd die bij de totstandkoming van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen noodzakelijk bleken. Het eerste lid ziet in de eerste plaats op de zogenaamde kostwinnerspensioenen, die op grond van dat besluit niet meer konden worden toegekend, maar bij wijze van overgangsmaatregel nog steeds naar de destijds geldende normen en voorwaarden worden berekend. Daarnaast valt er nog een enkel geval onder, dat een naar vaste bedragen toegekend pensioen geniet, steunend op de aan de pensioenwetgeving van 1922 nog voorafgaande militaire pensioenwetten. Het tweede lid handhaaft de rechten op bijzonder partnerpensioen die steunen op artikel 22, vierde lid, van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen. De betreffende voorziening werd bij de totstandkoming van dat besluit ingetrokken. Voor de lopende gevallen werd een overgangsrecht gecreëerd dat moest worden gecontinueerd. De overgangsbepaling uit het derde lid is rechtsreeks overgenomen uit het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen. De mogelijkheid die het opent om weduwenpensioenen die op grond van de vroegere militaire pensioenwetgeving vanwege hertrouwen waren ingetrokken opnieuw toe te kennen, moest ook naar dit besluit worden doorgetrokken.

Artikel 19

In de voormalige Amp-wet was de mate van invaliditeit met dienstverband die bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd kon worden vastgesteld maatgevend voor het verdere pensioenniveau daarna. In de sfeer van de aan die voormalige wet voorafgaande pensioenwetten kon op verzoek ook na die datum een herkeuring plaatsvinden. Dit artikel beoogt die rechten te beschermen.

Artikel 20

Om de volledige zekerheid te bieden dat de overstap van de vroegere regelingen naar dit besluit tot dezelfde pensioenuitkomsten leidt, is bij wijze van garantie een slottoeslag opgenomen.

Artikel 21

Dit artikel legt de basis voor het ook thans bij invaliditeit met dienstverband bestaande aanvullende stelsel van leefvoorzieningen en medische verstrekkingen.

Artikel 22

De in dit besluit opgenomen hardheidsclausule is gelijk aan die van het pensioenreglement van het fonds en qua bewoordingen ook afkomstig uit de vroegere pensioenwetgeving voor het overheidspersoneel. Dat is gedaan met het oog op de samenhang tussen dit besluit en dat reglement en de daaruit volgende noodzaak het beleid terzake onderling af te kunnen stemmen.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Bijlage bij het Besluit bijzondere militaire pensioenenTransponeringstabel vernieuwingsproces militaire pensioenen

oud rechtnieuw recht
voor de oude pensioenwetten
   
art. 2, eerste lid, Pensioenwet voor de landmacht 1922  
   
diensttijdpensioenen:  
   
onder 1° (langdurige dienst, direct ingaand)pensioenreglement
onder 4° (50 jr. niet meer ten volle geschikt; ontslagpensioenreglement
op verzoek; ontslag in belang dienst en de artt. Y 10, Y 11 en Y 12 AMPW; uitgestelde pensioenen)  
onder 5° (ontslag op verzoek met overgang naar reservepersoneel, direct ingaand)pensioenreglement
onder 6° (onbekwaam of ongeschikt om in verkregen rang te dienen, direct ingaand)pensioenreglement
   
invaliditeitspensioenen:  
   
onder 2° (invaliditeit met dienstverband)
beroeps <65jrdiensttijdpensioenbesl. AO/IV (art. 4)
 invaliditeitspensioenbesl. AO/IV (artt. 7, 8)
beroeps >65jrdiensttijdpensioenpensioenreglement
 invaliditeitspensioenbesl. IP-65+ (artt. 2, 3)
dpl./res. <65jrdiensttijdpensioenbesl. AO/IV (art. 19, onder 6e)
 invaliditeitspensioenbesl. AO/IV (art. 11)
dpl./res. >65jrdiensttijdpensioenbesl. IP-65+ (art. 4)
 invaliditeitspensioenbesl. IP-65+ (artt. 2, 3)
   
onder 3° (invaliditeit zonder dienstverband)  
beroeps <65jrdiensttijdpensioenbesl. AO/IV (art. 4)
 diensttijdpensioen + ao-aanvulling via art. Y 22 AMPWbesl. AO/IV (artt. 3, 4) en WAO
beroeps >65jrdiensttijdpensioenpensioenreglement
dpl./res. <65jrdiensttijdpensioenbesl. AO/IV (art. 19, onder 6e)
>65jrdiensttijdpensioenbesl. IP-65+ (art. 4)
   
art. 2 van de Pensioenwet voor het reservepersoneel der landmacht 1923  
   
onder 1° of via Y 13 AMPW (5 jaar en ander pensioen of 28 jaar etc.)pensioenreglement
onder 2° (invaliditeit met dienstverband)
<65jrdiensttijdpensioenbesl. AO/IV (art. 19, onder 6e)
 invaliditeitspensioenbesl. AO/IV (art. 11)
>65jrdiensttijdpensioenbesl. IP-65+ (art. 4)
 invaliditeitspensioenbesl. IP-65+ (artt. 2, 3)
   
voor de Algemene militaire pensioenwet 
   
art. E 1, onder a, E 2, onder a of b, diensttijdpensioenen beroepspersoneelpensioenreglement
   
art. E 1, onder b of c, art. E 2, onder c, gebrekenpensioenen beroepspersoneel 
<65jrdiensttijdpensioen (E 1, E 2)besl. AO/IV (art. 4)
 ao-aanvulling (E 6, E 6a)besl. AO/IV (art.3) en WAO
 invaliditeitsverhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. AO/IV (artt. 7, 8)
 herplaatsingstoelagen (E 6b)besl. AO/IV (art. 9)
>65jrdiensttijdpensioen (E 1, E 2)pensioenreglement
 invaliditeitsverhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. IP-65+ (artt. 2, 3)
   
art. E 3, pensioenen reservepersoneel 
   
diensttijdpensioenen (naast ander pensioen of 28 jaar etc. E 3, 1e lid, a of b)pensioenreglement
  
invaliditeitspensioenen  
<65jrvast bedrag (E 3, 2e lid)besl. AO/IV (art. 19, onder 5e)
 diensttijdafrekening (E 3, 1e lid, onder c)besl. AO/IV (art. 19, onder 6e)
 ao-aanvullingbesl. AO/IV (art. 10)
 invaliditeitspensioenen of -verhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. AO/IV (art. 11)
>65jrvast bedrag (E 3, 2e lid)besl. Ip-65+ (art. 17, onder 10e)
 diensttijdafrekening (E 3, 1e lid, onder c en 5e lid)besl. IP-65+ (art. 4)
 invaliditeitspensioenen of -verhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. IP-65+ (artt. 2, 3)
art. E 4, pensioenen dienstplichtig personeel  
<65jrvast bedrag (E 4, 1e lid)besl. AO/IV (art. 19, onder 5e)
 ao-aanvulling (E 4, 2e lid)besl. AO/IV (art. 10)
 invaliditeitspensioenen of -verhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. AO/IV (art. 11)
>65jrvast bedrag (E 4)besl. IP-65+ (art. 17, onder 10e)
 diensttijdafrekening (E 4, 3e lid)besl. IP-65+ (art. 4)
 invaliditeitspensioenen of -verhogingen (E 7, E 8, E 9)besl. IP-65+ (artt. 2, 3)
   
voor de nabestaandenpensioenen 
   
vanuit het Nabestaandenreglement militairen:  
   
afgeleid van alleen een diensttijdpensioen voor beroepspersoneel (art. 8, 1e lid, onder 1e)pensioenreglement
(mede) afgeleid van een invaliditeitspensioen voor beroepspersoneel (art. 8, 1e lid, onder 2e of 3e; overlijden zonder dienstverband)voor het diensttijdgedeelte pensioenreglement; voor de aanvulling besl. IP-65+ (art. 6, 2e lid, onder b)
   
vanuit het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen: 
   
afgeleid van alleen een diensttijdpensioen (art. 6, 2e lid)pensioenreglement
   
bij overlijden a.g.v. invaliditeit met dienstverband (art. 6, 1e lid, onder a)  
beroepspersoneel: 
diensttijdgedeeltepensioenreglement
aanvullende topbesl. IP-65+ (art. 6, 2e lid, onder a)
dienstplichtig en reservepersoneel:  
diensttijdgarantiebesl. IP-65+ (art. 11)
pensioenbesl. IP-65+ (art. 6, 2e lid, onder a)
   
bij overlijden a.g.v. ao met dienstverband (art. 6, 1e lid, onder b):  
beroepspersoneel: 
diensttijdgedeeltepensioenreglement
tijdelijke topbesl. IP-65+ (art. 7, 2e lid)
dienstplichtig en reservepersoneel:  
diensttijdgarantiebesl. IP-65+ (art. 11)
tijdelijk pensioenbesl. IP-65+ (art. 7, 2e lid)
   
bij invaliditeit met dienstverband en overlijden op andere gronden (art. 6, 1e lid, onder c):  
beroepspersoneel: 
diensttijdgedeeltepensioenreglement
aanvullende topbesl. IP-65+ (art. 6, 2e lid, onder b)
dienstplichtig en reservepersoneel:  
diensttijdgarantiebesl. IP-65+ (art. 11)
pensioenbesl. IP-65+ (art. 6, 2e lid, onder b)
   
bij overlijden terwijl er alleen van het vaste bedrag aan invaliditeitspensioen sprake is (art. 6, 1e lid, onder d)besl. IP-65+ (art. 17, onder 11e)

N.B.

– de artt. 2 van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 en de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923 geven ook voor de andere wetten een inzicht in de pensioensoorten die voor de Algemene militaire pensioenwet (AMPW) bestonden

– in het pensioenreglement wordt in verband met de toetreding van het militair personeel een hoofdstuk 18c opgenomen, inhoudende het overgangsrecht in verband met die toetreding; art. 18c.3 regelt meer in het bijzonder de omzetting van het oude naar het nieuwe recht

– besl. AO/IV: het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen

– besl. IP-65+: het Besluit bijzondere militaire pensioen


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Defensie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 april 2001, nr. 71.

Naar boven