Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0535/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr. WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN (HOOFDSTUK 1 VAN DE WET)

Artikel 1 Reikwijdte en definitie

  • 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8, 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 2. Dit besluit verstaat onder wet: de Wet inkomstenbelasting 2001.

HOOFDSTUK 2 RAAMWERK (HOOFDSTUK 2 VAN DE WET)

Artikel 2 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige

  • 1. Aan een kiezende belastingplichtige wordt volgens de artikelen 3 tot en met 10 een vermindering op de verschuldigde inkomstenbelasting verleend voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen.

  • 2. Onder een kiezende belastingplichtige wordt verstaan:

    a. een niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland wonende binnenlandse belastingplichtige, of

    b. een buitenlandse belastingplichtige, die volgens artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3 tot en met 10 blijft te conserveren inkomen en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.

Artikel 3 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit werk en woning

  • 1. De vermindering vanwege in het inkomen uit werk en woning begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van de artikelen 2 tot en met 10 volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.

  • 2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:

    a. de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet, en

    b. de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.

    Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen. De verlaging is evenwel niet hoger dan het bedrag aan belasting dat in Nederland daadwerkelijk over die inkomensbestanddelen wordt geheven.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde vermindering kan, na de verlaging, bedoeld in het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit hoofdstuk volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn.

  • 5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit werk en woning

    a. vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen, uitgaven voor kinderopvang en persoonsgebonden aftrek, en

    b. verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van artikel 3.13 van de wet – te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.

  • 6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Het belastingdeel van de heffingskorting wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskorting, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Artikel 4 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting bij inkomen uit werk en woning

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 5 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling

  • 1. Voorzover het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van de verrekening volgens artikel 6 – groter is dan het noemerinkomen, wordt het overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering volgens artikel 3 het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.

  • 3. Artikel 26 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling

  • 1. Indien het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van de overbrenging volgens artikel 5 – negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering volgens artikel 3 aangemerkt als een negatief niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddeel van het noemerinkomen van het volgend jaar. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te brengen bedrag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. De artikelen 26 en 27 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang

  • 1. De vermindering vanwege in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.

  • 2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:

    a. de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap volgens afdeling 7.3 van de wet, en

    b. de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.

    Artikel 3, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De vermindering van het eerste lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen.

  • 4. De vermindering van het eerste lid kan, na de verlaging van het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn.

  • 5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit aanmerkelijk belang

    a. vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, en

    b. verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van afdeling 4.10 van de wet – te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.

  • 6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting bij inkomen uit aanmerkelijk belang

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 9 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen

  • 1. De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gemiddelde van de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het jaar.

  • 2. De vermindering van het eerste lid kan niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van de afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.

  • 3. Onder de rendementsgrondslag buiten Nederland wordt verstaan: het saldo van de in de rendementsgrondslag begrepen

    a. bezittingen en schulden die niet behoren tot de rendementsgrondslag in Nederland volgens artikel 7.7 van de wet, en

    b. bezittingen en de daarmee verband houdende schulden die daartoe wel behoren, maar waarbij het heffingsrecht over de daaruit genoten inkomsten op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet aan Nederland is toegewezen.

    Bij een belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, wordt de naar tijdsgelang herleide gemiddelde waarde van de rendementsgrondslag buiten Nederland over de periode dat hij niet in Nederland woonde, in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij als volle maand beschouwd.

  • 4. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Artikel 5.3 van de wet is bij het overlijden van de belastingplichtige van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting bij voordeel uit sparen en beleggen

De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 11 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen

  • 1. Partieel buitenlandse belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kunnen kiezen voor toepassing van de regels van de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die volgens hoofdstuk 7 van die wet gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht wordt gemaakt voor de periode waarin de belastingplichtige voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 2001 wordt beschouwd als ingekomen werknemer, of voor een deel van die periode. De partieel buitenlandse belastingplicht gaat niet eerder in dan op de eerste dag van het kalenderjaar waarin de keuze is gemaakt.

  • 2. De partieel buitenlandse belastingplicht eindigt:

    a. zodra de periode waarvoor de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht is gemaakt, eindigt;

    b. zodra de periode waarin de belastingplichtige voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 2001 wordt beschouwd als ingekomen werknemer, eindigt;

    c. op de eerste dag van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht herziet.

  • 2. De keuze en de herziening van de keuze worden gemaakt bij verzoek aan de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

HOOFDSTUK 3 HEFFINGSGRONDSLAG BIJ WERK EN WONING (HOOFDSTUK 3 VAN DE WET)

Artikel 12 Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf

  • 1. Op verzoek van de belastingplichtige blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan op hem de vrijstelling van artikel 3.11, eerste lid, van de wet van toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet met ingang van een jaar van toepassing wordt.

  • 2. De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar vatbare beschikking vast.

  • 3. De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat artikel 3.11, eerste lid, van de wet op die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, van de wet mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.

Artikel 13 Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende situaties

De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.83 van de wet wordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken.

Artikel 14 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; toegelaten aanbieders

  • 1. Als een lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.

  • 2. Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit.

  • 3. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel 3.124 van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet.

  • 4. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding.

  • 5. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding meewerkt.

  • 6. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden bij de verzekeringnemers van de bij deze verzekeraar of dit pensioenfonds gesloten lijfrenteovereenkomsten, dan wel indien een verzekeringnemer is overleden, bij de gerechtigden tot de lijfrenten, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen indien de lijfrenten onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, van de wet.

Artikel 15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten; waardeaangroei

  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.127, tweede en vijfde lid, van de wet, verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet aan de belastingplichtige een opgave van de aan een kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar.

  • 2. De aan een kalenderjaar toe te rekenen pensioenaangroei, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als volgt:

    a. bij een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom: door de op het kalenderjaar betrekking hebbende premies te vermenigvuldigen met de volgende factor:

    indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaarfactor
    15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is0,30
    20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is0,24
    25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is0,20
    30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is0,17
    35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is0,14
    40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is0,12
    45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is0,10
    50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is0,08
    55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is0,07
    60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is0,05;

    b. bij overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom: door het opbouwpercentage van het kalenderjaar van de aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken te vermenigvuldigen met de pensioengrondslag van het kalenderjaar.

  • 3. De opgave van de pensioenaangroei wordt door de verzekeraar binnen vijf maanden na afloop van het kalenderjaar aan de belastingplichtige verstrekt.

  • 4. De pensioengrondslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door het pensioengevend inkomen van het kalenderjaar te verminderen met het in het kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet.

HOOFDSTUK 4 HEFFINGSGRONDSLAG BIJ AANMERKELIJK BELANG (HOOFDSTUK 4 VAN DE WET)

Artikel 16 Vervreemdingsvoordelen; verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht; vaststelling verkrijgingsprijs en verminderen van de aanslag

  • 1. Indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de vennootschap waarop het belang betrekking heeft in Nederland is gevestigd, de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5, zevende lid, van de wet met betrekking tot dat belang is toegepast, wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21 van de wet, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de volgende leden is aangegeven.

  • 2. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover blijkt dat de belastingplichtige in verband met het gaan wonen in Nederland in het buitenland hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.

  • 3. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover deze aangroei blijkt te zijn ontstaan in een periode dat de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen in Nederland niet belastingplichtig was en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge het tweede lid.

  • 4. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt verminderd met de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen beneden die verkrijgingsprijs voorzover deze waardedaling is ontstaan in een periode waarin de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was.

  • 5. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest, wordt de aanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest, verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de belasting waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering is artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing.

  • 6. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen wordt vermeerderd met de aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990, tenzij de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.

  • 7. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de aanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van vier maal het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.

  • 8. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en daarbij sprake was van een negatief vervreemdingsvoordeel, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen verminderd met het aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen negatieve vervreemdingsvoordeel.

  • 9. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap heeft en artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet ten aanzien van dat belang krachtens artikel 4.18 van de wet niet is toegepast toen hij Nederland verliet, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen in afwijking van de voorgaande leden gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de belastingplichtige weer in Nederland is gaan wonen.

  • 10. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft dat hij onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel heeft verkregen in een periode dat hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen ter zake van de vervreemding daarvan krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet verminderd met vier maal het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt en vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend. Ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen, wordt de aanslag over het jaar waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor met betrekking tot dat belang nog uitstel van betaling loopt.

  • 11. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging.

  • 12. Voor de toepassing van het eerste tot en met het elfde lid worden met de artikelen 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.5, zevende lid, en 4.18 van de wet achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 20a, zesde lid, onderdeel i, 49, vijfde lid, en 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000. Met de artikelen 25, achtste lid, en 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 worden achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 25, zesde lid, en 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000.

HOOFDSTUK 5 HEFFINGSGRONDSLAG BIJ SPAREN EN BELEGGEN (HOOFDSTUK 5 VAN DE WET)

Artikel 17 Vrijstellingen; vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen

Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn.

Artikel 18 Waardering; waardering genotsrechten

  • 1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van de wet wordt gesteld op het overeenkomstig artikel 19 tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de waardering van het genotsrecht plaatsvindt.

Artikel 19 Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen

  • 1. De waarde van een periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met:

    22, wanneer degenejonger dan 20 jaar is,
    22, gedurende wiens20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is,
    21, leven de uitkering25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is,
    20, moet plaatshebben:30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is,
    19,35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is,
    18,40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is,
    16,45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is,
    15,50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is,
    13,55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is,
    11,60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is,
    9,65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is,
    8,70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is,
    6,75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is,
    4,80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is,
    3,85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is,
    2,90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is,
    1,95 jaar of ouder is.
  • 2. De waarde van een periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:

    leeftijdsklasse van genoemde persoon0–1920–2425–2930–3435–3940–4445–4950–5455–5960–6465–6970–7475–7980–8485–8990–9495–
    het eerste vijftal jaren0,910,910,910,910,900,900,900,890,880,870,840,800,740,650,540,400,20
    het tweede vijftal jaren0,740,740,740,740,740,730,720,700,670,620,540,450,330,200,080,020,00
    het derde vijftal jaren0,610,610,610,600,590,580,560,530,480,400,300,200,100,030,00  
    het vierde vijftal jaren0,500,500,490,490,480,460,430,380,310,220,140,060,020,00   
    het vijfde vijftal jaren0,410,400,400,390,370,350,300,240,170,100,040,010,00    
    het zesde vijftal jaren0,330,330,320,300,280,250,200,140,080,030,010,00     
    het zevende vijftal jaren0,270,260,250,230,200,160,110,060,020,00       
    het achtste vijftal jaren0,210,200,190,160,130,090,050,020,00        
    het negende vijftal jaren0,170,150,130,110,070,040,010,00         
    het tiende vijftal jaren0,130,110,090,060,030,010,00           
    het elfde vijftal jaren0,090,070,050,030,010,00           
    het twaalfde vijftal jaren0,060,040,020,010,00            
    de volgende jaren0,030,020,010,00             

    De overeenkomstig de vorige volzin vastgestelde waarde kan niet hoger zijn dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering niet tevens na een bepaalde tijd zou vervallen.

  • 3. De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.

  • 4. De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:

     factor
    het eerste vijftal jaren0,91
    het tweede vijftal jaren0,75
    het derde vijftal jaren0,61
    het vierde vijftal jaren0,50
    het vijfde vijftal jaren0,41
    het zesde vijftal jaren0,34
    het zevende vijftal jaren0,28
    het achtste vijftal jaren0,23
    het negende vijftal jaren0,19
    het tiende vijftal jaren0,16
    het elfde vijftal jaren0,13
    het twaalfde vijftal jaren0,11
    de volgende jaren0,09.

    De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.

  • 5. Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon.

  • 6. Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden:

    a. van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen;

    b. van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.

  • 7. Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.

  • 8. Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de goederen.

  • 9. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige artikelen, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.

HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN AFTREK (HOOFDSTUK 6 VAN DE WET)

Artikel 20 Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen; definitie ernstig gehandicapt

Voor de toepassing van artikel 6.25 van de wet wordt een kind als ernstig gehandicapt beschouwd indien dat kind gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of in de op die wet berustende bepalingen geregelde intramurale inrichting en daar doorgaans verblijft.

HOOFDSTUK 7 BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE BELASTINGPLICHTIGEN (HOOFDSTUK 7 VAN DE WET)

Artikel 21 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang; verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang

  • 1. Indien op grond van artikel 26, derde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting is verleend ter zake van op reguliere voordelen ingehouden dividendbelasting, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6, eerste lid of tweede lid, van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met het bedrag van het in het eerstgenoemde artikellid bedoelde reguliere voordeel.

  • 2. Indien op grond van artikel 26, derde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting is verleend, wordt ten aanzien van hem de in de artikelen 7.6, eerste of tweede lid, van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag. De verkrijgingsprijs wordt tevens verminderd met vier maal het bedrag dat op grond van artikel 26, derde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 is kwijtgescholden en vermeerderd met het bedrag van de reguliere voordelen waarmee de verkrijgingsprijs op grond van het eerste lid reeds is verminderd.

  • 3. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt met artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2001.

HOOFDSTUK 8 AANVULLENDE REGELINGEN (HOOFDSTUK 10 VAN DE WET)

Artikel 22 Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen

  • 1. Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

    a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

    b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;

    c. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

    d. levensverzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

  • 2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

    a. over een rekening waarop een saldo in geld kan worden aangehouden:

    1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en

    2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten rente;

    b. over een rekening waarop een saldo in effecten kan worden aangehouden:

    1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en

    2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten opbrengst, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dividendbelasting 1965, en de op die opbrengst ingehouden dividendbelasting;

    c. over het verrichten van een contante uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren: het totaalbedrag dat in het kalenderjaar is uitbetaald;

    d. over een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, van de wet:

    1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;

    2°. indien de verzekering op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel a, b, d, e of f, van de wet, in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen;

    e. over een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet:

    1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;

    2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f, g, h, i of j, in samenhang met artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet;

    f. over een recht als bedoeld in artikel 5.10, onderdeel a, van de wet: de som van het verzekerde kapitaal per verzekerde aan het einde van het kalenderjaar;

    g. over een recht op kapitaalsuitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering:

    1°. het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, de waarde in het economische verkeer van het recht, aan het einde van het kalenderjaar;

    2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voorzover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, verloren doet gaan;

    h. over een recht op kapitaalsuitkering of prestatie uit levensverzekering voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen d tot en met g: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het einde van het kalenderjaar.

  • 3. Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom.

  • 4. Het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, is de waarde van de effecten op de einddatum, bepaald volgens artikel 5.19 of artikel 5.21 van de wet, dan wel, indien deze artikelen geen toepassing kunnen vinden, de grondslag voor het over het kalenderjaar bedongen bewaarloon voor de in bewaring gegeven effecten of bij het ontbreken hiervan de uitgifteprijs van de effecten.

  • 5. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden verstrekt per rekening en over zowel de saldi als de rente of de opbrengst onderverdeeld naar:

    a. spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 5.11 van de wet;

    b. maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 van de wet;

    c. beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.16 van de wet;

    d. saldi, rente of opbrengst voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen a tot en met c.

  • 6. De in het eerste lid aangewezen administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b of g, onder 1°, achterwege laten indien:

    a. het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel b, onder 1°, lager is dan € 500 (f 1102), en het bedrag van de rente, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, of van de opbrengst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, lager is dan € 11 (f 24);

    b. het verzekerde kapitaal bij leven of de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, onder 1°, lager is dan € 46 984 (f 103 539).

Artikel 23 Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen

  • 1. De werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928 als landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders, indien:

    a. de werkzaamheden van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als landgoederen in de zin van artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928;

    b. alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn;

    c. het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt.

  • 2. Ingeval niet langer aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling van die voorwaarden een einde heeft genomen.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijkgesteld.

  • 4. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap.

HOOFDSTUK 9 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN (HOOFDSTUK 11 VAN DE WET)

Artikel 24

Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.

Artikel 25 Overgangsbepaling opgave waardeaangroei

Voor de toepassing van artikel 15, derde lid, wordt de daarin genoemde termijn van vijf maanden voor de door de verzekeraar van het pensioen te verstrekken opgave van de pensioenaangroei in de kalenderjaren 2001 en 2002 verlengd naar tien maanden.

Artikel 26 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 27 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 20 december 2000

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de achtentwintigste december 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Wet inkomstenbelasting 2001 en die mede ter vervanging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, dat was gebaseerd op de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In dit besluit zijn de volgende onderwerpen nader uitgewerkt:

1. regels ter voorkoming van dubbele belasting in het kader van het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen (artikel 2.5, vijfde lid, van de wet);

2. het keuzerecht voor gehele of gedeeltelijke toepassing van de regels van de wet voor in het buitenland geworven deskundigen (artikel 2.6 van de wet);

3. voorwaarden voor het buiten aanmerking blijven van voordelen uit bosbedrijf (artikel 3.11, vierde lid, van de wet);

4. aanwijzingen met betrekking tot de bepaling van de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling (artikel 3.83, zesde lid, van de wet);

5. voorwaarden met betrekking tot de aanwijzing van toegelaten aanbieders van lijfrentevoorzieningen (artikel 3.126, derde lid, van de wet);

6. regels met betrekking tot de waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent ten behoeve van de berekening bij een pensioentekort van de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken (artikel 3.127, zesde lid, van de wet);

7. regels inzake de verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen en het verminderen van de aanslag bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht (artikel 4.25, vierde en vijfde lid, van de wet);

8. regels over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan (artikel 5.7, tweede lid, van de wet);

9. regels met betrekking tot de in aanmerking te nemen waarde van genotsrechten (artikel 5.22, eerste lid, van de wet);

10. aanvullende regels met betrekking tot de in aanmerking te nemen waarde; periodieke uitkeringen (artikel 5.23 van de wet);

11. uitwerking definitie ernstig gehandicapt kind (artikel 6.25 van de wet);

12. vermindering van de verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen van een buitenlandse belastingplichtige bij kwijtschelding (artikel 7.6, derde lid, van de wet)

13. aanwijzing van administratieplichtigen en aanwijzing van gegevens en inlichtingen (artikel 10.8, eerste lid, van de wet);

14. regels voor de toerekening van werkzaamheden, rechten en verplichtingen van rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen aan haar gezamenlijke aandeelhouders (artikel 10.9, eerste lid, van de wet).

De artikelsgewijze toelichting gaat nader op deze onderwerpen in. Aan een zevental delegatiebevoegdheden is nog geen uitvoering gegeven. Dit betreft de bevoegdheden in de artikelen 3.127, vierde lid, 3.133, zesde lid, 5.14, vijfde lid, 5.15, vijfde lid, 5.16, vierde lid, 6.28, eerste lid, onderdeel d, en artikel 9.3, derde lid, van de wet (premiegrondslag voor in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten, uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden, vrijstelling groene beleggingen, vrijstelling sociaal-ethische beleggingen, vrijstelling beleggingen in durfkapitaal, scholingsuitgaven en voorlopige teruggaaf). Wat betreft de redenen hiervoor kan het volgende worden opgemerkt.

Ingevolge art. 3.127, vierde lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur, ter bepaling van de aftrekruimte voor lijfrentepremies, bepaalde inkomensbestanddelen van de premiegrondslag worden uitgesloten. Zoals tijdens de parlementaire behandeling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 1999–2000, 26 727, nr. 17, blz. 156) is aangegeven, wordt het in ieder geval gewenst geacht dat tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd in de derde pijler voorzieningen voor de oude dag kunnen worden getroffen, ondanks het feit dat als gevolg van vervroegde uittreding geen inkomensgenererende werkzaamheden worden verricht. Om deze reden is er thans geen aanleiding uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of termijnen van lijfrente uit te sluiten van de premiegrondslag.

Zoals tijdens de parlementaire behandeling van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken I 1999–2000, 26 727 en 26 728, nr. 202c, blz. 47) is aangegeven, strekt de in artikel 3.133, zesde lid, opgenomen delegatiebepaling ertoe met betrekking tot situaties van oneigenlijk gebruik concrete regels te kunnen stellen. Deze regels kunnen worden gesteld zodra in de uitvoering aan de hand van de opgedane ervaringen meer duidelijkheid is ontstaan over de in de praktijk voorkomende situaties die onder het toepassingsbereik van deze bepaling zouden moeten vallen.

Met betrekking tot de vrijstelling groene beleggingen en de vrijstelling sociaal-ethische beleggingen kan worden volstaan met de voorwaarden die bij ministeriële regeling worden vastgelegd op grond van de artikelen 5.14, eerste en tweede lid, en artikel 5.15, eerste en tweede lid, van de wet.

De regels met betrekking tot culturele beleggingen, daaronder begrepen regels met betrekking tot de aanwijzing van cultuurprojecten en cultuurfondsen, vormen nog onderwerp van overleg.

Met betrekking tot de scholingsuitgaven bestaat vooralsnog geen behoefte om naast de in artikel 6.28, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van de wet al uitgezonderde uitgaven nieuwe uitgavencategorieën uit te zonderen. Op dit punt worden praktijkervaringen afgewacht.

Bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf kan op grond van artikel 9.3 volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels rekening worden gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting. Deze bevoegdheid was voorzien voor het mogelijk maken van tijdige uitbetaling aan bijstandsgerechtigden. Inmiddels is gekozen voor een oplossing waarbij hetzij de bijstandverlenende instantie hetzij de werkgever in de inhoudingssfeer rekening houdt met de van toepassing zijnde heffingskortingen.

Van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1990 alleen artikel 7 (rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen) overgebracht naar het onderhavige besluit (nieuw artikel 17). Met betrekking tot de overgangsbepaling in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1990 wordt nog bezien in welke vorm deze wordt gecontinueerd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 t/m 10 Keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen

Met de in de artikelen 2 tot en met 10 opgenomen regeling wordt uitvoering gegeven aan de delegatiebepaling van artikel 2.5, vijfde lid, van de wet. Het gaat om een regeling voor de vermindering van belasting – ter voorkoming van dubbele belasting – en de verrekening van dividendbelasting bij kiezende belastingplichtigen. De vermindering ziet op het deel van het inkomen dat niet behoort tot het Nederlandse inkomen volgens hoofdstuk 7 van de wet, en het deel dat daartoe wel behoort, maar waarover het heffingsrecht op grond van een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen.

Artikel 2 Vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige

Bij een kiezende belastingplichtige gaat het om een buitenlandse belastingplichtige (of om een belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont). Zonder keuzeregeling wordt een dergelijke belastingplichtige in Nederland alleen in de heffing betrokken voor de in hoofdstuk 7 van de wet (buitenlandse belastingplicht) opgesomde inkomensbestanddelen. De door Nederland afgesloten belastingverdragen brengen hierop verdere beperkingen aan. Een buitenlandse belastingplichtige komt niet in aanmerking voor de persoonsgebonden aftrek en de heffingskorting.

De keuzeregeling vormt een van dit systeem afwijkende regeling. Een eerste afwijking is dat bij de belastingheffing over het Nederlands inkomen rekening wordt gehouden met de niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen. Dit is van belang voor de progressie. Technisch is dit uitgewerkt door een kiezende belastingplichtige in beginsel voor zijn wereldinkomen in de heffing te betrekken. Vervolgens wordt voor de inkomensbestanddelen die bij een «echte» buitenlandse belastingplichtige in Nederland niet (mogen) worden belast, vermindering van belasting verleend via de uit het Besluit voorkoming dubbele belasting bekende vrijstellingsmethode.

Het tweede effect, en daarvoor is de keuzeregeling bedoeld, is dat (persoonsgebonden) aftrekposten en de heffingskorting naar evenredigheid van het Nederlandse inkomen en het overige inkomen bij de bepaling van de in Nederland verschuldigde belasting in aanmerking kunnen worden genomen. Dit wordt gerealiseerd door de voorkoming voor het niet in Nederland te belasten inkomen te verlenen via de uit het Besluit voorkoming dubbele belasting bekende evenredigheidsbreuk.

In het eerste lid wordt in overeenstemming met het voorgaande bepaald dat aan een kiezende belastingplichtige een vermindering wordt verleend op de verschuldigde inkomstenbelasting – berekend over zijn wereldinkomen – voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen. Deze vermindering wordt vervolgens nader uitgewerkt in de artikelen 3 tot en met 10.

In het tweede lid wordt het begrip kiezende belastingplichtige omschreven. Dit is de (buitenlands) belastingplichtige die op basis van artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

Artikel 3 Vermindering bij inkomen uit werk en woning

Het eerste lid regelt de vermindering voor niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het inkomen uit werk en woning (box I). De bij de bepaling van de omvang van de vermindering gehanteerde evenredigheidsbreuk is ontleend aan het Besluit voorkoming dubbele belasting.

Bij de toepassing van de evenredigheidsbreuk geldt de zogenoemde gezamenlijke methode. Dit volgt uit het gebruik van de terminologie «het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen». Hierbij is niet van belang uit welk land die inkomsten komen. Het voorgaande betekent dat bij aanwezigheid van niet-Nederlandse inkomsten uit verschillende landen, deze inkomsten voor de toepassing van de evenredigheidsbreuk samen moeten worden genomen. De bijvoorbeeld in België betaalde hypotheekrente op een eigen woning dient derhalve gesaldeerd te worden met eventueel buiten Nederland behaalde inkomsten uit dienstbetrekking of winst. Deze hypotheekrente komt in zoverre niet (gedeeltelijk) in mindering op Nederlands inkomen. Bij een positief saldobedrag wordt voorkoming verleend. Is het saldobedrag negatief, hetgeen betekent dat de hypotheekrente ten laste komt van – de verschuldigde belasting over – Nederlands inkomen, dan wordt dit negatieve bedrag via de inhaalregeling doorgeschoven naar volgende jaren (artikel 6). Het negatieve bedrag wordt aldus – bij voortgezet gebruik van de keuzeregeling – in een volgend jaar betrokken bij de vermindering van belasting voor niet in Nederland te belasten inkomens, in welk land ook behaald.

Door de beperking tot bestanddelen van het noemerinkomen, vormen de persoonsgebonden aftrek, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de kosten van kinderopvang geen onderdeel van de teller van de breuk (zie ook het vijfde lid). Dit is van belang vanwege de gewenste evenredige toerekening van deze aftrekposten aan het Nederlandse en het overige inkomen.

Het tweede lid geeft een omschrijving van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Hieronder vallen volgens onderdeel a in de eerste plaats de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet. Dit zijn de inkomensbestanddelen die bij een buitenlandse belastingplichtige zonder de keuzeregeling niet in Nederland in de heffing zouden worden betrokken. Daarnaast vallen onder voornoemd begrip de inkomensbestanddelen die wel tot het inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting (belastingverdrag) niet aan Nederland is toegewezen. Deze omschrijvingen zijn ontleend aan artikel 2.5, derde en vijfde lid, van de wet. In onderdeel b worden tevens genoemd de inkomensbestanddelen waarover Nederland op grond van een belastingverdrag slechts tegen een beperkt tarief mag heffen. Dit ziet op de (uitzonderlijke) gevallen waarin Nederland bijvoorbeeld over betaalde pensioenen of commissarissenbeloningen in het verdrag een beperkt heffingsrecht heeft (tegen een gemaximeerd tarief).

Onder het tweede lid vallen bijvoorbeeld niet dividenden betaald op Nederlandse aandelen die deel uitmaken van een onderneming (vaste inrichting) in Nederland. De ondernemingswinst in Nederland behoort immers tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven Nederlands inkomen, terwijl Nederland in een dergelijke situatie ook volgens de verdragen het volledige heffingsrecht heeft over de dividenden.

Behoren de dividenden tot een buitenlandse onderneming, dan bestaat hiervoor geen buitenlandse belastingplicht en behoren de ontvangen dividenden op grond van onderdeel a tot het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Door de beperking in onderdeel b tot inkomensbestanddelen die wel tot het inkomen uit werk en woning behoren, vallen deze dividenden niet (tevens) onder deze bepaling. Dit is van belang bij de toepassing van het derde lid en van artikel 4.

Ingevolge het derde lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens een belastingverdrag slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, de vermindering van het eerste lid verlaagd met het bedrag dat Nederland mag heffen. Dit ziet bijvoorbeeld op de hiervoor genoemde situatie dat Nederland een beperkt heffingsrecht heeft op aan een inwoner van een verdragsland betaalde pensioenen. In eerste instantie behoort dit inkomen tot de inkomensbestanddelen waarbij voor de daarover verschuldigde belasting vermindering wordt verleend. Op deze wijze zou echter te veel tegemoetkoming worden gegeven. Nederland heeft immers een beperkt heffingsrecht. Daarom wordt de tegemoetkoming verlaagd met het Nederlandse heffingsrecht.

In bepaalde situaties kan het zich voordoen dat Nederland niet volledig van zijn beperkt heffingsrecht gebruik maakt, bijvoorbeeld omdat de inkomsten onder het lage belastingtarief van de eerste schijf vallen. De verlaging van de tegemoetkoming is in een dergelijk geval beperkt tot de daadwerkelijk door Nederland geheven belasting.

De verlaging van het derde lid geldt niet voor de in het voorgaande genoemde dividenden op Nederlandse aandelen die tot een onderneming van de belastingplichtige in het buitenland behoren. Onder de verdragen heeft Nederland over deze dividenden een beperkt heffingsrecht. Aan dit heffingsrecht wordt evenwel uitvoering gegeven door middel van de heffing van dividendbelasting. De dividenden behoren niet tot het Nederlands inkomen als bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet. Het gebruik van het heffingsrecht wordt in deze situatie gerealiseerd door in artikel 4 te bepalen dat in dergelijke situaties de ingehouden dividendbelasting niet wordt verrekend met de door de belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De met inachtneming van het verdrag te heffen dividendbelasting blijft aldus ook bij een kiezende belastingplichtige eindheffing.

Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde. De voorkoming van dubbele belasting voor buitenlandse inkomens die hij heeft verkregen in de periode van binnenlandse belastingplicht wordt beheerst door het Besluit voorkoming dubbele belasting. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is opgenomen in de toelichting op artikel 9.

Volgens het vierde lid kan de vermindering van het eerste lid niet meer bedragen dan de in box I verschuldigde belasting. Deze bepaling is van belang indien het inkomen uit werk en woning in Nederland negatief is. Een bedrag aan inkomen waarvoor aldus geen voorkoming wordt verleend, kan vervolgens op basis van artikel 5 worden doorgeschoven naar volgende jaren.

De omschrijving van het begrip noemerinkomen in het vijfde lid, is ontleend aan artikel 10, vijfde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Door het inkomen uit werk en woning te verminderen met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de kosten voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek wordt bereikt dat deze aftrekposten naar evenredigheid over het inkomen in Nederland en het overige inkomen worden verdeeld. Zie hiervoor uitgebreid de toelichting op genoemd Besluit.

In het zesde lid wordt, globaal gezegd, het in box I verschuldigde belastingbedrag omschreven. De gekozen systematiek wijkt af van die bij binnenlandse belastingplichtigen onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Dit betreft de volgorde van de vermindering van belasting wegens niet in Nederland te belasten inkomsten en de toepassing van de heffingskorting. In afwijking van de regeling voor binnenlands belastingplichtigen onder genoemd Besluit, wordt bij een kiezende belastingplichtige de in totaal over de drie boxen verschuldigde belasting eerst verminderd met de heffingskorting. Pas daarna vindt de vermindering plaats op basis van de onderhavige artikelen 2 tot en met 10. In verband hiermee is het nodig dat het belastingdeel van de heffingskorting over de in de verschillende boxen verschuldigde belasting wordt verdeeld. Dit gebeurt naar rato van de over de boxen berekende belasting.

Artikel 4 Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit werk en woning

Op de betekenis van deze bepaling is al ingegaan in de toelichting op artikel 3, derde lid. Voor de betekenis van het begrip dividenden dient hierbij overigens te worden aangesloten bij de dividendbelasting.

Artikelen 5 en 6 Doorschuifregeling en inhaalregeling

De in artikel 5 opgenomen doorschuifregeling en de in artikel 6 opgenomen inhaalregeling zijn ontleend aan de overeenkomstige regelingen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Hierbij zijn de bepalingen uit genoemd Besluit inzake het vaststellen van de over te brengen bedragen bij voor bezwaar vatbare beschikking van overeenkomstige toepassing verklaard.

Omdat bij de vermindering de gezamenlijke methode wordt gehanteerd zijn geen regels nodig voor de toerekening van een door te schuiven bedrag aan verschillende mogendheden.

Artikel 7 Vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang

Dit artikel regelt de vermindering voor niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het inkomen uit aanmerkelijk belang (box II). De vormgeving van het artikel stemt overeen met die van artikel 3 voor inkomen uit werk en woning. Verwezen zij daarom naar de toelichting op laatstgenoemd artikel.

Artikel 8 Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit aanmerkelijk belang

In deze bepaling wordt voor de tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden, overeenkomstig de in artikel 4 opgenomen bepaling voor tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden, geregeld dat de ingehouden dividendbelasting alleen voor verrekening met de verschuldigde inkomstenbelasting in aanmerking komt indien de dividenden onderdeel uitmaken van het in hoofdstuk 7 omschreven Nederlands inkomen.

Artikel 9 Vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen

Dit artikel regelt de vermindering voor niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het voordeel uit sparen en beleggen (box III). De vormgeving van het artikel stemt grotendeels overeen met die van artikel 3 voor inkomen uit werk en woning, en van artikel 7 voor inkomen uit aanmerkelijk belang. Een verschil is dat bij de bepaling van evenredigheidsbreuk wordt uitgegaan van rendementsgrondslag in plaats van inkomen. Omdat het inkomen toch steeds forfaitair op 4% van de heffingsgrondslag wordt gesteld, maakt dit evenwel geen verschil.

Verder doet zich bij in box III vallende inkomensbestanddelen niet de situatie voor dat Nederland bij inkomsten die tot het Nederlands inkomen behoren, op grond van een verdrag een beperkt heffingsrecht heeft. De voorziening voor een dergelijke situatie ontbreekt derhalve in artikel 9.

Voor binnenlandse belastingplichtigen die niet het gehele kalenderjaar in Nederland wonen, is net als in de artikelen 3 en 7 een specifieke regeling getroffen. Volgens deze bepaling wordt alleen een vermindering verleend voor het forfaitaire rendement over de niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen tijdens de periode dat de belastingplichtige niet in Nederland woonde. Voor de bepaling van de teller wordt hierbij in beginsel uitgegaan van de waarde van de bezittingen en schulden op de begindatum en de einddatum. Deze waarde wordt vervolgens naar tijdsgelang in aanmerking genomen voor de periode dat hij niet in Nederland woonde (en de zaak, het recht of de schuld gedurende die periode tot zijn vermogen behoorde). Heeft de belastingplichtige de bezittingen pas later in het jaar verkregen dan geldt de waarde op dat moment als waarde op de begindatum.

Voorbeeld van een samenloop in hetzelfde jaar van de voorkoming van dubbele belasting in de periode van binnenlandse belastingplicht en van toepassing van het keuzerecht in de periode van buitenlandse belastingplicht.

Belastingplichtige X is tot 1 oktober inwoner van Nederland. Per die datum wordt hij inwoner van Besluitland A. De heer X maakt gebruik van de in artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen keuzemogelijkheid.

Gegevens

* X is alleenstaande.

* X heeft een dienstbetrekking in Nederland, het belastbaar loon over het hele jaar bedraagt f 120 000

* Hij geniet winst uit een in land A gelegen onderneming van f 16 000. Hiervan heeft f 6000 betrekking op de periode dat hij inwoner van Nederland is, en f 10 000 betrekking op de buitenlandse periode

* Tot 1 oktober heeft X een eigen woning in Nederland; huurwaarde f 3000, hypotheekrente f 18 000

* Vanaf 1 oktober heeft hij een eigen woning in land A. Huurwaarde f 1250, hypotheekrente f 7250. Tevens ontvangt hij van de overheid van land A f 2000 als onderdeel van een belaste periodieke uitkering ter bevordering van het eigen-woningbezit

* X heeft een pakket aandelen (geen aanmerkelijk belang) waarvan de waarde op 1 januari f 300 000 bedraagt, en op 31 december f 320 000. Een deel van de aandelen is uitgegeven door een Nederlandse vennootschap. Hierop ontvangt X op 1 november een dividend van f 1000, waarop aan dividendbelasting is ingehouden f 250

* X heeft een verhuurde onroerende zaak in land A met een waarde van, zowel aan het begin als het einde van het jaar, f 400 000 en een daarmee verband houdende lening van f 200 000.

* X heeft in het jaar – grotendeels in het laatste kwartaal – f 20 000 aan alimentatie aan zijn ex-partner betaald.

* Geabstraheerd is van een eventuele bij de emigratie op te leggen conserverende aanslag.

Uitwerking

1. Wereldinkomen

Box I   
Belastbare winst uit onderneming f16 000
Belastbaar loon f120 000
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen f2 000
Belastbare inkomsten uit eigen woning-/-f21 000
(3000 + 1250 -/- 18 000 -/- 7250)  
Persoonsgebonden aftrek-/-f20 000
Belastbaar inkomen uit werk en woning f97 000
Box III  
Aandelen f310 000
(½ maal (300 000 + 320 000))   
Onroerende zaak f400 000
Lening  
(200 000 -/- 5509 )-/-f194 491
Heffingvrij vermogen-/-f38 785
Rendementsgrondslag f476 724
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen f19 069
Verschuldigde belasting:   
over het belastbaar inkomen uit werk en woning: f18 903
over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen f5 721
Verschuldigd voor aftrek heffingskorting en verminderingen f24 624

2. Voorkoming dubbele belasting binnenlandse periode (periode van 1 januari t/m 30 september)

Box I   
Buitenlands inkomen uit werk en woning f6 000
Vermindering f969
(6000 / 117 000 x 18 903)  
Box III   
Gemiddelde rendementsgrondslag in het buitenland f154 132
(¾ x (400 000 – 194 491)   
Vermindering f1 711
(154 132 / 515 509 x 5721)   
Verschuldigde belasting voor aftrek heffingskorting en verminderingen f24 624
Verminderingen binnenlandse periode (969 + 1711) f2 680
Verschuldigde belasting voor aftrek heffingskorting f21 944
Heffingskorting (belastingdeel) f500
Verschuldigde belasting voor vermindering buitenlandse periode f21 444

3. Voorkoming dubbele belasting buitenlandse periode (periode van 1 oktober t/m 31 december)

Van de heffingskorting heeft (18 903/24 624) x 500 = f 384 betrekking op de belasting over het belastbaar inkomen uit werk en woning en (5721/24 624) x 500 = f 116 betrekking op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

Box I   
Niet in Nederland te belasten inkomen f6 000
(10 000 + 1250 + 2000 -/- 7250)   
Vermindering f950
(6000 / 117 000 x (18 903 -/- 384))   
Box III   
Gemiddelde rendementsgrondslag buiten Nederland f128 877
((¼ x 310 000) + (¼ x (400 000 – 194 491)))  
Vermindering f1 401
(128 877 / 515 509 x (5721 -/- 116))   
Verschuldigde belasting voor vermindering buitenlandse periode f21 444
Vermindering buitenlandse periode (950 + 1410)-/-f2 360
Verschuldigde belasting f19 084

De dividend-uitkering van 1 november wordt, naast het forfaitaire rendement, niet afzonderlijk in aanmerking genomen. De ingehouden dividendbelasting kan niet worden verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 10 Verrekening dividendbelasting bij voordeel uit sparen en beleggen

De dividendbelasting over dividenden op Nederlandse aandelen die in box III vallen wordt niet verrekend. Dergelijke dividenden zullen bij een buitenlandse belastingplichtige nooit behoren tot het Nederlands inkomen als omschreven in hoofdstuk 7 van de wet. Zie verder de artikelen 3a en 8.

Artikel 11

In dit artikel wordt de keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht geregeld voor naar Nederland gekomen extraterritoriale werknemers. Dit zijn uit een ander land aangeworven of uitgezonden werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Voor deze onder de 30%-regeling naar Nederland gekomen werknemers wordt via het instellen van een partieel buitenlandse belastingplicht het wezen van de huidige regeling inzake fictieve buitenlandse belastingplicht gecontinueerd op grond waarvan zij vóór 2001, op verzoek, wat betreft hun vermogensinkomsten alleen werden belast voor hun binnenlandse inkomsten, dus meestal alleen voor het huurwaardeforfait als zij een eigen woning hebben en wat betreft de vermogensbelasting alleen maar voor het binnenlandse vermogen, in de praktijk meestal dus alleen de eigen woning in Nederland.

In de nieuwe opzet van de inkomstenbelasting wordt de groep van tijdelijk naar Nederland gekomen werknemers voor de heffing over de boxen II en III behandeld als waren zij buitenlands belastingplichtig.

Artikel 12

De tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. De formulering van het derde lid is zodanig gewijzigd dat deze aansluit op artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voorts is de reikwijdte van het vierde lid gewijzigd, nu artikel 3.63, vierde lid, voortaan betrekking heeft op de doorschuiffaciliteit voor mede-ondernemers in plaats van de doorschuiffaciliteit voor de familiesfeer.

Artikel 13

In dit artikel worden de aanwijzingen gegeven met betrekking tot de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling. Indien dergelijke aanspraken op grond van het eerste of tweede lid van artikel 3.83 tot het loon worden gerekend, wordt de waarde van de aanspraken steeds gesteld op de bedragen die bij een – onafhankelijke – derde zouden moeten worden gestort om de aanspraken te dekken.

Artikel 14

Artikel 14 bevat een uitwerking van de in artikel 3.126, derde lid, van de wet opgenomen delegatiebevoegdheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de aanwijzing van een buitenlands lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent of een buitenlands pensioenfonds als toegelaten aanbieder.

De in het eerste lid opgenomen voorwaarden hebben betrekking op de aanwijzing door de minister van Financiën van een in het buitenland gevestigde verzekeraar. Om te kunnen worden aangewezen als toegelaten aanbieder dient de buitenlandse verzekeraar op grond van de vereiste procedure als bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: WTV 1993) bevoegd te zijn diensten naar Nederland te verrichten. Ingevolge de artikelen 111, 113, 116 en 118 van de WTV 1993 worden aan verzekeraars met zetel in een andere lidstaat dan Nederland en verzekeraars met zetel buiten de EU voorwaarden gesteld indien zij diensten verrichten naar Nederland. Deze voorwaarden hebben onder meer betrekking op de aan de verzekeraar verleende vergunning dan wel diens bevoegdheid om in zijn zetelstaat het verzekeringsbedrijf uit te oefenen en de solvabiliteitsmarge. Een buiten Nederland gevestigde verzekeraar die diensten naar Nederland verricht, dient zich uiteraard te houden aan hier te lande geldende voorschriften. Indien een dergelijke verzekeraar inbreuk maakt op deze voorschriften kan de Verzekeringskamer een verbod opleggen om naar Nederland diensten te verrichten. De daartoe in de WTV 1993 opgenomen voorwaarden betreffen een implementatie van de in de zogenoemde derde generatie verzekeringsrichtlijnen opgenomen voorwaarden.

Met betrekking tot pensioenfondsen is Europese regelgeving vergelijkbaar met die voor het directe verzekeringsbedrijf (nog) niet tot stand gekomen. Dit betekent dat met betrekking tot de aanwijzing door de minister van Financiën van een buitenlands pensioenfonds niet kan worden volstaan met een verwijzing naar een op EU-regelgeving gebaseerde, nationale wettelijke bepaling en dat voor de toelating van buitenlandse pensioenfondsen op de Nederlandse markt zelfstandige voorwaarden moeten worden geformuleerd. Het is daarbij nadrukkelijk de bedoeling slechts een in het buitenland gevestigd «professioneel» pensioenfonds als toegelaten aanbieder aan te wijzen en pensioenbeheerders vergelijkbaar met de zogenoemde «eigen pensioenlichamen» te weren. Ingevolge de bij Brede herwaardering II geïntroduceerde wetgeving is met ingang van 1995 aan de «eigen pensioenlichamen» een groot aantal beperkingen opgelegd. Een van die beperkingen is dat het lichaam waar de aanspraken zijn ondergebracht in Nederland moet zijn gevestigd en de verplichting moet rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen. Het gaat niet aan nu de deur voor in het buitenland gevestigde eigen pensioenlichamen weer open te zetten. De in het tweede lid opgenomen voorwaarden strekken ertoe dit te voorkomen. De voorwaarde dat het pensioenfonds naar het recht van de andere staat bevoegd moet zijn pensioengelden te beheren wordt zo uitgelegd dat aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden wordt bepaald of het in die andere staat op basis van de aldaar geldende regelgeving al dan niet een «professioneel» pensioenfonds betreft. Zo zal in staten waar sprake is van een vergunningenstelsel voor pensioenfondsen de voorwaarde worden gesteld dat het fonds in het bezit is van de vereiste vergunning en dient – indien pensioenfondsen in de andere staat zijn onderworpen aan een vorm van toezicht – het fonds om voor aanwijzing in aanmerking te komen aan dit toezicht te zijn onderworpen. Ook met de voorwaarde dat het aantal deelnemers of gewezen deelnemers aan het fonds tenminste 100 bedraagt is, in samenhang met de overige voorwaarden, beoogd slechts de «professionele» in het buitenland gevestigde pensioenfondsen waarbij sprake is van een substantieel aantal deelnemers voor aanwijzing in aanmerking te laten komen.

Alvorens tot aanwijzing wordt overgegaan dient te zijn voldaan aan de in het derde lid opgenomen voorwaarden op het punt van informatieverstrekking en het stellen van zekerheid. De verzekeraar of het fonds verplicht zich tegenover de minister van Financiën inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomst. Dat betekent dat de verzekeraar of het fonds in ieder geval verplicht is inlichtingen te verstrekken indien handelingen worden verricht in strijd met de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, van de wet op basis waarvan negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. De aan de inlichtingenverstrekking te stellen voorwaarden zullen zoveel mogelijk in overeenstemming worden gebracht met de voorwaarden die op dit punt voor de binnenlandse aanbieders gelden, zoals het verstrekken van een opgave van de betaalde lijfrentepremies en -uitkeringen. Tenslotte dient de verzekeraar of het fonds voordat de overeenkomst wordt gesloten daadwerkelijk een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te hebben gesteld die toereikend is om de invordering van de Nederlandse fiscale claim of meerdere fiscale claims te realiseren. Deze zekerheid kan worden gesteld in de vorm van een bankgarantie of borgstelling die, of een hypotheek- of pandrecht dat, toereikend is voor de invordering van de belasting die verschuldigd mocht worden. De zekerheid wordt ingewonnen voor zover zich een handeling heeft voorgedaan in strijd met de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet.

De aanwijzing door de minister van Financiën kan plaatsvinden nadat de buitenlandse verzekeraar of het pensioenfonds zich, door middel van een met de minister van Financiën te sluiten overeenkomst, akkoord heeft verklaard met de aan de aanwijzing verbonden voorwaarden. Van de buitenlandse toegelaten verzekeraars en pensioenfondsen worden – bij voorkeur jaarlijks – lijsten gepubliceerd. Daarbij zal tevens worden aangegeven of de verlangde zekerheid wordt gesteld door de toegelaten aanbieder, dan wel door de verzekeringnemer.

Met het vierde lid wordt bewerkstelligd dat de buitenlandse verzekeraar of het pensioenfonds niet aan de in het derde lid opgenomen verplichting tot het stellen van zekerheid hoeft te voldoen indien deze zekerheid door de belastingplichtige, de verzekeringnemer, wordt gesteld. Deze heeft dan, naast de in het derde lid bedoelde zekerheidstelling, tevens de mogelijkheid zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de fiscus. De zekerheid dient te worden gesteld voordat de overeenkomst wordt gesloten, dan wel voordat de overdracht van het lijfrentekapitaal aan een buitenlandse toegelaten aanbieder plaatsvindt. Ingeval een verdere opbouw van de aanspraken plaatsvindt dient de zekerheidstelling, zo nodig, jaarlijks te worden verhoogd. Ingeval de zekerheidstelling door de belastingplichtige plaatsvindt via een verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger is het noodzakelijk dat de buitenlandse aanbieder instemt met deze verpanding en bereid is mee te werken aan een juiste uitvoering van de verpanding. Dit betekent dat bij een feitelijke uitwinning het kapitaal niet aan de deelnemer maar aan de ontvanger ter beschikking moet worden gesteld.

Indien de buitenlandse verzekeraar of het buitenlandse pensioenfonds niet meer aan de voorwaarden voor aanwijzing voldoet, of niet meewerkt aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding, kan de aanwijzing worden ingetrokken. Of daadwerkelijk tot een intrekking van de aanwijzing zal worden overgegaan is onder meer afhankelijk van de aard en de kwantiteit van de schending van de voorwaarden. Intrekking heeft tot gevolg dat alle bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde lijfrenten vanaf dat moment zijn ondergebracht bij een niet toegelaten verzekeraar of pensioenfonds en als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. Ingeval het een aangewezen buitenlandse verzekeraar of pensioenfonds betreft waarbij de zekerheid is gesteld door de belastingplichtige, heeft een handeling van de belastingplichtige waardoor de zekerheidstelling vervalt geen consequenties voor de aanwijzing van de buitenlandse verzekeraar van de lijfrenten. Dit laat onverlet dat de belastingplichtige een handeling heeft verricht die leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

Indien daadwerkelijk tot een intrekking van de aanwijzing wordt overgegaan, wordt aan verzekeringnemers die lijfrenten hebben verzekerd bij de verzekeraar of het fonds dat niet meer aan de voorwaarden voldoet, ingevolge het zesde lid de mogelijkheid geboden onder nader te stellen voorwaarden de lijfrenten zonder fiscale gevolgen alsnog over te dragen aan een toegelaten aanbieder.

Artikel 15

In artikel 15 wordt uitvoering gegeven aan de in artikel 3.127, zesde lid, van de wet, opgenomen delegatiebepaling om regels te stellen met betrekking tot de bepaling van de waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. In het eerste lid is geregeld dat de verzekeraars van een pensioen een opgave verstrekken van de aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken die recht geven op een levenslang ouderdomspensioen. Ingeval geen sprake is van een dienstbetrekking gaat het om de aangroei van het ouderdomspensioen die het gevolg is van het feit dat men één jaar langer aan de pensioenregeling heeft deelgenomen of, ingeval het een ouderdomspensioen betreft dat in dienstbetrekking wordt opgebouwd, men één jaar langer in dienstbetrekking werkzaam is. Het betreft derhalve de pensioenaangroei die het gevolg is van een jaar langer actief deelnemen aan de regeling. Een aangroei die het gevolg is van een passieve deelname («slapers») wordt niet in aanmerking genomen. Zoals hiervoor is aangegeven betreft het de aangroei van het levenslange ouderdomspensioen en wordt bij de vaststelling van pensioenaangroei – veelal aangeduid als de factor A – met tijdelijke pensioenen, zoals een prepensioen en een tijdelijk overbruggingspensioen, vooralsnog om met name praktische redenen geen rekening gehouden. Het thans in aanmerking nemen van tijdelijke rechten zou de gegevensverstrekking aan de belastingplichtigen te zeer compliceren. Dit neemt niet weg dat op termijn ten principale zal worden bezien of imputatie van tijdelijke pensioenrechten op de jaarruimte voor de lijfrentepremie-aftrek wenselijk en uitvoerbaar is.

In het tweede lid is aangegeven op welke wijze de aangroei van het pensioen wordt bepaald. Op grond van onderdeel a, wordt de aangroei van een beschikbare-premiepensioen vastgesteld met behulp van percentages per leeftijdscategorie van 5 jaar waarmee de op het kalenderjaar betrekking hebbende pensioenpremies moeten worden vermenigvuldigd. Het percentage is uitgedrukt in een gezamenlijke premie voor het ouderdomspensioen, de premie voor het nabestaandenpensioen en vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid en is onder meer gebaseerd op een levenslang ouderdomspensioen, ingaande op 63-jarige leeftijd en een nabestaandenpensioen van 70% van het ouderdomspensioen. Voor de toepassing van de «omrekentabel» blijft een tijdelijke regeling buiten aanmerking indien het een afzonderlijke regeling betreft waarvoor een afzonderlijke premie wordt gecalculeerd. Uitgangspunt is de aangroei van het pensioen ingevolge een beschikbare-premieregeling zodanig vast te stellen dat deze vergelijkbaar is met de aangroei van een eindloon- of middelloonregeling zoals die op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt vastgesteld.

In onderdeel b is aangegeven dat de aangroei van de overige ouderdomspensioenen, zoals eindloon- en middelloonregelingen, wordt bepaald door een vermenigvuldiging van het in het kalenderjaar van toepassing zijnde opbouwpercentage van de pensioenaanspraken met de pensioengrondslag van het kalenderjaar. Concreet betekent dit dat ingeval wordt deelgenomen aan een eindloonregeling waarbij in het kalenderjaar een aanspraak wordt opgebouwd van 1,75%, de aangroei wordt vastgesteld op 1,75% van de pensioengrondslag van het desbetreffende jaar. Indien tevens wordt deelgenomen aan individuele modules dient voor de vaststelling van de pensioenaangroei het opbouwpercentage van het verplicht gestelde deel van de pensioenregeling te worden verhoogd met het opbouwpercentage van de individuele modules. Indien het verplichte deel van de pensioenregeling voorziet in een eindloonregeling waarbij in het kalenderjaar een aanspraak wordt opgebouwd van 1,5% en de aanspraak ingevolge een individuele module in het kalenderjaar 0,25% eindloon bedraagt, wordt het opbouwpercentage van het kalenderjaar vastgesteld op 1,75%. Wordt de individuele module gefinancierd via een beschikbare-premie, dan dient de aangroei voor dit deel van het pensioen te worden vastgesteld aan de hand van de in onderdeel a opgenomen regeling. Volledigheidshalve zij hierbij vermeld dat de aangroei van het pensioen als gevolg van de aanwending van gedeblokkeerd spaarloon of premiesparen voor individuele pensioenmodules voor de bepaling van de factor A niet in aanmerking wordt genomen. Deze premies komen ingevolge artikel 3.127, tweede juncto vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 immers reeds in mindering op de jaarruimte.

Met de omstandigheid dat eventueel geen nabestaandenpensioen wordt opgebouwd, wordt, met name vanwege de mogelijkheid van het ruilen van een nabestaandenpensioen voor een hoger ouderdomspensioen, bij de vaststelling van de pensioenaangroei geen rekening gehouden. Bij deeltijdfuncties worden de pensioenen berekend met toepassing van de deeltijdfactor. De deeltijdfactor werkt derhalve door in de vaststelling van de pensioenaangroei.

De pensioenuitvoerder verstrekt jaarlijks een opgave van de op basis van het tweede lid vastgestelde aangroei van het pensioen. Voor de vaststelling van de jaarruimte voor lijfrentepremie-aftrek dient de belastingplichtige het door de pensioenuitvoerder opgegeven bedrag te vermenigvuldigen met 7,5. De opgave van de waardeaangroei dient ingevolge het derde lid binnen vijf maanden na afloop van het kalenderjaar aan de belastingplichtige te worden verstrekt. De belastingplichtige heeft dan – gelet op de in artikel 3.130, tweede lid, van de wet, geboden mogelijkheid van terugwenteling – nog tot 1 juli in het volgende kalenderjaar de gelegenheid een fiscaal aftrekbare lijfrentepremie te betalen. Voor de vaststelling van de jaarruimte voor de realisatie van lijfrentepremie-aftrek over de jaren 2001 en 2002 wordt deze termijn van vijf maanden bij wijze van overgangsmaatregel verlengd naar tien maanden. Dit betekent dat de pensioenuitvoerders voor 1 november 2002 de opgave van de pensioenaangroei in het jaar 2001 moeten verstrekken en voor 1 november 2003 de opgave van de pensioenaangroei in het jaar 2002. Hiertoe is de in artikel 3.130, tweede lid, van de wet, opgenomen mogelijkheid van terugwenteling van zes maanden bij wijze van overgangsmaatregel voor de jaren 2001 en 2002 verlengd naar twaalf maanden. Belastingplichtigen hebben derhalve nog twaalf maanden na afloop van de jaren 2001 en 2002 de gelegenheid lijfrentepremies te betalen ter compensatie van een pensioentekort dat zich in de desbetreffende jaren voordoet.

Bij de opbouw van het ouderdomspensioen wordt rekening gehouden met de te zijner tijd te ontvangen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Gegeven de totale pensioenuitkering is het aanvullende pensioen hoger naarmate rekening wordt gehouden met een lagere AOW-uitkering. In het vierde lid is aangegeven dat de pensioengrondslag wordt bepaald door het pensioengevend inkomen te verminderen met de in aanmerking genomen AOW inbouw.

Voor de vaststelling van het pensioengevend inkomen en in het verlengde daarvan de pensioengrondslag wordt idealiter uitgegaan van de door de werkgever verstrekte jaaropgaaf. Het komt echter ook voor dat pensioenuitvoerders de pensioengrondslag op een peildatum die is gelegen in de tweede helft van het jaar vaststellen en de pensioenopbouw daarop baseren. In dat geval dienen mutaties die zich na de peildatum voordoen en die leiden tot een aanpassing van de pensioengrondslag waarop de pensioenuitvoerder de pensioenopbouw baseert, in de opgave aan de belastingplichtige te worden verwerkt.

Artikel 16

Artikel 16 geeft in de eerste plaats uitvoering aan de in artikel 4.25, vierde lid, van de wet opgenomen delegatiebepaling om bij immigratie van een belastingplichtige regels te stellen ten aanzien van de hoogte van de verkrijgingsprijs van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen. Artikel 16 bevat in de tweede plaats een uitwerking van de in artikel 4.25, vijfde lid, van de wet opgenomen delegatiebevoegdheid om bij immigratie nadere regels te stellen met betrekking tot het verminderen van een conserverende aanslag bij de vaststelling waarvan artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, is toegepast en waarvoor nog uitstel van betaling loopt. Artikel 16 is gedeeltelijk ontleend aan artikel 3e van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.

Uit het eerste lid blijkt in aansluiting op de delegatiebepalingen van artikel 4.25, vierde en vijfde lid, van de wet, dat de in dit artikel gegeven regels voor situaties waarin een belastingplichtige in Nederland gaat wonen slechts gelden indien de belastingplichtige tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in of winstbewijzen op een in Nederland gevestigde vennootschap heeft of hij eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5, zevende lid, van de wet ten aanzien van zijn tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen is toegepast. Het eerste lid heeft verder als functie aan te geven dat de hoofdregel is dat de verkrijgingsprijs wordt vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs van artikel 4.21 van de wet. In de volgende artikelleden worden er aanvullende regels gegeven met betrekking tot de hoogte van de verkrijgingsprijs. Uitgangspunt ten aanzien van deze regels is dat een waardeontwikkeling die is ontstaan in een binnenlandse periode uiteindelijk eenmalig dient te worden betrokken in de aanmerkelijkbelangheffing. Zo zal een aanmerkelijkbelangclaim die is ontstaan in een periode dat belastingplichtige reeds buitenlands belastingplichtig was na immigratie behouden moeten blijven. De immigratie moet echter niet tot gevolg hebben dat er een claim wordt gevestigd op een in de buitenlandse periode ontstane waardestijging, dat er een verlies dat is ontstaan in een buitenlandse periode wordt geïmporteerd of dat een waardedaling of waardestijging uiteindelijk tweemaal in aanmerking wordt genomen.

Het tweede lid bepaalt dat indien op het tijdstip waarop de belastingplichtige in Nederland gaat wonen een hogere waarde aan de aandelen of winstbewijzen in het economische verkeer kan worden toegekend, de verkrijgingsprijs wordt vermeerderd met de waardeaangroei van die aandelen of winstbewijzen ten opzichte van de historische verkrijgingsprijs voorzover blijkt dat de belastingplichtige in verband met het verlaten van een ander land belasting heeft betaald over de waardeaangroei. De werking van deze bepaling kan aan de hand van de volgende twee voorbeelden worden toegelicht.

Voorbeeld Een belastingplichtige bezit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap met een historische verkrijgingsprijs van f 100. Hij emigreert. Op het tijdstip van emigratie bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 300. Twee jaar later gaat hij weer in Nederland wonen. Op dat tijdstip bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 700. Belastingplichtige dient in verband met zijn vertrek naar Nederland in het andere land belasting te betalen over de waardeaangroei in de buitenlandse periode van f 400. De verkrijgingsprijs wordt op grond van het tweede lid vastgesteld op f 100 vermeerderd met f 400 is f 500.

Voorbeeld

Een belastingplichtige bezit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap met een historische verkrijgingsprijs van f 100. Hij verhuist in 1996 naar een ander land. Op dat moment bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 80. Op grond van de toenmalige wetgeving leidde deze emigratie niet tot het in aanmerking nemen van een verlies uit aanmerkelijk belang. Nadien gaat hij weer in Nederland wonen. Op dat moment bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 130. Belastingplichtige dient in verband met zijn vertrek naar Nederland in het andere land belasting te betalen over de waardeaangroei in de buitenlandse periode van f 50. Ten opzichte van de historische verkrijgingsprijs bedraagt de waardestijging van de aandelen echter slechts f 30. De historische verkrijgingsprijs van f 100 wordt daarom vermeerderd met f 30 tot een verkrijgingsprijs van f 130.

Het derde lid bepaalt dat de verkrijgingsprijs wordt vermeerderd met een gebleken waardeaangroei boven de historische verkrijgingsprijs voorzover deze is ontstaan in een periode waarin geen belastingplicht in Nederland bestond ten aanzien van de aandelen of winstbewijzen. Deze laatste situatie doet zich bijvoorbeeld voor indien belastingplichtige aandelen in een vennootschap bezit die feitelijk niet in Nederland is gevestigd en hij deze aandelen heeft verkregen in de periode dat hij nog niet in Nederland woonde. In die situatie wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het tijdstip waarop belastingplichtige in Nederland gaat wonen, aangezien Nederland nog geen claim op de aandelen had. Ook in de situatie waarin de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland woonde aandelen verkreeg in een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die niet valt onder de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, zesde lid, van de wet, zal de verkrijgingsprijs bij immigratie worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer.

Een vermeerdering van de verkrijgingsprijs op grond van het derde lid blijft achterwege voorzover met de waardeaangroei reeds rekening is gehouden ingevolge het tweede lid, in verband met het feit dat in het andere land in verband met het verlaten van dat land belasting is betaald over die waardeaangroei.

Het derde lid komt in de plaats van het huidige hardheidsclausulebeleid zoals dat is neergelegd in het Besluit van 16 juni 1999, DB99/1272M, V-N 1999/30.10, onderdeel C3. In het derde lid is een iets andere lijn gekozen dan in genoemd besluit vanwege het uitgangspunt dat alleen waardeontwikkelingen die zijn ontstaan in een periode waarin belanghebbende binnenlands dan wel buitenlands belastingplichtig was ten aanzien van de aandelen of winstbewijzen uiteindelijk in de aanmerkelijkbelangheffing moeten worden betrokken. De werking van het derde lid kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden toegelicht.

Voorbeeld

Een buitenlands belastingplichtige bezit aandelen in een in Nederland gevestigde BV met een verkrijgingsprijs van f 100. De zetel van de vennootschap wordt naar het buitenland verplaatst. De waarde in het economische verkeer van de aandelen bedraagt op dat moment f 150. In verband met verdragstoepassing wordt er bij zetelverplaatsing niet afgerekend over de waardeaangroei. Belanghebbende blijft door de toepassing van artikel 7.5, zesde lid, van de wet nog 10 jaar belastingplichtig ten aanzien van de aandelen. Na verloop van deze termijn bedraagt de waarde in het economische verkeer van de aandelen f 80. Een aantal jaren later verhuist belanghebbende naar Nederland. De waarde in het economische verkeer van zijn aandelen bedraagt op dat moment f 200. In het andere land wordt belasting geheven ter zake van het verlaten van dat land over de waardestijging die is ontstaan sinds het tijdstip waarop de vennootschap in dat land is gevestigd. Deze waardestijging bedraagt f 50. Aangezien de BV door de werking van artikel 4.35 wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd, bedraagt de verkrijgingsprijs bij immigratie op grond van het eerste lid in beginsel f 100. Op grond van het tweede lid wordt de verkrijgingsprijs met f 50 vermeerderd tot f 150. De aandelen zijn in de periode dat belanghebbende in Nederland niet belastingplichtige was met f 120 in waarde gestegen. Ten opzichte van de historische verkrijgingsprijs bedraagt de waardestijging slechts f 100. Bovendien is met deze waardestijging op grond van het tweede lid reeds voor de helft rekening gehouden. De verkrijgingsprijs wordt op grond van het derde lid derhalve verder verhoogd met f 50 tot f 200.

Op grond van het vierde lid wordt de historische verkrijgingsprijs verminderd met een waardedaling van de aandelen of winstbewijzen beneden de historische verkrijgingsprijs die is ontstaan in een periode dat belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet belastingplichtig was in Nederland. De werking van dit artikel kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden toegelicht.

Voorbeeld

Een belastingplichtige bezit aandelen in een in het buitenland gevestigde vennootschap met een historische verkrijgingsprijs van f 100. Hij verhuist naar het buitenland. Op dat moment bedraagt de waarde in het economische verkeer van de aandelen f 130. Enkele jaren later verhuist hij weer naar Nederland. De waarde in het economische verkeer van zijn aandelen bedraagt dan f 90. In de periode dat belanghebbende in Nederland niet belastingplichtig was zijn de aandelen ten opzichte van de historische verkrijgingsprijs met f 10 in waarde gedaald. De historische verkrijgingsprijs van f 100 wordt daarom verminderd met f 10 tot f 90.

In het vijfde lid worden regels gegeven ten aanzien van de vermindering van een bij emigratie of zetelverplaatsing opgelegde aanslag waarvoor nog uitstel van betaling loopt. Deze regels zijn ontleend aan artikel 3e, eerste en derde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.

Heeft artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, van de wet toepassing gevonden en is uitstel van betaling verleend, dan wordt de verkrijgingsprijs van de nog tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen ingevolge het zesde lid vermeerderd met de aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid. Een uitzondering geldt voor de situatie waarin over de waardeaangroei die op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, van de wet in het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang was betrokken in een ander land belasting blijkt te zijn betaald in verband met het verlaten van dat land. In die situatie wordt de historische verkrijgingsprijs van de aandelen op grond van het tweede lid reeds verhoogd met de waardeaangroei.

De eerste volzin van het zevende lid is ontleend aan artikel 3e, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. De bepaling voorkomt dat een waardeaangroei waarover in verband met een eerdere remigratie reeds is afgerekend in de toekomst nogmaals in de aanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken. De tweede volzin voorkomt dat de verkrijgingsprijs twee maal wordt vermeerderd met een en dezelfde waardeaangroei.

Het achtste lid voorkomt dat eenzelfde verlies tweemaal in aanmerking zou kunnen worden genomen. Heeft artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, van de wet toepassing gevonden en is daarbij een negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen, dan wordt de verkrijgingsprijs verminderd met dit negatieve vervreemdingsvoordeel. De werking van dit lid kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden toegelicht.

Voorbeeld

Een belastingplichtige bezit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap met een historische verkrijgingsprijs van f 100. Hij verhuist in 2001 naar een ander land. Op dat moment bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 80. Er wordt een aanmerkelijkbelangverlies van f 20 in aanmerking genomen. In 2003 gaat hij weer in Nederland wonen. Op dat moment bedraagt de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen f 130. Belastingplichtige dient in verband met zijn vertrek naar Nederland in het andere land belasting te betalen over de waardeaangroei in de buitenlandse periode van f 50. Ten opzichte van de historische verkrijgingsprijs bedraagt de waardestijging van de aandelen slechts f 30, zodat de historische verkrijgingsprijs van artikel 4.21 op grond van het tweede lid wordt verhoogd met f 30. De verkrijgingsprijs wordt daarnaast op grond van het achtste lid verminderd met f 20. De verkrijgingsprijs bij immigratie wordt aldus gesteld op f 110.

Het negende lid geeft een uitzondering op de voorgaande leden. Indien een belastingplichtige die aandelen in of winstbewijzen op een niet in Nederland gevestigde vennootschap bezit in Nederland gaat wonen en hij in het verleden reeds in Nederland heeft gewoond, maar bij zijn vertrek uit Nederland de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet krachtens de passantenregeling buiten toepassing is gelaten, wordt de verkrijgingsprijs van zijn nog tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de waarde die op het tijdstip waarop belastingplichtige in Nederland gaat wonen in het economische verkeer aan die aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend.

In het tiende lid worden regels gegeven voor de situatie waarin belastingplichtige in de periode dat hij in het buitenland woonachtig was onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel aandelen in of winstbewijzen op een in Nederland gevestigde vennootschap heeft verkregen. In dat geval is bij degene van wie de aandelen of winstbewijzen zijn verkregen de toepassing van artikel 4.17 achterwege gelaten, omdat de verkrijger niet binnenlands belastingplichtig was. Het tiende lid is alleen van toepassing indien aan degene van wie de aandelen of winstbewijzen zijn verkregen uitstel van betaling is verleend krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingwet 1990 en nog steeds uitstel van betaling loopt. Alsdan is de situatie te vergelijken met het geval waarin een binnenlands belastingplichtige erfgenaam de aandelen of winstbewijzen verkrijgt en de bestaande aanmerkelijkbelangclaim op grond van artikel 4.17 wordt doorgeschoven. Met het tiende lid wordt een vergelijkbaar resultaat bereikt. De werking van het tiende lid kan worden toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

X bezit aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap en overlijdt. De verkrijgingsprijs van zijn aandelen bedraagt f 100, terwijl aan de aandelen in het economische verkeer op het tijdstip van overlijden een waarde kan worden toegekend van f 1100. Zijn zoon Y, die in het buitenland woonachtig is, erft de aandelen. Bij X wordt op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de wet een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van f 1000. De toepassing van artikel 4.17 blijft achterwege aangezien Y in het buitenland woonachtig is. Over het vervreemdingsvoordeel is f 250 belasting verschuldigd. Krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt uitstel van betaling verleend voor dit bedrag. Een jaar later gaat Y in Nederland wonen. Voor het bedrag van f 250 loopt nog steeds uitstel van betaling. Op grond van het eerste lid wordt de verkrijgingsprijs van Y vastgesteld op zijn historische verkrijgingsprijs van f 1100, welke verkrijgingsprijs op grond van het tiende lid wordt verminderd met 4 maal f 250. De verkrijgingsprijs van Y bedraagt aldus f 100. De aanslag van X wordt verminderd met een bedrag van f 1000.

Het elfde lid voorkomt dat belastingplichtige een belastingclaim op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in of winstbewijzen op een in Nederland gevestigde vennootschap blijvend zou kunnen ontgaan door voordat hij in Nederland gaat wonen zijn aandelen of winstbewijzen, bijvoorbeeld door middel van een aandelenruil, te vervreemden aan een (buitenlandse) holding. Belastingbesparende constructies uit de praktijk vormen de aanleiding voor dit artikelonderdeel.

De werking van het elfde lid kan worden toegelicht aan de hand van de volgende voorbeelden.

Voorbeeld

Belastingplichtige X woont in Y-land. Hij heeft een aanmerkelijk belang in de feitelijk in Nederland gevestigde, naar het recht van Y-land opgerichte, vennootschap A. Op grond van het systeem van de wet blijft bij immigratie voor hem zijn historische verkrijgingsprijs (f 100) gelden. Voorafgaand aan zijn immigratie brengt hij zijn aandelen echter ten titel van storting op aandelen in in een naar het recht van Y-land opgerichte vennootschap B. De waarde in het economisch verkeer van de aandelen in vennootschap A bedragen ten tijde van de inbreng (f 1100). De werking van het elfde lid bewerkstelligt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen in vennootschap B wordt gesteld op f 100, te weten de historische verkrijgingsprijs van de aandelen in vennootschap A.

Indien in Y-land over de waardestijging van die aandelen, bijvoorbeeld van f 800 naar f 1100, inkomstenbelasting is geheven van eveneens 25%, leidt de tweede volzin van het elfde lid ertoe dat de verkrijgingsprijs wordt gesteld op (100 + (1100 -/- 800) = f 400.

Indien de in het voorbeeld bedoelde vennootschap A pas feitelijk in Nederland is gevestigd toen de waarde van de aandelen f 500 bedroeg, heeft Nederland op grond van de wet over de waardeaangroei van f 100 naar f 500 nimmer een claim gehad. Op grond van de derde volzin van het elfde lid, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap B daarom gesteld op f 500. Dit is het verschil tussen de historische verkrijgingsprijs van de aandelen in vennootschap B (f 1100) verminderd met het verschil tussen de waarde van de aandelen in de vennootschap A ten tijde van de inbreng van die aandelen in de vennootschap B (f 1100) verminderd met de verkrijgingsprijs van de aandelen in vennootschap A (f 500). Daarbij is de verkrijgingsprijs van de aandelen in vennootschap A gesteld op de historische verkrijgingsprijs verhoogd met de waardeaangroei (van f 100 naar f 500) waarop geen Nederlandse aanmerkelijkbelangclaim rustte.

Voor de toepassing van dit artikel worden ten slotte in het twaalfde lid met enkele bepalingen uit de wet gelijkgesteld enkele bepalingen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Verder worden met enkele bepalingen uit de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld enkele bepalingen uit de Invorderingswet 1990 zoals deze gold tot 1 januari 2001. Met deze gelijkstellingen wordt bereikt dat de regels in dit artikel ten aanzien van de hoogte van de verkrijgingsprijs bij immigratie en ten aanzien van de vermindering van een aanslag waarvoor uitstel van betaling is verleend, gelden onafhankelijk van het antwoord op de vraag in welk jaar een eerdere emigratie of zetelverplaatsing heeft plaatsgevonden of in welk jaar belastingplichtige de aandelen of winstbewijzen onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel heeft verkregen.

Artikel 17

In artikel 5.7 van de wet is een zelfstandige vrijstelling opgenomen voor natuurterreinen die geen deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed. In dit artikel wordt het begrip «natuurterrein» omschreven. Onder het begrip natuurterreinen vallen hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover het geen landbouwgrond is. Deze definitie komt overeen met de definitie van natuurterreinen die in het kader van de Natuurschoonwet 1928 wordt gehanteerd. Voor de vrijstelling in de inkomstenbelasting is niet gekozen voor het instrument van rangschikking zoals bij landgoederen. Mede daarom is overwogen om de definitie enigszins aan te scherpen, bijv. zodanig dat slechts natuurterreinen waarop krachtens een goedgekeurd bestemmingsplan of een vastgesteld streekplan daadwerkelijk de bestemming natuur rust, in aanmerking zouden kunnen komen voor de vrijstelling. De bedoeling van de vrijstelling is dat alleen terreinen met een duurzame bestemming als natuurterrein in aanmerking komen voor de vrijstelling. Gelet op het relatief geringe aantal natuurterreinen dat zich in de praktijk bij particulieren bevindt, hebben wij er vooralsnog voor gekozen een aanscherping als hiervoor bedoeld (nog) niet in de definitie in te bouwen. Mocht in de toekomst blijken dat de vrijstelling aanleiding geeft voor onbedoeld gebruik dan kan alsnog een aanscherping worden overwogen.

Artikel 18

Uitgangspunt voor de waardering van genotsrechten op grond van artikel 5.22 van de wet is de waarde in het economische verkeer en het percentage van het forfaitaire rendement. Als handreiking aan de praktijk zijn deze uitgangspunten in combinatie met artikel 19 voor een aantal situaties nader uitgewerkt. Voor deze situaties is onder toepassing van een rekenrente van 4% aansluiting gezocht bij de waarderingssystematiek van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 en het (vervallen) Uitvoeringsbesluit vermogensbelasting 1964.

Artikel 19

Op grond van artikel 5.23 van de wet kunnen aanvullende regels worden gesteld ten behoeve van de waardering van bezittingen en schulden. Voorshands is volstaan met regels voor periodieke uitkeringen zoals saldolijfrenten. Komt in de praktijk op bepaalde terreinen toch behoefte aan nadere uitwerking, dan kan alsnog worden overgegaan tot nadere uitwerking op die terreinen.

De in het eerste en tweede lid opgenomen waarderingstabellen zijn gebaseerd op zogenoemde mannenoverlevingstafels zoals die door het Actuarieel Instituut worden vastgesteld. Het Actuarieel Instituut hanteert voor mannen en vrouwen afzonderlijke overlevingstafels. Unisex-overlevingstafels, betrekking hebbend op de gehele bevolking, zijn derhalve niet beschikbaar. Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek registreert het bevolkingsbestand in dit kader uitsluitend naar mannen en vrouwen. Om niet tot twee geslachtsafhankelijke tabellen te komen, is ervoor gekozen om de mannenoverlevingstafel als uitgangspunt voor de waarderingstabellen van het eerste en tweede lid te nemen. Door middel van vergelijking van de vrouwenoverlevingstafel met de mannenoverlevingstafel is vervolgens voor de toepassing van de mannentafel op van het leven van vrouwen afhankelijke rechten een leeftijdsterugstelling afgeleid van vijf jaar (dus werkelijke leeftijd minus vijf jaar).

Artikel 20

Dit artikel bevat de uitwerking van de delegatiebepaling van artikel 6.25 van de Wet IB 2001. Het bepaalt wanneer een kind voor de toepassing van de bepaling inzake weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen als ernstig gehandicapt wordt beschouwd. De omschrijving is ongewijzigd overgenomen van artikel 10a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 en komt er in essentie op neer dat het kind als ernstig gehandicapt wordt beschouwd als het vanwege zijn handicap doorgaans in een AWBZ-instelling verblijft.

Artikel 21

Artikel 21 regelt voor twee situaties de gevolgen voor de verkrijgingsprijs van buitenlandse aanmerkelijkbelanghouders in het geval van een gedeeltelijke kwijtschelding van een conserverende aanslag.

Een dergelijke kwijtschelding kan in de eerste plaats plaatsvinden doordat in de jaren na emigratie dividenden zijn uitgekeerd waarop Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Achtergrond van de kwijtschelding van de conserverende aanslag is het feit dat dergelijke dividenden worden geacht afkomstig te zijn uit de ten tijde van de emigratie aanwezige winstreserves. Indien in een dergelijke situatie de op grond van artikel 7.6, eerste of tweede lid, van de wet opgehoogde verkrijgingsprijs zou blijven gelden, zou dit tot gevolg hebben dat de belastingplichtige bij een latere vervreemding een negatief vervreemdingsvoordeel zal lijden, terwijl in werkelijkheid geen verlies is geleden. Op deze wijze zou op eenvoudige wijze – zoals ook in de fiscale literatuur is geconstateerd – de fiscale claim op de ten tijde van de emigratie aanwezige winstreserves teniet kunnen worden gedaan. In feite wordt in een dergelijke situatie de emigratieheffing weer teruggenomen, wat uitdrukkelijk niet de bedoeling is. In het eerste lid van artikel 21 wordt daarom bepaald dat de op grond van artikel 7.6, eerste of tweede lid, van de wet opgehoogde verkrijgingsprijs wordt verminderd met het bedrag van de reguliere voordelen waarvoor op grond van artikel 26, derde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend.

Het tweede lid heeft betrekking op de situatie waarin een bij emigratie of bij zetelverplaatsing opgelegde conserverende aanslag na 10 jaar wordt kwijtgescholden. Zonder een verlaging van de verkrijgingsprijs ingevolge het tweede lid zou bij een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap de fiscale claim op de in de Nederland ontstane winstreserves verloren gaan. Dit zou echter een aanmerkelijk gunstigere fiscale behandeling inhouden ten opzichte van de buitenlandse belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap die nimmer in Nederland heeft gewoond. Deze laatste is immers belastingplichtig over de volledig waardeaangroei van de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap. Met het tweede lid wordt bereikt dat beide situaties na afloop van de 10-jaarstermijn gelijk worden behandeld. Ingevolge het tweede lid wordt de verkrijgingsprijs na afloop van genoemde termijn doorgaans gesteld op de historische verkrijgingsprijs. Onder omstandigheden leidt de berekening uit het tweede lid tot een lager dan wel hoger bedrag. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een belastingplichtige verhuist naar een ander land en enige tijd later de zetel van de vennootschap wordt verplaatst naar het andere land.

De werking van artikel 21 kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden toegelicht. Een belastingplichtige die aandelen heeft in een in Nederland gevestigde vennootschap gaat in een ander land wonen. De historische verkrijgingsprijs van zijn aandelen bedraagt f 100. Op het tijdstip van emigratie kan aan de aandelen een waarde van f 1100 in het economische verkeer worden toegekend. Op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet wordt een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van f 1000. De verschuldigde belasting hierover bedraagt f 250. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt krachtens artikel 7.6, eerste lid, van de wet voortaan gesteld op f 1100. Ingevolge artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt uitstel van belasting verleend. Een jaar later wordt f 500 dividend uitgekeerd. Hierover wordt in verband met de verdragstoepassing feitelijk 15% dividendbelasting geheven. Op grond van artikel 26, derde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 wordt een bedrag van f 75 kwijtgescholden. Er resteert een aanslag van f 175. Op grond van het eerste lid van artikel 21 wordt de verkrijgingsprijs van f 1100 verminderd met het bedrag van de dividenduitkering van f 500. Er resteert een verkrijgingsprijs van f 600.

Indien het restant van de aanslag van f 175 tien jaar na emigratie wordt kwijtgescholden krachtens artikel 26, derde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 wordt de verkrijgingsprijs ingevolge het tweede lid van artikel 21 aangepast. De verkrijgingsprijs wordt verminderd met vier maal het bedrag dat ingevolge artikel 26, derde lid, onderdeel a en onderdeel c, van de Invorderingwet 1990 is kwijtgescholden (4 maal f 250 is f 1000). De verkrijgingsprijs wordt daarnaast vermeerderd met het bedrag van de reguliere voordelen waarmee de verkrijgingsprijs ingevolge het eerste lid was verminderd (f 500). Na afloop van de 10-jaarstermijn wordt de verkrijgingsprijs derhalve vastgesteld op f 100 (f 600 -/- f 1000 + f 500).

Artikel 22

Voor een goede en efficiënte uitvoering van de Wet IB 2001 is het noodzakelijk dat bepaalde administratieplichtigen hun renseignementen over natuurlijke personen eigener beweging en voorzien van sociaal-fiscale nummers aan de rijksbelastingdienst verstrekken. In dit artikel wordt geregeld welke administratieplichtigen en welke gegevens en inlichtingen hieronder vallen. Deze regeling is na overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars tot stand gekomen.

Voor de groep van aangewezen administratieplichtigen is aansluiting gezocht bij de groep administratieplichtige financiële instellingen die onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op basis van artikel 53, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op verzoek gegevens (zoals rente, dividend, genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering, vervreemding levensverzekering) renseigneren. Bij het benoemen van de relevante financiële instellingen is gebruik gemaakt van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 opgenomen definitie van het begrip financiële instelling. In algemene bewoordingen gaat het om banken, effectenbemiddelaars, vermogensbeheerders, beleggingsinstellingen en levensverzekeraars.

De opsomming van de te verstrekken gegevens en inlichtingen komt in grote lijnen overeen met de in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 75) opgenomen opsomming.

Onder de in het tweede lid, onderdeel i, opgenomen prestatie uit levensverzekering worden ook periodieke uitkeringen begrepen.

De rente en de opbrengst worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden dan wel vorderbaar en inbaar zijn geworden. De renseigneringsverplichting over rekeningen ziet niet alleen op rekeningen die luiden in guldens, maar ook op rekeningen die in andersoortige eenheden worden geadministreerd, te weten: vreemde valuta en effecten. Uit doelmatigheidsoverwegingen is in het zesde lid voor de renseigneringsverplichting een drempel per rekening opgenomen. Indien van een rekening het saldo lager is dan € 500 (f 1102) en het rentebedrag of dividendbedrag lager is dan € 11 (f 24) kan de verstrekking van de gegevens en inlichtingen over die rekening achterwege worden gelaten. Tevens kan de verstrekking van de gegevens en inlichtingen over een recht op kapitaalsuitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering achterwege worden gelaten indien het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel bij het ontbreken hiervan, de waarde in het economische verkeer van het recht aan het einde van het kalenderjaar lager is dan € 46 984 (f 103 539).

In het derde lid is een definitie van het rentebegrip opgenomen die in overeenstemming is met de invulling die de Hoge Raad aan dit begrip onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft gegeven (vgl. BNB 1995/224 en 225).

De onderverdeling, bedoeld in het vijfde lid, houdt verband met het feit dat de in de onderdelen a tot en met c bedoelde bezittingen tot bepaalde maxima zijn vrijgesteld.

In de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt geregeld op welke wijze en op welk moment de aangewezen administratieplichtige de relevante gegevens en inlichtingen moet verstrekken. Ook zal in deze uitvoeringsregeling worden opgenomen op welk tijdstip aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 47b, tweede lid, en 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, moet worden voldaan en hoelang bepaalde gegevensdragers dienen te worden bewaard. Aan wie de informatie moet worden verstrekt, wordt geregeld in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.

Artikel 23

De tekst van dit artikel is ontleend aan artikel 7 van het vervallen Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. Het betreft de regeling op grond waarvan door de rechtsvorm van landgoederen-NV's of -BV's die aan enkele voorwaarden voldoen, heengekeken wordt. Uitsluitend de aandeelhouders worden in dat geval voor hun aandeel in de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van de landgoed-NV of -BV rechtstreeks in de inkomstenbelasting betrokken.

Artikel 24

Op grond van artikel 3.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan voor een periode van tien jaar worden geopteerd voor het niet toepassen van de bosbouwvrijstelling. Indien na die periode weer wordt gekozen voor het regime van de vrijstelling, moet in beginsel worden afgerekend over de aanwezige stille reserves. Deze afrekening blijft op grond van artikel 12 onder bepaalde voorwaarden achterwege. Eén van die voorwaarden is dat niet binnen vijf jaar wordt gestaakt. Indien binnen vijf jaar wordt gestaakt, maar gebruik wordt gemaakt van de doorschuiffaciliteit van artikel 3.63 van de Wet inkomstenbelasting 2001, hoeft onder bepaalde voorwaarden eveneens niet te worden afgerekend. Met de onderhavige bepaling wordt bereikt dat ook niet hoeft te worden afgerekend indien de belastingplichtige zijn onderneming in 2001 staakt en op grond van het overgangsrecht gebruik maakt van de doorschuiffaciliteit voor de familiesfeer.

Artikel 25

Ingevolge artikel 25 wordt de termijn waarin pensioenuitvoerders de opgave van de waardeaangroei van het pensioen aan de belastingplichtige dienen te verstrekken voor de jaren 2001 en 2002 verlengd van vijf maanden naar tien maanden. Dit is mogelijk omdat voor dezelfde periode de mogelijkheid van terugwenteling als bedoeld in artikel 3.130, tweede lid, van de wet is verlengd van zes naar twaalf maanden. De opgave van de pensioenaangroei in de jaren 2001 en 2002 dient derhalve uiterlijk 31 oktober van het daarop volgende kalenderjaar door de pensioenuitvoerder te worden verstrekt. De belastingplichtige heeft dan nog twee maanden de gelegenheid een lijfrentepremie ter compensatie van een pensioentekort te betalen waarvoor een fiscale aftrek kan worden geclaimd.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2001, nr. 6.

Naar boven