Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2000, 573AMvB

Besluit van 8 december 2000, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met het onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet brengen van het overheidspersoneel in de sector Rijk

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 juli 2000, AD2000/U76152, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 2000, nr. W04.00.0286/l);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 november 2000, nr. AD2000/U97786, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

Onder verlettering van de onderdelen o tot en met s tot r tot en met v, worden drie nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

o. Osv 1997: de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

p. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;

q. bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;.

B

Artikel 36b komt als volgt te luiden:

Artikel 36b

  • 1. Het medisch advies dat door de Arbo-dienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk door de Arbo-dienst aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.

  • 2. De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997 komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

C

Artikel 36c vervalt.

D

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede «of op een aanvulling tot zijn volle bezoldiging op een eventueel toegekende ZW-uitkering».

2. In het derde lid wordt de zinsnede «bovenwettelijke ZW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. In het vierde lid vervalt steeds de zinsnede «ZW-uitkering of».

E

Artikel 43, vijfde lid, komt als volgt te luiden:

  • 5. Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

F

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk of artikel 33fb, tweede lid, met een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond van artikel 47 of 48 betreft.

2. Onder vernummering van het tweede en het derde lid tot het vijfde respectievelijk het zesde lid, worden de volgende drie leden ingevoegd:

  • 2. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

  • 3. Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk en artikel 33fb, tweede lid, waarop de ZW-uitkering in mindering is gebracht.

  • 4. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar tevens een ZW-uitkering of een WAO-uitkering ontvangt uit een dienstbetrekking buiten het gezagsbereik van Onze Minister, wordt voor de vermeerdering of vermindering van de aanspraken op grond van dit hoofdstuk of artikel 33fb, tweede lid, slechts rekening gehouden met de ZW-uitkering of de WAO-uitkering, die voortvloeit uit de dienstbetrekking bij Onze Minister.

G

In artikel 93 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

H

Artikel 98a vervalt.

I

Artikel 99 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.

2. Een nieuw derde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

J

Artikel 100 vervalt.

K

Artikel 100a komt als volgt te luiden:

Artikel 100a

  • 1. De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.

  • 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

L

Artikel 102 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin van het tweede lid wordt de zinsnede «een WAO-uitkering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. Het zesde lid komt als volgt te luiden:

  • 6. Op het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

M

Artikel 102a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt de zinsnede «artikel 42» vervangen door: de artikelen 38 en 46.

2. De tweede en derde volzin komen als volgt te luiden:

Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:

Onder verlettering van de onderdelen o tot en met s tot r tot en met v, worden drie nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

o. Osv 1997: de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

p. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;

q. bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;.

B

Artikel 71b komt als volgt te luiden:

Artikel 71b

  • 1. Het medisch advies dat door de Arbo-dienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 71a, wordt zo spoedig mogelijk door de Arbo-dienst aan de ambtenaar en het tot aanstelling bevoegd gezag medegedeeld.

  • 2. De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997 komen voor rekening van het tot aanstelling bevoegd gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

C

Artikel 71c vervalt.

D

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede «of op een aanvulling tot zijn volle bezoldiging op een eventueel toegekende ZW-uitkering».

2. In het derde lid wordt de zinsnede «bovenwettelijke ZW of arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. In het vierde lid vervallen de zinsneden «ZW-uitkering of» en «ZW of».

E

Artikel 78, vijfde lid, komt als volgt te luiden:

  • 5. Voor zover het tot aanstelling bevoegde gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

F

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk of artikel 62c, tweede lid, met een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond van artikel 82 of 83 betreft.

2. Onder vernummering van het tweede en het derde lid tot het vijfde respectievelijk het zesde lid, worden de volgende drie leden ingevoegd:

  • 2. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

  • 3. Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door het tot aanstelling bevoegd gezag zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk en artikel 62c, tweede lid, waarop de ZW-uitkering in mindering is gebracht.

  • 4. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar tevens een ZW-uitkering of een WAO-uitkering ontvangt uit een dienstbetrekking buiten het gezagsbereik van het tot aanstelling bevoegd gezag, wordt voor de vermeerdering of vermindering van de aanspraken op grond van dit hoofdstuk of artikel 62c, tweede lid, slechts rekening gehouden met de ZW-uitkering of de WAO-uitkering, die voortvloeit uit de dienstbetrekking bij het tot aanstelling bevoegd gezag.

G

In artikel 123 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

H

Artikel 130 vervalt.

I

Artikel 131 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.

2. Een nieuw derde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

J

Artikel 132 vervalt.

K

Artikel 132a komt als volgt te luiden:

Artikel 132a

  • 1. De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.

  • 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

L

Artikel 134 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin van het tweede lid wordt de zinsnede «een WAO-uitkering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. Het zesde lid komt als volgt te luiden:

  • 6. Op het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

M

Artikel 134a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt de zinsnede «artikel 77» vervangen door: de artikelen 73 en 81.

2. De tweede en derde volzin komen als volgt te luiden:

Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

ARTIKEL III

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken3 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 56, eerste lid, wordt de zinsnede «artikelen 35, 36 tot en met 36c en 70 van het ARAR» vervangen door: 35, 36 tot en met 36b en 70 van het ARAR.

B

In artikel 95 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

C

Artikel 102 vervalt.

D

Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de overplaatsbare ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken een uitkeringverleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.

2. Een nieuw derde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

E

Artikel 104 vervalt.

F

Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, tweede volzin, wordt de zinsnede «een arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering.

2. In het zesde lid wordt na de zinsnede «op grond van» ingevoegd: «artikel 35 van de Ziektewet of» en na de zinsnede «overeenkomende uitkeringen»: «, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd».

G

Artikel 106a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt de zinsnede «artikel 42 van het ARAR» vervangen door: de artikelen 38 en 46 van het ARAR.

2. De tweede volzin komt als volgt te luiden:

Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd.

ARTIKEL IV

In artikel 20a, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 19844 wordt steeds de zinsnede «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» vervangen door: Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

ARTIKEL V

De Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk5 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, een nieuw onderdeel j toegevoegd, luidende:

j. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet.

B

In de eerste volzin van artikel 8, eerste lid, wordt na de zinsnede «recht op suppletie is ontstaan,» ingevoegd: een ZW-uitkering,.

ARTIKEL VI

Het Verplaatsingskostenbesluit 19896 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, onderdeel h, sub a, komt als volgt te luiden:

a. genoten wachtgeld of uitkering krachtens dan wel overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de Uitkeringsregeling 1966, de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;.

B

In artikel 2, tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» steeds vervangen door: op grond van de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

ARTIKEL VII

Het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk7 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De onderdelen a en b, onder 1e, komen als volgt te luiden:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. betrokkene:

1e. de ambtenaar in vaste dienst, die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in burgerlijke rijksdienst werkzaam is of is geweest en die ten gevolge van een ontslag, met uitzondering van een ontslag op grond van de artikelen 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste lid, en 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 116, eerste lid, onderdeel l, en 124a, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, of de artikelen 91 en 101, dertiende en veertiende lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;.

2. Achter onderdeel o wordt een nieuw onderdeel p ingevoegd, luidende:

p. werkloosheidsuitkering: een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet.

B

Artikel 3, derde lid, komt als volgt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid en zijn de artikelen 34 en 35 van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.

C

Artikel 5, eerste lid, komt als volgt te luiden:

1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens de Werkloosheidswet recht heeft op een uitkering, wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de Ziektewet, wordt die uitkering krachtens de Ziektewet aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in artikel 4, met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 3, heeft gehad.

D

Artikel 6, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.

E

Artikel 8, derde en vierde lid, komen als volgt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdelen a, b en i, en 20, eerste lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet, niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

F

In artikel 11 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend ten bedrage van 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.

2. In het tweede lid wordt een tweede volzin ingevoegd, luidende:

Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking op grond waarvan de uitkering bedoeld in het eerste lid wordt toegekend worden in mindering gebracht.

G

In artikel 19 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Indien in het overleg als bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

H

In de eerste volzin van artikel 22 wordt de zinsnede «de datum voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit» vervangen door: 31 december 2002.

I

Artikel 22a komt als volgt te luiden:

Artikel 22a

De ambtenaar, die voor of op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig hoofdstuk II van dit besluit.

J

Artikel 24 komt als volgt te luiden:

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001, met uitzondering van artikel 23, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2003.

ARTIKEL VIII

In artikel 2, tweede lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 19598 wordt onder vervanging van de punt achter onderdeel b door een puntkomma een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:

c. hij aan wie eervol ontslag is verleend in de zin van het eerste lid, onderdelen a tot en met i, en deswege recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

ARTIKEL IX

In artikel 2 van de Uitkeringsregeling 19669 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Geen betrokkene in de zin van dit besluit is degene die uit hoofde van zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

ARTIKEL X

Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel10 komt als volgt te luiden:

b. gewezen personeel als bedoeld in onderdeel a, dan wel gewezen personeel dat op basis van het Arbeidsovereenkomstenbesluit werkzaam was, waaraan wegens ontslag uit de betrekking een uitkering is toegekend krachtens of op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, de Werkloosheidswet, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies, of een vutovereenkomst als bedoeld in de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel;.

ARTIKEL XI

Op betrokkene, die op 31 december 2002 recht heeft op wachtgeld of uitkering krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, of de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering, en op en na 1 januari 2003 buiten Nederland woonachtig is, blijven de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, onderscheidenlijk de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering, zoals deze luiden op 31 december 2002, op en na 1 januari 2003 van toepassing.

ARTIKEL XII

Met uitzondering van de artikelen I, onderdeel H, II, onderdeel H, en III, onderdeel C, die met ingang van 1 januari 2003 in werking treden, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking als fase 2 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen ingevolge het Besluit van 17 juli 1999 tot vaststelling van het tijdstip van aanvang van fase 2 en 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, Stb. 354.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 8 december 2000

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de eenentwintigste december 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Aanleiding

Ingevolge de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) worden de Ziektewet (ZW) en de Werkloosheidswet (WW) van toepassing op het overheidspersoneel.

Het kabinet heeft gekozen voor een gefaseerde invoering van de ZW ter voorkoming van uitvoeringsproblemen. Deze gefaseerde invoering behelst het volgende:

• voor de nieuwe gevallen van ziekte wordt de ZW per 1 januari 2001 ingevoerd;

• voor de per 1 januari 2001 bestaande gevallen wordt de ZW per 1 januari 2001 ingevoerd voor de volgende groepen (gewezen) overheidswerknemers (met uitzondering van degenen die recht hebben op wachtgeld):

– gevallen, die op 31 december 2000 verlof genieten in verband met zwangerschap en bevalling, waarvan de vastgestelde duur eindigt na 31 januari 2001, en

– gevallen, die op 31 december 2000 recht hebben op doorbetaling of uitkering in geval van ziekte en dit recht nog hebben op 15 februari 2001 (vallen met terugwerkende kracht onder de ZW);

• voor de overige per 1 januari 2001 bestaande gevallen wordt de ZW niet per 1 januari 2001 maar per 1 januari 2003 ingevoerd. Eind 2001 zullen er vrijwel geen bestaande gevallen meer zijn, omdat de ziekte-periode normaliter maximaal één jaar duurt.

Tevens heeft het kabinet gekozen voor een gefaseerde invoering van de WW. Deze komt op het volgende neer:

• per 1 januari 2001 wordt de WW voor overheidspersoneel ingevoerd voor de nieuwe gevallen;

• per 1 januari 2003 worden de gevallen die op 31 december 2000 wachtgeld hebben (en dat nog hebben op 1 januari 2003), omgezet naar de WW.

Dit standpunt heeft het kabinet middels een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 maart 2000 (kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 26, blz. 5) aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal medegedeeld. Het Besluit van 17 juli 1999 tot vaststelling van het tijdstip van aanvang van fase 2 en 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Stb. 354) zal daartoe worden gewijzigd in bovengenoemde zin.

Aanpassingen in verband met de invoering van de ZW

Het voorliggende besluit voorziet er in de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen in de rechtspositieregelingen van de sector Rijk ten gevolge van de uitbreiding van het werkingsbereik van de ZW. Het gaat hierbij uitsluitend om een technische operatie; als uitgangspunt is gehanteerd dat de invoering van de ZW voor het personeel van de sector Rijk inkomensneutraal dient te verlopen. Onderhavige aanpassing zal dan ook niet leiden tot een verbetering of een verslechtering van de rechtspositie van rijksambtenaren.

Huidige aanspraken van rijksambtenaren in geval van zwangerschap en bevalling en arbeidsongeschiktheid wegens ziekte

Artikel 33fb, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kent aan de vrouwelijke ambtenaar gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof een recht op doorbetaling van de bezoldiging toe overeenkomstig artikel 37 van het ARAR. Daarnaast worden de aanspraken in geval van ziekte van (gewezen) rijksambtenaren in hoofdstuk VI van het ARAR geregeld. In hoofdlijnen komen de aanspraken in geval van arbeidsongeschiktheid op het volgende neer:

• in artikel 37, eerste lid, wordt een recht op doorbetaling van de bezoldiging gedurende een tijdvak van 52 weken toegekend;

• artikel 37, tweede en derde lid, regelt een recht op een bovenwettelijke aanvulling op de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Gedurende de eerste 26 weken van de WAO-uitkering bedraagt de aanvulling het verschil tussen de bezoldiging en de WAO-uitkering. Daarna wordt de WAO-uitkering gedurende 26 weken aangevuld tot 80% van de laatstgenoten bezoldiging;

• artikel 38 regelt de aanspraken van de gewezen ambtenaar, en

• artikel 46 kent een vrouwelijk gewezen ambtenaar een aanspraak toe, wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk plaatsvindt binnen een bepaald tijdsbestek na ingang van haar ontslag.

Aanspraken op ziekengeld ingevolge de ZW

Als gevolg van de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte is de ZW ingrijpend gewijzigd. Sinds deze wijziging van de ZW is de werkgever in de marktsector in beginsel verplicht gedurende 52 weken zijn zieke werknemer loon door te betalen. Een dergelijke verplichting geldt thans ook binnen de sector Rijk op grond van artikel 37, eerste lid, ARAR.

De ZW kent echter aan bepaalde groepen werknemers een recht op ziekengeld toe. Het betreft hier de zogenaamde vangnetgroepen. In artikel 29 ZW worden deze limitatief opgesomd. Voor de sector Rijk zijn de volgende groepen van belang:

1. werknemers, die ongeschikt tot werken zijn als gevolg van een orgaandonatie (artikel 29, tweede lid, onder e, ZW);

2. vrouwelijke werknemers in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof (de artikelen 29, tweede lid, onder f, en 29b ZW);

3. heringetreden arbeidsgehandicapten, die binnen vijf jaar na aanvang van hun betrekking opnieuw of vermeerderd arbeidsongeschikt worden (de artikelen 29, tweede lid, onder g, en 29b ZW);

4. werknemers, wier dienstverband eindigt tijdens de ziekte (artikel 29, tweede lid, onder c, ZW);

5. voormalige werknemers, die binnen een bepaalde periode na het einde van de dienstbetrekking ziek worden (artikel 46, eerste lid, ZW);

6. vrouwelijke voormalige werknemers, wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een bepaald tijdsbestek na het einde van de dienstbetrekking (artikel 46, vijfde lid, ZW);

7. WAO-uitkeringsgerechtigden, die wegens ziekte ongeschikt tot werken zijn (de artikelen 29, tweede lid, onder d, juncto 8a ZW), en

8. WW-uitkeringsgerechtigden, die wegens ziekte ongeschikt tot werken zijn (de artikelen 29, tweede lid, onder d, juncto 7, onder a, ZW).

Aanpassing van de rechtspositieregelingen van de sector Rijk

Als gevolg van de uitbreiding van het werkingsbereik van de ZW moet worden voorkomen dat er een ongewenste samenloop van aanspraken op grond van de ZW en de rechtspositieregelingen van de sector Rijk plaatsvindt.

In de eerste zes gevallen van bovengenoemde opsomming van vangnetgroepen bestaat naast een recht op betaling van ziekengeld op grond van de ZW tevens een aanspraak ingevolge artikel 33fb, tweede lid, en hoofdstuk VI van het ARAR. Derhalve moet voor deze gevallen een anticumulatiebepaling in hoofdstuk VI van het ARAR worden opgenomen.

In het zevende geval bestaat naast een recht op een WAO-uitkering tevens een aanspraak op grond van enerzijds hoofdstuk VI van het ARAR, en anderzijds op grond van de WW. Deze samenloop vloeit voort uit de vereisten voor het ontstaan van een WW-uitkering. Ingevolge artikel 16 van de WW wordt een werknemer als werkloos aangemerkt, indien hij een aantal arbeidsuren heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte rijksambtenaar met een WAO-uitkering, die niet herplaatst is in een andere functie voor zijn restverdiencapaciteit, kan derhalve naast een WAO-uitkering en een bovenwettelijke WAO-uitkering ingevolge hoofdstuk VI eveneens aanspraak hebben op een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering ingevolge het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (het bovenwettelijke WW-besluit). Nu de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar gedurende een half jaar een aanvullende uitkering op zijn WAO-uitkering tot 100% en daarna tot 80% van zijn bezoldiging ontvangt, zou een ongekorte additionele toekenning van een (bovenwettelijke) WW-uitkering een verbetering zijn ten opzichte van de situatie voor inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Derhalve dient een dergelijke samenloop te worden voorkomen.

Het laatste geval van de hierboven vermelde vangnetgroepen heeft betrekking op de WW-uitkeringsgerechtigde, die ziek wordt. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, WW bestaat geen recht op WW voor hen, die een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Teneinde te voorkomen dat de werkloze ex-rijksambtenaar tijdens zijn ziekte een verlaging van zijn inkomen ondervindt, regelt artikel 5 van het bovenwettelijke WW-besluit een aanvulling op zijn ziekengeld. Een werkloze ex-rijksambtenaar, die ziek is, kan naast een recht op een bovenwettelijke WW-uitkering tevens aanspraak hebben op een aanvulling ingevolge de artikelen 38 en 46 van het ARAR. Deze laatste samenloop is ongewenst en dient te worden uitgesloten. Ook voor deze situatie moet in hoofdstuk VI van het ARAR een anticumulatiebepaling worden opgenomen.

Systematiek

Een vergelijkbare aanpassing van de rechtspositieregelingen van de sector Rijk was vereist, toen de WAO met ingang van 1 januari 1998 van toepassing werd op het overheidspersoneel. In hoofdstuk VI van het ARAR werd toentertijd een scheiding aangebracht tussen de aanspraak op betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en de aanspraak op betaling van een bovenwettelijke WAO-uitkering. In het voorliggende besluit wordt niet bij deze aanvullingssystematiek aangesloten, maar wordt een systeem gekozen waarbij een ZW-uitkering en een (bovenwettelijke) WW-uitkering in mindering worden gebracht op de aanspraken ingevolge artikel 33fb, tweede lid, en hoofdstuk VI van het ARAR. Dit wordt vormgegeven in paragraaf 5 van hoofdstuk VI van het ARAR, getiteld: Bijzondere situaties.

Ter motivering voor deze andere aanpak kan op het volgende worden gewezen. Zoals reeds genoemd fungeert de ZW als een vangnet voor bijzondere gevallen. Aan het merendeel van de arbeidsongeschikte (ex-)rijksambtenaren zal geen uitkering op grond van de ZW worden verstrekt. Dientengevolge dienen de huidige aanspraken in geval van arbeidsongeschiktheid onveranderd blijven te bestaan. Het voert te ver om in alle bijzondere situaties, waar een samenloop van de ZW met de aanspraken op grond van hoofdstuk VI en artikel 33fb, tweede lid, ARAR bestaat, een aanvullend systeem op de ZW-uitkering te creëren. Dit zou zeker de leesbaarheid van het toch al moeilijk toegankelijke hoofdstuk VI niet bevorderen. Tot slot kan bij een verminderingssysteem met de gefaseerde invoering van de ZW rekening worden gehouden zonder dat het nodig is overgangsrecht te regelen.

Op grond van het bovenstaande is gekozen in artikel 45 van het ARAR een eventuele uitkering op grond van de ZW, de WW en het bovenwettelijke WW-besluit in mindering te brengen op de aanspraken ingevolge artikel 33fb, tweede lid, en hoofdstuk VI van het ARAR.

Aanpassingen in verband met de invoering van de WW

In het kader van de OOW-operatie worden de bestaande integrale ambtelijke regelingen in een wettelijk en bovenwettelijk deel onderscheiden. De wettelijke aanspraken zijn neergelegd in de WW, de bovenwettelijke aanspraken zijn neergelegd in het bovenwettelijke WW-besluit. Met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is bij de accordering van het bovenwettelijke WW-besluit overeenstemming bereikt over de toepassing van het uitgangspunt dat het totale niveau van rechten en verplichtingen in verband met werkloosheid grosso modo hetzelfde blijft op het moment van overgang naar de WW. Grosso modo, omdat in enkele individuele gevallen geringe inkomenseffecten kunnen optreden vanwege verschillen in systematiek tussen WW enerzijds en de bestaande wachtgeldregelingen anderzijds.

De aanpassingen van de bestaande ambtelijke regelingen zijn van technische aard. Zo worden in het ARAR, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG), het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) en de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel verwijzingen naar de WW en het bovenwettelijke WW-besluit ingevoerd. In het ARAR, het ARSG, en het RDBZ blijven de voorzieningen in de zin van de artikelen 99 en 100a ARAR en, voor zover relevant, de identieke artikelen in het ARSG en het RDBZ met de invoering van de WW gehandhaafd. In deze artikelen zijn anticumulatiebepalingen opgenomen, en wel daar waar de ambtenaar naast de voorzieningen een recht op een WW-uitkering en/of een bovenwettelijke WW-uitkering te gelde maakt. In het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB) en de Uitkeringsregeling 1966 (UR) wordt neergelegd dat er uit hoofde van een en hetzelfde ontslag niet tegelijkertijd een wachtgeld krachtens het RWB of een uitkering krachtens de UR, en een uitkering op grond van de WW of het bovenwettelijke WW-besluit kan worden genoten.

Over dit besluit is overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

In artikel 35 ARAR is een drietal begrippen toegevoegd, te weten: de Osv 1997, de WW-uitkering en de bovenwettelijke WW-uitkering.

Onderdelen B, C en E

Artikel 38, eerste lid, onderdeel g, juncto artikel 41 van de Osv 1997 voorziet in een zogenoemde second opinion door een uitvoeringsinstelling in geval van een geschil tussen de werkgever en de werknemer over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. In de artikelen (oud) 36b en (oud) 36c ARAR was geregeld dat een commissie van door een vakminister aan te wijzen drie artsen een uitspraak doet in een dergelijk geschil. De procedure via deze commissie is overbodig naast het in de Osv 1997 bepaalde. In dit kader is eveneens artikel 43, vijfde lid, van het ARAR aangepast. Van deze gelegenheid wordt tevens gebruik gemaakt om een foutieve verwijzing in dit lid te corrigeren.

Onderdeel D

In (oud) artikel 39, tweede lid, onder a, ARAR werd geregeld dat de arbeidsongeschikte ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, recht heeft op een aanvulling op een eventueel toegekende ZW-uitkering tot zijn volle bezoldiging. Het (oud) derde en het (oud) vierde lid bepaalden dat voor het vaststellen van de aanspraak van een rijksambtenaar op een aanvulling op de ZW-uitkering de laatstgenoemde uitkering steeds geacht wordt onverminderd te zijn genoten. Deze artikelleden zijn aangepast aan het in artikel 45 ARAR geregelde systeem dat een ZW-uitkering op de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging respectievelijk op de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering wordt gebracht.

Onderdeel F

De wijziging van artikel 45 ARAR is de kern van dit besluit. Artikel (oud) 45, eerste lid, ARAR bevatte een samenloopbepaling van aanspraken op grond van hoofdstuk VI van het ARAR met een uitkering krachtens een wettelijke verzekering met als resultaat, dat het bedrag van de wettelijke verzekering in mindering wordt gebracht op de aanspraken van hoofdstuk VI van het ARAR. Strikt genomen was op grond van dit lid de anticumulatie tussen aanspraken op grond van hoofdstuk VI, de ZW, de WW en het bovenwettelijke WW-besluit reeds gewaarborgd. Deze bepaling was echter te ruim geformuleerd. Een uitkering op grond van een wettelijke volksverzekering, een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering en zelfs de WAO zou eveneens in mindering moeten worden gebracht. Dit is niet de bedoeling van deze bepaling. Derhalve is het eerste lid geredigeerd in die zin, dat aanspraken op grond van de ZW, de WW of het bovenwettelijke WW-besluit in mindering worden gebracht op aanspraken krachtens hoofdstuk VI en artikel 33fb, tweede lid, van het ARAR. In het laatste artikel wordt een aanspraak toegekend op doorbetaling van de bezoldiging gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof. In het algemene gedeelte is reeds toegelicht waarom er gekozen is voor het verminderingssysteem. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat een uitkering op grond van de ZW, WW of het bovenwettelijke WW-besluit in mindering wordt gebracht op de aanspraken krachtens de artikelen 47 en 48 van hoofdstuk VI van het ARAR. Derhalve is dat uitgezonderd in het eerste lid van artikel 45.

In het algemene gedeelte is toegelicht dat de invoering van de ZW en de WW gefaseerd zal verlopen. Voor bepaalde gevallen zullen de ZW en de WW pas op 1 januari 2003 van toepassing worden. Het RWB blijft tot 1 januari 2003 voor deze gevallen van kracht. Gewezen rijksambtenaren, die na 1 januari 2001 aanspraken blijven ontlenen aan het RWB en ziek worden, kunnen eveneens aanspraken ontlenen op grond van de artikelen 38 en 46 ARAR. Artikel 16, eerste lid, van het RWB regelt dat de uitvoering van laatstgenoemde besluit wordt opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging bestaat. De samenloop in deze situaties is daarmee in het RWB geregeld. Derhalve is in het nieuwe artikel 45, eerste lid, ARAR een verwijzing naar aanspraken op grond van het RWB niet opgenomen.

Het tweede en derde lid van artikel 45 ARAR voorzien in gevallen waarin de ZW-, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaan. Om te voorkomen dat de vermindering in de uitkering ongedaan wordt gemaakt doordat de aanspraken op grond van artikel 33fb, tweede lid, of hoofdstuk VI onverminderd worden uitbetaald, dient op de eerste plaats de ZW-, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering als onverminderd genoten te worden aangemerkt, indien deze uitkeringen een vermindering ondergaan of geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Dit wordt geregeld in het tweede lid van artikel 45 ARAR. Op de tweede plaats moet een aan de ambtenaar door de uitvoeringsinstelling opgelegde verplichting of sanctie op grond van de ZW of de WW evenzo worden toegepast op de aanspraken krachtens artikel 33fb, tweede lid, of hoofdstuk VI van het ARAR. Dit wordt voor de ZW-uitkering in het derde lid van artikel 45 bepaald.

In de samenloop van zowel de WAO met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als de WW met de bovenwettelijke WW-uitkering is hetzelfde bepaald. In artikel 44, vierde en vijfde lid, van het ARAR is de fictie van het onverminderd genieten van de WAO-uitkering en de doorwerking van verplichtingen en sancties op grond van de WAO ten aanzien van de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld. Voor de bovenwettelijke WW-uitkering is dat bepaald in de artikelen 4, derde lid, 5, vierde lid, en 7 van het bovenwettelijke WW-besluit.

Het vierde lid van artikel 45 ARAR ziet op gevallen waarin bij arbeidsongeschiktheid in verscheidene dienstverbanden slechts één ZW-uitkering of één WAO-uitkering wordt toegekend. Gaat het in dit geval om samenloop met een dienstbetrekking buiten de sector Rijk of om meerdere dienstbetrekkingen bij verschillende ministeries, dan dient de totale ZW- of WAO-uitkering naar rato te worden gesplitst. Anders zou de aanvulling op de WAO-uitkering worden berekend over de gehele uitkering met dien verstande dat een lagere aanvulling zou worden toegekend. Dit werd tot invoering van het onderhavige besluit in artikel (oud) 45, eerste lid, onder b, ARAR uitsluitend geregeld ten aanzien van de WAO. Hetzelfde geldt echter in geval van een vermindering van de aanspraken op grond van hoofdstuk VI en artikel 33fb, tweede lid, als gevolg van het toekennen van een ZW-uitkering. Derhalve voorziet het vierde lid van artikel 45 ook in dat geval.

Onderdeel G

Het RWB en de UR kennen fatale termijnen voor de indiening van de aanvraag om wachtgeld of uitkering. Nu bij een ontslag vanaf 1 januari 2001 aan deze regelingen geen rechten meer kunnen worden ontleend, is een verplichting voor het bevoegd gezag om op de fatale indieningstermijn te wijzen niet langer nodig. Ten aanzien van een ontslag met recht op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden (FPU-uitkering) is deze informatieplicht bij de vervanging van de VUT-regeling (die ook een fatale indieningstermijn kende) door de FPU-regeling (die geen fatale indieningstermijn kent) ten onrechte in het ARAR opgenomen gebleven. Het tweede lid van artikel 93 ARAR is hiermee overbodig geworden en vervalt.

Onderdeel H

Artikel 98a ARAR komt te vervallen per 1 januari 2003 wanneer de WW en het bovenwettelijke WW-besluit ook op de oude gevallen van toepassing zullen zijn.

Onderdeel I

In het tweede lid van artikel 99 ARAR wordt geregeld dat de voorziening ten minste gelijk is aan het resultaat van de berekening van een WW-uitkering en een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering waar betrokkene recht op zou hebben gehad indien hij in aanmerking zou zijn gekomen voor deze uitkeringen. De strekking daarvan is dat de hoogte en duur van de voorziening niet minder mag zijn dan de uitkering die betrokkene zou krijgen op grond van de WW en het bovenwettelijke WW-besluit. De WW kent echter het begrip verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, in welk geval een weigeringsgrond ontstaat waarmee geen aanspraak op een uitkering bestaat in de zin van de WW en in de zin van het bovenwettelijke WW-besluit. Indien artikel 24 van de WW strikt zou worden toegepast ontstaat het ongewenste gevolg dat de voorziening waar betrokkene op grond van artikel 99 ARAR in aanmerking zou komen op nihil gesteld zou kunnen worden. Daarom is geregeld dat uitsluitend bij de vaststelling van de voorziening als uitgangspunt geldt dat het ontslag niet leidt tot de ambtenaar verwijtbare werkloosheid. Voor het overige zijn op de voorziening de bepalingen van de WW en het bovenwettelijke WW-besluit, waaronder het sanctieregime, de uitsluitingsgronden en de anticumulatiebepalingen, onverkort van toepassing, tenzij werkgever en werknemer ten gunste van de ambtenaar uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Zo kan de werkgever bepalen dat op betrokkene geen sollicitatieplicht rust of dat betrokkene meer mag bijverdienen dan krachtens de WW en het bovenwettelijke WW-besluit is toegestaan. In het derde lid van artikel 99 ARAR wordt bepaald dat de inkomsten die daadwerkelijk worden verkregen vervolgens in mindering zullen worden gebracht op de door het bevoegd gezag getroffen voorziening. Dat is in geval betrokkene, naast het ontvangen van een voorziening, zelf een WW-uitkering en aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering aanvraagt én deze daadwerkelijk ontvangt. Alsdan is het redelijk dat bij deze samenloop van inkomsten verrekening plaatsvindt.

Onderdeel J

Met het oog op invoering van de WW per 1 januari 2001 is artikel 100 ARAR, dat handelt over aanspraak op wachtgeld krachtens het RWB, overbodig.

Onderdeel K

In het eerste en tweede lid van artikel 100a ARAR wordt een garantievoorziening getroffen voor de herplaatsingskandidaat aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, en die binnen 2 jaar nadat hij in dienst is getreden buiten de overheid, buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen. Aan dit eervol ontslag kan dan aanspraak worden ontleend op een uitkering krachtens het bovenwettelijke WW-besluit. De bovenwettelijke WW-uitkering gaat fictief in op het moment waarop aan betrokkene een eervol ontslag uit de dienstbetrekking als ambtenaar is verleend. De inkomsten die betrokkene heeft genoten uit de dienstbetrekking buiten de overheid worden met de bovenwettelijke WW-uitkering verrekend krachtens de anticumulatiebepalingen. In het nieuwe derde lid van artikel 100a ARAR wordt een anticumulatiebepaling opgenomen die regelt dat indien de gewezen ambtenaar tevens een WW-uitkering geniet, deze WW-uitkering in mindering zal worden gebracht op de uitkering krachtens het bovenwettelijke WW-besluit.

Onderdelen L en M

Berekeningsmethodiek van de overlijdensuitkering ex artikel 102 ARAR

In artikel 102, tweede lid, ARAR is een berekeningsmethode van de overlijdensuitkering aan de nabestaanden van een overleden rijksambtenaar opgenomen. Daarbij geldt als uitgangspunt de laatstgenoten bezoldiging. Indien de ambtenaar een WAO-uitkering of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering genoot, dienen deze uitkeringen buiten de berekening te worden gelaten. Dit geldt eveneens voor de uitkering op grond van de ZW en de WW. In deze zin wordt artikel 102 ARAR aangepast. In dit verband wordt een uitkering op basis van het bovenwettelijke WW-besluit niet opgenomen in artikel 102 ARAR, aangezien voor een toekenning van een overlijdensuitkering op basis van het laatstgenoemde besluit de rijksambtenaar ontslagen moet zijn. Daar ziet artikel 102 ARAR niet op.

Samenloop tussen eenmalige overlijdensuitkeringen op grond van verschillende wettelijke regelingen

De artikelen 35 van de ZW en 53 van de WAO kennen aan de nabestaanden van een overleden verzekerde in de zin van deze wetten een eenmalige overlijdensuitkering toe. Daarnaast worden in de rechtspositieregelingen van de sector Rijk vier eenmalige overlijdensuitkeringen geregeld:

• in artikel 102 ARAR een overlijdensuitkering in geval dat de ambtenaar gedurende het dienstverband komt te overlijden;

• in artikel 102a ARAR een overlijdensuitkering voor de gewezen rijksambtenaar, die een uitkering op basis van hoofdstuk VI van het ARAR geniet en die komt te overlijden;

• in artikel 6 van het bovenwettelijke WW-besluit een overlijdensuitkering in geval van een ontslagen rijksambtenaar, die aanspraak heeft op een aanvullende uitkering bij werkloosheid en komt te overlijden en

• in artikel 11 van het bovenwettelijke WW-besluit een overlijdensuitkering in geval van een ontslagen rijksambtenaar, die aanspraak heeft op een aansluitende uitkering bij werkloosheid en komt te overlijden.

Samenloop tussen deze eenmalige overlijdensuitkeringen moet worden voorkomen. Derhalve wordt thans in artikel 102, zesde lid, ARAR de samenloop van de overlijdensuitkering op basis van dit artikel met die van artikel 53 WAO én artikel 35 ZW voorkomen. Vervolgens kan er een samenloop ontstaan van de overlijdensuitkering op basis van artikel 102a ARAR niet alleen met een overlijdensuitkering op basis van artikel 53 WAO maar ook met die op grond van artikel 35 ZW of de artikelen 6 en 11 van het bovenwettelijke WW-besluit. Derhalve is artikel 102a ARAR in deze zin aangepast. Wel is aan de vermindering inzake de artikelen 102, zesde lid, en 102a ARAR de voorwaarde toegevoegd dat de overlijdensuitkeringen op basis van de ZW en de WAO, respectievelijk de ZW, de WAO en het bovenwettelijke WW-besluit daadwerkelijk worden uitgekeerd.

Tevens wordt in artikel 102, zesde lid, en artikel 102a ARAR rekening gehouden met verscheidene dienstverbanden. Het kan voorkomen dat slechts een deel van de overlijdensuitkering op grond van de ZW en de WAO betrekking heeft op de aanstelling in verband waarmee een recht op een uitkering op grond van artikel 102 of artikel 102a ARAR bestaat. Bij samenloop met een dienstbetrekking buiten de sector Rijk of meerdere dienstbetrekkingen bij verschillende ministeries dient de overlijdensuitkering op grond van de ZW en de WAO naar rato te worden gesplitst. Anders zou een te hoog bedrag in mindering worden gebracht op de overlijdensuitkering die op grond van artikel 102 respectievelijk 102a ARAR wordt toegekend.

Artikelen II en III

Deze artikelen bevatten, voorzover relevant, de wijzigingen in het ARSG en het RDBZ op identieke voet als in artikel I vermeld.

Artikel IV

De eindejaarsuitkering wordt uitgekeerd over het in dat jaar genoten salaris. Dit salaris vermindert indien de ambtenaar in dat jaar een ZW-uitkering heeft genoten. Aangezien het niet de bedoeling is dat de ambtenaar als gevolg van de hem toegekende ZW-uitkering een lagere eindejaarsuitkering wordt toegekend, is artikel 20a, derde lid, Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 aangepast.

Artikel V

Onderdeel B

De Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk heeft een aanvullend karakter. Aangezien het niet is uitgesloten dat een betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, een ZW-uitkering geniet, is het eerste lid van artikel 8 dusdanig gewijzigd dat het bedrag van een ZW-uitkering in mindering wordt gebracht op het bedrag van de suppletie.

Artikel VI

Onderdeel A

In artikel 2, eerste lid, onderdeel h, sub a, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 wordt, teneinde te komen tot de berekeningsbasis voor de verhuiskostenvergoeding, in voorkomende gevallen, de genoten bezoldiging verhoogd met het genoten wachtgeld of uitkering conform het RWB en de UR. Met de invoering van de WW respectievelijk het van kracht worden van het bovenwettelijke WW-besluit per 1 januari 2001, zal teneinde te komen tot berekeningsbasis voor de verhuiskostenvergoeding, in voorkomende gevallen de genoten bezoldiging tevens verhoogd worden met de genoten WW-uitkering en/of de uitkering krachtens het bovenwettelijke WW-besluit. Dientengevolge worden de WW en het bovenwettelijke WW-besluit in deze bepaling genoemd.

Onderdeel B

In artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 wordt als berekeningsbasis voor de verhuiskostenvergoeding de genoten bezoldiging gehanteerd. Het gevolg daarvan zou zijn dat een zieke ambtenaar, die een bezoldiging geniet waarop een ZW-uitkering in mindering wordt gebracht, dientengevolge een lagere verhuiskostenvergoeding zou ontvangen. Om dit te voorkomen is het tweede lid, onderdeel b, hieraan aangepast op gelijke wijze als in het geval dat een WAO-uitkering is verstrekt.

Artikel VII

Onderdeel A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel b, wordt de betrokkene in de zin van het bovenwettelijke WW-besluit omschreven waarbij geen betrokkene in de zin van het bovenwettelijke WW-besluit is degene die ontslagen is op grond van een disciplinair strafontslag, een ontslag uit een substantieel bezwarende functie, voorheen functioneel leeftijdsontslag, en ontslag wegens flexibel pensioen en uittreden. Thans is, in plaats van het formuleren van de ontslaggronden, gekozen voor verwijzing naar die artikelen in het ARAR, het ARSG en het RDBZ waarin deze specifieke ontslaggronden genoemd worden.

Onderdeel B

In het tweede lid van artikel 3 van het bovenwettelijke WW-besluit zijn de artikelen van Hoofdstuk IIA en IIB, afdeling I, van de WW van overeenkomstige toepassing verklaard op de aanvullende uitkering. In het derde lid van artikel 3 van het bovenwettelijke WW-besluit wordt bepaald dat de artikelen 34 en 35 van de WW geen overeenkomstige toepassing vinden ten aanzien van de aanvullende uitkering. Deze artikelen regelen de aftrek bij inkomsten wegens loonderving of ouderdomspensioen. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat deze inkomsten zowel op de uitkering krachtens de WW als op de tegelijkertijd te genieten aanvullende uitkering in mindering worden gebracht. Dit blijkt wel duidelijk uit de toelichting op het derde lid van artikel 3 bij het bovenwettelijke WW-besluit, maar in de regeling zelf is dit niet duidelijk verwoord. Om (juridische) problemen (bij de uitvoering) te voorkomen, is thans de formulering van het derde lid van artikel 3 aangepast.

Onderdeel D

Voor invoering van het onderhavige besluit hadden nabestaanden van de overleden werkloze ambtenaar aanspraak op een uitkering van 100% van het brutoloon over een periode van drie maanden. Op grond van artikel 35 van de ZW zou deze periode 1 maand beslaan. Artikel 6, eerste lid, van het bovenwettelijke WW-besluit voorziet gedurende de periode waarin betrokkene recht heeft op een WW-uitkering, in een bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaande uit een aanvulling van de overlijdensuitkering krachtens artikel 35 van de ZW tot 100% van het voor betrokkene geldende (ongemaximeerde) dagloon en wel over een periode van 3 maanden.

Onderdeel E

In de bepalingen van het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering eindigt de bovenwettelijke WW-uitkering op de eerste van de maand nadat betrokkene 65 is geworden waarmee aansluiting plaatsvindt op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (met ingang van de dag waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt). In artikel 19, onder i, van de WW is bepaald dat de uitkering stopt op de eerste van de maand waarin betrokkene 65 wordt en sluit daarbij niet aan op het ouderdomspensioen. Dit zou tot gevolg hebben dat betrokkene tussen de eerste dag van de maand waarin hij 65 wordt tot de dag waarop hij 65 wordt zowel geen WW-uitkering als geen ouderdomspensioen zou genieten. Betrokkene ontvangt wel een AOW-uitkering. Door deze bepaling, na invoering van de WW, in het derde lid van artikel 8 van het bovenwettelijke WW-besluit niet van toepassing te verklaren op de aansluitende uitkering, is geregeld dat de bovenwettelijke WW-uitkeringeindigt op de eerste van de maand nadat betrokkene 65 is geworden waarmee wordt aangesloten op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. In het vierde lid van artikel 8 van het bovenwettelijke WW-besluit is een correctie aangebracht waarmee het recht op aansluitende uitkering ophoudt op de eerste dag van de maand nadat betrokkene 65 jaar is geworden.

Onderdeel F

Voor invoering van het onderhavige besluit hadden nabestaanden van de overleden werkloze ambtenaar aanspraak op een uitkering van 100% van het brutoloon over een periode van drie maanden. Op grond van artikel 35 van de ZW zou deze periode 1 maand beslaan. Indien de betrokkene recht heeft op een aansluitende uitkering in de zin van dit besluit en geen recht heeft op een uitkering krachtens de WW, en komt te overlijden, hebben de nabestaanden geen recht op een uitkering in de zin van artikel 35 van de ZW. In het eerste lid van artikel 11 van het bovenwettelijke WW-besluit wordt een zelfstandig recht neergelegd dat voorziet in een bovenwettelijke uitkering van 100% van het voor betrokkene geldende (ongemaximeerde) dagloon en wel over een periode van 3 maanden.

Het tweede lid van artikel 11 van het bovenwettelijke WW-besluit ziet op de samenloop van verscheidene overlijdensuitkeringen. Zoals al bij onderdelen L en M van artikel I van het onderhavige besluit toegelicht, moet samenloop worden voorkomen. Echter is rekening te houden met verscheidene dienstverbanden. Het kan voorkomen dat slechts een deel van de overlijdensuitkering die overeenkomstig de eerste volzin van artikel 11, tweede lid, van het bovenwettelijke WW-besluit in mindering wordt gebracht betrekking heeft op de aanstelling in verband waarmee een uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, van het bovenwettelijke WW-besluit wordt toegekend. Alleen met dit deel mag voor de vermindering rekening worden gehouden; anders zou een te hoog bedrag in mindering worden gebracht op de overlijdensuitkering die op grond van artikel 11, eerste lid, van het bovenwettelijke WW-besluit wordt toegekend. Daartoe dient de tweede volzin van het tweede lid van artikel 11 van het bovenwettelijke WW-besluit.

Onderdeel G

In artikel 19, tweede lid, van het bovenwettelijke WW-besluit is, in navolging van het ontwerpbesluit met betrekking tot rechterlijke ambtenaren neergelegd, dat de doorvoering van de neerwaartse wijziging wordt opgeschort indien in het Sectoroverleg Rijkspersoneel een geschil is ontstaan over de wijze waarop in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer gevolg zal worden gegeven aan de neerwaartse wijziging en het desbetreffende geschil voor advies of arbitrage is voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie. De schorsing gaat in op de dag waarop het geschil bij de Advies- en Arbitragecommissie is aangemeld voor advies of arbitrage. Deze bepaling was nodig omdat niet volstaan kon worden met verwijzing naar artikel 105, zesde lid, van het ARAR, wat op een andere situatie toeziet namelijk die waarbij in geval van een geschil dat ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, en waarbij dat geschil onderworpen wordt aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g ARAR.

Onderdeel H

Bij Besluit van 4 december 1997, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997–1999 (Stb. 655) is de in artikel 22 van het bovenwettelijke WW-besluit genoemde inwerkingtredingsdatum vervangen aangezien de datum van de inwerkingtreding van de WW voor het overheidspersoneel op dat moment nog niet vaststond. Zoals in het algemene gedeelte toegelicht, heeft het kabinet besloten tot gefaseerde invoering van de WW voor het overheidspersoneel. In artikel 22 van het bovenwettelijke WW-besluit is het overgangsrecht voor de oude gevallen neergelegd.

Onderdeel I

Bij voornoemd Besluit van 4 december 1997 is voor de betrokkene die reeds voor of op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst is aangesteld, in artikel 22a van het bovenwettelijke WW-besluit een overgangsvoorziening neergelegd die inhoudt dat indien betrokkene wordt ontslagen op een datum die gelegen is op of na 1 januari 1999 en hij vanaf het moment van indiensttreding tot het moment van ontslag onafgebroken in tijdelijke dienst aangesteld is geweest, zijn uitkering krachtens de WW overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het bovenwettelijke WW-besluit wordt aangevuld. De datum 1 januari 1999 was op 4 december 1997 de voorgenomen invoeringsdatum van de WW. De ontslagdatum die is aangehouden bij de aanvankelijke invoeringsdatum van 1 januari 1999 wordt, nu de invoering van de WW is verschoven van 1 januari 1999 naar 1 januari 2001, ook verschoven naar 1 januari 2001.

Onderdeel J

Het bovenwettelijke WW-besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Conform artikel 23 van het bovenwettelijke WW-besluit worden het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering ingetrokken. Op de oude gevallen blijven deze besluiten tot 1 januari 2003 van toepassing vanwege de gefaseerde invoering van de WW in de sector Rijk. Hierin is voorzien door artikel 23 van het bovenwettelijke WW-besluit in werking te doen treden op 1 januari 2003.

Artikelen VIII en IX

Het RWB en de UR blijven tot 1 januari 2003 van kracht. Om dubbele aanspraken te voorkomen bij een ontslag op of na 1 januari 2001, worden degenen die recht hebben op een uitkering op grond van de WW of het bovenwettelijke WW-besluit, uitgesloten als betrokkene in de zin van het RWB en de UR. Ten aanzien van de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering is dit niet nodig in verband met de directe koppeling van de betrokkene in de zin van de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering aan de betrokkene in de zin van het RWB en de UR.

Artikel X

In onderdeel b van het eerste lid van artikel 4 van de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel wordt de doelgroep van betrokkenen uitgebreid met gewezen personeel dat ontslagen is uit de betrekking en aan wie een uitkering is toegekend krachtens de WW en krachtens het bovenwettelijke WW-besluit.

Artikel XI

Krachtens het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering, heeft betrokkene in de zin van deze besluiten, die woonachtig is buiten Nederland, bij werkloosheid recht op wachtgeld of uitkering krachtens deze besluiten. Op 1 januari 2003 worden het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering ingetrokken en worden de oude gevallen onder de werkingssfeer van de WW gebracht. Artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van de WW bepaalt dat de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, geen recht op een WW-uitkering heeft. Betrokkene die op 31 december 2002 recht heeft op wachtgeld of uitkering krachtens het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering, en op en na 1 januari 2003 buiten Nederland woonachtig is zou derhalve geen recht op een werkloosheidsuitkering hebben. Om een verslechtering in het niveau van de rechten en verplichtingen in verband met de werkloosheid te voorkomen wordt in artikel XI een voorziening getroffen. Met deze voorziening worden de huidige aanspraken, zowel wat betreft de hoogte als de duur van wachtgeld of uitkering, ook vanaf 1 januari 2003 gegarandeerd.

Artikel XII

De door het onderhavige besluit aan te brengen wijzigingen treden in werking op het tijdstip dat de uitbreiding van het werkingsbereik van de ZW en de WW in werking treedt. Het kabinet heeft ervoor gekozen de ZW en de WW niet voor het gehele (gewezen) overheidspersoneel in te voeren. Op dit punt wordt verwezen naar het algemene gedeelte. De bepalingen in de artikelen 98a ARAR, 130 ARSG en 102 RDBZ blijven voor oude gevallen van kracht tot 1 januari 2003. Vanaf 1 januari 2003 zullen de WW en het bovenwettelijke WW-besluit ook op oude gevallen van toepassing zijn. Op 1 januari 2003 treedt artikel 23 van het bovenwettelijke WW-besluit in werking waarmee het RWB, de UR en de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering op die datum worden ingetrokken.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, Stb. 554.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 juli 2000, Stb. 316.

XNoot
3

Stb. 1986, 611, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 juli 2000, Stb. 316.

XNoot
4

Stb. 1983, 571, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, Stb. 554.

XNoot
5

Stb. 1996, 1, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 november 1999, Stb. 491.

XNoot
6

Stb. 1989, 424, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 1998, Stb. 598.

XNoot
7

Stb. 1996, 352, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 november 1999, Stb. 491.

XNoot
8

Stb. 1991, 332, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 november 1999, Stb. 491.

XNoot
9

Stb. 1966, 408, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
10

Stb. 1997, 357, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 november 1999, Stb. 491.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2001, nr. 6.