Besluit van 18 oktober 2000 tot verlenging van de werkingsduur van het koninklijk besluit van 28 mei 1998, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 314)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 september 2000, nr. WJZ 00054196;

Gelet op artikel 13i, tweede lid, van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten;

De Raad van State gehoord (advies van 6 oktober 2000, nr. W.10.00.0435/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2000, nr. WJZ 00063688;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 mei 1998, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 314), komt te luiden:

  • 2. Dit besluit vervalt op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 25 mei 2000 ingediende voorstel van wet, houdende regels inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001) (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 27 170), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 18 oktober 2000

Beatrix

De Minister van Economische Zaken a.i.,

G. Zalm

Uitgegeven de zesentwintigste oktober 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel 13h van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten voorziet in een voorraadheffing op lichte olie, halfzware olie en gasolie. De heffingsbedragen zijn volledig bestemd voor de dekking van de exploitatiekosten van de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA). In artikel 13i, eerste lid, van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten is de hoogte van de voorraadheffing vastgesteld op f 13,50 per 1 000 liter product. Echter, op grond van artikel 13i, tweede lid, van die wet, kan de voorraadheffing bij algemene maatregel van bestuur worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Bij koninklijk besluit van 28 mei 1998, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 314), is de voorraadheffing voor de diverse producten verlaagd tot f 11,00 per 1 000 liter product. Dat besluit zou per 1 november 2000 vervallen; met het voorliggende besluit wordt het tijdelijk verlengd. De reden daarvoor is de volgende.

De hoogte van de voorraadheffing hangt enerzijds af van de omvang van het geschatte gebruik van aardolieproducten waarover de voorraadheffing wordt geïnd en anderzijds van de verwachte exploitatiekosten van COVA en het saldo op COVA's egalisatierekening. De exploitatiekosten van COVA bestaan uit kosten van voorraadbeheer, financieringskosten en kosten van algemeen beheer. De egalisatierekening is bedoeld om fluctuaties in de inkomsten en uitgaven van COVA op te vangen, met het oog op het zo weinig mogelijk veranderen van de hoogte van de voorraadheffing.

Zou de werkingsduur van het koninklijk besluit van 28 mei 1998 niet verlengd worden, dan zou de voorraadheffing per 1 november 2000 van f 11,00 per 1000 liter stijgen tot f 13,50 per 1000 liter. Echter, op grond van de verwachte exploitatiekosten van COVA is een wijziging van de huidige voorraadheffing niet nodig en niet gewenst. Door een stijging zou namelijk het saldo op de egalisatierekening ver boven de streefomvang van circa 50 miljoen gulden uitkomen, terwijl een daling zou leiden tot een te laag saldo op de egalisatierekening. Daarom wordt het heffingsbedrag tijdelijk gehandhaafd op f 11,00 per 1000 liter.

Deze continuering van het huidige heffingsbedrag geldt tot het wetsvoorstel voor een vernieuwde Wet voorraadvorming aardolieproducten (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 27 170), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt. De beoogde datum daarvoor is 1 april 2001. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt ingegaan op de vanaf die datum geldende bedragen voor de voorraadheffing (zie Kamerstukken II 1999/2000, nr. 27 170, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 22).

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven