Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2000, 408AMvB

Besluit van 26 september 2000 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WIK en het Besluit krediethypotheek bijstand in verband met de vaststelling van de vermogenswaarde van de bezittingen, met zowel een zakelijk als een privé karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar en de voorwaarden voor de verlening van een WIK-uitkering onder verband van hypotheek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juli 2000 Nr. BZ/ACT/00/46579;

Gelet op de artikelen 2 en 8 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en artikel 20, zevende lid, van de Algemene bijstandswet;

De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2000, No.W12.00.0301/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 2000, Directie Bijstandszaken, Nr. BZ/ACT/00/59396;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In het Uitvoeringsbesluit WIK1 worden na paragraaf 4 twee nieuwe paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4a. Vaststelling vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een privé karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar.

Artikel 10a

  • 1. Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning of het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf is artikel 11a van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, die tevens voor de uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 50% van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden.

§ 4b. Krediethypotheekregeling WIK

Artikel 11a

De vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WIK, vindt plaats door een taxateur die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de kunstenaar wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur.

Artikel 11b

  • 1. Aan de geldlening onder verband van hypotheek, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WIK, worden in elk geval de voorwaarden, genoemd in de artikelen 11c en 11d, verbonden.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.

Artikel 11c

  • 1. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de WIK, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WIK is verstreken.

  • 2. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.

  • 3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.

  • 4. Bij een inkomen van de kunstenaar en zijn gezin als bedoeld in artikel 47 van de Algemene bijstandswet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.

  • 5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.

  • 6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de kunstenaar en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen van de kunstenaar.

  • 7. Indien de kunstenaar en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 11d

  • 1. Indien door toepassing van artikel 11c, derde tot en met vijfde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.

  • 3. Indien de kunstenaar naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 4. Indien de kunstenaar naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • 5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 11e

  • 1. Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 11d, vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.

  • 2. Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aarde van de kunstenaar dan wel wegens werkaanvaarding elders als kunstenaar, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

  • 3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voorzover de opbrengst daartoe toereikend is, aan de kunstenaar in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 2a, eerste lid, onder b, van de WIK, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.

  • 4. Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 11f

Aan de kunstenaar wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Artikel 11g

Het bedrag, bedoeld in artikel 8, vierde lid, is gelijk aan twaalf maal het bedrag voor gehuwden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de WIK.

ARTIKEL II

Het Besluit krediethypotheek bijstand2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 4, vierde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt.

B

In artikel 2, tweede lid, wordt «beëdigd taxateur» vervangen door: «taxateur» en wordt na «aangewezen» ingevoegd: of door een gemeentelijk taxateur.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 26 september 2000

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de tiende oktober 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij de beoordeling of een kunstenaar aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) staat de vraag centraal of de belanghebbende over middelen beschikt om zelf in de kosten van het bestaan te voorzien. Bij de inwerkingtreding van de WIK is bepaald dat recht op een WIK-uitkering bestaat als de kunstenaar niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Onder middelen wordt verstaan: alle vermogens- en inkomensbestanddelen bedoeld in Hoofdstuk IV, afdeling 3 van de Algemene bijstandswet. Op grond hiervan konden kunstenaars die in het bezit zijn van een eigen woning met daarin een overwaarde die uitstijgt boven de algemene vermogensvrijlating in de Abw, maar die voor het overige voldoen aan alle toetredingseisen voor de WIK, niet in aanmerking komen voor een uitkering. Bij de Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de WIK teneinde kunstenaars met een eigen woning niet langer van een beroep op WIK uit te sluiten (Stb 299) is er in voorzien dat voor kunstenaars die in de boven omschreven omstandigheid verkeren alsnog de mogelijkheid wordt geschapen om een beroep te doen op de WIK. De te verlenen WIK-uitkering wordt in dat geval verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.

Op grond van voornoemde wet is in artikel 8, vijfde lid, van de WIK bepaald, dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende de voorwaarden waaronder een WIK-uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek wordt verleend. Deze regels (zie paragraaf 4b in artikel I van het onderhavige wijzigingsbesluit) zijn praktisch gelijkluidend aan de regels die gelden bij de krediethypotheekregeling van de Algemene bijstandswet. De regeling is tot stand gekomen in overleg met vertegenwoordigers van de centrumgemeenten die belast zijn met de uitvoering van de WIK. Uit dit overleg is duidelijk geworden dat de systematiek van de Abw-regeling goed werkbaar is bij toepassing voor de WIK. Het lag daarom voor de hand om daar waar dit mogelijk was aan te sluiten bij deze regeling. In de te stellen regels zijn onder meer bepalingen opgenomen ten aanzien van de renteverplichting bij aflossing van de schuld, de handelwijze bij verkoop of vererving en het eventueel verlenen van een nieuwe geldlening bij aankoop van een andere woning elders.

Verder is bij voornoemde wet voorzien in een regeling in de WIK op grond waarvan bezittingen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar buiten aanmerking worden gelaten bij de vaststelling van de omvang van het vermogen waarover een kunstenaar beschikt. Voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar is het vaak noodzakelijk dat men kan beschikken over een werkruimte, apparatuur en of hulpmiddelen. Een beeldend kunstenaar moet over een werkruimte kunnen beschikken en over diverse andere zaken zoals materialen en hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om een kunstwerk te vervaardigen. Vaak is daarnaast ook een computer nodig. Veel podiumkunstenaars hebben een oefenruimte nodig en andere attributen zoals bijvoorbeeld een muziekinstrument. Het niet buiten beschouwing laten van deze noodzakelijke middelen zou er toe kunnen leiden, dat een kunstenaar gedwongen wordt om deze middelen te verkopen teneinde te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat een kunstenaar niet langer in staat is om het beroep van kunstenaar uit te oefenen.

Op grond van voornoemde wet is in artikel 2, tweede lid, van de WIK, bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de vaststelling van het vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. Deze regels (zie paragraaf 4a in artikel I van het onderhavige wijzigingsbesluit) hebben betrekking op de waardevaststelling van bezittingen die deels een privé karakter hebben en deels bestemd zijn voor de uitoefening van het beroep. Gedacht kan onder meer worden aan een woning met bijbehorend erf in eigendom waarvan een gedeelte wordt gebruikt als werkruimte of oefenruimte, een auto die zowel privé als zakelijk wordt gebruikt of een computer. De beoordeling of een bepaald middel behoort tot deze categorie van bezittingen is sterk afhankelijk van het soort beroep dat de kunstenaar bedrijft en van de omstandigheden van de kunstenaar. Het geven van nadere regelgeving op dit gebied zou onvermijdelijk leiden tot een vrijwel onuitvoerbare hoeveelheid van zeer verfijnde regels, waarmee nog niet in alle gevallen recht zal worden gedaan aan de individuele omstandigheden van een kunstenaar. Het wordt daarom aan de centrumgemeente overgelaten om in samenspraak met de kunstenaar te bepalen of een bepaalde bezitting voor zowel privé als zakelijk gebruik dient.

Verder wordt in dit besluit uitvoering gegeven aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Noorman-den Uyl van 23 mei 2000 (kamerstukken II, 1999/2000, 27 035 nr. 9). In deze motie werd verzocht de aflossing van de Abw-krediethypotheek tijdens de WIK-uitkeringsperiode te bevriezen. Hieraan is uitvoering gegeven in artikel II van het onderhavige wijzigingsbesluit.

Artikelsgewijs

Artikel I

Op grond van dit artikel worden in het Uitvoeringsbesluit WIK twee nieuwe paragrafen ingevoegd betreffende de vaststelling van de vermogenswaarde van bezittingen, met zowel een privé als een zakelijk karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar en betreffende voorwaarden waaronder een uitkering op grond van de WIK onder verband van hypotheek wordt verstrekt.

Artikel 10a

Vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar wordt volgens artikel 2, eerste lid, onder b, van de WIK niet tot de middelen gerekend. Dit betekent in principe dat alle overige middelen waarover de kunstenaar beschikt voor de beoordeling van de hoogte van het vermogen worden meegewogen. Dit is duidelijk wanneer het gaat om bezittingen met een zuiver privé karakter. In artikel 10a worden echter voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder b, van de WIK nadere regels gesteld omtrent de vaststelling van de vermogenswaarde van de bezittingen van de kunstenaar met zowel een zakelijk als een privé karakter noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. Indien de kunstenaar in het bezit is van een woning met bijbehorend erf die tevens gebruikt wordt voor de uitoefening van zijn beroep, wordt het niet in aanmerking te nemen vermogen vastgesteld op een forfaitair bedrag van 20% van de waarde in het economisch verkeer verminderd met de daarop drukkende schulden. In het algemeen betekent de waarde in het economisch verkeer dat dat de waarde is van de bezittingen die de meest biedende koper bij verkoop onder normale omstandigheden bereidt is te betalen. De waarde van de woning in het economisch verkeer wordt vastgesteld door een taxateur voor onroerende zaken aangewezen door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de kunstenaar of door een gemeentelijk taxateur. Voor andere bezittingen van de kunstenaar met zowel een zakelijk als een privé karakter die voor de uitoefening van het beroep gebruikt worden geldt dat de vermogenswaarde wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag gelijk aan 50% van de waarde van deze bezittingen in het economische verkeer verminderd met de daarop drukkende schulden. Deze benadering is een andere benadering dan de benadering ten aanzien van vermogensvaststelling die in het kader van de Abw ten aanzien van zelfstandigen geldt en is neergelegd in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Aldaar is bepaald dat de voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer. Voor deze benadering in het Bbz is uitdrukkelijk gekozen, omdat het uitsluitend gaat om zelfstandigen en er zo in het kader van de uitvoering geen misverstand kan ontstaan over de doelgroep. In de WIK komen zowel zelfstandigen als in loondienst werkenden (en combinaties) voor. Er is daarom gekozen voor een benadering die daar recht aan doet en bovendien geen problemen geeft in de uitvoering.

Om niet terug te vallen op gedetailleerde regelgeving rond het vaststellen van de vermogenswaarde van de bezittingen van de kunstenaar met zowel een zakelijk als een privé karakter zijn de forfaitaire bedragen van 20% en 50% vastgesteld om het zakelijk deel van de bezittingen vast te stellen.

Het forfaitaire percentage van 20% in geval van een woning met bijbehorend erf dat tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt is gekozen met het oog op een gemiddelde woningindeling van 5 kamers waarbij 1 kamer is bestemd als bijvoorbeeld praktijkruimte, atelier of studio. Het percentage van 50% voor andere bezittingen van de kunstenaar met zowel een zakelijk als een privékarakter is gekozen omdat dit een rechtvaardige verdeling is gelet op het doel van de WIK: het stimuleren van een rendabele beroepspraktijk.

Artikel 11a

In artikel 11a is bepaald dat de vaststelling van de waarde van de woning kan geschieden door een taxateur die wordt aangewezen door burgemeester en wethouders. Dit gebeurt met de goedkeuring van de kunstenaar. Tevens kan de waarde van de woning worden vastgesteld door een gemeentelijke taxateur. Dit om voor de kunstenaar de kosten te besparen in het kader van de taxatie. Deze kosten zijn anders namelijk voor rekening van de kunstenaar zoals is geregeld in artikel 8, derde lid, van de WIK. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het gaat om een actuele waardevaststelling. Een gemeente moet er dus opletten dat indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) deze van een recente datum is. Als van de WOZ-taxatie kan worden uitgegaan zijn er voor de kunstenaar geen kosten aan verbonden.

Artikel 11b

In de hypotheekakte worden in elk geval opgenomen de voorwaarden genoemd in de artikelen 11c en 11d. Het gaat hierbij om de voorwaarden rond de aflossing van de lening en de rente over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Bij de gebruikelijke bedingen die ook in de hypotheekakte moeten worden opgenomen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het beding tot beperking van de bevoegdheid tot verhuur of verpachting.

Artikel 11c

Een kunstenaar kan in een periode van maximaal 10 jaar gedurende 4 jaar een beroep doen op de WIK. Voor deze z.g. «knipkaart-constructie» is gekozen vanuit de veronderstelling dat kunstenaars vaak sterk wisselende inkomsten hebben, waardoor zij de ene periode wel in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien en een andere periode wegens het uitblijven van opdrachten of een nieuw contract een beroep zullen moeten doen op de WIK. Een en ander kan tot gevolg hebben dat een kunstenaar in een periode van 10 jaar een aantal malen een beroep zal doen op de WIK. In artikel 11c is om die reden bepaald dat de aflossing op de schuld onder verband van hypotheek niet eerder aanvangt dan na beëindiging van de termijn van 10 jaar, of zoveel eerder als het WIK-recht van in totaal vier jaar is opgebruikt. Hiermee wordt voorkomen dat er bij in- en uitstroom telkens opnieuw de aflossing op de schuld moet worden gestart en weer beëindigd en dat er telkens opnieuw een aflossingsbedrag moet worden vastgesteld, hetgeen de druk op de uitvoering onaanvaardbaar zou verzwaren.

Gedurende ten hoogste 10 jaar vindt per maand een aflossing plaats die gelijk is aan een bedrag dat zou volgen uit tien jaar aflossing. Dat wil zeggen 1/120 van de geldlening. Het kan echter zijn dat het nieuwe inkomen een hoger aflossingsbedrag per maand rechtvaardigt. De kunstenaar heeft echter ook de mogelijkheid een lager maandelijks aflossingsbedrag te betalen dan het bedrag wat volgt uit de aflossingsperiode van tien jaar, indien bepaalde bijzondere bestaansuitgaven dit rechtvaardigen. Indien er een lager maandelijks bedrag wordt afgesproken is de periode van ten hoogste tien jaar niet voldoende om de totale geldlening af te lossen. Het restant van de lening wordt in ieder geval afgerekend bij verkoop of vererving van de woning. De aflossingsverplichting blijft echter bestaan. Voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening wordt uitstel van betaling verleend. Aan de kunstenaar wordt overgelaten of deze toch aflossingen wil verrichten.

Het maandelijkse aflossingsbedrag wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. Dit aangezien de hoogte van het inkomen en de noodzakelijke uitgaven geen constant gegeven hoeven te zijn. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 47 van de Algemene bijstandswet van de kunstenaar en zijn gezin wat niet uitstijgt boven de geldende bijstandsnorm is geregeld dat geen aflossing wordt gevergd. Daardoor blijft het inkomen tot dat niveau beschikbaar voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. De aflossingsperiode van ten hoogste tien jaar gaan in na beëindiging van de bijstand.

Artikel 11d

De wettelijke rente is verschuldigd bij schuldige nalatigheid ten aanzien van het voldoen van de aflossing binnen de periode van tien jaar. Er is altijd rente verschuldigd na de aflossingsperiode van tien jaar. Deze rente is drie procent lager dan de wettelijke rente. Wanneer die rente niet betaald kan worden, wordt deze als vordering bijgeschreven bij het niet afgeloste deel van de geldlening. Over rentevorderingen is geen rente verschuldigd. Wanneer de kunstenaar tijdens de aflossingsperiode van tien jaar of eerder wanneer de periode van vier jaar waarover men daadwerkelijk een WIK-uitkering kan ontvangen is verstreken schuldig nalatig is de vastgestelde aflossing te voldoen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar.

Artikel 11e

Vanaf het moment dat de kunstenaar kan beschikken over de opbrengst van de verkoop van de woning dient de resterende geldlening terstond in een keer aan de gemeente te worden terugbetaald. Het is redelijk van de kunstenaar te verlangen dat na ontvangst van de opbrengst de lening direct wordt terugbetaald. Wanneer er door de kunstenaar niet snel wordt afgerekend is er rente verschuldigd. De rente dient dan als stimulans om direct na de opbrengst terug te betalen.

Overschrijven van de krediethypotheek is formeel niet mogelijk in het geval dat de kunstenaar zijn woning verkoopt tijdens het ontvangen van een WIK-uitkering. Er dient eerst afgerekend te worden voordat de kunstenaar een nieuwe krediethypotheek kan afsluiten. In artikel 11e, tweede lid, is de mogelijkheid van een verwisseling van het onderpand opgenomen. B en W kan hiertoe besluiten wanneer bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard of werkaanvaarding elders van de kunstenaar hiertoe aanleiding geven. De kunstenaar hoeft het vrijgekomen vermogen niet in te zetten voor het levensonderhoud, maar kan daarmee een passende andere woning aankopen. De kunstenaar dient na afrekening wel het volledige vrijgekomen vermogen in te zetten voor de koop van een andere woning. B en W stellen deze middelen ter beschikking als nieuwe lening onder verband van hypotheek.

Indien de woning tegen de geldende marktwaarde is verkocht, komt de kunstenaar in ieder geval het bedrag van het vrijgelaten vermogen toe. Of de kunstenaar ook nog over het bedrag van het extra vrijgelaten vermogen kan beschikken is afhankelijk van de verkoopwaarde, de gevestigde hypotheek en de afrekening van de krediethypotheek. Het kan dus zo zijn dat het extra vrijgelaten vermogen bij de afrekening niet uitgekeerd wordt. Indien de opbrengst van de woning lager is dan de geldende marktwaarde en daarmee het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 11g

In artikel 8, vierde lid, van de WIK is bepaald, dat er hertaxatie van de woning plaatsvindt op het moment dat het eerder vastgestelde krediet wordt overschreden. Indien er sprake is van een waardestijging dient er vervolgens opnieuw een krediethypotheek te worden gevestigd over het deel van de toegenomen waarde (het verschil tussen de taxatiewaarde bij aanvang van de verlening van WIK onder verband van hypotheek en de laatste taxatiewaarde). Het spreekt voor zich dat op deze overwaarde de schuld die is ontstaan op basis van de eerder gevestigde krediet-hypotheek WIK in mindering dient te worden gebracht. Ook kan op deze nieuwe overwaarde in mindering worden gebracht het eventuele restant van de extra vrijlating ingevolge artikel 2 a, eerste lid, onder a, WIK. Ter voorkoming van de situatie dat er bij een geringe waardestijging reeds een nieuwe krediethypotheek moet worden afgesloten is in de WIK bepaald, dat bij algemene maatregel van bestuur een ondergrens wordt aangegeven voor het opnieuw verstrekken van een WIK-uitkering onder verband van hypotheek. De uitvoeringslast voor de gemeenten blijft hierdoor beperkt. Deze ondergrens is bepaald op een bedrag ter hoogte van twaalf maal de WIK-gezinsnorm inclusief vakantietoeslag. Indien de waardestijging van de woning op het moment dat de kredietlimiet is bereikt beneden deze grens ligt, wordt het bedrag aan WIK-uitkering dat boven de limiet uitstijgt niet onder verband van krediethypotheek verstrekt.

Artikel II

De kunstenaar die in het kader van de Algemene bijstandswet gebruikt maakt van de krediethypotheekregeling en vandaar overstapt naar een WIK-uitkering hoeft niet af te lossen op zijn geldlening op grond van het Besluit krediethypotheek bijstand, zolang er recht bestaat op een WIK-uitkering. Door de aflossing op de Abw-krediethypotheek te staken tijdens het ontvangen van een uitkering op grond van de WIK wordt voorkomen dat de WIK-hypotheek wordt benut voor de aflossing van de Abw-hypotheek. De renteverplichtingen in verband met de hypotheekschuld blijven bestaan. Na beëindiging van de WIK-uitkering herleeft de aflossingsplicht.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

Stb. 1998, 343, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2000, Stb. 199.

XNoot
2

Stb. 1995, 204, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 oktober 1995, Stb. 496.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 november 2000 nr. 221.