Besluit van 23 augustus 2000, houdende wijziging van het Voertuigreglement met betrekking tot de restantvoorraden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 april 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-168, Centrale Directie Juridische Zaken;

Gelet op artikel 15, vierde lid, onderdeel c, van richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 (PbEG L 225) betreffende de goedkeuring van twee- en driewielige motorvoertuigen, artikel 1, vijfde lid, van richtlijn 98/14/ EG van de Commissie van 6 februari 1998 (PbEG L 91) tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, en artikel 24 van de Wegenverkeerswet 1994;

De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2000, nr. W09.00.0164/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-894, Centrale Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 2.3 van het Voertuigreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst;

2. Onderdeel a komt te luiden:

a. een ingevolge richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42) verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42), en bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, bij richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42);

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Met betrekking tot voertuigen als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van richtlijn 92/61/EEG (PbEG 10 augustus 1992, L 225) geldt in plaats van de in het eerste lid genoemde periode van een jaar, een periode van twee jaar.

ARTIKEL II

Artikel 2.3, tweede lid, van het Voertuigreglement komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van richtlijn 92/61/EEG (PbEG 10 augustus 1992, L 225).

ARTIKEL III

  • 1. Artikel I van dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2000 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de geldigheidstermijn van nationale typegoedkeuringen van twee- en driewielige motorrijtuigen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 249, nr. 2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt artikel II van dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 23 augustus 2000

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Uitgegeven de zevende september 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Deze wijziging van artikel 2.3. van het Voertuigreglement houdt verband met het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 30, tweede lid, van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de geldigheidstermijn van nationale typegoedkeuringen van twee- en driewielige motorrijtuigen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 249, nr. 1 e.v.). Genoemd artikel 30, tweede lid, bepaalt met betrekking tot twee- en driewielige motorvoertuigen dat reeds verleende nationale typegoedkeuringen die niet meer voldoen aan nieuwe Europese richtlijnen, gedurende twee jaar geldig blijven. In het wetsvoorstel wordt de termijn van twee jaar verlengd tot vier jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop aan de in artikel 15, vierde lid, onderdeel c, van richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 225) (verder: richtlijn 92/61/EEG) bedoelde bijzondere richtlijnen uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.

De verlenging wordt voorgesteld omdat inmiddels is gebleken dat alle overige EU-lidstaten een termijn van vier jaar hanteren. Bovendien is een wijziging van de kader-richtlijn 92/61/EEG met betrekking tot twee- en driewielige motorvoertuigen in voorbereiding waarbij een termijn van vier jaar dwingend wordt voorgeschreven.

In dit besluit wordt – vooruitlopend op bovengenoemde wetswijziging – artikel 2.3. van het Voertuigreglement (de «restantvoorraden-regeling») tijdelijk verruimd. Genoemd artikel 2.3., aanhef en onderdeel b, bepaalt dat motorvoertuigen waarvoor een nationale typegoedkeuring is afgegeven, bij het nadien van kracht worden van zwaardere eisen nog gedurende een jaar in het verkeer mogen worden gebracht. Deze overgangsregeling is aanvullend op de bovengenoemde overgangsregeling van artikel 30, tweede lid, van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994.

In dit besluit wordt voor twee- en driewielige motorvoertuigen de termijn van een jaar tijdelijk verhoogd naar twee jaar (zie artikel I van dit besluit). De reden hiervoor is dat de wijziging van de overgangstermijn uit artikel 30, tweede lid, van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994, nog enige tijd in beslag zal nemen. Door de termijn van artikel 2.3. van het Voertuigreglement, te verlengen tot twee jaar ontstaat er, anticiperend op de wetswijziging, in totaal reeds een overgangstermijn van vier jaar, zij het beperkt tot restantvoorraden.

Met de wijziging van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van het Voertuigreglement wordt artikel 1, vijfde lid, van richtlijn 98/14/EG van de Commissie van 6 februari 1998 (PbEG L91) tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen een aanhangwagens daarvan (PbEG L 91) (verder: richtlijn 98/14/EG) geïmplementeerd. Artikel 1, vijfde lid, van richtlijn 98/14/EG behelst een wijziging van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG (PbEG L 42). Dit artikel 8, tweede lid, onderdeel b, bevat een regeling voor restantvoorraden.

Tot deze wijziging gold voor restantvoorraden de beperking dat het maximumaantal voertuigen dat volgens deze procedure in het verkeer wordt gebracht niet hoger is dan 10% van het totaal aantal voertuigen van alle typen dat het voorgaande jaar in het verkeer is gebracht. Met de wijziging wordt het door de richtlijn toegelaten maximum voor alle categorieën, behalve categorie M1 (motorvoertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend), verhoogd tot 30%; voor categorie M1 blijft het maximum van 10% gelden. Wanneer 30 respectievelijk 10% minder is dan 100 voertuigen, is het maximumaantal voertuigen dat in het verkeer mag worden gebracht via de procedure van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/14/EG, 100 voertuigen. In het onderhavige besluit is gekozen voor de in bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, van richtlijn nr. 70/156/EEG, zoals gewijzigd in onderdeel 13 van de bijlage bij richtlijn nr. 98/14/EG, genoemde optie, omdat het beter past bij het karakter van een restantvoorraad een gelimiteerd aantal voertuigen nog toe te laten na het op grond van een EG-richtlijn van kracht worden van zwaardere eisen. Voorts is er bij deze optie een beter zicht op het aantal voertuigen dat ter registratie zal worden aangeboden, zodat een betere handhaafbaarheid mogelijk is dan bij de andere mogelijke optie.

De omstandigheid dat de uiterste implementatietermijn van richtlijn 98/14/EG sinds 30 september 1998 is verstreken, zonder dat deze richtlijn in de Nederlandse wetgeving tijdig is geïmplementeerd, heeft voor de belanghebbenden beperkte gevolgen, aangezien deze richtlijn grotendeels rechtstreeks toepasselijk is en in de huidige uitvoeringspraktijk al conform de richtlijn wordt gehandeld. Ook de in het onderhavige besluit neergelegde keuze voor de eerste optie met betrekking tot de restantvoorraden wordt in de praktijk – in overleg met de uitvoeringsinstantie en de branche – reeds toegepast.

Wanneer de voorgenomen wijziging van artikel 30, tweede lid, van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994, in werking is getreden, biedt de kaderrichtlijn 92/61/EEG die betrekking heeft op twee- en driewielige motorvoertuigen, geen ruimte meer voor een overgangstermijn voor restantvoorraden. De kaderrichtlijn voorziet namelijk in een overgangstermijn van ten hoogste vier jaren. Daarnaast kent deze kaderrichtlijn, anders dan de kaderrichtlijn voor vierwielige motorvoertuigen, thans geen bepaling die voorziet in een overgangstermijn voor restantvoorraden. In verband daarmee wordt in artikel II de restantvoorradenregeling voor zover deze betrekking heeft op twee- en driewielige motorvoertuigen ingetrokken met ingang van het tijdstip waarop de bovengenoemde wijziging van artikel 30, tweede lid, van de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994, in werking treedt.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos


XNoot
1

Stb. 1994, 450, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 juni 2000, Stb. 259.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 oktober 2000, nr. 196.

Naar boven