Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2000, 305Wet

Wet van 22 juni 2000, houdende regels omtrent het transport en de levering van gas (Gaswet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter uitvoering van richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PbEG 1998, L 204), de mogelijkheden voor levering en in- en uitvoer van gas en voor het gebruik van infrastructuur voor gastransport te verruimen en daarvoor met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, duurzaam, milieuhygiënisch verantwoord en doelmatig functioneren van de gasvoorziening een regeling tot stand te brengen met betrekking tot het transport en de levering van gas;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

    b. gas: stof die bij een temperatuur van 15° Celsius en bij een druk van 1,01325 bar in gasvormige toestand verkeert en in hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die vanwege haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is;

    c. gasproductienet: een of meer pijpleidingen die onderdeel uitmaken van een olie- of gaswinningsproject of die worden gebruikt voor het transport van gas rechtstreeks van een gaswinningsproject naar een verwerkingsinstallatie, een opslagplaats of een aanlandingsplaats;

    d. gastransportnet: niet tot een gasproductienet behorende, met elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt voor het transport van gas, met inbegrip van landsgrensoverschrijdende leidingen, hulpmiddelen en installaties waarmee noodzakelijkerwijs met dat transport verbonden diensten worden verricht, met uitzondering van de leidingen, hulpmiddelen en installaties van een afnemer die gelegen zijn binnen een terrein dat eigendom is van deze afnemer en die uitsluitend dienen voor het transport van gas voor eigen verbruik door die afnemer of voor verbruik door anderen die op dat terrein gevestigd zijn;

    e. gastransportbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een gastransportnet beheert;

    f. gasopslaginstallatie: een installatie voor de opslag van gas met uitsluiting van het gedeelte dat wordt gebruikt voor productieactiviteiten;

    g. gasopslagbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een gasopslaginstallatie beheert;

    h. LNG-installatie: installatie voor het vloeibaar maken van gas of voor de verlading, de opslag of de hervergassing van vloeibaar gas;

    i. LNG-bedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een LNG-installatie beheert;

    j. gasbedrijf: een gastransportbedrijf, een gasopslagbedrijf, een LNG-bedrijf of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de productie, de aankoop of de levering van gas verricht, maar geen eindafnemer van dit gas is;

    k. verwant bedrijf: verbonden onderneming in de zin van artikel 41 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, derde lid, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening of een geassocieerde onderneming in de zin van artikel 33, eerste lid, daarvan of een onderneming die aan dezelfde aandeelhouders toebehoort;

    l. netgebruiker: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon voor wie met behulp van een gastransportnet het transport van gas en daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten worden verricht;

    m. aansluiting: een verbinding tussen een gastransportnet en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet waardering onroerende zaken;

    n. beschermde afnemer: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon gedurende de periode waarin hij, naar een op het verbruik in voorgaande jaren gegronde verwachting, jaarlijks per aansluiting

    1°. tot 1 januari 2002 minder dan 10 000 000 m3 gas verbruikt,

    2°. tot en met 31 december 2003 minder dan 1 000 000 m3 gas verbruikt, met dien verstande dat wanneer gas ten behoeve van een gemeenschappelijke voorziening wordt afgenomen, in plaats van die voorziening de gebruikers daarvan worden aangemerkt als afnemer;

    o. afnemer: een persoon met een aansluiting op een gastransportnet;

    p. vergunninghouder: een houder van een leveringsvergunning als bedoeld in artikel 22;

    q. richtlijn: richtlijn nr. 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998, betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PbEG L 204);

    r. directeur-generaal: de directeur-generaal van Nederlandse mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet;

    s. directeur: de Directeur van de dienst uitvoering en toezicht energie.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan de termijn worden gewijzigd waarbinnen een afnemer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel n, onder 1° of onder 2°, wordt beschouwd als beschermde afnemer of kan de daarin aangegeven grenswaarde met betrekking tot het gasverbruik worden gewijzigd.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze van vaststelling van het jaarlijks verbruik van beschermde afnemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel n.

  • 4. Onverminderd het tweede lid kan een wijziging als bedoeld in dat lid niet eerder ingaan dan op 1 januari 2003 en niet dan nadat daarover overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 5. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid heeft slechts plaats indien:

    a. die wijziging verantwoord is uit een oogpunt van betrouwbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van de gasvoorziening,

    b. er sprake is van evenwichtige mededinging,

    c. er Europese regelgeving met betrekking tot mededinging is, die heeft geleid tot een evenwichtige verdeling van krachten op de gasmarkt,

    d. er voldoende inzicht bestaat over de te verwachten gevolgen met betrekking tot de positie en de inkomsten van de Staat.

  • 6. Een voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het onderwerp aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Paragraaf 1.2. Aanwijzing van netbeheerders

Artikel 2

  • 1. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan wie een gastransportnet toebehoort, wijst voor het beheer van dat net, ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 10 en 42 en hoofdstuk 2, een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor de vennootschap, genoemd in artikel 53.

  • 3. Onverminderd artikel 6 geldt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid voor een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop Onze Minister heeft ingestemd met de aanwijzing op grond van artikel 4, tweede lid.

Artikel 3

  • 1. Een rechtspersoon die de productie, de aankoop of de levering van gas verricht wordt niet aangewezen als netbeheerder.

  • 2. De statuten van de netbeheerder bevatten in ieder geval:

    a. de instelling van een raad van commissarissen en

    b. de bepaling dat de leden van het bestuur en de meerderheid van de leden van de raad van commissarissen direct noch indirect een binding hebben met een rechtspersoon die de productie, aankoop of levering van gas verricht.

    c. de bepaling dat de aandeelhouders van de netbeheerder zich onthouden van iedere bemoeiing met de uitvoering van de taken als bedoeld in de artikel 10 en 42 en hoofdstuk 2.

  • 3. Een netbeheerder mag een activiteit als bedoeld in het eerste lid uitoefenen indien die activiteit een met het transport noodzakelijkerwijs verbonden dienst is.

Artikel 4

  • 1. De netbeheerder meldt aan Onze Minister onverwijld na zijn aanwijzing zijn naam en adres en de naam en het adres van zijn aandeelhouders en zendt aan de minister een beschrijving van het gastransportnet dat door hem wordt beheerd. Tenminste eenmaal per jaar meldt hij Onze Minister iedere wijziging van de namen of adressen en zendt hij hem een beschrijving van de wijziging van het gastransportnet dat door hem wordt beheerd.

  • 2. De aanwijzing behoeft de instemming van Onze Minister. De Minister onthoudt zijn instemming of kan voorschriften verbinden aan de instemming, indien niet is voldaan aan artikel 3 of indien de aangewezen netbeheerder in onvoldoende mate in staat zal zijn aan een taak als bedoeld in de artikelen 10 en 42 en hoofdstuk 2 te voldoen.

  • 3. Indien Onze Minister voorschriften verbindt aan zijn instemming, strekken deze er slechts toe de geconstateerde tekortkomingen, bedoeld in het tweede lid, weg te nemen.

Artikel 5

  • 1. Indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in gebreke blijft met het aanwijzen van een netbeheerder binnen twaalf weken na het inwerkingtreden van dit artikel, binnen vier weken na de aanleg van een gastransportnet dan wel onverwijld na het intrekken of vervallen van een eerdere aanwijzing, wijst Onze Minister een naamloze of besloten vennootschap aan als netbeheerder van dat gastransportnet.

  • 2. Indien Onze Minister vaststelt dat niet meer voldaan wordt aan artikel 3 kan hij de desbetreffende netbeheerder opdragen door hem noodzakelijk geachte voorzieningen te treffen.

  • 3. Indien een netbeheerder niet voldoet aan een opdracht als bedoeld in het tweede lid, kan Onze Minister de aanwijzing van de desbetreffende netbeheerder vervangen door een aanwijzing van een andere naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder.

Artikel 6

  • 1. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan met inachtneming van een redelijke termijn de aanwijzing van een netbeheerder vervangen door de aanwijzing van een andere naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder.

  • 2. Ingeval van fusie, splitsing, ontbinding of faillissement van de vennootschap die als netbeheerder is aangewezen, vervalt de aanwijzing als netbeheerder van rechtswege en wijst de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onverwijld een naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder aan. Deze vennootschap kan dezelfde zijn als de vennootschap die daarvoor als netbeheerder was aangewezen.

  • 3. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wijst voor afloop van de periode bedoeld in artikel 2, derde lid, een naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder aan voor de daarop aansluitende periode. Deze vennootschap kan dezelfde zijn als die daarvoor als netbeheerder was aangewezen.

  • 4. De artikelen 2 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing als netbeheerder, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 7

  • 1. Een rechtspersoon die de productie, de aankoop of de levering van gas verricht, onthoudt zich van iedere bemoeienis met de uitvoering van de taken die een netbeheerder ingevolge de artikelen 10 en 42 en hoofdstuk 2 heeft, tenzij de netbeheerder hem als verwant bedrijf uitdrukkelijk verzoekt een met het transport noodzakelijkerwijs verbonden dienst te verrichten.

  • 2. Onder behoud van de verantwoordelijkheid van de netbeheerder voor de volledige en juiste uitvoering van zijn taak in het kader van het beheer van een gastransportnet, kunnen de werkzaamheden, bedoeld in artikel 10, worden verricht door een rechtspersoon die niet als netbeheerder is aangewezen.

Artikel 8

  • 1. De netbeheerder verschaft Onze Minister eenmaal in elke twee jaar zo nauwkeurig mogelijke ramingen van de totale behoefte aan capaciteit voor het transport van gas met behulp van de door hem beheerde netten in het eerste tot en met het zevende jaar na het jaar, waarin de ramingen worden vastgesteld. Hij vermeldt daarbij de gemaakte vooronderstellingen en brengt de van belang zijnde onderscheidingen aan.

  • 2. Tevens geeft de netbeheerder op basis van de ramingen aan op welke wijze hij in het eerste tot en met het zevende jaar na het jaar, waarin de ramingen worden vastgesteld, zal voorzien in de totale behoefte aan capaciteit voor het transport van gas met behulp van de door hem beheerde netten.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de inhoud van de ingevolge het eerste en tweede lid te verschaffen gegevens.

Artikel 9

  • 1. Indien naar het oordeel van Onze Minister uit de gegevens, bedoeld in artikel 8, of anderszins blijkt dat een netbeheerder in onvoldoende mate of op een ondoelmatige wijze kan of zal kunnen voorzien in de totale behoefte aan capaciteit voor het transport van gas met behulp van de door hem beheerde netten, dan wel op een wijze die onvoldoende de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van de netten waarborgt en het milieu ontziet of duurzaamheid waarborgt, kan Onze Minister aan de desbetreffende netbeheerder opdragen voorzieningen te treffen teneinde zeker te stellen dat het transport van gas in voldoende mate plaatsvindt, op een wijze die de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van de netten waarborgt en het milieu ontziet of duurzaamheid waarborgt.

  • 2. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de opdracht, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 1.3. Beheerstaken op het gebied van gastransport, gasopslag en LNG

Artikel 10

  • 1. Een gastransportbedrijf, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf heeft tot taak zijn gastransportnet, onderscheidenlijk zijn gasopslaginstallatie of zijn LNG-installatie op economische voorwaarden in werking te hebben, te onderhouden en te ontwikkelen op een wijze die de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van dat gastransportnet of die installatie en van het transport van gas waarborgt en het milieu ontziet.

  • 2. Een gasbedrijf als bedoeld in het eerste lid verstrekt andere gastransportbedrijven, gasopslagbedrijven en LNG-bedrijven voldoende informatie om te waarborgen dat het transport en de opslag van gas met behulp van zijn gastransportnet, onderscheidenlijk zijn gasopslaginstallatie of zijn LNG-installatie en de daarmee verbonden gastransportnetten op een veilige en doelmatige wijze kan plaatsvinden.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid onthouden gasbedrijven als bedoeld in het eerste lid zich van iedere vorm van discriminatie tussen netgebruikers.

HOOFDSTUK 2. TRANSPORT VAN GAS

Paragraaf 2.1. Technische eisen voor aansluiting op een gastransportnet

Artikel 11

  • 1. Een gastransportbedrijf stelt in ontwerp voorwaarden op waarin is vastgelegd aan welke vereisten het technisch ontwerp en de exploitatie van leidingen en installaties ten minste moeten voldoen met het oog op aansluiting van die leidingen en installaties op zijn gastransportnet. Indien voor het verrichten van transport het gebruik van installaties van een verwant bedrijf noodzakelijk is, bevatten de voorwaarden tevens de vereisten voor de aansluiting op die installaties.

  • 2. De voorwaarden zijn objectief en niet-discriminerend en op basis daarvan moet het samenhangend functioneren van de gastransportnetten gewaarborgd zijn.

  • 3. Het gastransportbedrijf zendt de voorwaarden in ontwerp aan de directeur-generaal.

  • 4. De directeur-generaal deelt de voorwaarden in ontwerp aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen mee en vergewist zich van het tijdstip van het verstrijken van de van toepassing zijnde termijnen, bedoeld in artikel 9 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998, betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 204).

  • 5. De directeur-generaal kan één of meer gastransportbedrijven opdragen de voorwaarden aan te passen indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk is met het oog op de naleving van het tweede lid of als gevolg van de procedure bedoeld in het vierde lid. Indien de eerste volzin geen toepassing vindt, maakt de directeur-generaal dit onverwijld na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in het vierde lid, aan het gastransportbedrijf bekend.

  • 6. Het gastransportbedrijf stelt de voorwaarden vast met inachtneming van het vijfde lid en legt de voorwaarden voor een ieder ter inzage op zijn kantoor.

Paragraaf 2.2. Indicatieve tarieven en voorwaarden voor transport

Artikel 12

  • 1. Een gastransportbedrijf is verplicht jaarlijks voor 1 oktober een indicatie bekend te maken van de tarieven en de voorwaarden die het bedrijf in het volgende kalenderjaar voornemens is te hanteren voor het verrichten van transport van gas en van de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten.

  • 2. Onder de in het eerste lid bedoelde diensten wordt in ieder geval verstaan het aanpassen van de benuttingsgraad.

  • 3. Het gastransportbedrijf voert overleg met representatieve organisaties van netgebruikers over de indicatieve tarieven en voorwaarden.

  • 4. Het gastransportbedrijf zendt de in het eerste lid bedoelde informatie aan de directeur-generaal.

Artikel 13

  • 1. De directeur-generaal stelt richtlijnen vast. Bij het vaststellen van richtlijnen houdt de directeur-generaal rekening met het belang van het bevorderen van het handelsverkeer en het bevorderen van het doelmatig handelen van gastransportbedrijven en netgebruikers. De richtlijnen worden bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2. Het gastransportbedrijf neemt de richtlijnen in acht bij het vaststellen van de indicatieve tarieven en voorwaarden.

  • 3. De directeur-generaal kan een gastransportbedrijf bindende aanwijzingen geven met betrekking tot de indicatieve tarieven en voorwaarden.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de richtlijnen als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Een krachtens het vierde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan zes weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Paragraaf 2.3. Verrichten van transport van gas

Artikel 14

  • 1. Een gastransportbedrijf is verplicht, in voorkomend geval tezamen met een verwant bedrijf, met degene die daarom verzoekt te onderhandelen over het verrichten van het transport van gas met behulp van zijn gastransportnet en van één of meer installaties van het verwante bedrijf, voor zover het gebruik van die installaties noodzakelijk is voor het transport.

  • 2. Op de grondslag van hetgeen als gevolg van het eerste lid is overeengekomen, wordt het transport van gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten verricht.

  • 3. Toepassing van het eerste en het tweede lid geschiedt op voorwaarden die redelijk, transparant en niet discriminerend zijn.

  • 4. Voorwaarden als bedoeld in de artikelen 236 en 237 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vermoed niet redelijk te zijn.

  • 5. Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard, inhoud en wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.

  • 6. De directeur-generaal kan op verzoek van één of meer van de bij de onderhandelingen betrokken partijen een termijn stellen waarbinnen de onderhandelingen afgerond moeten zijn.

  • 7. Indien de onderhandelingen binnen de in het zesde lid bedoelde termijn niet tot een overeenkomst hebben geleid, deelt het gastransportbedrijf binnen twee weken de directeur-generaal mede welke redenen daaraan ten grondslag liggen.

Artikel 15

  • 1. Een gastransportbedrijf, of in voorkomend geval een verwant bedrijf, kan weigeren het transport van gas of de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten te verrichten indien:

    a. binnen zijn gastransportnet, onderscheidenlijk de in artikel 14, eerste lid, bedoelde installaties van het verwante bedrijf, geen capaciteit beschikbaar is voor het transport van de desbetreffende hoeveelheid gas dan wel in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij alle capaciteit beschikbaar stelt;

    b. het verrichten van het beoogde transport of van de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten hem zou verhinderen zijn in artikel 10 bedoelde taak te vervullen of

    c. het gastransportbedrijf beschikt over een daartoe strekkende ontheffing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of het bedrijf een aanvraag daartoe heeft ingediend en daarop nog niet is beslist.

  • 2. Een weigering als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed.

Artikel 16

  • 1. De directeur-generaal kan op aanvraag het gastransportbedrijf, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tijdelijk ontheffing verlenen van de in artikel 14, eerste lid, bedoelde verplichting indien een verzoek om transport is gericht tot het gastransportbedrijf en het bedrijf ernstige economische en financiële moeilijkheden ondervindt of dreigt te ondervinden in verband met één of meer reeds aangegane overeenkomsten die voor hem een verplichting bevatten tot afname van een bepaalde hoeveelheid gas of, bij gebreke daarvan, tot het betalen van een vergoeding ter waarde van die hoeveelheid gas of van een deel daarvan.

  • 2. In een verzoek om ontheffing worden de aard en de omvang van de verwachte moeilijkheden aangegeven, alsmede de inspanningen die het gastransportbedrijf heeft geleverd om die moeilijkheden op te lossen.

  • 3. Bij het beoordelen van de aanvraag houdt de directeur-generaal rekening met artikel 25, eerste lid, tweede alinea, en derde lid, van de richtlijn.

  • 4. De directeur-generaal beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 5. Indien de directeur-generaal een ontheffing als bedoeld in het eerste lid heeft verleend, stelt hij de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan onverwijld in kennis, onder overlegging van de daarvoor van belang zijnde gegevens.

  • 6. Indien een definitief besluit van de Commissie als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de richtlijn strekt tot wijziging of intrekking van de ontheffing is de directeur-generaal verplicht daaraan onverwijld gevolg te geven.

  • 7. Van een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 17

  • 1. De Mededingingswet is mede van toepassing ten aanzien van het verrichten van transport van gas met behulp van een gasproductienet op het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk is gelegen aan de zeezijde van de in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee bedoelde lijn.

  • 2. Ten aanzien van het transport van gas, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gasproductienet niet verstaan de pijpleidingen die ter plaatse binnen een olie- of gaswinningsproject worden gebruikt.

Paragraaf 2.4. Opslag

Artikel 18

  • 1. De artikelen 12 tot en met 16, 19, 72 en 73 zijn van overeenkomstige toepassing op gasopslagbedrijven, voor zover deze gasopslagbedrijven een economische machtspositie hebben.

  • 2. De vennootschap, bedoeld in artikel 53, alsmede de vennootschappen die houder zijn van de bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) onderscheidenlijk de bij koninklijk besluit van 1 mei 1969, nr. 14 (Stcrt. 94) verleende concessies, worden voor de toepassing van het eerste lid geacht een economische machtspositie binnen het Nederlands territoir te hebben.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt. Deze algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt inwerking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Paragraaf 2.5. Geschillenbeslechting

Artikel 19

  • 1. Geschillen met betrekking tot de toepassing van de artikelen 14 en 15 worden, met inachtneming van deze wet, op de grondslag van de Mededingingswet beslecht door de directeur-generaal.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de door partijen bij het geschil te verstrekken gegevens, alsmede met betrekking tot de termijnen voor de gegevensverstrekking.

  • 3. Indien een geschil betrekking heeft op een voorwaarde of een tarief voor het verrichten van transport van gas of voor een daarmee noodzakelijkerwijs verbonden dienst, kan de directeur-generaal voor een door hem te bepalen termijn die voorwaarde of dat tarief vaststellen.

Artikel 20

  • 1. Ingeval een geschil betrekking heeft op een landsgrensoverschrijdend transport, is de directeur-generaal onbevoegd het geschil te behandelen, indien degene die weigert het transport te verrichten of tarieven en voorwaarden voor dat transport vaststelt, waarmee de verzoeker zich niet kan verenigen, een gastransportnet of een gasproductienet beheert dat geheel ressorteert onder een andere lidstaat van Europese Unie.

  • 2. Ingeval een geschil als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een transport met behulp van een gastransportnet of een gasproductienet dat tevens ressorteert onder een andere lidstaat, overlegt de directeur-generaal met de in die andere lidstaat bevoegde instantie over de behandeling van dat geschil.

HOOFDSTUK 3. LEVERING VAN GAS AAN BESCHERMDE AFNEMERS

Paragraaf 3.1. Leveringsvergunning

Artikel 21

  • 1. Het is verboden zonder vergunning gas te leveren aan beschermde afnemers.

  • 2. Het verbod geldt niet ten aanzien van het leveren van gas:

    a. door een buiten Nederland gevestigde leverancier van gas aan ten hoogste 500 beschermde afnemers, bedoeld in artikel 1, onderdeel n, onder 2°, die wonen in gebieden aan de Nederlandse landsgrens of

    b. indien het gas anders dan bedrijfsmatig wordt geleverd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.

Artikel 22

  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag een leveringsvergunning indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat voldoende voorzieningen zijn getroffen om te kunnen voldoen aan de verplichting tot levering van gas aan beschermde afnemers, bedoeld in artikel 25.

  • 2. Onder voorzieningen worden mede begrepen de voorwaarden die de aanvrager stelt voor de levering van gas aan beschermde afnemers, kwaliteitscriteria en de behandeling van klachten ten aanzien van die levering.

Artikel 23

  • 1. Een leveringsvergunning is geldig tot en met 31 december 2003, dan wel tot het tijdstip waarop de gewijzigde termijn, bedoeld in artikel 1, tweede lid, afloopt.

  • 2. In de leveringsvergunning wordt het gebied aangewezen waarin de vergunninghouder gas levert aan beschermde afnemers.

  • 3. Een leveringsvergunning kan worden gewijzigd indien de uitvoering van een procedure als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanleiding geeft tot het verlenen van een nieuwe leveringsvergunning.

  • 4. Ter waarborging van de belangen die worden gediend door deze wet en in het bijzonder het belang van beschermde afnemers om tegen redelijke voorwaarden verzekerd te zijn van levering van gas, kan Onze Minister aan een leveringsvergunning voorschriften verbinden en deze voorschriften wijzigen.

Artikel 24

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van:

a. de inhoud van een aanvraag om een leveringsvergunning en de daarbij te overleggen gegevens;

b. de wijze waarop een aanvraag om een leveringsvergunning wordt ingediend en behandeld;

c. de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij intrekking van een vergunning.

Paragraaf 3.2. Leveringsplicht en tarieven

Artikel 25

  • 1. De vergunninghouder is verplicht in het gebied waarvoor de leveringsvergunning is verleend, gas te leveren ten behoeve van elke beschermde afnemer die in dat gebied gevestigd is en die daartoe een verzoek doet, tegen een tarief dat in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens artikel 26.

  • 2. Het eerste lid geldt niet indien in redelijkheid niet van de vergunninghouder kan worden gevergd dat hij gas levert aan de desbetreffende beschermde afnemer.

Artikel 26

  • 1. Onze Minister stelt voor iedere vergunninghouder de tarieven vast die deze ten hoogste mag berekenen voor de levering van gas aan beschermde afnemers aan wie deze vergunninghouder op grond van artikel 25, eerste lid, verplicht is gas te leveren. De tarieven kunnen verschillen voor de verschillende vergunninghouders.

  • 2. De tarieven, bedoeld in het eerste lid, worden door Onze Minister vastgesteld met inachtneming van:

    a. het belang van het betrouwbaar, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de gasvoorziening waaronder begrepen het belang van beschermde afnemers om tegen redelijke voorwaarden verzekerd te zijn van levering van gas en met inachtneming van het voordeel ontstaan door een doelmatige bedrijfsvoering, inkoop van gas daaronder begrepen, van vergunninghouders en

    b. de formule  Pt = 1 + cpi – xt100 * (Pt-1 – ct-1) + ct, waarbij:

    pt = de tarieven die zullen gelden in periode t;

    pt-1 = de tarieven die golden in de periode voorafgaande aan periode t;

    cpi = de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex (alle huishoudens), berekend uit het quotiënt van deze prijsindex in de vierde maand voorafgaande aan periode t en van deze prijsindex in de zestiende maand voorafgaande aan periode t, zoals deze maandelijks wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

    xt = de korting ter bevordering van een doelmatige bedrijfsvoering door vergunninghouders waaronder begrepen hun diensten met betrekking tot de levering van gas;

    ct = de inkoopprijs op grond van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en het gasbedrijf dat gas aan hem levert;

    ct-1 = de inkoopprijs in de periode voorafgaand aan t.

  • 3. De korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering wordt door Onze Minister vastgesteld voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

  • 4. Alvorens Onze Minister de korting vaststelt, voert hij overleg met de vergunninghouders en met representatieve organisaties van beschermde afnemers. Onze Minister geeft in het besluit tot vaststelling van de korting aan welke gevolgtrekkingen hij heeft verbonden aan de uitkomsten van dat overleg.

  • 5. Onze Minister geeft in het besluit tot vaststelling van de korting aan welke gevolgtrekkingen aan het doelmatig handelen van vergunninghouders worden verbonden.

Artikel 27

  • 1. Iedere vergunninghouder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een voorstel met betrekking tot de tarieven die deze vergunninghouder ten hoogste mag berekenen.

  • 2. Indien het voorstel niet tijdig aan Onze Minister is gezonden, stelt deze de tarieven uit eigen beweging vast.

  • 3. De tarieven treden in werking op een door Onze Minister te bepalen datum en gelden tot 1 januari van het jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de tarieven.

  • 4. Indien op de datum, bedoeld in het derde lid, de tarieven voor het volgende jaar nog niet zijn vastgesteld, gelden de tarieven tot de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de tarieven voor het volgende jaar.

  • 5. Iedere vergunninghouder legt een exemplaar van de voor hem geldende tarieven, bedoeld in artikel 26, voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.

Artikel 28

  • 1. Het is de vergunninghouder verboden aan de beschermde afnemers jegens wie hij op grond van artikel 25 een leveringsplicht heeft, gas te leveren tegen hogere tarieven dan de tarieven, vastgesteld op grond van artikel 26, in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag ter dekking van de kosten verbonden aan de productie van gas uit biomassa of uit andere niet-fossiele bronnen, bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de Wet energiedistributie.

  • 2. Het is de vergunninghouder verboden in een gebied waarvoor aan een andere leverancier een vergunning is verleend, gas te leveren ten behoeve van een beschermde afnemer die in dat gebied gevestigd is.

Paragraaf 3.3. Overige verplichtingen

Artikel 29

  • 1. Een vergunninghouder zendt Onze Minister desgevraagd een overzicht waarin ten aanzien van een door Onze Minister te bepalen periode ramingen zijn opgenomen van de totale behoefte aan gas van de beschermde afnemers aan wie de vergunninghouder op grond van artikel 25, eerste lid, verplicht is gas te leveren.

  • 2. In het in het eerste lid bedoelde overzicht worden de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de ramingen en de daarbij van belang zijnde onderscheidingen weergegeven.

  • 3. In het overzicht wordt tevens op basis van de ramingen aangegeven op welke wijze de vergunninghouder in de in het eerste lid bedoelde periode zorg zal dragen voor de levering van gas aan de beschermde afnemers aan wie hij op grond van artikel 25, eerste lid, verplicht is gas te leveren.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de te verstrekken gegevens.

Artikel 30

  • 1. Onze Minister kan, indien hem uit een overzicht als bedoeld in artikel 29 of anderszins blijkt dat een vergunninghouder in onvoldoende mate of op ondoelmatige wijze kan of zal kunnen voorzien in de levering van gas aan beschermde afnemers, de vergunninghouder opdragen voorzieningen te treffen teneinde zeker te stellen dat de levering van gas aan de beschermde afnemers aan wie de vergunninghouder op grond van artikel 25, eerste lid, verplicht is gas te leveren, in voldoende mate en op doelmatige wijze plaatsvindt.

  • 2. De voorzieningen kunnen mede inhouden dat aan beschermde afnemers bij voorrang gas wordt geleverd.

  • 3. De staat is niet aansprakelijk voor de kosten of de schade verbonden aan de uitvoering van de opdracht tot het treffen van voorzieningen.

Paragraaf 3.4. Intrekking van de leveringsvergunning

Artikel 31

Onze Minister kan een leveringsvergunning intrekken, indien:

a. de vergunninghouder dit verzoekt;

b. de vergunninghouder in onvoldoende mate voldoet aan de verplichting tot levering van gas aan de beschermde afnemers, bedoeld in artikel 25, eerste lid;

c. de vergunninghouder de in de leveringsvergunning gestelde voorschriften niet nakomt;

d. de vergunninghouder tarieven stelt voor de levering van gas aan beschermde afnemers die hoger zijn dan de tarieven, vastgesteld op grond van artikel 26;

e. de vergunninghouder de opgedragen voorzieningen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, niet treft;

f. de vergunninghouder bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

g. de vergunninghouder anderszins niet langer in staat moet worden geacht de vergunde activiteit of de in de leveringsvergunning gestelde voorschriften na te kunnen komen of

h. de vergunninghouder in onvoldoende mate voldoet aan de taak, bedoeld in artikel 42.

HOOFDSTUK 4. BOEKHOUDING, INFORMATIEVERSTREKKING EN GEHEIMHOUDING

Paragraaf 4.1. Boekhouding

Artikel 32

  • 1. Een gasbedrijf is verplicht een afzonderlijke boekhouding te voeren voor onderscheidenlijk

    a. het transport van gas met behulp van de hogedrukleidingen en -installaties van het door hem beheerde gastransportnet,

    b. het transport van gas met behulp van een door hem beheerd gastransportnet, voor zover niet vallend onder a, en

    c. de opslag van gas.

  • 2. Indien het gasbedrijf andere activiteiten verricht dan die welke verband houden met de productie van olie of gas, het transport, de levering of de opslag van gas, wordt daarvoor eveneens, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding gevoerd.

  • 3. De afzonderlijke boekhouding bevat:

    a. een balans en een winst- en verliesrekening;

    b. een specificatie van de toerekening van de activa en de passiva en de lasten en baten aan activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid en

    c. een toelichting op de gebruikte regels voor de afschrijving.

  • 4. Het gasbedrijf geeft in de boekhouding aan welke methoden en criteria bij het opstellen daarvan zijn gehanteerd.

  • 5. Het toerekenen van kosten aan activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid geschiedt in overeenstemming met het gebruik van financiële of andere middelen voor die activiteiten.

  • 6. Wijzigingen in de in het derde lid bedoelde regels voor de afschrijving worden met redenen omkleed in de boekhouding vermeld.

  • 7. In de toelichting op de jaarrekening wordt elk verwant bedrijf waarmee een gasbedrijf een overeenkomst heeft gesloten waarvan de opbrengst of de kosten een bedrag van f 10 000 000 te boven gaat, vermeld. Daarbij wordt tevens per bedrijf het aantal van die overeenkomsten vermeld.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting van de boekhouding voor de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

  • 9. Het eerste tot en met het achtste lid zijn niet van toepassing op gasbedrijven die uitsluitend

    a. gas winnen uit biomassa of uit andere niet-fossiele bronnen en de hoeveelheid gewonnen gas per jaar niet meer bedraagt dan 10 000 000 m3 of

    b. anders dan bedrijfsmatig gas leveren overeenkomstig de in artikel 21, tweede lid, onder b, bedoelde regels.

  • 10. Indien een gasbedrijf niet reeds uit hoofde van een wettelijke verplichting zijn jaarrekening of een daarmee overeenkomend financieel overzicht openbaar maakt, legt het zijn jaarrekening of dat overzicht voor een ieder ter inzage op het kantoor van zijn hoofdvestiging.

Artikel 33

  • 1. Een vergunninghouder voert een afzonderlijke boekhouding met betrekking tot de levering van gas aan beschermde afnemers.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.

Paragraaf 4.2. Informatieverstrekking en geheimhouding

Artikel 34

  • 1. Onze Minister kan van een gasbedrijf of een netgebruiker de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de uitvoering van deze wet en voor het opstellen van het in artikel 52 bedoelde energierapport.

  • 2. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen de door Onze Minister te stellen redelijke termijn alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

  • 3. Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen welke hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken op grond van deze wet uitsluitend voor de uitoefening van die taak.

Artikel 35

  • 1. Artikel 34 is van overeenkomstige toepassing op de directeur-generaal, voor zover hij inlichtingen en gegevens nodig heeft voor de uitvoering van zijn taken op grond van deze wet, met dien verstande dat hij de door hem verkregen inlichtingen en gegevens ook kan gebruiken in verband met de toepassing van de Mededingingswet.

  • 2. Artikel 34 is van overeenkomstige toepassing op de directeur voor zover hij inlichtingen en gegevens nodig heeft voor de uitvoering van zijn taken op grond van deze wet.

Artikel 36

  • 1. Een gastransportbedrijf verschaft de directeur-generaal eenmaal in elke twee jaar een overzicht van de capaciteit binnen zijn gastransportnet, onderscheidenlijk de in artikel 14, eerste lid, bedoelde installaties van het verwante bedrijf.

  • 2. Een gastransportbedrijf verschaft de directeur-generaal eenmaal in elke twee jaar zo nauwkeurig mogelijke ramingen van de totale behoefte aan de in het eerste lid bedoelde capaciteit. Bij het opstellen van de ramingen wordt uitgegaan van een periode van twee jaar te rekenen vanaf het moment waarop het in het eerste lid bedoelde overzicht aan de directeur-generaal is verschaft. Het gasbedrijf vermeldt de daarbij gemaakte vooronderstellingen en de gemaakte van belang zijnde onderscheidingen.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inhoud van de ingevolge het eerste en tweede lid te verschaffen gegevens.

Artikel 37

  • 1. Een gastransportbedrijf, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf dat bij de uitvoering van zijn taak de beschikking krijgt over gegevens waarvan het het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover de artikelen van deze wet hem tot mededeling verplichten of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 2. Een gastransportbedrijf maakt bij de aankoop of de verkoop van gas door een verwant bedrijf geen misbruik van commercieel gevoelige gegevens van anderen die het heeft verkregen bij onderhandelingen over transport of bij het verrichten van transport.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de aankoop of verkoop van gas door het in artikel 2, tweede lid, bedoelde gastransportbedrijf zelf.

  • 4. Een gastransportbedrijf gebruikt aan hem verstrekte gegevens over beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken uitsluitend voor het uitvoeren van zijn taken op grond van deze wet, met dien verstande dat deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het ten behoeve van de vergunninghouder innen van de vergoeding voor het leveren van gas.

Artikel 38

  • 1. Artikel 37, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een vergunninghouder ten aanzien van door hem verkregen gegevens van beschermde afnemers.

  • 2. Een vergunninghouder gebruikt aan hem verstrekte gegevens over beschermde afnemers uitsluitend voor het uitvoeren van de in deze wet aan hem opgedragen taken, met dien verstande dat deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het innen ten behoeve van hemzelf of een gastransportbedrijf, van de vergoeding voor de aansluiting op een gastransportnet of voor het transport van gas.

HOOFDSTUK 5. OVERIGE BEPALINGEN

Paragraaf 5.1. Aanleg infrastructuur in grote nieuwe bouwlocaties

Artikel 39

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot daarbij aan te wijzen gebieden regels worden gesteld over de wijze waarop, gelet op het belang van een betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functionerende energiehuishouding, een afweging wordt gemaakt met betrekking tot de aanleg van een gastransportnet en de aanleg van leidingen voor het transport van elektriciteit of warmte.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan inhouden dat een gastransportnet slechts wordt aangelegd en een vergunning als bedoeld in artikel 22 slechts wordt verleend als resultaat van een openbare procedure waarin gegadigden op een te plaatsen opdracht kunnen inschrijven met een aanbieding voor de aanleg van een gastransportnet of van leidingen voor het transport van elektriciteit of warmte.

Paragraaf 5.2. Energiebesparing en bevordering van duurzame energie en van veiligheid

Artikel 40

  • 1. Een gasbedrijf dat gas levert aan eindafnemers heeft tot taak, mede gelet op het belang van bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn, te bevorderen dat gas door hemzelf en door afnemers op een doelmatige en milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt gebruikt.

  • 2. Ieder gasbedrijf dat per jaar meer dan 10 000 000 m3 gas aan eindafnemers levert, meldt eenmaal in elke twee jaar vóór 1 maart aan Onze Minister op welke wijze hij in de twee jaar voorafgaande aan het jaar, waarin de melding wordt verricht, uitvoering heeft gegeven aan zijn taak, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Bij het opstellen van indicatieve tarieven en voorwaarden als bedoeld in artikel 12 en bij het sluiten van overeenkomsten voor het verrichten van transport van gas en daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten neemt het gastransportbedrijf het belang van een duurzame, doelmatige en milieuhygiënische energievoorziening in acht.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de invulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, en worden criteria gegeven waaraan de uitvoering van die taak door het gasbedrijf zal worden getoetst.

Artikel 41

Ter stimulering van de productie van duurzame energie zijn de artikelen 73 tot en met 77 van de Elektriciteitswet 1998 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de productie van gas, met dien verstande dat:

a. de totale hoeveelheid gas die in een jaar wordt geleverd aan eindafnemers mede als grondslag wordt genomen voor de vaststelling van de hoeveelheid certificaten die een afnemer dient te overleggen;

b. aan de verplichting certificaten over te leggen mede moet worden voldaan door afnemers van gas, in welk geval onder certificaat mede wordt begrepen een overdraagbaar document dat aantoont dat een producent in een daarin aangegeven jaar een daarin aangegeven hoeveelheid gas heeft gewonnen of zal winnen uit biomassa of andere niet-fossiele bronnen en dit gas is getransporteerd of zal worden getransporteerd naar een in Nederland gevestigd gasbedrijf dat zich bezighoudt met de levering van gas of naar een in Nederland gevestigde afnemer en

c. een toeslag op de vergoeding voor de levering van gas vastgesteld wordt en dat de in artikel 77, onderdeel f, van de Elektriciteitswet 1998 bedoelde afdracht geschiedt door een gasbedrijf dat zich bezighoudt met de levering van gas aan eindafnemers.

Artikel 42

Een gastransportbedrijf dat de aansluiting verzorgt bij eindafnemers heeft in het kader van het transport van gas naar die eindafnemers tot taak het bevorderen van de veiligheid bij het gebruik van toestellen en installaties die gas verbruiken.

Paragraaf 5.3. Leveringszekerheid en energierapport

Artikel 43

  • 1. Het is verboden zonder vergunning gas te leveren aan afnemers die naar een op het verbruik in voorgaande jaren gegronde verwachting minder dan 170 000 m3 gas per jaar verbruiken.

  • 2. Het verbod geldt niet ten aanzien van het leveren van gas:

    a. door een buiten Nederland gevestigde leverancier van gas aan ten hoogste 500 afnemers, als bedoeld in het eerste lid, die wonen in gebieden aan de Nederlandse landsgrens of

    b. indien het gas anders dan bedrijfsmatig wordt geleverd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze van vaststelling van het jaarlijks gasverbruik van de in het eerste lid bedoelde afnemers.

Artikel 44

Een houder van een vergunning heeft de plicht op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden zorg te dragen voor de levering van gas aan iedere in artikel 43, eerste lid, bedoelde afnemer die daarom verzoekt.

Artikel 45

  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij:

    a. beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor een goede uitvoering van zijn taak;

    b. redelijkerwijs in staat kan worden geacht de verplichtingen als opgenomen in dit hoofdstuk na te komen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van en de procedure voor aanvraag van een vergunning en de criteria, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 46

  • 1. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning.

  • 2. Onze Minister kan de aan een vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen.

  • 3. Een vergunning kan slechts worden overgedragen aan een andere houder van een vergunning met toestemming van Onze Minister.

  • 4. Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verlenen van toestemming als bedoeld in het derde lid.

Artikel 47

  • 1. Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien:

    a. de houder van de vergunning dit verzoekt;

    b. de houder van de vergunning in onvoldoende mate voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 44;

    c. de houder van de vergunning de in de vergunning opgenomen voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;

    d. de houder van de vergunning bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

    e. de houder van de vergunning naar het oordeel van Onze Minister om andere redenen niet langer in staat moet worden geacht de vergunde activiteit of in de vergunning opgenomen voorschriften na te komen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij intrekking van een vergunning.

Artikel 48

  • 1. Artikel 37, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een houder van een vergunning ten aanzien van door hem verkregen gegevens van afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid.

  • 2. Een houder van een vergunning gebruikt aan hem verstrekte gegevens over afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid, uitsluitend voor het uitvoeren van de in deze wet aan hem opgedragen taken, met dien verstande dat deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het innen ten behoeve van hemzelf of een gastransportbedrijf, van de vergoeding voor de aansluiting op een gastransportnet of voor het transport van gas.

Artikel 49

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens de artikelen 43 tot en met 46 gestelde verplichtingen.

Artikel 50

  • 1. Op overeenkomsten tot transport of levering van gas is Nederlands recht van toepassing.

  • 2. De Nederlandse rechter is bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van geschillen over overeenkomsten tot transport of levering van gas.

  • 3. Een beding dat in strijd met het eerste of tweede lid in een overeenkomst tot het transport of de levering van gas is opgenomen, is nietig.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een overeenkomst voor levering van gas die een leverancier of handelaar sluit met een persoon die meer dan 10 000 000 m3 gas verbruikt.

  • 5. De toepasselijkheid van dit artikel wordt beperkt door dwingende bepalingen van internationaal recht.

Artikel 51

  • 1. Het gasbedrijf dat het landelijke hogedrukgasnet beheert of haar rechtsopvolger stelt een calamiteitenplan vast.

  • 2. Het gasbedrijf zendt het calamiteitenplan toe aan Onze Minister.

Artikel 52

Het in artikel 2 van de Elektriciteitswet 1998 bedoelde energierapport geeft mede richting aan van rijkswege te nemen beslissingen in de periode, bedoeld in dat artikel, voor zover daarbij het belang van het betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functioneren van de gasvoorziening in beschouwing moet of kan worden genomen. Het energierapport bevat tevens een prognose betreffende het nationaal en internationaal gasreservebeleid voor een periode van 50 jaar.

Paragraaf 5.4. Planmatig beheer van gasvoorkomens

Artikel 53

In deze paragraaf wordt verstaan onder Gasunie: de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie.

Artikel 54

  • 1. In het belang van het planmatig beheer van voorkomens van gas, ter verzekering op lange termijn van een behoedzaam en rationeel gebruik van deze natuurlijke hulpbron, verricht Gasunie de volgende taken:

    a. het zorg dragen voor de afname van gas dat wordt gewonnen in het gebied dat is aangewezen in de bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) verleende winningsvergunning, op een wijze die ook mogelijk maakt het winnen van gas in andere gebieden binnen Nederland en het in artikel 17 bedoelde gebied in het planmatig beheer te betrekken;

    b. het op verzoek van houders van een andere Nederlandse winningsvergunning dan bedoeld in onderdeel a, dan wel van degene met wie voor het gebruik van die vergunning een overeenkomst is gesloten inzake het voor gezamenlijke rekening winnen van gas, zorg dragen voor de afname van gas dat wordt gewonnen in het gebied waarop de winningsvergunning betrekking heeft, onder redelijke voorwaarden en tegen betaling van een op marktconforme grondslag bepaalde vergoeding;

    c. het jaarlijks aan Onze Minister overleggen van een overzicht waarin ten aanzien van de eerstvolgende twintig jaar ramingen zijn opgenomen met betrekking tot de uitoefening van de taken, bedoeld in de onderdelen a en b, onder vermelding van daarbij gehanteerde vooronderstellingen en relevante onderscheidingen.

  • 2. Onze Minister kan Gasunie tijdelijk ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b, bedoelde verplichting, indien Gasunie door naleving van die verplichting ernstige economische en financiële moeilijkheden ondervindt of dreigt te ondervinden.

Artikel 55

  • 1. Onze Minister stelt tenminste eenmaal in de vier jaar vast van welke totale hoeveelheid in Nederland te winnen gas Gasunie gemiddeld per jaar uitgaat bij de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a en b. Bij de vaststelling houdt Onze Minister rekening met het energierapport, bedoeld in artikel 52 en met de ramingen, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. Onze Minister kan Gasunie aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in artikel 54, eerste lid, bedoelde taken. Een aanwijzing kan ook betrekking hebben op de redelijke verdeling tussen enerzijds de hoeveelheid af te nemen gas bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel a, en anderzijds de hoeveelheid af te nemen gas bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel b.

  • 3. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 56

Gasunie verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig heeft voor de toepassing van artikel 54, tweede lid, en artikel 55. Die inlichtingen omvatten in ieder geval de voorwaarden en de vergoeding die Gasunie hanteert voor de afname van gas als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, alsmede wijzigingen daarin.

Artikel 57

  • 1. Onze Minister kan, ingeval Gasunie nalaat een van haar taken, bedoeld in artikel 54, eerste lid, te vervullen, of een aanwijzing van Onze Minister als bedoeld in artikel 55, tweede lid, niet opvolgt, een last onder dwangsom opleggen.

  • 2. De artikelen 5:32, vierde en vijfde lid, 5:33, 5:34 en 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

Artikel 58

  • 1. Onze Minister stelt tweejaarlijks een activiteitenplan van mijnbouwactiviteiten op. Het activiteitenplan bevat een overzicht van de stand van zaken en voorgenomen activiteiten per gasveld of nog te exploiteren gasvelden met betrekking tot de uitgifte van concessies en vergunningen, alsmede een winningsscenario. Het activiteitenplan wordt opgenomen in het tweejaarlijks te verschijnen energierapport.

  • 2. Onze Minister stelt tweejaarlijks een rapportage op over de stand van zaken en te verwachten ontwikkelingen voor de komende tien jaar inzake de ontwikkelingen in de Nederlandse gasreserves en het aanbod van gas op de Nederlandse markt. De rapportage bevat ten minste per veld gegevens over het vastgestelde depletietempo, de load-factor, de bijstellingen in te verwachten gasvoorraden en futures. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot andere op te nemen gegevens. De rapportage wordt opgenomen in het tweejaarlijks te verschijnen energierapport.

  • 3. Het tweejaarlijks te verschijnen energierapport bevat een verslag en voornemens betreffende import en export van gas.

  • 4. Het tweejaarlijks te verschijnen energierapport bevat een overzicht van plannen en voornemens van plannen met betrekking tot de totstandkoming van ondergrondse en bovengrondse opslagfaciliteiten voor gas.

Paragraaf 5.5. Toezicht

Artikel 59

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van paragraaf 1.2, hoofdstuk 3 en van de artikelen 43 tot en met 49, 53 tot en met 57, 72, 73 en 76 tot en met 85, zijn belast de bij besluit van de directeur-generaal aangewezen ambtenaren van de Nederlandse mededingingsautoriteit.

  • 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens paragraaf 1.2, hoofdstuk 3 en van de artikelen 43 tot en met 49, 53 tot en met 57, 72, 73 en 76 tot en met 85 zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel 60

  • 1. De directeur-generaal draagt de directeur op werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze wet, alsmede van het toezicht op de naleving van deze wet, met uitzondering van werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 19.

  • 2. Van de wijze waarop toepassing aan het eerste lid is gegeven, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Paragraaf 5.6. Beroep

Artikel 61

  • 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een besluit als bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid, en 16, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

  • 2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid, en 16 is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

  • 3. Tegen een door de directeur-generaal genomen besluit als bedoeld in artikel 19, derde lid, kan geen verzoek tot voorlopige voorziening bij de president van de arrondissementsrechtbank worden ingesteld.

Paragraaf 5.7. Uitzondering verordeningsbevoegdheid

Artikel 62

Provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd het transporteren en het leveren van gas in het belang van de energievoorziening aan regels te binden.

Paragraaf 5.8. Nadere regelgeving ter uitvoering van EG-besluiten

Artikel 63

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een besluit op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden die door een gasbedrijf in het belang van de veiligheid en de doelmatigheid worden gesteld voor het leveren van gas of voor het aansluiten van toestellen of installaties die gas verbruiken, en de toepassing van zodanige voorwaarden.

Paragraaf 5.9. Bijdragen

Artikel 64

  • 1. Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van instemming als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, een ontheffing als bedoeld in artikel 16 en van een vergunning als bedoeld in artikel 22 of artikel 45, welke vergoeding verschuldigd is voor ten hoogste de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de instemming, de aanwijzing, de ontheffing onderscheidenlijk de vergunning.

  • 2. Overeenkomstig de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan gastransportbedrijven en vergunninghouders tevens de kosten in rekening worden gebracht die gemaakt worden voor de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 11, 27 en 30.

  • 3. Indien een ingevolge het eerste of tweede lid verschuldigd bedrag niet is betaald binnen de daarvoor gestelde termijn, wordt het desbetreffende bedrag vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop die termijn is verstreken.

  • 4. Indien niet is betaald binnen de termijn bedoeld in het derde lid, wordt degene die het bedrag is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag, verhoogd met de wettelijke rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.

Artikel 65

  • 1. Bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 64, derde lid, kan de directeur-generaal voor een ontheffing als bedoeld in artikel 16 of voor de uitvoering van de taak of de uitoefening van de bevoegdheid in artikel 11, onderscheidenlijk Onze Minister voor het verlenen van instemming als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, voor een vergunning als bedoeld in artikel 22 of artikel 45 of voor de uitvoering van de taken of de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 27 en 30, het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente en de op de aanmaning betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.

  • 2. Het dwangbevel wordt op kosten van degene die het bedrag is verschuldigd bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat.

  • 4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Paragraaf 5.10. Evaluatie

Artikel 66

  • 1. Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na twee jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Na het tijdstip, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt het verslag gezonden telkens na vier jaar.

  • 2. In het verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de wijze waarop, gelet op de Mededingingswet, de uitvoering en het toezicht op de naleving van deze wet is georganiseerd.

HOOFDSTUK 6. WIJZIGING ANDERE WETTEN

Artikel 67

De Wet energiedistributie1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. De omschrijving van «distributie van gas» wordt vervangen door: het leveren van gas aan beschermde afnemers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet, met uitzondering van de leveringen van gas bedoeld in artikel 21, tweede lid, onder b, van die wet.

2. In de omschrijving van distributiebedrijf wordt de zinsnede «in het kader van de distributie leveren van elektriciteit of met de distributie van gas of warmte» vervangen door: in het kader van de distributie leveren van elektriciteit of gas of met de distributie van warmte.

B

In artikel 2, onderdeel b, vervalt: gas of.

C

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

De rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort, zendt jaarlijks voor 1 april een verslag aan Onze Minister waarin inzicht wordt gegeven in de omvang en aard van de adviezen die de verbruikersraad in het daaraan voorafgaande jaar heeft uitgebracht en in de wijze waarop de rechtspersoon die adviezen heeft betrokken bij de vaststelling van zijn beleid.

D

Artikel 10, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. Indien een distributiebedrijf en een verbruiker van elektriciteit of gas overeenkomen dat aan de verbruiker te leveren elektriciteit of gas geheel of gedeeltelijk op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt opgewekt, onderscheidenlijk geproduceerd, kan het distributiebedrijf bedingen dat aan de vergoeding die het in rekening brengt voor het in het kader van de distributie leveren van elektriciteit of van gas aan die verbruiker, een bedrag wordt toegevoegd ter dekking van de kosten verbonden aan de opwekking van elektriciteit door middel van een van de wijzen, bedoeld in artikel 36c, zevende lid, onder a, van de Wet belastingen op milieugrondslag, onderscheidenlijk verbonden aan de productie van gas uit biomassa of andere niet-fossiele bronnen, voor zover deze kosten de kosten verbonden aan andere wijzen van opwekking van elektriciteit, onderscheidenlijk van de inkoop van gas, te boven gaan.

E

Artikel 13 vervalt.

Artikel 68

De Wet aardgasprijzen2 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Een krachtens het eerste lid gesteld verbod kan uitsluitend gelden voor het door een winner leveren of doen leveren van al dan niet door hemzelf gewonnen gas.

B

Artikel 5 vervalt.

C

In artikel 6 vervallen het tweede en vierde lid en wordt het derde lid vernummerd tot tweede lid.

D

De artikelen 8 en 9 vervallen.

Artikel 69

De Elektriciteitswet 19983 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt «tot en met 31 december 2006» vervangen door: tot en met 31 december 2003.

2. In het eerste lid komt onderdeel e te luiden:

e. directeur van de dienst: de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie, bedoeld in artikel 5, tweede lid;.

3. In het tweede lid wordt na de zinsnede «het openbaar vervoer per trein, metro, tram of trolley,» ingevoegd: met mijnbouwkundige activiteiten,.

B

Het opschrift van hoofdstuk 2 komt te luiden:

HOOFDSTUK 2. DIENST UITVOERING EN TOEZICHT ENERGIE

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet» vervangen door: Dienst uitvoering en toezicht energie.

2. Aan het slot van het derde lid wordt toegevoegd: , met uitzondering van paragraaf 1a van hoofdstuk 8.

3. In het vierde lid wordt na «deze wet» ingevoegd: , met uitzondering van paragraaf 1a van hoofdstuk 8,.

4. Toegevoegd wordt een zesde lid, luidende:

  • 6. De directeur van de dienst kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van deze wet.

D

In artikel 6, eerste, tweede en derde lid, wordt de zinsnede «in deze wet» telkens vervangen door: in deze wet en de Gaswet.

E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de hem in deze wet opgedragen taken» vervangen door: de hem in deze wet en de Gaswet opgedragen taken.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet worden gebruikt» vervangen door: welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet en de Gaswet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet, onderscheidenlijk de Gaswet, worden gebruikt.

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid wordt de zinsnede «vergezeld van zijn bevindingen daaromtrent, voor 1 juli» vervangen door: vergezeld van zijn bevindingen daaromtrent en de door de directeur van de dienst aan Onze Minister uitgebrachte adviezen, voor 1 juli.

G

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26a
  • 1. Een netbeheerder hanteert voorwaarden die redelijk, objectief en niet discriminerend zijn.

  • 2. Voorwaarden als bedoeld in de artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vermoed niet redelijk te zijn.

  • 3. Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard, inhoud of wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.

H

Aan artikel 53, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

e. die is opgewekt met een waterkrachtcentrale voor de opwekking van elektriciteit met een vermogen van minder dan 15 MW, een installatie voor de opwekking van elektriciteit door middel van windenergie of zonne-energie of een installatie waarin biomassa zonder bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit.

I

In artikel 55, eerste lid, wordt «31 december 2006» vervangen door: 31 december 2003.

J

In artikel 60, eerste lid, wordt «het bedrag, bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de Wet energiedistributie» vervangen door: het in artikel 10, zesde lid, van de Wet energiedistributie bedoelde bedrag ter dekking van de kosten verbonden aan de opwekking van elektriciteit door middel van een van de wijzen bedoeld in artikel 36c, zevende lid, onder a, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

K

Aan artikel 66 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij intrekking van een leveringsvergunning.

L

In artikel 68 vervallen het derde tot en met het zevende lid.

M

Artikel 69 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt: , een waterkrachtcentrale of een installatie waarin biomassa zonder bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit en een dergelijke installatie of centrale een vermogen heeft van ten hoogste 2 MW.

2. Het cijfer 1 vervalt voor het eerste lid.

3. Het tweede lid vervalt.

N

In artikel 81, eerste en tweede lid, vervalt telkens: 68,.

O

Aan artikel 82, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Voorzover een besluit, genomen op grond van artikel 27 of 31, aangemerkt wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan een belanghebbende in afwijking van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

P

In artikel 85, eerste lid, wordt na «een vergunning als bedoeld in artikel 54» ingevoegd: of artikel 95c.

Q

Na artikel 86 wordt een paragraaf toegevoegd, die luidt:

§ 7. Toepasselijk recht
Artikel 86a
  • 1. Op overeenkomsten tot transport of levering van elektriciteit is Nederlands recht van toepassing.

  • 2. De Nederlandse rechter is bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van geschillen over overeenkomsten tot transport of levering van elektriciteit.

  • 3. Een beding dat in strijd met het eerste of tweede lid in een overeenkomst tot het transport of de levering van elektriciteit is opgenomen, is nietig.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een overeenkomst voor levering van elektriciteit die een leverancier of handelaar sluit met een persoon die beschikt over een aansluiting op een net met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A en een beschikbaar vermogen van ten minste 2 MW per aansluiting.

  • 5. De toepasselijkheid van dit artikel wordt beperkt door dwingende bepalingen van internationaal recht.

R

In hoofdstuk 8 wordt na paragraaf 1 een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 1a. Vergunningen voor de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers
Artikel 95a
  • 1. Het is verboden zonder vergunning elektriciteit te leveren aan afnemers die beschikken over een aansluiting op een net met een totale maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3*80 A.

  • 2. Het verbod geldt niet ten aanzien van het leveren van elektriciteit:

    a. indien de elektriciteit is opgewekt met een installatie die voor rekening en risico van de afnemer, alleen of, voor een evenredig deel, tezamen met andere afnemers, in werking wordt gehouden en de afnemer de geleverde elektriciteit verbruikt;

    b. door een buiten Nederland gevestigde leverancier van elektriciteit aan ten hoogste 500 afnemers, bedoeld in het eerste lid, die wonen in gebieden aan de Nederlandse landsgrens;

    c. ter bevoorrading als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder i), van de richtlijn, indien de afnemer aan dezelfde rechtspersoon toebehoort als de producent die de elektriciteit heeft opgewekt dan wel een dochtermaatschappij daarvan is in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de afnemer de geleverde elektriciteit verbruikt, of

    d. indien de elektriciteit anders dan bedrijfsmatig wordt geleverd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.

Artikel 95b

Een houder van een vergunning heeft de plicht op een betrouwbare wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden zorg te dragen voor de levering van elektriciteit aan iedere in artikel 95a, eerste lid, bedoelde afnemer die daarom verzoekt.

Artikel 95c
  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij:

    a. beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor een goede uitvoering van zijn taak;

    b. redelijkerwijs in staat kan worden geacht de verplichtingen als opgenomen in dit hoofdstuk na te komen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van en de procedure voor aanvraag van een vergunning en de criteria, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 95d
  • 1. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning.

  • 2. Onze Minister kan de aan een vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen.

  • 3. Een vergunning kan slechts worden overgedragen aan een andere houder van een vergunning met toestemming van Onze Minister.

  • 3. Artikel 95c is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verlenen van toestemming als bedoeld in het derde lid.

Artikel 95e
  • 1. Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien:

    a. de houder van de vergunning dit verzoekt;

    b. de houder van de vergunning in onvoldoende mate voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 95b;

    c. de houder van de vergunning de in de vergunning opgenomen voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;

    d. de houder van de vergunning bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

    e. de houder van de vergunning naar het oordeel van Onze Minister om andere redenen niet langer in staat moet worden geacht de vergunde activiteit of in de vergunning opgenomen voorschriften na te komen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij intrekking van een vergunning.

Artikel 95f
  • 1. Artikel 79 is van overeenkomstige toepassing op een houder van een vergunning.

  • 2. De houder van een vergunning gebruikt aan hem verstrekte gegevens over afnemers als bedoeld in artikel 95a uitsluitend voor het uitvoeren van in deze wet aan hem opgedragen taken, met dien verstande dat deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het ten behoeve van de netbeheerder innen van de vergoeding voor de aansluiting op een net of voor het transport van elektriciteit.

  • 3. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het door de netbeheerder innen van de vergoeding voor de levering van elektriciteit aan afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid.

Artikel 95g
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 95h

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde verplichtingen.

Artikel 95i

De artikelen 45, tweede lid, en 46 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leverancier die houder van een vergunning is.

S

Aan artikel 104 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Hoofdstuk 4 vervalt met ingang van 1 januari 2004 of op het tijdstip waarop ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 1, derde lid, de termijn eindigt waarbinnen een afnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 2°, wordt beschouwd als beschermde afnemer.

  • 5. Paragraaf 8.1a treedt in werking met ingang van de datum waarop hoofdstuk 4 vervalt.

Artikel 70

Artikel 1 van de Wet op de economische delicten4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1° wordt in de opsomming van de artikelen van de Elektriciteitswet 1998 «59 en 64» vervangen door: 59, 64, 95a, eerste lid, 95b en 95f.

2. In onderdeel 1° wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Gaswet, de artikelen 11, eerste lid, 12, eerste en vierde lid, 19, tweede lid, 21, eerste lid, 25, eerste lid, 28, 29, 30, eerste lid, 32, 33, 34, tweede lid, 35, 37, 38, 43, eerste lid, 44, 48, 72, eerste lid, 73, vierde lid, 78, tweede lid, 79 en 82.

3. In onderdeel 4° vervalt: de Wet aardgasprijzen, artikel 5, eerste en derde lid;.

Artikel 71

Aan de bijlage, bedoeld in artikel 20 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie5, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 6 door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 7. De artikelen 11, vijfde lid, en 16 van de Gaswet.

HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 72

  • 1. Een gastransportbedrijf meldt jaarlijks voor 1 februari aan Onze Minister alle in het voorgaande kalenderjaar gesloten overeenkomsten tot transport van gas die strekken tot landsgrensoverschrijdende leveringen van gas.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde melding worden in ieder geval vermeld het land of de landen waar naartoe of van waaruit het gas werd of zal worden getransporteerd, de hoeveelheid gas die onderwerp was of zal zijn van elk transport en de termijn waarvoor de overeenkomst is gesloten.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de melding.

Artikel 73

  • 1. Met inachtneming van artikel 19, eerste lid, van de richtlijn, kunnen bij ministeriële regeling afnemers, handelaren, leveranciers, overeenkomsten en landen worden aangewezen ten aanzien waarvan toestemming van Onze Minister vereist is voor het transport van gas vanuit een ander land naar Nederland.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing vindt slechts plaats indien uit de in artikel 72 bedoelde meldingen blijkt dat een verstoring van het evenwicht bij het openstellen van de gasmarkten optreedt of dreigt op te treden.

  • 3. Bij de toepassing van het bepaalde bij of krachtens dit artikel houdt Onze Minister rekening met de vraag of een aanwijzing of een weigering tot het geven van toestemming noodzakelijk en proportioneel is in het licht van het doel ervan, alsmede met de vraag of de aanwijzing of de weigering de ontwikkeling van het handelsverkeer zou beïnvloeden in een mate die strijdig is met de belangen van de Gemeenschap, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de richtlijn.

  • 4. Het is verboden zonder toestemming van Onze Minister het transport van gas te verrichten in het kader van een overeenkomst tot transport van gas die strekt tot de invoer van gas indien de overeenkomst, het daarbij betrokken land, de betrokken afnemer of leverancier in de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 74

Een gastransportbedrijf zendt voor de eerste maal binnen zes weken na de inwerkingtreding van artikel 11 de in dat artikel bedoelde technische voorwaarden aan de directeur-generaal.

Artikel 75

Een gastransportbedrijf alsmede een gasopslagbedrijf maakt binnen zes weken na de inwerkingtreding van artikel 12 de in dat artikel bedoelde indicatie van de tarieven en voorwaarden bekend voor het resterende deel van het kalenderjaar waarin het tijdstip van inwerkingtreding ligt en zendt deze tevens aan de directeur-generaal.

Artikel 76

  • 1. Leveringsvergunningen als bedoeld in artikel 22 worden de eerste maal na de inwerkingtreding van dat artikel verleend aan de distributiebedrijven of hun rechtsopvolgers die op 1 juli 1996 in het kader van de openbare voorziening gas leverden aan verbruikers.

  • 2. Het voorrangsrecht, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien een distributiebedrijf of zijn rechtsopvolger niet binnen zestien weken na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 22 een aanvraag voor een leveringsvergunning heeft ingediend.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 21, is niet van toepassing op de levering van gas aan beschermde afnemers, voor zover daarvoor nog geen vergunning in werking is getreden.

Artikel 77

  • 1. Bij een aanvraag voor een voor de eerste maal na de inwerkingtreding van artikel 22 te verlenen vergunning, legt de aanvrager tevens een voorstel met betrekking tot de in artikel 26, eerste lid, bedoelde tarieven aan Onze Minister voor.

  • 2. Onze Minister stelt de in artikel 26, eerste lid, bedoelde tarieven voor de eerste maal na de inwerkingtreding van dat artikel vast bij het verlenen van de vergunning. Hij kan daarbij een van artikel 27, derde lid, afwijkende termijn vaststellen gedurende welke de tarieven zullen gelden.

Artikel 78

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 21, is niet van toepassing op de levering van gas door andere gasbedrijven dan bedoeld in artikel 76, eerste lid, die op 1 juli 1996 gas leverden aan afnemers die op grond van deze wet aan te merken zijn als beschermde afnemers, voor zover het betreft de levering van gas aan die afnemers of hun rechtsopvolgers.

  • 2. Onze minister kan regels stellen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde leveringen.

Artikel 79

Een netbeheerder is verplicht het transport van gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten te verrichten tegen de tarieven die daarvoor worden vastgesteld op grond van artikel 80 indien het gas bestemd is voor levering aan beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken.

Artikel 80

  • 1. Onze Minister stelt met betrekking tot gas dat bestemd is voor levering aan beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken voor iedere netbeheerder de tarieven vast die deze ten hoogste mag berekenen voor het transport van dat gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten, met inachtneming van het belang dat door middel van marktwerking ten behoeve van afnemers een doelmatige bedrijfsvoering en kostenverlaging worden bevorderd, en met toepassing van de formule

    pt = 1 + cpi – xt100 pt-1 , waarbij:

    pt = de tarieven die zullen gelden in periode t;

    pt-1 = de tarieven die golden in de periode voorafgaand aan periode t;

    cpi = de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex (alle huishoudens), berekend uit het quotiënt van deze prijsindex in de vierde maand voorafgaande aan periode t en van deze prijsindex in de zestiende maand voorafgaande aan periode t, zoals deze maandelijks wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

    xt = de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering door netbeheerders.

  • 2. Onze Minister stelt de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering vast voor een periode van ten minste één en ten hoogste twee jaar.

  • 3. Alvorens Onze Minister de korting vaststelt voert hij overleg met de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve organisaties van partijen op de gasmarkt over de vaststelling van de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering en geeft in het besluit tot vaststelling van die korting aan welke gevolgtrekkingen hij heeft verbonden aan de uitkomsten van dat overleg.

Artikel 81

  • 1. Iedere netbeheerder die het transport van gas verricht dat bestemd is voor levering aan beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een voorstel met betrekking tot de tarieven die deze netbeheerder voor het transport van dat gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten ten hoogste mag berekenen. De netbeheerder zendt het eerste voorstel na inwerkingtreding van dit artikel binnen zes weken aan Onze Minister.

  • 2. In het eerste voorstel met betrekking tot de tarieven baseert de netbeheerder het voorstel op de vergelijkbare tarieven die in 1999 door hem of door zijn rechtsvoorganger in rekening werden gebracht ten aanzien van het transport van gas bestemd voor levering aan beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken.

  • 3. Indien de netbeheerder of zijn rechtsvoorganger in 1999 één tarief hanteerde voor levering en transport van gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten, geeft hij in het eerste voorstel na de inwer-

    kingtreding van dit artikel, cijfermatig onderbouwd aan welk deel van dat tarief kan worden toegerekend aan het verrichten van transport van gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten en te beschouwen is als pt-1.

  • 4. Indien het voorstel niet tijdig aan Onze Minister is gezonden, stelt deze de tarieven uit eigen beweging vast.

  • 5. De tarieven treden in werking op een door Onze Minister te bepalen datum en gelden tot 1 januari van het jaar, volgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de tarieven.

  • 6. Indien op 1 januari de tarieven voor het volgende jaar nog niet zijn vastgesteld, gelden de tarieven tot de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de tarieven voor het volgende jaar.

  • 7. Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de voor hem geldende tarieven voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.

Artikel 82

  • 1. Een netbeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober de voorwaarden waaronder hij het transport van gas en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten verricht, voor zover het transport en de diensten betrekking hebben op gas dat bestemd is voor beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken, aan Onze Minister.

  • 2. De voorwaarden hebben mede betrekking op de kwaliteitscriteria waaraan de netbeheerders moeten voldoen met betrekking tot hun dienstverlening, welke in ieder geval betrekking hebben op de te hanteren technische specificaties, het verhelpen van storingen in het transport van gas, de klantenservice en het voorzien in compensatie bij ernstige storingen.

  • 3. Onze Minister kan indien hem uit de voorwaarden blijkt dat de netbeheerder in onvoldoende mate of op ondoelmatige wijze kan of zal kunnen voorzien in het transport en de daarmee noodzakelijkerwijs verbonden diensten, dan wel de voorwaarden niet redelijk, niet transparant of discriminerend zijn, de netbeheerder opdragen de voorwaarden aan te passen.

  • 4. Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de voorwaarden voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.

Artikel 83

Netbeheerders zenden Onze Minister voor 1 november van elk jaar een rapportage omtrent de naleving door hen van de kwaliteitscriteria, bedoeld in artikel 82, tweede lid.

Artikel 84

De artikelen 12, 14, 15 en 16 zijn niet van toepassing voor zover een netbeheerder het transport van gas verricht dat bestemd is voor levering aan beschermde afnemers of afnemers die jaarlijks per aansluiting minder dan 170 000 m3 gas verbruiken.

Artikel 85

  • 1. Indien zich in de periode tussen 1 juli 1996 en de datum van de aanwijzing van de netbeheerder, bedoeld in artikel 2, of in de periode tussen voornoemde datum en de datum van indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 22, een wijziging heeft voorgedaan met betrekking tot de eigendom van de aandelen in het gasbedrijf dat de vergunning aanvraagt, de eigendom van de aandelen in de rechtspersoon aan wie het desbetreffende gastransportnet toebehoort of de eigendom van dat net, is voor de instemming met de aanwijzing van de netbeheerder onderscheidenlijk de verlening van de vergunning vereist, dat Onze Minister geen bedenkingen heeft tegen die wijziging.

  • 2. Tot en met 31 december 2002 behoeft iedere wijziging met betrekking tot de eigendom van de aandelen in een vergunninghouder of in een netbeheerder, alsmede voor wijzigingen met betrekking tot de eigendom van een gastransportnet de voorafgaande instemming van Onze Minister.

  • 3. Onze Minister kan zijn instemming onthouden, indien wijziging met betrekking tot de eigendom van de aandelen in de vergunninghouder ertoe zou leiden dat een natuurlijk persoon of een rechtspersoon buiten de kring van hen aan wie aandelen in een vergunninghouder toebehoren rechten op aandelen in een vergunninghouder zou krijgen.

  • 4. Indien Onze Minister zijn instemming onthoudt en de voorgenomen wijziging met betrekking tot de eigendom van aandelen voortgang vindt, kan Onze Minister de vergunning intrekken.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, worden verlengd.

  • 6. De artikelen 10:29 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van instemming met de wijziging.

Artikel 86

De in artikel 40, tweede lid, bedoelde melding wordt voor de eerste maal na de inwerkingtreding van dat artikel voor 1 maart 2002 verricht.

Artikel 87

  • 1. In verband met een ordelijke en geleidelijke invoering van deze wet en het betrouwbaar functioneren van de gasvoorziening, is de in artikel 53 bedoelde vennootschap verplicht tot een door Onze Minister te bepalen datum gas te leveren aan vergunninghouders ten behoeve van de levering van gas aan beschermde afnemers en zijn de vergunninghouders verplicht het voor die afnemers benodigde gas af te nemen, een en ander overeenkomstig tussen de vennootschap en de vergunninghouders gesloten of te sluiten overeenkomsten.

  • 2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde verplichting beperken tot de levering van gas aan beschermde afnemers met een jaarverbruik onder een door hem te bepalen grenswaarde.

  • 3. Indien een gasbedrijf dat een vergunning aanvraagt, een overeenkomst heeft gesloten met een ander gasbedrijf dan de in artikel 53 bedoelde vennootschap tot aankoop van gas ten behoeve van de door hem te verrichten levering van gas aan beschermde afnemers, is voor de verlening van de vergunning vereist dat Onze Minister geen bedenkingen heeft tegen die overeenkomst.

  • 4. Indien een vergunninghouder een overeenkomst heeft gesloten die niet voldoet aan het eerste lid, kan Onze Minister de vergunning intrekken.

  • 5. De in het eerste lid genoemde datum kan niet dan nadat daarover overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, worden bepaald.

Artikel 88

  • 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. De artikelen 72 en 73 vervallen met ingang van 10 augustus 2008 dan wel op een bij koninklijk besluit te bepalen eerder tijdstip.

  • 3. De artikelen 79 tot en met 84 vervallen met ingang van 1 januari 2004, behoudens de toepassing van het zesde lid.

  • 4. Hoofdstuk 3 en artikel 38 vervallen met ingang van 1 januari 2004 of op het tijdstip waarop ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 1, tweede lid, de termijn eindigt waarbinnen een afnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, onder 2°, wordt beschouwd als beschermde afnemer.

  • 5. De artikelen 43 tot en met 49 treden in werking met ingang van het tijdstip waarop hoofdstuk 3 vervalt.

  • 6. De in het derde lid genoemde datum kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. Onze Minister doet een voordracht daartoe niet eerder dan nadat hij daarover overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft gevoerd.

Artikel 89

Deze wet wordt aangehaald als: Gaswet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 22 juni 2000

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de twintigste juli 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1996, 642, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juli 1998, Stb. 427.

XNoot
2

Stb. 1974, 765, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
3

Stb. 2000, 186.

XNoot
4

Stb. 1950, K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 april 2000, Stb. 196.

XNoot
5

Stb. 1994, 4, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 1999, Stb. 592.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II, 1998/1999, 1999/2000, 26 463.

Handelingen II, 1999/2000, blz. 4323–4360; 4363–4385; 4404–4429; 4515–4520.

Kamerstukken I, 1999/2000, 26 463 (210, 210a, 210b, 210c).

Handelingen I, 1999/2000, blz. 1473–1510.