Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2000, 300AMvB

Besluit van 8 juli 2000 tot wijziging van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 6 april 2000, nummer BPR2000/U57697;

Gelet op de artikelen 5, 6, 9, 11, 13, 23a, 34, 58, 100a, 113, 114a, 119 en 120a van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2000, nummer W04.00.0149/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 30 juni 2000, nummer BPR2000/74368;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, vier onderdelen toegevoegd, luidende:

– het vreemdelingenadministratiesysteem: het geautomatiseerde systeem waarmee de mededelingen van Onze Minister van Justitie ter uitvoering van artikel 58 van de wet worden ontvangen en verzonden;

– het gebruikersoverleg: het overleg, bedoeld in artikel 23a, van de wet;

– de audit: de controle, bedoeld in artikel 120a, eerste lid, van de wet;

– de heraudit: de hercontrole, bedoeld in artikel 120a, vijfde lid, van de wet.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. de kosten in verband met de mededelingen van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën, in de vorm van berichten over het netwerk, van respectievelijk het verblijfsrecht van de vreemdeling en het sociaal-fiscaal nummer;

2. In onderdeel d. wordt «magneetband» vervangen door: optische schijf.

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. de kosten in verband met de schriftelijke verstrekking van gegevens.

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «magneetband» steeds vervangen door: optische schijf.

2. Toegevoegd wordt een nieuw zevende lid, luidende:

  • 7. Een gemeentebestuur dat schriftelijk gegevens verstrekt, kan bij de betreffende afnemer of bijzondere derde, in verband met de kosten, bedoeld in artikel 4, onder f, een vergoeding in rekening brengen, waarvan de hoogte bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld.

D

Artikel 7, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Bij regeling van Onze Minister wordt de hoogte van de kosten bepaald in verband met de mededelingen van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën, in de vorm van berichten over het netwerk, van respectievelijk het verblijfsrecht van de vreemdeling en het sociaal-fiscaal nummer.

E

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt na «in verband met» ingevoegd: de in artikel 58 van de wet bedoelde mededeling over het verblijfsrecht en .

2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De systeembeschrijving geeft tevens een beschrijving van:

    a. de verzending en ontvangst van de algemene, bijzondere en verwijsgegevens aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba, bedoeld in artikel 100a van de wet.

    b. de verwerking van mededelingen van een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onder b, van de wet.

F

In artikel 19, eerste lid, onder a. en b., en tweede lid, wordt «magneetband» steeds vervangen door: optische schijf.

G

In artikel 30 wordt het zinsdeel «de artikelen 9 en 11 van de wet» vervangen door: de artikelen 9, 11 en 13 van de wet.

H

In artikel 33, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, wordt «magneetband» steeds vervangen door: optische schijf.

I

Het opschrift van Hoofdstuk 1, afdeling 4, paragraaf 6 komt te luiden: De mededelingen over het verblijfsrecht en het sociaal-fiscaal nummer.

J

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «2.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 1. De verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in het vreemdelingenadministratiesysteem, draagt zorg dat de in artikel 58 van de wet bedoelde mededeling over het verblijfsrecht van de vreemdeling in overeenstemming met de systeembeschrijving geautomatiseerd over het netwerk wordt ontvangen en verzonden.

K

Na artikel 40 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 40a

De in artikel 34, tweede lid, en bijlage I, onderdeel 5, van de wet bedoelde algemene gegevens over het verblijfsrecht van een vreemdeling zijn vermeld in bijlage 1a bij dit besluit.

L

Artikel 42 komt als volgt te luiden:

Artikel 42

De regels, bedoeld in artikel 41 en de systeembeschrijving worden niet vastgesteld dan nadat de deelnemers aan het gebruikersoverleg de gelegenheid is geboden hun zienswijze omtrent het desbetreffende voorstel naar voren te brengen.

M

Artikel 43 komt als volgt te luiden:

Artikel 43

  • 1. De systeembeschrijving wordt niet gewijzigd dan nadat door Onze Minister na overleg met de deelnemers aan het gebruikersoverleg overeenkomstig bijlage 1b een tegemoetkoming is vastgesteld in de kosten die de gemeenten in verband met de wijziging moeten maken, voor zover deze kosten in redelijkheid niet ten laste van de gemeenten kunnen komen.

  • 2. De ingevolge het eerste lid vastgestelde tegemoetkoming in de kosten wordt overeenkomstig bijlage 1c in rekening gebracht bij de betrokken afnemers, tenzij reeds anderszins in vergoeding van de kosten is voorzien.

N

In artikel 44 wordt «Ministerie van Binnenlandse Zaken» vervangen door: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

O

Artikel 47, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Onze Minister gaat niet over tot vaststelling van een tijdstip dan nadat de deelnemers aan het gebruikersoverleg de gelegenheid is geboden hun zienswijze omtrent het desbetreffende voorstel naar voren te brengen.

P

Aan Hoofdstuk 1 wordt een nieuwe afdeling toegevoegd, luidende:

AFDELING 7 DE PERIODIEKE AUDIT

Artikel 53a
  • 1. Onze Minister draagt ten behoeve van de uitvoering van de audit zorg voor een evenwichtige verdeling van de gemeenten over zes tijdvakken van elk zes maanden.

  • 2. Het gemeentebestuur laat de audit uitvoeren binnen het voor de desbetreffende gemeente vastgestelde tijdvak.

  • 3. De verdeling van de gemeenten ingevolge het eerste lid, wordt niet vastgesteld dan nadat de betrokken gemeenten de gelegenheid hebben gehad hun zienswijze omtrent het desbetreffende voorstel naar voren te brengen. De verdeling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 53b
  • 1. Bij ministeriële regeling worden de vereisten vastgesteld, waaraan een bedrijf, bedoeld in artikel 120a, tweede lid, van de wet, moet voldoen.

  • 2. De vereisten betreffen in ieder geval:

    a. de organisatorische en administratieve inrichting van het bedrijf;

    b. de voor het uitvoeren van de audit benodigde kennis.

  • 3. Voordat een aanwijzing, bedoeld in artikel 120a, tweede lid, van de wet, wordt gegeven, wordt getoetst of aan de krachtens het eerste lid gestelde vereisten is voldaan. Periodiek wordt getoetst of een aangewezen bedrijf nog voldoet aan de gestelde vereisten.

  • 4. De aan een toets verbonden kosten komen voor rekening van het desbetreffende bedrijf.

  • 5. Een aanwijzing wordt ingetrokken indien blijkt dat een bedrijf niet langer voldoet aan de gestelde vereisten.

Artikel 53c
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt omtrent de audit in ieder geval bepaald:

    a. de wijze van uitvoering van het inhoudelijke deel van de audit, betreffende de in de basisadministratie opgenomen persoonsgegevens;

    b. de wijze van uitvoering van het procesdeel van de audit, betreffende de procedures voor het bewaren en het herstellen van gegevens en de beveiliging van de basisadministratie;

    c. de wijze van uitvoering van het privacydeel van de audit, betreffende de wijze waarop de gemeente aan de privacybescherming van de ingeschrevenen in de basisadministratie vorm geeft;

    d. de beoordelingscriteria en de maximaal toegestane afwijkingspercentages;

    e. in welke gevallen, op welke onderdelen en op welke wijze een heraudit moet worden uitgevoerd;

    f. de wijze van rapporteren aan het gemeentebestuur.

  • 2. De auditresultaten worden opgenomen in een rapportage waarvan de bij ministeriële regeling bepaalde onderdelen door het gemeentebestuur in afschrift aan Onze Minister worden gezonden. De vergoeding, bedoeld in artikel 120a, vierde lid, van de wet, vindt niet plaats dan nadat het afschrift door Onze Minister is ontvangen.

Artikel 53d

Onze Minister kan nadere regels van technische en administratieve aard stellen in verband met de uitvoering van de audit.

Q

Aan hoofdstuk 2 worden twee nieuwe paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 8. Bijwerking opgeschorte persoonslijst

Artikel 63a

Op de persoonslijst van een ingeschreven vreemdeling die geen ingezetene is in verband met het vertrek uit Nederland, worden nieuwe algemene gegevens over het verblijfsrecht opgenomen betreffende feiten die zich hebben voorgedaan in de tijd dat hij geen ingezetene meer is.

§ 9. Inschrijving van personen afkomstig uit de Nederlandse Antillen of Aruba

Artikel 63b

Aan de in artikel 113, eerste lid, onder b, van de wet bedoelde mededeling van een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba, worden de noodzakelijke gegevens ontleend voor de inschrijving als ingezetene in de basisadministratie.

R

In hoofdstuk 3 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2b. De verstrekking van gegevens uit de basisadministraties in verband met het vertrek van een persoon naar de Nederlandse Antillen of Aruba

Artikel 68h

1. Indien een persoon aangifte van vertrek heeft gedaan en daarbij meldt te gaan verblijven in de Nederlandse Antillen of Aruba, verstrekt de houder van de basisadministratie waar de betrokken persoon laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, de gegevens als bedoeld in artikel 114a, eerste lid, van de wet aan de houder van het vestigingsregister.

2. De verstrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op de wijze als beschreven in de systeembeschrijving.

S

Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: Voor afstemmingsberichten met gebruikmaking van optische schijf of magneet schijf, brengt de betrokken gemeente in afwijking van hoofdstuk 1, afdeling 3, bij de afnemers en bijzondere derden een bijzonder tarief in rekening.

2. In het vijfde lid, onder b, wordt «magneetband» vervangen door: optische schijf.

3. In het negende lid vervalt: «en bepaalt de vergoeding, bedoeld in het vijfde lid, onder b».

T

Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De houder van het vestigingsregister draagt zorg dat het geautomatiseerde systeem van het vestigingsregister in overeenstemming met de systeembeschrijving geautomatiseerde berichten verzendt en ontvangt, ten behoeve van de in artikel 12, vijfde lid, bedoelde verstrekkingen.

U

Na artikel 79b wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 79c

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels over de wijze van verstrekking van gegevens uit het vestigingsregister aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba.

V

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 99 van de wet» vervangen door: artikel 99 of 100a van de wet.

2. Er wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Verstrekking van gegevens uit het vestigingsregister aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba, bedoeld in artikel 100a van de wet, is vrij van heffingen.

W

In artikel 84, eerste lid, onder a, en tweede lid en artikel 85, eerste lid, onder a, en tweede lid, wordt «magneetband» steeds vervangen door: optische schijf.

X

Na bijlage 1 worden drie bijlagen ingevoegd, luidende:

Bijlage bij artikel 40a van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijlage 1a)

De algemene gegevens omtrent het verblijfsrecht van de vreemdeling

De volgende aantekeningen omtrent het verblijfsrecht van een vreemdeling kunnen op diens persoonslijst worden opgenomen:

de aantekening dat de ingeschrevene houder is van een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet, verleend zonder beperking, dan wel gerechtigd is tot verblijf krachtens artikel 10 van de Vreemdelingenwet;

de aantekening dat de ingeschrevene houder is van een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet, verleend onder een beperking, welke toestaat elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;

de aantekening dat de ingeschrevene houder is van een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet, verleend onder een beperking, welke niet toestaat arbeid in loondienst te verrichten;

de aantekening dat de ingeschrevene houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9a van de Vreemdelingenwet;

de aantekening dat de ingeschrevene verblijfsrecht toekomt krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Trb. 1958, 18) dan wel ingevolge richtlijn nr. 68/360/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PbEG L 257), verordening nr. 1251/70/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PbEG L 142), richtlijn nr. 73/148/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PbEG L 172) of richtlijn nr. 75/34/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PbEG L 14);

de aantekening dat de ingeschrevene verblijfsrecht toekomt ingevolge richtlijn nr. 90/364/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PbEG L 180), richtlijn nr. 90/365/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheden hebben beëindigd (PbEG L 180) of richtlijn nr. 90/366/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van studenten (PbEG L 180);

de aantekening dat de ingeschrevene het verzoek heeft gedaan tot toelating als vluchteling, op welk verzoek nog niet dan wel afwijzend is beslist, en die slechts ingevolge een last tot uitzetting uit Nederland kan worden verwijderd, en een zodanige last te zijnen aanzien niet is gegeven, dan wel de uitvoering van een te zijnen aanzien gegeven last tot uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van de daartoe bevoegde autoriteit of ingevolge een rechterlijke uitspraak, tijdelijk achterwege blijft;

de aantekening dat de ingeschrevene zich overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet bij de korpschef in de zin van die wet heeft gemeld, zonder een verzoek te doen tot toelating als vluchteling, en die slechts ingevolge een last tot uitzetting uit Nederland kan worden verwijderd en een zodanige last te zijnen aanzien niet is gegeven, dan wel de uitvoering van een te zijnen aanzien gegeven last tot uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van de daartoe bevoegde autoriteit of ingevolge een rechterlijke uitspraak, tijdelijk achterwege blijft;

de aantekening dat de ingeschrevene houder is van een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet, verleend onder een andere beperking dan hierboven is bedoeld;

de aantekening dat de ingeschrevene verblijf houdt krachtens een ander verdrag dan hierboven is vermeld.

Bijlage bij artikel 43, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijlage 1b)

Tegemoetkoming in de kosten die de gemeenten in verband met een wijziging van de systeembeschrijving maken

I. [Puntensysteem]

1. De relatieve zwaarte van een toevoeging, een wijziging of een verwijdering van een bepaald onderdeel van de systeembeschrijving wordt uitgedrukt in punten.

2. Het aantal punten dat wordt toegekend per onderdeel van de systeembeschrijving is:

1OmschrijvingToevoegenWijzigenVerwijderen
H 3Actualiseringsprocedure1084
H 4Privacyprocedure 15 
H 5Autorisatie- en routeringssysteem 16 
H 6Berichtenafhande-lingssysteem 11 
H 7Beheer 10 
 Gegevens element voorwaarde542
 Gegevens element lengte/type13124
B ICategorie342114
B ITabellen landelijk16128
B ITabellen autorisatie 14 
B IITeletex 8 
B IIIBerichtcyclus22126
B IIIBerichtopbouw21158
B IVAlternatief medium1484
B IVsPd/P1/P2/P7 protocol95185
 Conversie element voorwaarde4  
 Conversie element lengte/type7  
 Conversie categorie10  
 Toeslag Burgerlijke Stand221  
 Toeslag reisdocumenten29  
 Toeslag rijbewijzen27  
 Batchproces14  

1 Deze kolom verwijst naar de hoofdstukken (H) en bijlagen (B) van de systeembeschrijving.

2 Deze punten worden slechts toegekend indien een toevoeging, wijziging of verwijdering van een bepaald onderdeel van de systeembeschrijving tevens leidt tot aanpassing in de aan de geautomatiseerde gemeentelijke systemen gekoppelde systemen van de Burgerlijke Stand, reisdocumenten of rijbewijzen en deze aanpassing niet reeds op andere gronden in deze gekoppelde systemen moet worden gerealiseerd.

II. [Normbedrag per punt]

1. Het normbedrag per punt bedraagt per 1 januari 1999 f 1335,–

2. Het normbedrag wordt jaarlijks, voor het lopende kalenderjaar, geïndexeerd conform het eerste in dat jaar door het centraal bureau voor de statistiek bekendgemaakte voorlopige indexcijfer voor «cao-lonen van alle werknemers, bruto uurloon, inclusief bijzondere beloningen voor de commerciële dienstverlening» voor het voorafgaande jaar.

III. [Tijdstip van vaststelling van de kosten]

1. Onze Minister stelt de kosten van een wijziging van de systeembeschrijving ten minste een jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding daarvan vast, op basis van het op dat moment geldende normbedrag.

2. In bijzondere omstandigheden kan Onze Minister afwijken van de in het eerste lid gestelde termijn.

IV. [Vaststelling van de vergoeding voor de gemeenten]

1. De kosten van een wijziging van de systeembeschrijving worden door middel van een uniform bedrag per inwoner aan de gemeenten vergoed.

2. Het bedrag per inwoner wordt bepaald door het landelijk totaal aan vastgestelde kosten, dat is het normbedrag per punt maal het aantal punten dat met de wijziging is gemoeid, maal het aantal aan te passen soorten gemeentelijke geautomatiseerde systemen, te delen door het landelijk aantal inwoners.

3. Voor de berekening van het bedrag per inwoner wordt uitgegaan van ten hoogste zeven soorten gemeentelijke geautomatiseerde systemen.

Bijlage bij artikel 43, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijlage 1c)

Door te berekenen kosten aan afnemers en bijzondere derden in verband met een wijziging van de systeembeschrijving.

I. [Door te berekenen kosten]

1. Onze Minister deelt, na overleg met de deelnemers aan het gebruikersoverleg, voorgenomen wijzigingen in de systeembeschrijving in twee categorieën in, te weten:

a. wijzigingen ten algemene nutte;

b. wijzigingen die voorzien in een specifieke behoefte van één of meer afnemers of bijzondere derden.

2. De kosten van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden aangemerkt als beheerkosten, bedoeld in artikel 4, onderdeel b.

3. De kosten van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden rechtstreeks in rekening gebracht aan de afnemers of bijzondere derden die de wijziging hebben aangevraagd.

4. Indien Onze Minster een voorgenomen wijziging in de systeembeschrijving indeelt in de in het eerste lid, onder b, bedoelde categorie, wordt dat gemeld aan de afnemers of bijzondere derden die de wijziging hebben aangevraagd onder mededeling van de kosten die naar verwachting met de betreffende wijziging zijn gemoeid.

II. [Voorbereidingskosten]

1. Onze Minister kan besluiten de, bij ministeriële regeling vast te stellen, aan de voorbereiding van een voorgenomen wijziging als bedoeld in onderdeel I, eerste lid, onder b, verbonden voorbereidingskosten in rekening te brengen bij de afnemers of bijzondere derden die de wijziging hebben aangevraagd. Een wijziging wordt in dat geval niet voorbereid dan nadat de voorbereidingskosten zijn voldaan.

2. De voorbereidingskosten worden in mindering gebracht op de kosten, bedoeld in onderdeel I, derde lid.

III. [Betalingstermijn]

1. Nadat conform bijlage 1a de kosten van een wijziging als bedoeld in onderdeel I, eerste lid, onder b, zijn bepaald, worden die in rekening gebracht aan de in onderdeel I, derde lid, bedoelde afnemers of bijzondere derden.

2. Het gedeclareerde bedrag dient uiterlijk zes maanden voor het van kracht worden van de betreffende wijziging te zijn betaald.

IV. [Anti-meeliften]

1. Een afnemer of bijzondere derde, die van een wijziging als bedoeld in onderdeel I, eerste lid, onder b, gebruik wil maken zonder dat hij die wijziging heeft aangevraagd, draagt evenredig bij in de kosten van die wijziging. Onze Minister bepaalt met inachtneming van het tweede lid het bij te dragen bedrag.

2. Indien het gebruik van een wijziging aanvangt binnen zes jaar na het van kracht worden van die wijziging, wordt de bijdrage bedoeld in het eerste lid vastgesteld naar rato van de resterende periode van het gebruik dat door de afnemer of bijzondere derde van de wijziging wordt gemaakt.

3. Geen bijdrage is verschuldigd indien een afnemer of bijzondere derde na de in het tweede lid bedoelde periode van zes jaar van een wijziging gebruik gaat maken.

4. De afnemers of bijzondere derden die eerder hebben bijgedragen aan de in het eerste lid bedoelde wijziging worden evenredig gecompenseerd uit de in het tweede lid bedoelde bijdrage.

Artikel II

  • 1. De op grond van artikel 43, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens vast te stellen tegemoetkoming wordt aan de door Onze Minister aan te wijzen gemeenten gedurende drie jaren, te rekenen vanaf 1 januari 1999, verhoogd. De aanwijzing vermeldt de voor de desbetreffende gemeenten in een kalenderjaar geldende verhoging.

  • 2. De op grond van het eerste lid vastgestelde verhoging van de tegemoetkoming wordt overeenkomstig artikel 43, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in rekening gebracht bij de daar bedoelde afnemers.

  • 3. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het bij dit besluit gewijzigde artikel 43 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, aan het gebruikersoverleg een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dat artikel in de praktijk.

Artikel III

  • 1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel I, onderdeel M, de in artikel I, onderdeel X, opgenomen bijlagen 1b en 1c en artikel II werken terug tot en met 1 januari 1999.

  • 3. Artikel I, onderdeel P, werkt terug tot en met 1 juli 1999.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 8 juli 2000

Beatrix

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel

Uitgegeven de twintigste juli 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Het onderhavige besluit tot wijziging van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: besluit GBA) strekt voornamelijk ter uitvoering van de onderwerpen die worden geregeld in de Wet tot wijziging van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 2000, 154). Het gaat daarbij onder andere om de invoering van een structurele uitwisseling van persoonsgegevens tussen de bevolkingsadministraties van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, het periodiek overleg dat de minister met een representatieve vertegenwoordiging van de gebruikers van de basisadministraties heeft, de periodieke audit en de mogelijkheid om opgeschorte persoonslijsten bij te werken.

Daarnaast bevat dit besluit nog enkele andere wijzigingen van het besluit GBA waaronder de invoering van een puntensysteem voor de berekening van de kosten van wijzigingen in de systeembeschrijving. Tevens wordt de wijze van doorberekening van die kosten aan de afnemers en bijzondere derden geregeld die bij een dergelijke wijziging een specifiek belang hebben.

Tenslotte zijn enkele technische aanpassingen opgenomen die verband houden met een wijziging van de systeembeschrijving van de GBA.

Over dit besluit zijn het gebruikersoverleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd en heeft de Registratiekamer advies uitgebracht. De reacties van deze instanties zijn bij de verschillende onderdelen van de toelichting opgenomen.

1.1. Structurele gegevensuitwisseling met de Nederlandse Antillen en Aruba

De gegevensuitwisseling met de Nederlandse Antillen en Aruba is in grote lijnen reeds aan de orde gekomen bij de schriftelijke behandeling van het voorstel tot wijziging van de Wet GBA (kamerstukken II, 1998–1999, 26 228, nrs. 5, 6, 7 en 8).

Enerzijds is in het besluit GBA een basis gecreëerd voor de technische beschrijving van de geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen het Vestigingsregister in Nederland enerzijds en de basisadministraties in de Nederlandse Antillen en Aruba anderzijds. Deze technische beschrijving zal onderdeel gaan uitmaken van de systeembeschrijving.

Anderzijds is een bijzondere bepaling opgenomen ten aanzien van de mededeling van een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba aan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in het Vestigingsregister. Met artikel 63b van het besluit GBA wordt buiten twijfel gesteld dat deze mededeling, die door het Vestigingsregister via het GBA-netwerk wordt doorgegeven aan de gemeente van voorgenomen vestiging, moet worden aangemerkt als een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d, van de wet. Op basis van deze mededeling kan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie van de betreffende gemeente, na aankomst van de immigrant, direct tot inschrijving in de GBA overgaan. Dit ontslaat de immigrant overigens niet van de verplichting om bij twijfel over de juistheid van de over hem beschikbare persoonsgegevens, officiële documenten (zoals geboorteakte of huwelijksakte) over de betreffende feiten te overleggen.

Tevens is bepaald dat de verstrekkingen uit het Vestigingsregister in het kader van de structurele gegevensuitwisseling met de Nederlandse Antillen en Aruba vrij zijn van heffingen.

1.2. Berekening van de kosten van een systeemwijziging

De vergoeding aan de gemeenten in het kader van wijzigingen in de systeembeschrijving werd in het verleden gebaseerd op de offertes die leveranciers op verzoek van de gebruikersgroepen opstelden. De vergoeding per inwoner aan de gemeenten werd bepaald door de offertes van de leveranciers bij elkaar op te tellen en te delen door het aantal inwoners van Nederland. De kosten voor de aanvrager van een Logisch Ontwerp-wijziging waren gelijk aan de totale vergoeding aan alle gemeenten voor de betreffende wijziging.

Knelpunten bij deze systematiek waren de extreem grote verschillen tussen de diverse offertes die moeilijk verifieerbaar waren, het feit dat gemeenten met dure GBA-systemen niet volledig gecompenseerd werden voor de door hen gemaakte kosten en de moeilijkheid om de kosten voor ieder wijzigingsvoorstel apart te begroten (en door te berekenen aan de aanvrager) in verband met de onderlinge verwevenheid, de lange duur van de procedure en de grote tijdsdruk die dit voor leveranciers tot gevolg heeft om de wijzigingen in hun GBA-systemen aan te brengen.

In overleg met de VNG, de voorzitters van de gebruikersgroepen, het voormalige GBA-platform (het huidige Gebruikersoverleg) en de gemeenten Amsterdam en Den Haag is daarom een nieuw verrekeningsmodel ontwikkeld dat vooruitlopend op de formele vaststelling daarvan reeds sinds 1 januari 1998 wordt toegepast.

Het gewijzigde artikel 43 van het besluit GBA behelst ten eerste de invoering van een puntensysteem aan de hand waarvan een berekening wordt gemaakt van de aan gemeenten te vergoeden kosten. Dit systeem wordt beschreven in de nieuwe bijlage 1b bij dat besluit.

Het voorstel tot wijziging van de systeembeschrijving wordt beoordeeld naar de mate van complexiteit. Om deze beoordeling te kunnen maken is voor elk onderdeel van de systeembeschrijving vastgesteld wat de relatieve zwaarte van een toevoeging, een wijziging of een verwijdering van dat onderdeel is. Dit wordt uitgedrukt in een aantal zogenoemde GBA-punten die aan elke toevoeging, wijziging of verwijdering van een onderdeel worden toegekend. De vaststelling van deze norm is in overleg met de leveranciers gebeurd; zij weten immers welke soort wijzigingen de meeste en welke de minste inspanning kost. De inschattingen van de leveranciers zijn gemiddeld. Bij de normering is ook rekening gehouden met mogelijke wijzigingen in gekoppelde systemen van de Burgerlijke Stand, reisdocumenten en rijbewijzen die het gevolg zijn van wijzigingen in de systeembeschrijving van de GBA. Aan de noodzakelijke wijzigingen in de gekoppelde systemen wordt op een zelfde wijze als voor de onderdelen van de systeembeschrijving een aantal GBA-punten toegekend. Als (in de omgekeerde situatie) wijzigingen in de systeembeschrijving het gevolg zijn van wet- en regelgeving op het vlak van de Burgerlijke Stand, reisdocumenten of rijbewijzen zelf, die tevens aanpassing in de GBA-systemen noodzakelijk maakt, worden voor het desbetreffende gekoppelde systeem (van de Burgerlijke Stand, reisdocumenten of rijbewijzen) geen extra GBA-punten toegekend.

Kosten per GBA-punt

De kosten per GBA-punt zijn vastgesteld op basis van historische gegevens. Hiervoor is uitgegaan van de ingediende offertes voor de wijzigingsronden voor het Logisch Ontwerp 2, Logisch Ontwerp 2.4 en hetontwerp voor Logisch Ontwerp 3.0 van begin 1996. Van de bestaande zeven GBA-applicaties zijn de bedragen van de drie offerteronden bij elkaar opgeteld. Op basis van die getotaliseerde offertebedragen is een rangorde opgesteld. Voor het vaststellen van de kosten per GBA-punt zijn het derde en vierde goedkoopste systeem gebruikt. Niet de goedkoopste omdat heel goed commerciële factoren tot de lage prijs geleid kunnen hebben, niet de duurdere omdat dan teveel rekening wordt gehouden met inefficiënte, verouderde en dure systemen. Van het derde en vierde goedkoopste systeem zijn de offertebedragen bij elkaar opgeteld en door twee gedeeld. Het aldus verkregen bedrag is gedeeld door het totaal aantal getelde GBA-punten over de drie verschillende wijzigingsronden. Dit leverde het bedrag van f 1292,- per GBA-punt op, hetwelk per 1 januari 1999 is geïndexeerd tot f 1335,-. Dit bedrag zal, gelet op de terugwerkende kracht van deze bepaling tot 1 januari 1999, als vaste basis dienen voor toekomstige wijzigingsronden in het Logisch Ontwerp GBA. Per 1 januari 2000 is het bedrag inmiddels geindexeerd op f 1371,-.

Als uitgangspunt voor de berekening van de vergoeding per GBA-punt is het huidige aantal verschillende GBA-applicaties (zeven) genomen. De volgens de hierboven beschreven methode bepaalde kosten per GBA-punt wordt dus met zeven vermenigvuldigd om de totale landelijke kosten per GBA-punt vast te stellen. De landelijke kosten per GBA-punt zijn dus op over het jaar 1999 zeven maal f 1335,- is f 9345,-.

Indien het aantal GBA-applicaties vermindert, zullen de totale landelijke kosten daarmee dalen. Om de kostenontwikkeling in de hand te houden is voor de berekening van de vergoeding aan de gemeenten het aantal GBA-applicaties op zeven gemaximeerd.

Het landelijke normbedrag per GBA-punt wordt met ingang van het jaar 2000 gecorrigeerd met het door het Centraal Bureau voor de Statistiek in het begin van ieder jaar bekend gemaakte voorlopige indexcijfer voor «CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen voor de commerciële dienstverlening» voor het aan de indexering voorafgaande jaar. Over het algemeen is dit voorlopige cijfer de laatste donderdag van januari bekend. De indexering zal om die reden feitelijk begin februari van ieder jaar plaatsvinden, maar werkt gelet op het bepaalde in het tweede lid van onderdeel I van bijlage 1b bij het besluit GBA voor het gehele lopende kalenderjaar.

De wijziging van het tweede lid van artikel 43 van het besluit GBA ziet op een formele doorberekening van de kosten van een wijziging van de systeembeschrijving aan de (toekomstige) geautoriseerde gebruikers van de basisadministraties. De basis voor deze regeling is gelegen in artikel 6, derde lid, van de wet GBA.

De wijze van doorberekening is uitgewerkt in de nieuwe bijlage 1c bij het besluit GBA.

Gemeenten worden bij wijzigingen in de systeembeschrijving verplicht tot aanpassing van hun respectievelijke gemeentelijke systemen. De hieraan verbonden kosten die in redelijkheid niet voor hun eigen rekening kunnen komen, worden door het Rijk vergoed en worden doorberekend aan de instantie die de wijziging in de systeembeschrijving heeft veroorzaakt of die daarvan gebruik maakt. Er zijn drie methoden van kostendoorberekening te onderscheiden die, naar gelang de oorzaak en inhoud van de wijziging van de systeembeschrijving, worden toegepast.

In de eerste plaats kunnen wijzigingen in de systeembeschrijving worden veroorzaakt door wijzigingen in de wet- en regelgeving. Recente voorbeelden daarvan zijn onder andere de invoering van het geregistreerde partnerschap en de wijzigingen in het Kiesrecht. De hiermee verband houdende kosten worden doorgaans bij de totstandkoming van de desbetreffende regelgeving betrokken, zodat langs die weg in de bekostiging van de wijziging in de geautomatiseerde gemeentelijke systemen is voorzien. De in bijlage 1c bij het besluit GBA neergelegde regeling van kostendoorberekening heeft derhalve geen betrekking op deze wijzigingen.

Daarnaast komt het voor dat wijzigingen in de systeembeschrijving worden geïnitieerd door één of meerdere gebruikers van de GBA. Deze wijzigingen worden aangebracht, indien ze in overeenstemming zijn met het grondbeginsel van de GBA, zijnde een basisadministratie voor de (semi-)overheid. De kosten van deze wijzigingen worden gedragen door de instanties die daar een specifiek belang bij hebben.

Tenslotte zijn er wijzigingen, waaronder wijzigingen ten behoeve van de verbetering of het onderhoud van het stelsel, die een algemeen karakter dragen en van belang zijn voor (nagenoeg) alle bij de GBA betrokkenen. Deze wijzigingen ten algemene nutte worden aangemerkt als algemene beheerkosten ten behoeve van de basisadministratie als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van het besluit GBA. Deze kosten worden dan ook doorberekend in het berichtentarief dat geautoriseerde afnemers en bijzondere derden betalen voor het berichtenverkeer via het netwerk.

Voorbereidingskosten

Uitgangspunt is dat zo mogelijk niet vaker dan eens in de drie jaar wijzigingen in de systeembeschrijving worden aangebracht. Voorstellen voor wijzigingen worden dan ook, behoudens spoedeisende gevallen, opgespaard voor de eerstvolgende wijzigingsronde. De voor de GBA verantwoordelijke minister categoriseert de ingediende voorstellen. Deze categorisering houdt onder meer in dat de voorstellen worden bekeken op de inpasbaarheid in het GBA-concept, op de relatie met andere wijzigingsvoorstellen, op de mate van nut voor andere gebruikers en op de grootte van de wijziging. Indien een wijzigingsvoorstel is ingediend met een dermate specifiek karakter, dat met de wijziging van de systeembeschrijving geen algemeen belang wordt gediend, kan voor het uitwerken van de betreffende wijziging een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in rekening worden gebracht bij de initiator van de wijziging. Als de wijziging daadwerkelijk wordt aangebracht, wordt dit bedrag vervolgens in mindering gebracht op de uiteindelijk door de initiator te vergoeden kosten.

Deze maatregel heeft als reden te voorkomen dat al te lichtvaardig wijzigingsvoorstellen worden ingediend die vervolgens, na een uitwerking van deze voorstellen door het agentschap BPR en een beeld van de daaraan verbonden (financiële) implicaties, niet worden doorgezet.

De uitwerking van een wijzigingsvoorstel brengt de nodige werkzaamheden met zich mee. De daaraan verbonden kosten worden onder normale omstandigheden als beheerkosten doorberekend in het berichtentarief. Bij wijzigingsvoorstellen met een specifiek karakter wordt het niet redelijk geoordeeld om deze kosten te verdelen over alle gebruikers. Deze kosten worden (evenals de kosten van de daadwerkelijke implementatie van een dergelijke wijziging) ten laste gebracht van degene die de wijziging voorstelt.

Voorkoming meeliftgedrag

De leden van het gebruikersoverleg hebben daarnaast te kennen gegeven dat zij het wenselijk achten dat een systeem wordt ontwikkeld ter voorkoming van zogenoemd «meelift»-gedrag.

De kosten van wijzigingen van het Logisch Ontwerp die specifiek voor een deel van de betrokkenen worden aangebracht, worden gedragen door de initiator(en) daarvan. Binnen deze procedure is het mogelijk dat een afnemer zich tijdens een wijzigingsronde van het Logisch Ontwerp, die in beginsel eens in de drie jaar plaatsvindt, niet als geïnteresseerde laat kennen, maar zodra de wijziging eenmaal is aangebracht wel gebruik maakt van de mogelijkheden die deze wijziging biedt. Het is wenselijk geoordeeld om de initiatoren van (vaak zeer kostbare) specifieke wijzigingen in het Logisch Ontwerp te beschermen tegen afnemers die gratis met die wijzigingen mee willen liften.

Bij de gekozen constructie om dit meeliftgedrag tegen te gaan is uitdrukkelijk rekening gehouden met het openbare en algemeen toegankelijke karakter van de basisadministratie. Het recht van afnemers om de in de basisadministratie beschikbare gegevens ten behoeve van de aan hen gegeven publiekrechtelijke taak te kunnen raadplegen diende gewaarborgd te blijven.

Het uitgangspunt dat de initiator(en) van een specifieke wijziging in het Logisch Ontwerp betaalt, blijft gehandhaafd.

Iedere afnemer en bijzondere derde die bij of krachtens de Wet GBA recht heeft op systematische gegevensverstrekking via het GBA-netwerk, kan echter van de mogelijkheden in het Logisch Ontwerp (inclusief de wijzigingen daarin), voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van de taak, volledig gebruik maken. Dat geldt dus evenzeer voor onderdelen in het Logisch Ontwerp die niet door deze afnemer of bijzondere derde zijn voorgesteld.

Het ligt dan ook voor de hand dat deze afnemer of bijzondere derde alsnog een evenredige bijdrage levert aan de kosten van de specifieke wijziging waar hij gebruik van maakt.

De verplichting om een bijdrage te leveren is, in overleg met het gebruikersoverleg, beperkt tot een periode van zes jaar.

De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door het agentschap BPR op grond van algemene objectieve normen die nu in onderdeel IV van bijlage 1c bij het besluit GBA zijn vastgelegd. Deze normen bestaan uit de hoogte van de oorspronkelijke kosten en het tijdstip waarop het gebruik begint.

De afnemers en bijzondere derden die eerder hebben bijgedragen in de kosten van de desbetreffende wijziging van het Logisch ontwerp, worden met de bijdragen van de medegebruikers gecompenseerd. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: Indien een afnemer een wijziging in het Logisch ontwerp voor de volle 100% heeft betaald en een andere gebruiker direct met de inwerkingtreding daarvan ook gebruik wil maken, brengt het agentschap betrokkene daarvoor 50% van de oorspronkelijke kosten in rekening. De aanvankelijke financier krijgt deze 50% gecompenseerd zodat beiden uiteindelijk 50% hebben bekostigd. Indien na twee jaar een derde gebruiker zich meldt, wordt het totaal bedrag van de wijziging gedeeld door drie gebruikers, en vermenigvuldigd met 4 resterende jaren van 6, wat 22% van de totale kosten inhoudt. De eerste twee financiers krijgen vervolgens ieder 11% geretourneerd.

Het totaal van de in rekening te brengen kosten kan derhalve nimmer meer bedragen dan de feitelijke kosten van de desbetreffende wijziging van het Logisch Ontwerp.

Na de periode van zes jaar na inwerkingtreding van een gewijzigd Logisch Ontwerp, kan iedere afnemer of bijzondere derden zonder verdere kosten gebruik maken van de mogelijkheden die daarin zijn vervat.

Bijkomend voordeel van deze nieuwe procedure is, dat in de voorbereiding van een wijziging van het Logisch Ontwerp, de initiatoren van de desbetreffende wijziging er belang bij hebben om andere afnemers of bijzondere derden, die naar verwachting ook gebruik zullen gaan maken van de wijziging bij de voorstellen te betrekken. Tevens ontstaat er bij die andere afnemers en bijzondere derden een belang om in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken te zijn bij het wijzigingsvoorstel, opdat optimaal met de eigen wensen rekening kan worden gehouden. Hierdoor kunnen de voorstellen voldoen aan de wensen van alle potentiële gebruikers en wordt voorkomen dat zij vanwege de hoge kosten en het ontbreken van medefinanciers niet of vertraagd worden ingediend. Verstarring in het voortraject wordt daarmee voorkomen.

De procedure zoals deze in artikel 43 en de bijlagen 1b en 1c van het besluit GBA is vastgelegd, wordt conform de daarover met de VNG, het gebruikersoverleg en de leveranciers gemaakte afspraken reeds sinds medio 1998 toegepast. De gewenningsmaatregel die hierbij geldt ten aanzien van de (ophoging van de) vergoeding aan de gemeenten gaat volgens afspraak in per 1 januari 1999. Deze procedure treedt daarom met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1999 in werking.

Tijdelijke ophoging gemeentelijke vergoeding

Het aan de gemeenten te vergoeden bedrag voor een wijziging van de systeembeschrijving wordt, bij wijze van gewenningsmaatregel, gedurende een periode van drie jaar verhoogd voor die gemeenten die een verouderd, complex en duur systeem hebben. Die verhoging wordt in die periode stapsgewijs lineair afgebouwd van vrijwel volledige compensatie tot nihil, om aldus de betrokken gemeenten te stimuleren de efficiency van de door hen gebruikte GBA-systemen te verbeteren.

De verhoging van de vergoeding wordt als volgt verdeeld. Op grond van historische gegevens is voor elk van de zeven GBA-applicaties bepaald welke kosten gemiddeld per GBA-punt per inwoner daaraan zijn verbonden. De gemeenten die gebruik maken van de GBA-applicaties die in het verleden onder de normvergoeding gebleven zijn, worden niet gekort. De gemeenten met GBA-applicaties die in het verleden boven de normvergoeding uitkwamen, krijgen een compensatie naar rato van het verschil tussen de door de leverancier van die applicatie in het verleden gerealiseerde kosten per GBA-punt per inwoner en de huidige normvergoeding.

In het eerste jaar van de gewenningsmaatregel is 100 procent van dit verschil beschikbaar, in het tweede jaar 67 procent en in het derde jaar 33 procent. Bovenstaande verfijning van de nu toegepaste methode van kostenvereffening betekent dat de gemeenten met duurdere systemen nog drie jaar lang tegemoet worden gekomen. Daarna krijgen ze hetzelfde bedrag per inwoner als de andere gemeenten.

De toepassing van de maatregel ten behoeve van de aangewezen gemeenten wordt beoordeeld op het moment dat de kosten voor een wijziging van de systeembeschrijving ingevolge onderdeel IV van bijlage 1b van het besluit GBA worden vastgesteld. Gelet op de verwachte inwerkingtredingsdatum van het Logisch Ontwerp 3.0, heeft de vaststelling van de daaraan verbonden kosten reeds in de tweede helft van 1999 plaatsgevonden. Zodoende ontvangen de aangewezen gemeenten ten behoeve van die wijziging, conform de daarover met het gebruikersoverleg gemaakte afspraken de maximale bijdrage op grond van de in artikel II vermelde gewenningsmaatregel.

De verhoging maakt onderdeel uit van de totale kosten van een wijziging van de systeembeschrijving. De totale kosten van wijzigingen in de systeembeschrijving zijn echter in de overgangsperiode niet hoger dan deze zouden zijn op basis van de voorheen gehanteerde systematiek.

De gemeenten die op grond van de gewenningsmaatregel voor een hogere vergoeding in aanmerking komen worden bij ministerieel besluit aangewezen.

1.3. De periodieke audit

In het besluit GBA is een nieuwe afdeling ingevoegd, waarin een nadere uitwerking wordt gegeven van de ingevolge artikel 120a van de wet voor gemeenten verplichte periodieke controle van hun respectievelijke basisadministraties (verder: GBA-audit).

Een gezamenlijke werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het toenmalige GBA projectbureau heeft zich in 1995 al uitgesproken voor onderzoek naar de mogelijkheden van een verplichte periodieke audit. Daarnaast heeft de Algemene Rekenkamer in oktober 1996 het rapport «Gemeentelijke Basis Administratie» aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1996–97, 25 040, nrs. 1–2). In dat rapport wordt opgemerkt dat de minister van Binnenlandse Zaken over instrumenten zou moeten beschikken om de kwaliteit van het GBA-stelsel structureel te bewaken. Bij de bespreking van het rapport in de Tweede Kamer bleek dat diverse kamerleden deze mening onderschreven. De toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Kohnstamm, heeft daarop aangekondigd een verplichte periodieke audit in te willen voeren (Kamerstukken II, 25 040, nr. 3).

Eind 1997 heeft het toenmalige GBA-platform (het huidige gebruikersoverleg) ingestemd met de uitgangspunten en de opzet van de GBA-audit. De verplichte audit is ontstaan vanuit de behoefte om binnen het GBA-kwaliteitssysteem een periodieke meting van de kwaliteit van de gegevens te laten uitvoeren. Een regelmatige meting geeft immers inzicht in de kwaliteit van de GBA als geheel en binnen elke gemeente afzonderlijk. Aan de hand van dat inzicht kunnen zonodig aanvullende maatregelen ter handhaving van de kwaliteit van de GBA worden getroffen.

Artikel 53a

De audit heeft een periodiciteit van drie jaar. Dat betekent dat iedere gemeente eens in de drie jaar een audit zal moeten laten uitvoeren. Om diverse redenen is het van belang dat zowel het aantal audits als de verhouding tussen grote, middelgrote en kleine gemeenten jaarlijks ongeveer gelijk zijn. Een reden is de verdeling van de werklast voor de beschikbare auditoren. Daarnaast kan een gelijkmatiger verdeling van de kosten worden bereikt en zullen ook de resultaten van het ene jaar statistisch te vergelijken zijn met de resultaten van een volgend jaar.

Om die reden kent artikel 53a van het besluit GBA de minister de bevoegdheid toe bij besluit een verdeling van de gemeenten over zes tijdvakken van elk zes maanden vast te stellen. Gemeenten zijn verplicht de periodieke audit binnen het voor hen bepaalde tijdvak van zes maanden uit te laten voeren. De verdeling is in beginsel slechts eenmalig, aangezien gemeenten vervolgens op grond van de wet verplicht zijn een volgende audit binnen drie jaren uit te laten voeren. Slechts ingeval van een gemeentelijke herindeling zal de verdeling aanpassing behoeven.

Het desbetreffende voorstel wordt voorgelegd aan de gemeenten alvorens het wordt vastgesteld. Deze voorgenomen verdeling van de gemeenten heeft in samenspraak met de VNG reeds plaatsgevonden, evenals de raadpleging van de gemeenten, zodat de verdeling direct na het van kracht worden van dit besluit kan worden vastgesteld.

Artikel 53b

De GBA-audit wordt door onafhankelijke audit-instellingen uitgevoerd. Deze bedrijven zullen hiertoe ingevolge artikel 120a, tweede lid, van de wet, door de minister worden aangewezen, mits aan bepaalde objectieve vereisten wordt voldaan. Deze vereisten, die onder andere betrekking hebben op de organisatorische en administratieve inrichting van de organisatie en de voor de uitvoering van de audit benodigde kennis en ervaring van de auditoren, worden vastgesteld bij ministeriële regeling. De eisen betreffen onder andere de juridische positie van een audit-instelling, de onafhankelijkheid, de organisatie en het management, het personeel, de aanwezige voorzieningen, geheimhouding, eventuele uitbesteding van werk en de aanwezigheid van een klachten- en beroepsprocedure.

Voordat een bedrijf wordt aangewezen, zal worden getoetst of aan de gestelde vereisten wordt voldaan. Deze toets wordt na een aanwijzing periodiek op enkele onderdelen herhaald, zodat de kwaliteit van de audits gewaarborgd blijft. De toets zal niet door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf worden gedaan, maar worden uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie te Utrecht. Hiertoe zal bij ministeriële regeling een voorziening worden getroffen. Deze Raad is een onafhankelijke stichting die ten behoeve van de overheid, het bedrijfsleven en consumentenorganisaties toezicht houdt op instellingen in de publieke en private sector die de kwaliteit beoordelen van onder andere producten en werkprocessen.

De gemeenten dienen voor de uitvoering van de audit te kiezen uit de door de minister aangewezen auditinstellingen.

Artikel 53c

De GBA-audit bestaat uit drie onderdelen: een inhoudelijk deel, een procesmatig deel en een privacy deel. In het inhoudelijke deel van de audit wordt de kwaliteit van het gemeentelijk GBA-bestand getoetst. Hiertoe zal een a-selecte steekproef worden genomen uit de beschikbare persoonslijsten in een gemeente. Het gaat dan in hoofdzaak om de persoonslijsten van de huidige inwoners van een gemeente, maar in een gering aantal gevallen ook om opgeschorte persoonslijsten van mensen die zijn overleden of geëmigreerd. De desbetreffende persoonslijsten worden gecontroleerd aan de hand van de eisen die uit de wet- en regelgeving voortvloeien en de in de gemeente aanwezige brondocumenten. Daarnaast worden in het inhoudelijke deel van de audit enkele specifieke, select getrokken, persoonslijsten gecontroleerd. Het gaat hierbij om foutgevoelige persoonslijsten.

In het procesmatige deel van de audit wordt getoetst of het gemeentebestuur voldoende maatregelen heeft genomen om het beheer en de beveiliging op de voorgeschreven wijze te kunnen uitvoeren. Er zijn enkele aspecten die van groot belang zijn voor het goed functioneren van het GBA-stelsel maar die pas zichtbaar zijn op het moment dat er iets mis gaat. Te denken valt aan de procedures voor beveiliging, back-up en herstel en uitwijk. Door middel van het procesmatige deel van de audit kan inzicht worden verkregen in de maatregelen die gemeenten hebben getroffen om te waarborgen dat dergelijke problemen worden voorkomen of ondervangen.

In het privacy deel van de audit wordt getoetst of het gemeentebestuur voldoende maatregelen heeft genomen om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van ingeschrevenen op een goede manier te kunnen waarborgen.

De wijze van uitvoering van zowel het inhoudelijke, het procesmatige als het privacy deel van de audit en de heraudit zal nader worden uitgewerkt in een ministeriële regeling.

Van iedere audit of heraudit wordt een rapportage opgemaakt die aan het betrokken gemeentebestuur wordt uitgebracht. De minister ontvangt van het gemeentebestuur een managementsamenvatting van de rapportage. De in artikel 120a, vierde lid, van de wet aangekondigde vergoeding aan gemeenten vindt plaats zodra de managementsamenvatting is ontvangen.

Artikel 53d

Artikel 53d voorziet in de mogelijkheid om ten aanzien van de audit nadere regels van technische en administratieve aard te stellen in een ministeriële regeling. Zo zal naast hetgeen hiervoor reeds is beschreven een nadere regeling getroffen kunnen worden voor de wijze waarop een aan te wijzen of aangewezen bedrijf aan de in artikel 53b bedoelde vereisten zal worden getoetst en de daaraan verbonden kosten.

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

De wijziging van artikel 1 van het besluit GBA betreft de opneming van enkele nieuwe definities in verband met de overige wijzigingen in het besluit.

Artikel I, onderdelen B en C

De wijziging van de artikelen 4 en 6 van het besluit GBA geven het gemeentebestuur dat schriftelijk gegevens verstrekt, de bevoegdheid om bij de betreffende afnemer of bijzondere derde een vergoeding in rekening te brengen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister.

De wijziging heeft primair tot doel om het gebruik van het GBA-netwerk zoveel mogelijk te stimuleren en de arbeidsintensieve verstrekking van persoonsgegevens op papier terug te brengen. De vergoeding ziet slechts op de transportkosten die gemeenten maken om de verstrekking op papier mogelijk te maken. Dat laat onverlet de mogelijkheid om bij gemeentelijke verordening te bepalen dat voor bepaalde arbeidsintensieve zoekactiviteiten in de GBA en eventuele andere gemeentelijke administraties (bijvoorbeeld in het kader van verklaringen van erfrecht) aanvullende leges verschuldigd zijn.

In enkele gevallen is het mogelijk om met toestemming van de verantwoordelijke minister gegevens uit de GBA op alternatieve media te verzenden aan afnemers. Hiervoor waren in het verleden data-tapes en floppy-disks aangewezen. Door de ontwikkelingen op dit terrein is besloten de mogelijkheid tot gebruik van een magneetband te vervangen door een zogenoemde CD-recordable. Rekening houdend met toekomstige ontwikkelingen is ervoor gekozen dit medium te omschrijven als optische schijf. De exacte omschrijving van de toegestane optische schijven en de wijze waarop deze dienen te worden gevuld, wordt nader omschreven in de systeembeschrijving.

Artikel I, onderdeel E

Zie de toelichting in paragraaf 1.1.

Artikel I, onderdeel F

Ook in artikel 19 van het besluit GBA wordt de magneetband als alternatief medium vervangen door de optische schijf.

Artikel I, onderdeel G

Het gewijzigde artikel 13 van de wet, biedt de basis voor een nieuwe onderzoeksbevoegdheid naar de in het kader van wijzigingen in de systeembeschrijving te treffen voorzieningen. Om te kunnen controleren of de getroffen voorzieningen afdoende zijn, moet het gemeentelijke geautoriseerde systeem een dergelijke controle mogelijk maken. Deze voorzieningen zijn gelijk aan de voorzieningen die reeds ten behoeve van de onderzoeken als bedoeld in de artikelen 9 en 11 van de wet nodig zijn. De wijziging van artikel 30 van het besluit is daarom slechts technisch van aard en vergt geen aanpassingen in de gemeentelijke systemen.

Artikel I, onderdeel H

Ook in artikel 33 van het besluit GBA wordt de magneetband als alternatief medium vervangen door de optische schijf.

Artikel I, onderdelen D, I en J

De wijziging van artikel 40 houdt verband met de geautomatiseerde gegevensuitwisseling over het verblijfsrecht van een vreemdeling via het GBA-netwerk tussen de gemeenten en de Minister van Justitie, zoals bedoeld in artikel 58 van de wet GBA. Tot 1 juli 1998 kende de systeembeschrijving alleen de mogelijkheid en niet de verplichting om dergelijke gegevens volgens de daartoe bestemde bijzondere berichtencyclus te laten verlopen. Verwerking van deze gegevens in de basisadministratie diende in de gemeenten die van deze berichtencyclus nog geen gebruik maakten, handmatig te gebeuren. Bij de invoering van de zogenoemde Koppelingswet (Stb. 1998, 203), waarvoor een goede werking van de koppeling tussen vreemdelingenadministratiesysteem (VAS) en GBA onmisbaar is, is aan deze situatie een einde gemaakt. Sindsdien moeten gemeenten het conform de systeembeschrijving mogelijk maken om de verwerking van het door het VAS aangeleverde gegeven over het verblijfsrecht van een vreemdeling rechtstreeks en geautomatiseerd te laten plaatsvinden.

In lijn hiermee wordt thans in het Besluit GBA de verplichting opgenomen voor het VAS, dat met ingang van de 1 januari 2000 beheersmatig onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is gebracht, om de gegevens over het verblijfsrecht eveneens verplicht volgens de daartoe ontworpen geautomatiseerde berichtencyclus te laten verlopen. Dat is overigens niet meer dan een formalisering van de huidige praktijk.

De regeling ten aanzien van de aanlevering van een verblijfstitel is daarmee identiek aan de reeds bestaande regeling in artikel 40 voor de aanlevering van het sociaal-fiscaal nummer door de Minister van Financiën.

Overigens kunnen zich omstandigheden blijven voordoen, waarbij de aanlevering van een verblijfstitel of een sociaal-fiscaal nummer niet via het netwerk verloopt maar op papier geschiedt. De tekst van artikel 40 van het besluit GBA staat hieraan niet in de weg. Het artikel verplicht het VAS slechts de berichten omtrent de aanlevering van het verblijfsrecht van vreemdelingen in overeenstemming met de systeembeschrijving te verzenden en te ontvangen. Dat laat in bijzondere gevallen andere wijzen van aanlevering (bijvoorbeeld op schrift) onverlet. Een bijzondere situatie is bijvoorbeeld aan de orde, indien correcties moeten plaatsvinden in de historische gegevens op een persoonslijst van een vreemdeling. De bijzondere berichtencyclus is namelijk niet toegerust voor de aanlevering van historische gegevens.

Artikel I, onderdelen K en X

In het nieuwe artikel 40a juncto bijlage 1a van het besluit GBA, worden de verblijfsrechtaantekeningen die over vreemdelingen in de basisadministratie kunnen worden opgenomen vermeld. Deze aantekeningen zijn rechtstreeks overgenomen uit onderdeel 5 van bijlage 1 bij de wet GBA. Door de aantekeningen in het vervolg in het besluit GBA te benoemen kan op een flexibele manier worden gereageerd op wijzigingen daarvan ten gevolge van aanpassingen in de vreemdelingenregelgeving of een gewijzigde gegevensbehoefte van gebruikers van de GBA die voor de uitvoering van hun taak van deze aantekeningen gebruik maken.

Artikel I, onderdelen L en O

Door de in de artikelen 42 en 47, tweede lid, van het besluit GBA genoemde onderwerpen in het gebruikersoverleg aan de orde te stellen, is overleg met de afzonderlijke gemeenten en afnemers die zijn betrokken bij de wijziging van een systeembeschrijving niet meer nodig. In de gevallen dat een wijziging in de systeembeschrijving specifiek is geïnitieerd door of directe gevolgen heeft voor één of een beperkt aantal gemeenten of afnemers zal uiteraard wel afzonderlijk overleg met deze instantie(s) plaatsvinden.

Artikel I, onderdelen M en X

Zie de toelichting in paragraaf 1.2.

Artikel I, onderdeel N

De wijziging van artikel 44 vloeit voort uit de naamswijziging van het ministerie van Binnenlandse Zaken in het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Stcrt. 1998, 145, blz. 9).

Artikel I, onderdeel P

Zie de toelichting in paragraaf 1.3.

Artikel I, onderdelen Q en R

Het nieuwe artikel 63a regelt de mogelijkheid van actualisering van het gegeven over het verblijfsrecht van een ingeschrevene die geen ingezetene meer is in verband met het vertrek uit Nederland. Deze wijziging vloeit voort uit het gewijzigde artikel 53 van de wet GBA (Stb. 2000, 154).

Het verblijfsrecht van een vreemdeling die voor langere tijd uit Nederland vertrekt, ondergaat over het algemeen een wijziging. Tot op heden kon een dergelijke wijziging wel in het VAS maar niet in de GBA worden verwerkt. Met de inwerkingtreding van de zogenoemde Koppelingswet is de noodzaak tot actualisering van opgeschorte persoonslijsten op dit punt pregnanter geworden nu uitvoeringsinstellingen bij hun uitvoeringspraktijk een verificatie van het verblijfsrecht van een aanvrager van een voorziening in de GBA moeten laten plaatsvinden. Hoewel het vertrek van de betrokken vreemdeling uit Nederland en de opschorting van diens persoonslijst voor de uitvoeringsinstelling kenbaar zijn, kan de aanwezigheid van een niet meer actueel verblijfsrecht op de persoonslijst van betrokkene niettemin leiden tot uitvoeringsfouten. Het is dan ook wenselijk geacht dat het verblijfsrecht van een vreemdeling in de GBA kan worden bijgewerkt, ongeacht de opschorting van diens persoonslijst.

Voor een toelichting bij de nieuwe artikelen 63b en 68h wordt verwezen naar paragraaf 1.1.

Artikel I, onderdelen S

Deze aanpassing herstelt een ommissie die bij een eerdere wijziging van dit artikel in verband met de invoering van een nieuw financieringsmodel (Stb. 1997, 722), is binnengeslopen.

Om die reden is in het besluit GBA het derde lid van artikel 69 aangevuld met de mogelijkheid voor gemeenten die bij de afstemming van een nieuwe gebruiker van de GBA gebruik maken van alternatieve media, rechtstreeks een tarief bij die nieuwe gebruiker in rekening te brengen. Het in het derde lid van artikel 69 van het besluit GBA bedoelde tarief is daarmee opgesplitst in een tarief per geregistreerde persoon bij afstemmingsberichten die via het netwerk verlopen en in een tarief per bij de afstemming betrokken gemeente indien de afstemming via alternatieve media geschiedt.

Artikel I, onderdelen T, U en V

Zie voor een toelichting paragraaf 1.1.

Artikel I, onderdeel W

Ook in de artikelen 84 en 85 van het besluit GBA wordt de magneetband als alternatief medium vervangen door de optische schijf.

Artikel II

Zie de toelichting in paragraaf 1.2.

Artikel III

De definitieve datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt bij koninklijk besluit vastgesteld, waarbij voor de verschillende onderdelen een afzonderlijke datum kan worden gekozen. Dit besluit zal namelijk gezamenlijk met de wet tot wijziging van de wet Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 2000, 154) inwerking treden doch enkele onderdelen zijn mede afhankelijk van de wijziging van de systeembeschrijving die naar verwachting op een later tijdstip in werking zal treden.

De bepalingen inzake de berekening van de vergoeding in verband met de wijziging van de systeembeschrijving (Logisch Ontwerp) werken terug tot en met 1 januari 1999. De beschreven procedure wordt namelijk, conform de afspraken die daarover met gemeenten, gebruikers en leveranciers zijn gemaakt, reeds toegepast. Dit geldt eveneens voor de verhoging bedoeld in artikel II van dit besluit. De bepalingen omtrent de periodieke audit werken terug tot en met 1 juli 1999.

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel


XNoot
1

Stb. 1995, 30, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 maart 2000, Stb. 151.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 augustus 2000, nr. 151.