Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2000, 286Wet

Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de studiefinanciering te wijzigen als uitvloeisel van het regeerakkoord 1998 en van de nota «Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past»; dat het voorts wenselijk is de leesbaarheid van de Wet op de studiefinanciering te vergroten; dat het in verband met het grote aantal wijzigingen wenselijk is de Wet op de studiefinanciering in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    belastbare minimumloon: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag voor een 23-jarige op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,

    beroepsonderwijs: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft de beroepsopleidende leerweg, en als bedoeld in artikel 2.14, voor zover de opleiding als beroepsonderwijs is aangemerkt,

    debiteur: degene die zich krachtens artikel 6.2 heeft verplicht tot terugbetaling,

    deelnemer: degene die beroepsonderwijs volgt,

    hoger beroepsonderwijs: hoger beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

    hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3 en in artikel 2.14, voor zover de opleiding als hoger onderwijs is aangemerkt,

    IB-Groep: Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank,

    lening: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, onverminderd de herkansing, bedoeld in artikel 5.14, en de omzetting, bedoeld in artikel 10.8,

    Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

    ouder: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,

    partner:

    1°. degene met wie de studerende of debiteur is gehuwd of met wie hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan en van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft,

    2°. persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de studerende of debiteur duurzaam een gezamenlijke huishouding voert maar met wie hij niet gehuwd is noch een geregistreerd partnerschap is aangegaan, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat,

    peiljaar: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt,

    prestatiebeurs: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,

    reisvoorziening: voorziening als bedoeld in artikel 3.7 en paragraaf 3.7,

    student: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus,

    studerende: deelnemer of student,

    studiefinanciering: door de IB-Groep verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,

    studiefinancieringstijdvak: kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste 1 kalendermaand is,

    studiejaar:

    1°. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend,

    2°. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend,

    studiepunt: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgedrukt,

    thuiswonende studerende: studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen,

    uitwonende studerende: studerende die niet een thuiswonende studerende is,

    veronderstelde ouderlijke bijdrage: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt verminderd,

    voltijdse opleiding: opleiding in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met uitzondering van deeltijd onderwijs,

    WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs,

    wetenschappelijk onderwijs: wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

    WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 2. In de begripsbepaling «partner» is sprake van een gezamenlijke huishouding, indien 2 personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

    a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toekenning van studiefinanciering als gehuwden zijn aangemerkt,

    b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander,

    c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of

    d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de eerste volzin.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede lid.

  • 4. Onder voltijdse opleiding wordt mede verstaan een duale opleiding in de zin van de WHW.

Artikel 1.2. Peildatum

Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.3. Voorwaarden omtrent aanvraag

Aan welke voorwaarden een aanvraag moet voldoen, kan bij ministeriële regeling worden bepaald. In ieder geval wordt daarbij bepaald dat de aanvrager het sociaal-fiscaal nummer verstrekt waaronder hij bij de rijksbelastingdienst is geregistreerd.

Artikel 1.4. Minderjarigheid

Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om toekenning van studiefinanciering te verkrijgen. Hij is voorts bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn met betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk de nakoming van de voor hem uit de toekenning van studiefinanciering voortvloeiende rechten en verplichtingen.

Artikel 1.5. Woonplaats

Waar de studerende woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

HOOFDSTUK 2. WERKINGSSFEER

Paragraaf 2.1. Algemeen

Artikel 2.1. Reikwijdte en voorwaarden studiefinanciering

Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studerenden die voldoen aan de voorwaarden inzake:

a. nationaliteit als bedoeld in artikel 2.2,

b. leeftijd als bedoeld in artikel 2.3, en

c. onderwijssoort als bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.4.

Artikel 2.2. Nationaliteit

Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen die:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of

c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.

Artikel 2.3. Leeftijd

  • 1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van het kwartaal waarop hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.

  • 2. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die op de eerste dag van het kwartaal waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen:

    a. jonger is dan 18 jaren: met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende kwartaal, of

    b. 18 jaren is of ouder: met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.

  • 3. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.

  • 4. In afwijking van het derde lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.

Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs

Artikel 2.4. Beroepsonderwijs

Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven aan:

a. een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de WEB, voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of

b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 van de WEB bedoelde recht heeft verkregen.

Artikel 2.5. Aanspraak

  • 1. Een deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.

  • 2. De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan de IB-Groep heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

  • 3. Een deelnemer heeft slechts aanspraak op studiefinanciering indien het beroepsonderwijs voldoet aan de volgende voorwaarden:

    a. de opleiding heeft een studielast van ten minste 850 klokuren per studiejaar die worden besteed aan het volgen van lessen, stages of beroepspraktijkvorming, overeenkomstig de onderwijs- en examenregeling voor de desbetreffende opleiding, en

    b. de opleiding heeft per studiejaar een totale studielast van een zodanige omvang dat daarnaast geen volledige werkkring mogelijk is.

Artikel 2.6. Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering

  • 1. Indien Onze Minister heeft besloten dat een opleiding niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 2.5, derde lid, maakt hij dit bekend aan de instelling. De bekendmaking heeft rechtsgevolg voor 2 opeenvolgende studiejaren. Indien de bekendmaking wordt gedaan voor 1 maart, voldoet de opleiding niet gedurende de 2 studiejaren die volgen op het tijdstip van de bekendmaking. Indien de bekendmaking is gedaan op of na 1 maart voldoet de opleiding niet gedurende het tweede en derde studiejaar die volgen op het tijdstip van de bekendmaking.

  • 2. Voor de deelnemer die over de maand waarin het besluit tot bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, werd genomen, studiefinanciering ontving voor het volgen van die opleiding, geldt in afwijking van artikel 2.5, derde lid, dat hij zijn aanspraak op studiefinanciering behoudt:

    a. tot het einde van het kalenderjaar, indien de bekendmaking is gedaan voor 1 maart, en

    b. tot het einde van het studiejaar dat volgt op het tijdstip van de bekendmaking, indien de bekendmaking is gedaan op of na 1 maart.

Artikel 2.7. Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs

  • 1. De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de deelnemer het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.

  • 2. Indien de deelnemer aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.

  • 3. Indien de deelnemer na het afsluitend examen binnen 4 maanden een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, wordt, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering met ten hoogste 4 maanden verlengd tot uiterlijk 1 september van dat kalenderjaar. Hij wordt in de tussen beide opleidingen liggende periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.

Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs

Artikel 2.8. Bekostigde voltijdse opleidingen hoger onderwijs

Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding aan een bekostigde instelling:

a. aan een in de bijlage bij de WHW genoemde universiteit of hogeschool, of

b. door een instelling die een opleiding verzorgt ten aanzien waarvan de artikelen 6.5, derde lid, of 6.10, derde lid, van de WHW is toegepast.

Artikel 2.9. Aangewezen voltijdse opleidingen hoger onderwijs

  • 1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse aangewezen opleiding die wordt verzorgd door:

    a. een op grond van artikel 6.9 van de WHW aangewezen instelling,

    b. een instelling die een opleiding verzorgt ten aanzien waarvan de artikelen 6.5, derde lid, of 6.10, derde lid, van de WHW zijn toegepast, of

    c. een instelling die op grond van artikel 16.14 van de WHW is aangewezen.

  • 2. Voor studiefinanciering kan de student slechts in aanmerking komen indien het onderwijs betreft:

    a. als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van de WHW, of

    b. als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, of vijfde lid, eerste of derde volzin, van de WHW.

Artikel 2.10. Bekostigde voltijdse kerkelijke opleidingen hoger onderwijs

Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend.

Artikel 2.11. Bij amvb aangewezen hoger onderwijs

Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat anders dan op grond van de WHW, volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd.

Artikel 2.12. Hoger onderwijs in EER-landen

Voor een lening gedurende ten hoogste 36 maanden kan een student in aanmerking komen die:

a. het afsluitend examen met goed gevolg heeft behaald,

b. prestatiebeurs heeft genoten, en

c. onderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aangewezen opleiding voor hoger onderwijs in een staat buiten Nederland die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 2.13. Geen aanspraak of geen aanspraak meer

Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:

a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,

b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs,

c. met ingang van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 34 jaren heeft bereikt, of

d. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.

Paragraaf 2.4. Overige bepalingen

Artikel 2.14. Buitenlandse opleidingen

  • 1. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een bij ministeriële regeling aangewezen opleiding die leidt tot getuigschriften of diploma's ten aanzien waarvan in het kader van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte specifieke regelingen verbindend zijn geworden inzake de onderlinge erkenning of vergelijkbaarheid.

  • 2. Onze Minister wijst slechts opleidingen buiten Nederland aan waarvan de duur vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB of de WHW. Hij geeft daarbij aan of de opleiding tot het beroepsonderwijs of het hoger onderwijs behoort. Voorts stelt hij de duur van de opleiding vast.

Artikel 2.15. Geen aanspraak studiefinanciering als deelnemer bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs

De studerende die lesgeld is verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet en tevens als student of extraneus staat ingeschreven in het hoger onderwijs, geldt voor de toekenning van studiefinanciering niet als deelnemer.

Artikel 2.16. Geen aanspraak voor beroepsonderwijs na hoger onderwijs

De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs, indien hij reeds 4 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.

HOOFDSTUK 3. STUDIEFINANCIERING

Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering

Artikel 3.1. Studiefinanciering

  • 1. Studiefinanciering bestaat uit basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of aanvullende lening.

  • 2. Studiefinanciering kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:

    a. gift,

    b. prestatiebeurs, of

    c. lening.

  • 3. De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.

Artikel 3.2. Samenstelling maandbudget

  • 1. Het budget voor een kalendermaand is het totaal van:

    a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,

    b. een normbedrag voor boeken en leermiddelen,

    c. een tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage, en

    d. een reisvoorziening.

  • 2. Dit budget kan worden verhoogd met:

    a. een normbedrag voor de ziektekostenverzekering,

    b. een toeslag voor een partner ingevolge artikel 3.4, of

    c. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.

  • 3. De tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage wordt vastgesteld voor een studerende in:

    a. het beroepsonderwijs: op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld, en

    b. het hoger onderwijs: op eentwaalfde deel van het in artikel 7.43 van de WHW bedoelde bedrag.

  • 4. Een studerende kan slechts voor het normbedrag voor de ziektekostenverzekering in aanmerking komen, indien hij tegen het risico van ziektekosten is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998.

  • 5. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.

Artikel 3.3. Normbedrag ziektekostenverzekering

  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.2, vierde lid, is bepalend de toestand op de eerste dag van het studiefinancieringstijdvak.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld voor het normbedrag, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 3.4. Toeslag partner

  • 1. Aan een studerende met een partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, wordt een toeslag voor een partner toegekend.

  • 2. Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een inkomen heeft dat minder bedraagt dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor een uitwonende studerende, bedoeld in artikel 3.18, en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaren waarvoor op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag bestaat. Onder inkomen wordt verstaan het op de voet van artikel 3.17 berekende toetsingsinkomen.

  • 3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in artikel 3.18.

Artikel 3.5. Toeslag één-oudergezin

  • 1. Aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.

  • 2. Het bedrag is opgenomen in artikel 3.18.

Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid

Artikel 3.6. Basisbeurs

  • 1. De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende studerenden en voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.

  • 2. Van de basisbeurs maakt een reisvoorziening deel uit, tenzij anders is bepaald.

  • 3. Van de basisbeurs kunnen de toeslagen, bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5, deel uitmaken.

Artikel 3.7. Vorm toekenning reisvoorziening

  • 1. De reisvoorziening kan bestaan uit:

    a. een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan het openbaar vervoerbedrijf geen bedrag of een bedrag met korting verschuldigd is, een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan een particulier vervoerbedrijf geen bedrag of een laag tarief verschuldigd is, of een kaart waarin 2 of meer van deze elementen zijn gecombineerd,

    b. een voorziening in geld, of

    c. een combinatie van de onderdelen a en b.

  • 2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden van toepassing is.

  • 3. Wanneer een reisvoorziening geheel of gedeeltelijk uit geld bestaat, wordt de hoogte van de bedragen die voor verschillende groepen van studerenden verschillend kunnen zijn, bepaald bij algemene maatregel van bestuur. De vorige volzin is niet van toepassing op het bedrag, bedoeld in artikel 3.25.

Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders

Artikel 3.8. Aanvullende beurs

  • 1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.

  • 2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in artikel 3.18.

Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage

  • 1. Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het belastbare inkomen van de afzonderlijke ouders van de studerende in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het peiljaar. Voor zover een ouder niet binnenlandse belastingplichtige is in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, geldt als maatstaf voor de veronderstelde ouderlijke bijdrage het belastbare inkomen voor het geval hij voor al zijn inkomensbestanddelen binnenlandse belastingplichtige was geweest. Indien een gedeelte van het inkomen van Nederlandse inkomstenbelasting is vrijgesteld ingevolge bepalingen van internationaal recht als bedoeld in artikel 40 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geldt als maatstaf het belastbare inkomen voor het geval hij geen vrijstelling had verkregen.

  • 2. Indien ingevolge artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen aanslag wordt vastgesteld of een aanslag wordt vastgesteld waarbij verrekening van de loonbelasting achterwege blijft, treedt het zuivere loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, in de plaats van het belastbare inkomen.

  • 3. Het belastbare inkomen in het peiljaar wordt, indien het een negatief bedrag is, gesteld op nihil. Vervolgens wordt daarop in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2001 gelijk aan euro 12 937,76. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien een ouder voor de inkomstenbelasting is ingedeeld in tariefgroep 4 of 5, en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de derde volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2001 gelijk is aan euro 16 634,26.

  • 4. Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het belastbare inkomen in het peiljaar en de vrije voet in dat jaar.

  • 5. Op het bruto kortingsbedrag, bedoeld in het vierde lid, worden in mindering gebracht:

    a. de ingevolge hoofdstuk 6 vastgestelde termijnen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is, en

    b. euro 363,– voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak, onder de werking van de hoofdstukken II of III van de Wet tegemoetkoming studiekosten valt.

  • 6. Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien op het kind artikel 16, tweede lid, onder 3°, van de Wet tegemoetkoming studiekosten van toepassing is en het tevens speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs volgt.

  • 7. Het bedrag dat na de toepassing van het vijfde en het zesde lid resteert, is de berekeningsgrondslag voor een ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage op jaarbasis.

  • 8. Indien een kind waarvoor de aftrek, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, onder de werking van deze wet gaat vallen, wordt met ingang van het tijdstip waarop dit kind onder de werking van deze wet gaat vallen, de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het zevende lid, opnieuw berekend.

  • 9. De berekeningsgrondslag voor een ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage op maandbasis is de bijdrage, bedoeld in het zevende lid, gedeeld door 12.

Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen

  • 1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van artikel 3.9, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van dat jaar.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van de som van de belastbare inkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar, met dien verstande dat:

    a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en

    b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de vereisten genoemd in de aanhef, alsmede in onderdeel a.

Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen

Voor de toepassing van de artikelen 3.9 en 3.10 wordt zolang het belastbare inkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet is vastgesteld of het zuivere loon over het desbetreffende jaar de ouder nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen belastbare inkomen of het zuivere loon zo goed mogelijk benadert.

Artikel 3.12. Tariefgroepwijziging

Indien een ouder na het peiljaar is ingedeeld in een andere tariefgroep, wordt op aanvraag van die ouder of de studerende de hoogte van de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 3.13. Veronderstelde ouderlijke bijdrage

  • 1. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is de som van de maandbedragen, bedoeld in artikel 3.9, negende lid. De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende.

  • 2. De aanvullende beurs van een studerende wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil, indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is.

  • 3. Indien een ouder meer dan een kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering en dat met betrekking tot de desbetreffende maand een aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag, bedoeld in het eerste lid, verdeeld over deze kinderen.

Artikel 3.14. Weigerachtige of onvindbare ouders

  • 1. Op aanvraag van een studerende kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.

  • 2. Indien het eerste lid toepassing vindt, is artikel 3.9, derde lid, vierde volzin, van overeenkomstige toepassing en is artikel 3.13, derde lid, niet van toepassing.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van de vraag of sprake is van:

    a. een situatie als bedoeld in het eerste lid, en

    b. de voorwaarden waaronder de toekenning van de aanvraag geschiedt.

Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende

Artikel 3.15. Basislening

De basislening is een lening. De hoogte van de basislening is opgenomen in artikel 3.18.

Artikel 3.16. Aanvullende lening

Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een studerende berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend.

Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten studerende

  • 1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2000 van euro 8 849,–. Bij de berekening van het toetsingsinkomen is artikel 3.9, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het toetsingsinkomen is het totaal van:

    a. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen en de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet,

    b. de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk II van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, genoten in het desbetreffende kalenderjaar, en

    c. de niet als loon uit dienstbetrekking genoten zuivere inkomsten, bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk II van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

  • 3. Tot het toetsingsinkomen behoren niet:

    a. een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en

    b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen.

  • 4. Voor iedere maand dat een studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van het bedrag voor een thuiswonende, particulier verzekerde deelnemer, bedoeld in artikel 3.8, buiten beschouwing.

  • 5. Bij de berekening van het toetsingsinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:

    a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of

    b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.

  • 6. Wanneer de studerende een bedrijf uitoefende, wordt, voor de toepassing van het vijfde lid, de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk II van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, die behaald is in het desbetreffende kalenderjaar, op zijn aanvraag herleid tot maandbedragen door die winst te delen door 12.

  • 7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd:

    a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs, en

    b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de kaart, bedoeld in artikel 3.7, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

  • 8. Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3 en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.

  • 9. Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan de IB-Groep schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.

  • 10. Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag.

Paragraaf 3.5. Normbedragen

Artikel 3.18. Overzicht normbedragen

De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in euro's naar de maatstaf van 1 januari 2000:

Overzicht 1. Maandbedragen

 Hoger onderwijsBeroepsonderwijs
Levensonderhoud  
a. thuiswonendeuro 297,05euro 297,05
b. uitwonendeuro 449,07euro 449,07
Boeken en leermiddeleneuro  44,81euro  39,20
Normbedrag ziektekostenverzekeringeuro  32,42euro  32,42

Overzicht 2. Financieringsbronnen

 Hoger onderwijsBeroepsonderwijs
Basisbeurs (excl. toeslagen)  
a. thuiswonendeuro  65,46euro  49,33
b. uitwonendeuro 201,59euro 185,46
Maximale aanvullende beurs / lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage)  
a. thuiswonend, particulier verzekerdeuro 191,56euro 264,09
b. thuiswonend, ziekenfonds verzekerdeuro 159,15euro 231,67
c. uitwonend, particulier verzekerdeuro 207,45euro 279,97
d. uitwonend, ziekenfonds verzekerdeuro 175,03euro 247,56
Basisleningeuro 223,74euro 122,37
Toeslag partnereuro 444,61euro 444,61
Toeslag één-oudergezineuro 355,79euro 355,79

Paragraaf 3.6. Toekenning

Artikel 3.19. Toekenning studiefinanciering

  • 1. De IB-Groep kent studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet.

  • 2. De IB-Groep besluit op een aanvraag om studiefinanciering:

    a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de studiefinanciering betrekking heeft: vóór 31 december van dat voorafgaande jaar, en

    b. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.

Artikel 3.20. Gedeeltelijke toekenning

Indien het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent de IB-Groep het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening.

Artikel 3.21. Toekenningsperiode

  • 1. Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.

  • 2. Studiefinanciering wordt niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag.

  • 3. Aan de studerende die reeds studiefinanciering ontvangt en een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor:

    a. het normbedrag voor een uitwonende studerende,

    b. het normbedrag voor de ziektekostenverzekering,

    c. een toeslag voor een partner, of

    d. een toeslag voor een één-oudergezin,

    wordt de verhoging van de studiefinanciering niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.

  • 4. Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt de IB-Groep de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.

Artikel 3.22. Onderbreken opleiding wegens ziekte

Indien een studerende wegens ziekte zijn opleiding onderbreekt en op zijn aanvraag de studiefinanciering is onderbroken, geldt hij aansluitend aan het ogenblik van onderbreken uitsluitend nog als studiefinancieringsgerechtigde studerende om zich als studerende tegen ziektekosten te verzekeren tot het tijdstip waarop hij hetzij verzekerd of medeverzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, hetzij op hem een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren van toepassing is, doch uiterlijk 6 maanden nadat de studiefinanciering is onderbroken.

Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening

Artikel 3.23. Regels toekenning reisvoorziening als kaart

Wanneer de reisvoorziening geheel of gedeeltelijk wordt verstrekt in de vorm van een kaart, zijn de artikelen 3.24 tot en met 3.30 van toepassing.

Artikel 3.24. Rechtspersoon die de kaart verstrekt

  • 1. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank komt Onze Minister met een rechtspersoon overeen dat deze de verstrekking van de kaart uitvoert.

  • 2. Bij toepassing van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de aanvraag voor de kaart om redenen van doelmatigheid bij de IB-Groep wordt ingediend.

Artikel 3.25. Opleiding buiten Nederland: geen kaart maar geld

  • 1. De studerende die recht heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, ontvangt als reisvoorziening in plaats van een kaart het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een studerende als bedoeld in het eerste lid, op zijn aanvraag als reisvoorziening een kaart ontvangen.

Artikel 3.26. Periode van geldigheid; omvang van rechten

  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de periode van geldigheid van de kaarten en de wijze van verstrekking, verlenging of vernieuwing en met betrekking tot de omvang van de rechten die verbonden zijn aan de kaarten. Bij die regeling kunnen in aanvulling op dit artikel nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de keuze tussen kaarten en tot herziening van een gemaakte kaartkeuze.

  • 2. Een studerende die recht heeft op de reisvoorziening, kan in de periode van geldigheid van de kaart de gemaakte kaartkeuze een maal herzien, met dien verstande dat de herziening niet kan aanvangen in de maanden mei tot en met augustus en evenmin mogelijk is vanaf het tijdstip dat een duplicaat is aangevraagd.

  • 3. De herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op de periode die voor de geldigheid van de kaart resteert.

  • 4. Bij ministeriële regeling wordt een kostendekkend bedrag vastgesteld dat aan de studerende in rekening wordt gebracht bij de aanvraag van de herziening van de keuze.

Artikel 3.27. Tijdige inleverplicht

  • 1. De studerende is verplicht zijn kaart in te leveren op een door de verstrekker van de kaart aan te geven wijze uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:

    a. zijn recht op studiefinanciering is beëindigd,

    b. de student een lening voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 2.12, is verstrekt, of

    c. zijn recht op een kaart op grond van artikel 3.25 of op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.

  • 2. De studerende die een kaart die ten onrechte aan hem is toegekend, afhaalt, is verplicht deze kaart in te leveren voor de eerste dag waarop de kaart ten onrechte voor hem geldig is geworden.

  • 3. Bij niet tijdig inleveren van de kaart is degene aan wie een kaart als bedoeld in het eerste en tweede lid, is verstrekt, aan de verstrekker van de kaart voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan, een bedrag van euro 68,– per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van de kaart. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing met betrekking tot een periode ten aanzien waarvan degene aan wie de kaart is toegekend, aantoont dat het niet tijdig inleveren van de kaart hem op geen enkele wijze kan worden toegerekend. De verstrekker van de kaart kan regels geven met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor dit moet worden aangetoond.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaronder de studerende wordt vrijgesteld van de in het eerste en tweede lid bedoelde plicht om de kaart in te leveren indien in geval van diefstal of verlies geen duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, is verstrekt. Daarbij wordt een kostendekkend bedrag vastgesteld dat aan de studerende voor administratiekosten in rekening wordt gebracht.

Artikel 3.28. Duplicaten van de kaart

  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop duplicaten van de kaart kunnen worden verstrekt. Daarbij kan een kostendekkend bedrag worden vastgesteld dat de studerende voor het duplicaat verschuldigd is.

  • 2. Aan het in het eerste lid bedoelde duplicaat zijn voor de studerende dezelfde rechten en plichten verbonden als aan de kaart, tenzij uit bepalingen gegeven bij of krachtens deze wet het tegendeel blijkt.

  • 3. Een duplicaat is altijd van dezelfde kaartkeuze als de laatste kaart die met betrekking tot dat kaartjaar aan de studerende was verstrekt.

Artikel 3.29. Vergoeding bij geen kaart of duplicaat

  • 1. Wanneer een studerende ten onrechte over een periode geen kaart ontvangt, heeft hij over die periode jegens de verstrekker van de kaart aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, derde lid, mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een kaart als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze kaart heeft ingediend. De studerende vraagt de vergoeding aan, uiterlijk binnen 2 weken na de dag waarop hij op die aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, uiterlijk binnen 2 weken na het ogenblik waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.

  • 2. Over de periode waarvoor de studerende ten onrechte geen duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, of geen andere kaart als gevolg van een herziene keuze als bedoeld in artikel 3.26, ontvangt, heeft hij jegens de verstrekker van de kaart per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand recht op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, derde lid. De studerende vraagt de vergoeding aan, uiterlijk binnen 2 weken na de dag waarop hij op die aanvraag voorhet eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, uiterlijk binnen 2 weken na het ogenblik waarop het duplicaat verstrekt had moeten zijn.

  • 3. Gedurende de termijn die in de regeling, bedoeld in artikel 3.28, is gesteld voor de verstrekking van een duplicaat, alsmede gedurende de termijn die in de regeling, bedoeld in artikel 3.26, is gesteld voor het verstrekken van een andere kaart in geval van herziening van de keuze van de kaart, heeft de studerende geen recht op een vergoeding voor het feit dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de kaart.

  • 4. De studerende heeft, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, geen recht op enige vergoeding indien van de kaart geen of slechts gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt.

Artikel 3.30. Nadere regels voor reizen van en naar Waddeneilanden

Ten behoeve van het reizen tussen Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studerenden verstrekken.

HOOFDSTUK 4. BEROEPSONDERWIJS

Artikel 4.1. Reikwijdte beroepsonderwijs

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel 2.4.

Artikel 4.2. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

Studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een gift of een lening.

Artikel 4.3. Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs

  • 1. De studiefinanciering van de deelnemer die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een deelnemer in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.

  • 3. Onder afwezigheid met geldige reden wordt uitsluitend verstaan afwezigheid wegens ziekte van de deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, of afwezigheid wegens bijzondere familieomstandigheden.

Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8 weken

Artikel 4.3 is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs

  • 1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 5 weken de deelnemer in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid.

  • 2. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast:

    a. of de reden die de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of

    b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.

  • 3. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.

  • 4. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan de IB-Groep dat de deelnemer die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.

  • 5. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

  • 6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan de IB-Groep zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.

HOOFDSTUK 5. HOGER ONDERWIJS; PRESTATIEBEURS

Paragraaf 5.1. Algemeen

Artikel 5.1. Reikwijdte hoger onderwijs

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 voor het volgen van hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.

Artikel 5.2. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

  • 1. Studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, wordt gedurende 4 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 5.6, verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.

  • 2. Indien aan de voorwaarden, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Deze omzetting is slechts een maal mogelijk.

  • 3. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 euro 680,67. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.

Artikel 5.3. Vorm waarin reisvoorziening wordt verstrekt

  • 1. In afwijking van artikel 5.2, eerste lid, wordt de studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende het in dat lid bedoelde aantal jaren, vermeerderd met 3 jaren.

  • 2. Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.

  • 3. Indien de prestatiebeurs wordt omgezet in lening, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover de kaart is ingeleverd of niet is uitgereikt. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin de reisvoorziening in de vorm van een bedrag in geld is verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 3.25, is toegekend.

Artikel 5.4. Lening in EER-landen

  • 1. Een lening voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 2.12, wordt op aanvraag gedurende ten hoogste 36 maanden uitsluitend verstrekt voor het aantal maanden studiefinanciering in de vorm van een lening waarop de student nog geen aanspraak heeft gedaan.

  • 2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2000 euro 680,67. Artikel 3.17 is niet van toepassing.

Artikel 5.5. Diplomatermijn

De diplomatermijn is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.

Artikel 5.6. Duur van de prestatiebeurs

  • 1. Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4 jaren overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, wordt het aantal om te zetten maanden met dit verschil verminderd. Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding ten aanzien waarvan artikel 7.31a van de WHW is toegepast, wordt het aantal om te zetten maanden met 12 verminderd.

  • 2. De prestatiebeurs wordt gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding met een studielast van 210 studiepunten:

    a. genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW, en

    b. genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW.

  • 3. De prestatiebeurs wordt gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW met een studielast van 252 studiepunten. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 252 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student

    1°. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en

    2°. dat deel ten minste 168 studiepunten bedraagt.

  • 4. De prestatiebeurs wordt gedurende 6,5 jaren verstrekt, indien het betreft:

    a. een opleiding godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en

    b. een opleiding van 252 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW aangewezen instelling als wetenschappelijke theologische opleiding.

  • 5. De periode van 4 jaren, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en de periode van 5 jaren, genoemd in het tweede lid, voor zover het betreft een opleiding als genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW, wordt met 1 jaar verlengd, indien de student een opleiding volgt als bedoeld in:

    a. artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, van de WHW,

    b. artikel 7.4, vijfde lid, eerste volzin van de WHW, en

    c. artikel 7.4, vijfde lid, derde volzin, van de WHW.

  • 6. De IB-Groep verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren prestatiebeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 1 jaar, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.

Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen of kandidaatsexamen

Artikel 5.7. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn

  • 1. Indien een student binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. De vorige volzin is niet van toepassing op de eerste 12 maanden prestatiebeurs die op grond van artikel 5.12 kan worden omgezet.

  • 2. Indien een student binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet aanvangt.

  • 3. Met een afsluitend examen wordt gelijkgesteld het examen van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze examens door de WHW daarmee gelijk worden gesteld.

Artikel 5.8. Omzetting in gift bij afsluiten kandidaatsexamen

Indien Onze Minister een opleiding heeft aangewezen waarvan het met goed gevolg afsluiten van het kandidaatsexamen, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, van de WHW, kan leiden tot omzetting als bedoeld in artikel 5.7, en een student binnen de diplomatermijn dit kandidaatsexamen met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure

Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen instelling, IB-Groep en student

  • 1. De omzetting, bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, vindt plaats op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, vijfde lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt de IB-Groep de student daarvan in kennis.

  • 2. Een student die het examen, bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan de IB-Groep en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.

Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen of overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar

Artikel 5.10. Stoppen voor 1 februari

Indien een student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

Artikel 5.11. Overstappen voor 1 februari

Indien een student in het eerste studiejaar waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet voor het volgen van een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 of 2.10, vóór 1 februari een opleiding gaat volgen aan een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.14, wordt op zijn aanvraag, indien hij binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten, de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Artikel 5.7, derde lid, is van toepassing.

Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden

Artikel 5.12. Omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs

  • 1. Indien een student voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 of 2.10, ten minste 21 studiepunten heeft behaald in een studiejaar waarin hij op enig moment voor het eerst studiefinanciering heeft genoten, worden de eerste 12 maanden van de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Voor een student die zich heeft ingeschreven na 31 januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste volzin, een norm van 14 studiepunten.

  • 2. Bij de beoordeling van de in het eerste lid bedoelde prestatie tellen studiepunten mee die zijn behaald voor al dan niet voltijdse opleidingen aan een instelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 of 2.10. Bij de beoordeling van de in het eerste lid bedoelde prestatie tellen niet mee de studiepunten die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.13, tweede lid, onderdeel r, en 7.31a, van de WHW.

  • 3. Indien de student reeds in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 5.7, voldoet hij tevens aan het eerste lid.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan Onze Minister op aanvraag van een instelling toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm is gelijkwaardig aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding is zodanig ingericht dat een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm. Deze aanvraag kan uitsluitend worden gedaan door een instelling als bedoeld in:

    a. artikel 2.10, en

    b. de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het betreft van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of van een zodanige instelling uitgaande opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt.

  • 5. De prestatiebeurs, bedoeld in het eerste lid, van de student voor wie de IB-Groep niet een mededeling als bedoeld in artikel 9.5, vierde lid, of bedoeld in artikel 7.9b, tweede lid, van de WHW, heeft ontvangen, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het desbetreffende studiejaar van rechtswege omgezet in een gift. De IB-Groep maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend.

Artikel 5.13. Onvoldoende studieprestaties in eerste 12 maanden

Indien de student onvoldoende studieprestaties heeft behaald blijkens de mededeling aan de IB-Groep, bedoeld in artikel 9.5, vierde lid, of bedoeld in artikel 7.9b, tweede lid, van de WHW, wordt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar volgend op het eerste studiejaar de prestatiebeurs, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, met uitzondering van de aanvullende beurs, van rechtswege als een lening vastgesteld. In afwijking van de eerste volzin wordt voor de student die zich na 31 januari heeft ingeschreven de in dat studiejaar toegekende studiefinanciering met uitzondering van de aanvullende beurs van rechtswege als een lening vastgesteld.

Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden

Artikel 5.14. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs

  • 1. Indien een student als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, niet de daar vereiste 21, onderscheidenlijk 14 studiepunten heeft behaald, maar wel binnen de diplomatermijn met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald, wordt de omgezette prestatiebeurs over de in artikel 5.12, eerste lid, bedoelde maanden alsnog omgezet in een gift. Artikel 5.7, derde lid, is van toepassing.

  • 2. De omzetting vindt op aanvraag van de student plaats, gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in artikel 5.9, tweede lid. De in dat lid bedoelde bekendmaking door de IB-groep heeft betrekking op beide omzettingen tezamen.

Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden

Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid

Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden

  • 1. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.

  • 2. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.

  • 3. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden niet in staat is het vereiste aantal studiepunten te behalen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, worden de eerste 12 maanden van de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

  • 4. Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

  • 5. De IB-Groep stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.

Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente

Artikel 5.17. Tenietgaan rente

Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.

HOOFDSTUK 6. OPBOUW EN TERUGBETALING STUDIESCHULD

Artikel 6.1. Lening

In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.

Artikel 6.2. Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld

  • 1. Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.19, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.

  • 2. De vanaf de dertiende maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge hoofdstuk 5 toegekende en in lening omgezette aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:

    a. tot welk belastbaar inkomen van de debiteur en zijn partner kwijtschelding mogelijk is,

    b. of onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet studerende is in de zin van deze wet, en

    c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.

  • 4. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding teniet.

  • 5. Artikel 6.11, eerste en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 6.12 en 6.15 zijn niet van toepassing.

  • 6. Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.

  • 7. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 6.3. Vaststelling rentepercentage

Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het over de maand oktober van dat jaar door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakte gemiddeld effectief rendement van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren.

Artikel 6.4. Renteberekening

  • 1. Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in artikel 6.8, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.

  • 2. De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest en is verschuldigd over het bedrag van iedere terugbetaling afzonderlijk, met dien verstande dat ingeval de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, de op voet van deze bepaling berekende rente wordt bijgeschreven bij de hoofdsom.

  • 3. In de periode die aan de terugbetalingsperiode vooraf gaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.

  • 4. Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.

  • 5. Indien op grond van artikel 10.7, derde lid, de over een studiejaar toegekende studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm van de aan een studerende toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk is vastgesteld.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.

Artikel 6.5. Terugbetalingsperiode

  • 1. De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studerende te zijn.

  • 2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.

  • 3. Indien de debiteur opnieuw een studerende wordt, wordt de terugbetalingsperiode geschorst.

  • 4. De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van de IB-Groep of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag.

Artikel 6.6. Aanloopfase

  • 1. De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.

  • 2. Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling.

Artikel 6.7. Aflosfase

  • 1. De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase of zoveel minder maanden als er maandelijkse termijnen zijn berekend op grond van het tweede lid. Deze periode wordt verlengd indien artikel 6.15, tweede lid, van toepassing is.

  • 2. Aan het begin van de aflosfase wordt een oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijn berekend door toepassing van artikel 6.9, tweede lid, onderdeel a, op basis van het bedrag aan opgebouwde studieschuld bij de start van de aanloopfase, vermeerderd met de in de aanloopfase over dat bedrag berekende rente. Daarbij wordt geen rekening gehouden met bedragen die, zonder opeisbaar te zijn, zijn terugbetaald in de aanloopfase. De duur van de aflosfase wordt berekend door het bedrag dat in de aanloopfase is terugbetaald te delen door de uitkomst van de eerste volzin. Het aldus verkregen getal wordt naar beneden afgerond en geeft aan het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen dat in de aanloopfase is terugbetaald. De aflosfase wordt verminderd met het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen.

Artikel 6.8. Achterstallige schuld

  • 1. Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van artikel 7.4 dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.

  • 2. Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.

  • 3. Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in de artikelen 6.9 en 6.17 alsmede bij het teniet gaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.18, geen rekening gehouden.

  • 4. Artikel 6.4 is niet van toepassing.

Artikel 6.9. Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen

  • 1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.

  • 2. De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:

    a. het eerste jaar van de aflosfase,

    b. het vierde jaar van de aflosfase, en

    c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.

  • 3. Onverminderd artikel 6.10, eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste euro 545,–. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.

  • 4. Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De artikelen 6.4 en 6.6 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit de IB-Groep dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.

Artikel 6.10. Vaststelling draagkracht debiteur

  • 1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.

  • 2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.

  • 3. Indien de debiteur voor 1 oktober van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor het daaropvolgend kalenderjaar vast te stellen, betaalt hij gedurende dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien een aanvraag om draagkrachtvaststelling is ingediend na 30 september van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft doch voor 1 januari van het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft, betaalt de debiteur niet eerder dan over de maand februari van het laatstbedoelde kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien de debiteur op of na 1 januari van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor dat kalenderjaar vast te stellen, betaalt de debiteur met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij zijn aanvraag heeft ingediend, gedurende het resterende gedeelte van dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht, met dien verstande dat in dit geval het bedrag van zijn draagkracht wordt gedeeld door 12 en daarna wordt vermenigvuldigd met het resterende aantal kalendermaanden van dat kalenderjaar.

  • 4. De IB-Groep besluit op een aanvraag om draagkrachtvaststelling:

    a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 januari van dat kalenderjaar,

    b. indien de aanvraag is ingediend na 30 september en vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 februari van dat kalenderjaar, en

    c. indien de aanvraag is ingediend na het onder a bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.

  • 5. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.

Artikel 6.11. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis

  • 1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Artikel 3.9, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.

  • 2. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien de debiteur voor de inkomstenbelasting is ingedeeld in tariefgroep 3, 4 of 5. Indien de debiteur is ingedeeld in tariefgroep 1 of 2, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn bij indeling in tariefgroep 3.

  • 3. Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.

  • 4. Indien de debiteur of zijn partner een belastbaar inkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.

  • 5. Indien de debiteur en zijn partner een draagkrachtinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste draagkrachtinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.

  • 6. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.

  • 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het belastbare inkomen of het zuivere loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen belastbare inkomen of het zuivere loon zo goed mogelijk benadert.

Artikel 6.12. Terugval in inkomen

  • 1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.11 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:

    a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of

    b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het belastbare inkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat:

    a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschomme-

    lingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en

    b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbare minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de IB-Groep het uiteindelijke belastbare minimumloon zo goed mogelijk benadert.

Artikel 6.13. Andere aanpassing van draagkracht debiteur

Indien de debiteur na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld is ingedeeld in een andere tariefgroep, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 6.14. Draagkracht partner van debiteur

  • 1. Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen 6.10 tot en met 6.13.

  • 2. Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.

Artikel 6.15. Op aanvraag draagkracht partner niet meetellen

  • 1. Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.

  • 2. Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.

Artikel 6.16. Partner van debiteur ook debiteur

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Ten aanzien van het bedrag dat aan draagkracht resteert is artikel 6.14, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.17. Wijziging maandelijkse termijn

  • 1. Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.

  • 2. Indien gedurende de aflosfase wijzigingen optreden in de hoogte van de oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijnen, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, wordt de termijn van de debiteur opnieuw vastgesteld ingevolge dat artikel met ingang van de daaropvolgende maand. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.

Artikel 6.18. Garantiebepalingen

  • 1. De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.

  • 2. De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.

Artikel 6.19. Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening

  • 1. Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.

  • 2. Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van de IB-Groep, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door toepassing van artikel 3.27, derde lid, niet omgezet.

  • 4. De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.

HOOFDSTUK 7. HERZIENING

Artikel 7.1. Herziening door IB-Groep

  • 1. De IB-Groep kan een beschikking herzien waarbij:

    a. studiefinanciering is toegekend,

    b. de vorm van de studiefinanciering is vastgelegd,

    c. de termijn wordt vastgesteld of gewijzigd,

    d. de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld,

    e. de hoogte van de lening wordt vastgesteld of gewijzigd, of

    f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd.

  • 2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:

    a. een beschikking genomen is waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,

    b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft voorgedaan blijkens een herziening van de mededeling, bedoeld in artikel 4.5, zesde lid,

    c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.6, zevende lid, opnieuw wordt vastgesteld, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld of de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,

    d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,

    e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b,

    f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b, of

    g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.

  • 3. Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking waarbij de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.7, zevende lid, onvoorwaardelijk is vastgesteld.

Artikel 7.2. Herziening door verstrekker van de kaart

  • 1. De verstrekker van de kaart, bedoeld in artikel 3.7, kan een beschikking herzien waarbij:

    a. een herziening van de keuze van de kaart is geweigerd,

    b. in verband met het door de studerende niet tijdig inleveren van de kaart een door hem verschuldigd bedrag is vastgesteld,

    c. een duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, van die kaart is toegekend of geweigerd,

    d. is vastgesteld dat de studerende die kaart of een duplicaat ervan, ten onrechte niet heeft ontvangen, of

    e. de aanvraag van een studerende, bedoeld in artikel 3.25, om als reisvoorziening een kaart te ontvangen, is toegekend of geweigerd.

  • 2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:

    a. een besluit genomen is waarvan degene jegens wie het besluit werd genomen, wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,

    b. een onjuist besluit werd genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,

    c. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, of

    d. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.

  • 3. Een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van de periode waarop de voorziening in geld of de kaart betrekking heeft. Behoudens het geval van bedrog kan een herziening anders dan bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van de periode waarop de voorziening in geld of de kaart betrekking heeft.

Artikel 7.3. Bezwaarschriftprocedure

De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering

  • 1. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of artikel 7.2, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de artikelen 3.27, derde lid, en 3.29, eerste en tweede lid.

  • 2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

  • 3. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 59 van de Wet tegemoetkoming studiekosten, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

  • 4. Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

  • 5. Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 3.24, met een andere rechtspersoon is gesloten dan de IB-Groep, worden bij ministeriële regeling nadere regels gegeven over de procedure met betrekking tot de verrekening.

  • 6. De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.19 niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.

HOOFDSTUK 8. UITBETALING, VERREKENING EN INVORDERING

Artikel 8.1. Uitbetaling en verrekening

  • 1. Met betrekking tot de uitbetaling van de studiefinanciering en de verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan de IB-Groep verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld.

  • 2. Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, wordt het toegekende bedrag aan studiefinanciering verlaagd met het niet uitbetaalde bedrag.

  • 3. De studerende kan bij de IB-Groep een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van euro 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te lenen. Indien aan de studerende een bedrag van euro 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.

Artikel 8.2. Onderwijsbijdrage

  • 1. Indien door de IB-Groep ten behoeve van de studerende die bij de aanvang van een studiejaar nog geen aanspraak op studiefinanciering had, met betrekking tot dat studiejaar een tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage voor het volgen van het beroepsonderwijs alsmede voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is verstrekt en aan de studerende over een of meer maanden van dat studiejaar studiefinanciering wordt toegekend, wordt tot het einde van dat studiejaar maandelijks eentwaalfde deel van die tegemoetkoming aangemerkt als een voorschot op de studiefinanciering van de studerende, met dien verstande dat dit voorschot niet meer bedraagt dan het bedrag dat per maand is toegekend.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het geven van een voorschot op de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage.

Artikel 8.3. Invordering

  • 1. Is een bij of krachtens deze wet verschuldigd bedrag voor het geheel of een deel niet tijdig voldaan, dan maant de IB-Groep de nalatige bij brief aan om alsnog binnen 2 weken na ontvangst van die brief het daarin vermelde bedrag aan hem te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de IB-Groep een dwangbevel uit. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het land kan worden tenuitvoergelegd.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid worden naast de achterstallige schuld eveneens het bedrag van de gerechtelijke of buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente ingevorderd.

  • 3. Binnen 4 weken na de betekening staat verzet tegen het dwangbevel, bedoeld in het eerste lid, open door dagvaarding van de IB-Groep, gevestigd te Groningen. Het verzet stuit de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet, behoudens de bevoegdheid van de geëxecuteerde die het verzet heeft gedaan, om hieromtrent een voorziening bij voorraad uit te lokken.

HOOFDSTUK 9. TOEZICHT EN SANCTIES

Paragraaf 9.1. Toezicht

Artikel 9.1. Toezicht door onderwijsinspectie

Het toezicht door de inspectie van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 5 van de WEB, heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.5, eerste en derde lid, 2.6, 2.13, onderdeel d, en 4.5.

Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen

Artikel 9.2. Verstrekken van inlichtingen door personen

  • 1. Een ieder is verplicht aan de IB-Groep of aan een daartoe door of vanwege de IB-Groep aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven.

  • 2. De inlichtingen worden verstrekt binnen een door de IB-Groep of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.

  • 3. Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de terugbetalingstermijn worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de studerende onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens.

  • 4. Onze Minister kan bepalen dat de inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze. Tevens kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat indien er op de eerste dag van het studiefinancieringstijdvak ten opzichte van de eerste dag van het daaraan voorafgaande studiefinancieringstijdvak zich een of meer wijzigingen hebben voorgedaan wat de administratieve gegevens met betrekking tot de ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 3.2, vierde lid, betreft, de studerende deze gegevens onmiddellijk en ongevraagd op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze aan de IB-Groep te kennen geeft.

Artikel 9.3. Verschoningsrecht studentendecaan

Een studentendecaan aan een op grond van de WHW uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een studerende aan hem heeft toevertrouwd:

a. in afwijking van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bij de verplichting tot inzage van gegevens en bescheiden en het verstrekken van inlichtingen, en

b. in afwijking van artikel 8:33, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit, genomen op grond van deze wet.

Artikel 9.4. Verstrekken van inlichtingen door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24

De rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24, verstrekt desgevraagd aan Onze Minister of aan de IB-Groep de voor de uitoefening van haar taak benodigde inlichtingen. Onze Minister of de IB-Groep kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 9.5. Verstrekken van inlichtingen door instellingen

  • 1. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.9, 2.10 en 2.11, uitgaat, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.

  • 2. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in artikel 2.4, uitgaat, is verplicht voor 1 mei aan de IB-Groep te melden welke opleidingstrajecten als bedoeld in artikel 7.4.8, eerste lid, onderdeel f, van de WEB, in het eerstvolgende studiejaar door de instelling worden verzorgd.

  • 3. De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, is verplicht voor 1 mei aan Onze Minister te melden indien onderwijs dat in dat studiejaar voldeed aan de voorwaarden, genoemd in artikel 2.5, derde lid, in het daaropvolgende studiejaar niet aan deze voorwaarden zal voldoen.

  • 4. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.

  • 5. Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend de IB-Groep in kennis welke studenten de norm van 21 of 14 studiepunten niet hebben behaald.

  • 6. De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan de IB-Groep verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

  • 7. Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan de IB-Groep en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.

Artikel 9.6. Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak en door ziektekostenverzekeringsinstellingen als bedoeld in artikel 3.2, vierde lid

Organen met een publiekrechtelijke taak en ziektekostenverzekeringsinstellingen als bedoeld in artikel 3.2, vierde lid, zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.

Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie

Artikel 9.7. Niet verstrekken van inlichtingen over studievoortgang

Indien een instelling als bedoeld in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11, niet uiterlijk 1 november volgend op het einde van het studiejaar aan de IB-Groep de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a of 7.9b van de WHW, of in de artikelen 9.5, vijfde lid, of 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering, bedoeld in de artikelen 5.12, vijfde lid, of 10.7, dat aan de studenten aan die instelling is toegekend.

Artikel 9.8. Niet verstrekken van inlichtingen over langdurige afwezigheid van deelnemers

Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, voert of niet na afloop van de in de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan de IB-Groep de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.

Artikel 9.9. Niet verstrekken van inlichtingen over studielast

  • 1. Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, over een opleiding niet uiterlijk 1 mei de gegevens, bedoeld in artikel 9.5, derde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die opleiding in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.

  • 2. Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, ten onrechte op grond van artikel 7.4.8, eerste lid, onderdeel f, van de WEB heeft vastgesteld dat een opleidingstraject voldoet aan deze wet of ten onrechte aan de IB-Groep de melding, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid, heeft gedaan, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deel-

    nemers aan dat opleidingstraject in de studiejaren waarop de vaststelling betrekking heeft, is toegekend.

Paragraaf 9.4. Strafbepalingen

Artikel 9.10. Niet verstrekken van inlichtingen

Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9.3 tot en met 9.5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 9.11. Overtreding van een bepaling krachtens deze wet

Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 1 maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 9.12. Overtreding

De in de artikelen 9.10 en 9.11 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

HOOFDSTUK 10. HOGER ONDERWIJS; TEMPOBEURS

Artikel 10.1. Tempobeurs

In dit hoofdstuk wordt onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die onder voorwaarden kan worden omgezet in een lening. De tempobeurs omvat niet de reisvoorziening.

Artikel 10.2. Reikwijdte; hoofdstuk uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996

  • 1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering.

  • 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op studenten die onderwijs volgen aan een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.14. De studiefinanciering aan deze studenten wordt op grond van artikel VI van de wet van 28 maart 1996 (Stb. 226) gedurende 6 jaren verstrekt in de vorm van een gift. Indien Onze Minister heeft bepaald dat het een langere opleiding betreft, wordt het aantal van 6 jaren verhoogd met het meerdere.

Artikel 10.3. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

  • 1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b, kan studiefinanciering worden toegekend in de vorm van tempobeurs.

  • 2. Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 10.5, verstrekt in de vorm van een tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift.

  • 3. Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van artikel 3.2, naar de maatstaf van 1 januari 2000 euro 680,67. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing.

Artikel 10.4. Afwijking van de artikelen 2.13 (voorheen artikel 9, zevende lid) en 2.16 (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer

In afwijking van de artikelen 2.13 en 2.16 geldt dat:

a. een student geen aanspraak op studiefinanciering heeft:

1°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs gedurende 24 maanden een lening heeft genoten,

2°. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs ingevolge artikel 10.8, tweede lid, gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,

3°. met ingang van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 34 jaren heeft bereikt, of

4°. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, en

b. de studerende geen aanspraak op studiefinanciering heeft voor het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs, indien hij reeds 5 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.

Artikel 10.5. Duur van de tempobeurs (voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid)

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.

  • 2. De tempobeurs wordt gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding met een studielast van 210 studiepunten, genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW.

  • 3. De tempobeurs wordt gedurende 7 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW met een studielast van 252 studiepunten.

  • 4. De tempobeurs wordt gedurende 7,5 jaren verstrekt, indien het betreft:

    a. een opleiding godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en

    b. een opleiding van 252 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW aangewezen instelling als wetenschappelijke theologische opleiding.

  • 5. De periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, wordt met 1 jaar verlengd, indien de student een opleiding volgt als bedoeld in:

    a. artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, van de WHW,

    b. artikel 7.4, vijfde lid, eerste volzin van de WHW, en

    c. artikel 7.4, vijfde lid, derde volzin, van de WHW.

  • 6. De IB-Groep verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren tempobeurs.

  • 7. Indien een student gelijktijdig staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, slechts verlengd nadat hij aan de IB-Groep een verklaring van het instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 168 studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is verleend niet wordt gestaakt.

Artikel 10.6. Toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen artikel 17b)

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.

  • 2. De tempobeurs bestaat geheel uit lening in het studiejaar waarin de student niet ten minste 21 studiepunten heeft behaald. De vorige volzin is niet van toepassing op opleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste volzin, van de WHW. Voor een student die zich als student in het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, inschrijft na 31 januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste volzin een norm van 14 studiepunten.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister naar aanleiding van een door een instelling als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, in te dienen aanvraag, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm.

  • 4. De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.

  • 5. Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend de IB-Groep in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 9.5, eerste en tweede lid, vastgestelde regels van toepassing.

  • 6. De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan de IB-Groep verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

  • 7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand studiejaar mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking, inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student toegekende studiefinanciering op grond van artikel 10.7.

Artikel 10.7. Voorwaardelijke toekenning studiefinanciering en latere vaststelling onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a)

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.

  • 2. Ten aanzien van een student wordt de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student over een studiejaar het in artikel 10.6, tweede lid, of het krachtens artikel 10.6, derde lid, vastgestelde resultaat behaalt.

  • 3. Over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan de IB-Groep, bedoeld in artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin, of de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW, de norm van de studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening. De IB-Groep maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie de IB-Groep niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin, heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.

  • 4. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen de studiepunten mee die zijn behaald in opleidingen waarop artikel 10.6 van toepassing is. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen niet mee de studiepunten die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onderdeel r, van de WHW.

  • 5. Indien een student als bedoeld in het tweede lid, in het eerste studiejaar van inschrijving in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt aan het einde van dat studiejaar de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.

  • 6. In het studiejaar waarin de student, bedoeld in het tweede lid, een opleiding waarvoor de student staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt, wordt de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.

  • 7. Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, niet na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan de IB-Groep de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of artikel 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.

Artikel 10.8. Omzetting van integrale lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b)

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die:

    a. na 31 augustus 1995 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering, en

    b. een voltijdse opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW.

  • 2. Indien aan een student na de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, op grond van artikel 10.3, derde lid, studiefinanciering in de vorm van lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met 1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan de IB-Groep overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode opnieuw vastgesteld alsof artikel 10.3, derde lid, eerste volzin, over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die leenperiode.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op maanden die deel uitmaken van een studiejaar waarin de student niet het in artikel 10.6, tweede lid, genoemde aantal studiepunten heeft behaald. De eerste volzin is niet van toepassing op maanden van het studiejaar waarin de student de opleiding waarvoor hij staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt.

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode waarop het eerste lid, laatste volzin, betrekking heeft, of wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat getuigschrift, aan de IB-Groep is overgelegd.

  • 5. Bij het in het tweede lid bedoelde opnieuw vaststellen van de studiefinanciering wordt de per maand in aanmerking te nemen aanvullende beurs vastgesteld op het gemiddelde van de maandbedragen aan aanvullende beurs die aan de aanvrager voorwaardelijk zijn toegekend over de laatste 12 maanden van de in het tweede lid bedoelde periode van 5 jaren. De toekenning van gift op grond van het tweede lid is een onvoorwaardelijke.

HOOFDSTUK 11. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 11.1. Aanpassing van bedragen

Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, derde lid, 3.17, eerste lid, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 5.2, 5.4 en 10.3, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar. De aangepaste bedragen treden in de plaats van de in de eerste volzin bedoelde bedragen.

Artikel 11.2. Titel 4.2 Awb niet van toepassing

Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.

Artikel 11.3. Vervreemding, verpanding, belening en beslag

  • 1. Studiefinanciering is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening en beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

  • 2. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 11.4. Inlichtingen aan particuliere ziektekostenverzekeraars

De IB-Groep geeft op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze desgevraagd en kosteloos aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.2, vierde lid, te kennen of een studerende recht op studiefinanciering heeft en of deze studerende tevens recht heeft op een van de toeslagen, bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5.

Artikel 11.5. Hardheidsclausule

De IB-Groep kan voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 11.6. Bewaartermijn

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bewaartermijn van de stukken die gegevens bevatten die van belang zijn geweest voor de vaststelling van de studiefinanciering of terugbetaling.

Artikel 11.7 Bescherming persoonlijke levenssfeer

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder wordt gebruik gemaakt van de bestanden van persoonsgegevens in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze regelt in ieder geval de wijze waarop geregistreerde personen kennisneming en verbetering kunnen krijgen van de over hen opgenomen gegevens.

HOOFDSTUK 12. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 12.1. Afwijking van artikel 1.1

In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, geldt met betrekking tot de begripsbepaling van «peiljaar» tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «tweede jaar»: derde jaar.

Artikel 12.2. Afwijking van artikel 3.9

  • 1. In afwijking van artikel 3.9, derde lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «euro 12 937,76»: f 28 511,07 en in plaats van «euro 16 634,26»: f 36 657,08.

  • 2. In afwijking van artikel 3.9, vijfde lid, onderdeel b, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «euro 363,–»: f 800,–.

Artikel 12.3. Afwijking van artikel 3.10

In afwijking van artikel 3.10 luidt dat artikel tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen

  • 1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij de toepassing van artikel 3.9 uitgegaan van een ander jaar dan het peiljaar indien:

    a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar na het peiljaar, in welk geval wordt uitgegaan van dat jaar na het peiljaar,

    b. sprake is van een terugval in inkomen over het tweede jaar na het peiljaar, in welk geval wordt uitgegaan van het tweede jaar na het peiljaar, of

    c. sprake is van een terugval in inkomen over het derde jaar na het peiljaar, in welk geval wordt uitgegaan van het derde jaar na het peiljaar.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van de som van de belastbare inkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van dat peiljaar, met dien verstande dat:

    a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en

    b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de vereisten genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.

Artikel 12.4. Afwijking van artikel 3.11

In afwijking van artikel 3.11 luidt dat artikel tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen

Voor de toepassing van de artikelen 3.9 en 3.10 wordt zolang het belastbare inkomen over het peiljaar, het eerste, het tweede of het derde jaar na het peiljaar nog niet is vastgesteld of het zuivere loon over het desbetreffende jaar de ouder nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen belastbare inkomen of het zuivere loon zo goed mogelijk benadert.

Artikel 12.5. Afwijking van artikel 3.17

In afwijking van artikel 3.17, eerste lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2000 van euro 8 849,–»: een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2000 van f 19 500,–.

Artikel 12.6. Afwijking van artikel 3.18

In afwijking van artikel 3.18 luidt dat artikel tot 1 januari 2002 als volgt:

Artikel 3.18. Overzicht normbedragen

De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in guldens naar de maatstaf van 1 januari 2000:

Overzicht 1. Maandbedragen

 Hoger onderwijsBeroepsonderwijs
Levensonderhoud  
a. thuiswonendf 654,61f 654,61
b. uitwonendf 989,61f 989,61
Boeken en leermiddelenf 98,74f 86,38
Normbedrag ziektekostenverzekeringf 71,44f 71,44

Overzicht 2. Financieringsbronnen

 Hoger onderwijsBeroepsonderwijs
Basisbeurs (excl. toeslagen)  
a. thuiswonendf 144,25f 108,71
b. uitwonendf 444,25f 408,71
Maximale aanvullende beurs / lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage)  
a. thuiswonend, particulier verzekerdf 422,15f 581,98
b. thuiswonend, ziekenfonds verzekerdf 350,71f 510,54
c. uitwonend, particulier verzekerdf 457,15f 616,98
d. uitwonend, ziekenfonds verzekerdf 385,71f 545,54
Basisleningf 493,06f 269,66
Toeslag partnerf 979,80f 979,80
Toeslag één-oudergezinf 784,06f 784,06

Artikel 12.7. Afwijking van artikel 3.27

In afwijking van artikel 3.27, derde lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «een bedrag van euro 68,-»: een bedrag van f 150,–.

Artikel 12.8. Afwijking van de artikelen 5.2, eerste lid, en 5.12

In afwijking van de artikelen 5.2, eerste lid, en 5.12 wordt de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat in het hoger onderwijs gedurende het studiejaar 2000–2001 en die niet over een eerder studiejaar voor het volgen van hoger onderwijs is toegekend, verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, en uiterlijk in het jaar 2002 van rechtswege omgezet in een gift.

Artikel 12.9. Afwijking van de artikelen 5.2, derde lid, 5.4, tweede lid, en 10.3, derde lid

1. Artikel 5.2, derde lid, luidt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

  • 3. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, is het maandbudget, bedoeld in artikel 3.2.

2. Artikel 5.4, tweede lid, luidt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

  • 2. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, is het maandbudget, bedoeld in artikel 3.2. Artikel 3.17 is niet van toepassing.

3. Artikel 10.3, derde lid, luidt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

  • 3. Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, is het maandbudget, bedoeld in artikel 3.2.

4. In afwijking van de artikelen 5.2, derde lid, 5.4, tweede lid, en 10.3, derde lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «euro 680,67»: f 1 500,-.

Artikel 12.10. Afwijking van artikel 6.9

In afwijking van artikel 6.9, derde lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «ten minste euro 545,–»: ten minste f 1 200,–.

Artikel 12.11. Afwijking van artikel 8.1

In afwijking van artikel 8.1, derde lid, geldt tot 1 januari 2002 in plaats van «een bedrag van euro 0,00»: een bedrag van f 0,00.

Artikel 12.12. Vervallen van de artikelen 11.6 en 11.7

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 februari 1999 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (kamerstukken II 1998/99, 26 410, nr. 2) tot wet wordt verheven vervallen de artikelen 11.6 en 11.7.

Artikel 12.13. Aanspraken en verplichtingen op grond van de Wet op de studiefinanciering

  • 1. Aanvragen op grond van de Wet op de studiefinanciering worden van rechtswege omgezet in een aanvraag op grond van deze wet.

  • 2. Studiefinanciering die op grond van de Wet op de studiefinanciering is toegekend, wordt van rechtswege omgezet in studiefinanciering op grond van deze wet.

  • 3. Verplichtingen die op grond van de Wet op de studiefinanciering bestaan, worden van rechtswege omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.

Artikel 12.14. Overgangsbepaling bezwaar en beroep

Op bezwaar en beroep ingevolge de Wet op de studiefinanciering, ingesteld voor 1 september 2000, of tegen een besluit van voor deze datum ingesteld op of na deze datum, blijven de op 31 augustus 2000 geldende voorschriften van toepassing.

HOOFDSTUK 13. WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN

Artikel 13.1. Algemene bijstandswet

De Algemene bijstandswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 9, tweede lid, onderdeel b, artikel 36, eerste lid, onderdeel a, artikel 48, tweede lid, aanhef, en artikel 50, derde lid, onderdeel a, wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» telkens vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

B

In artikel 48, tweede lid, aanhef, wordt «als bedoeld in artikel 12 van die wet» vervangen door: als bedoeld in artikel 3.2 van die wet.

C

In artikel 60 wordt «artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de studiefinanciering en het bedrag dat op grond van artikel 32h, eerste lid, van die wet» vervangen door: artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000 en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die wet.

D

In artikel 122, eerste lid, onderdeel g, wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.2. Algemene Kinderbijslagwet

De Algemene Kinderbijslagwet2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7a, eerste en tweede lid, wordt telkens «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

B

In artikel 25, eerste en derde lid, wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» telkens vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.3. Derde tranche Algemene wet bestuursrecht

Indien de artikelen van de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) voor de toepassing van de Wet op de studiefinanciering op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, nog niet in werking zijn getreden, wordt in artikel VI, eerste lid, onderdeel h, van eerstgenoemde wet «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.4. Experimentenwet onderwijs

Artikel 7a, derde lid, van de Experimentenwet onderwijs3 vervalt.

Artikel 13.5. Faillissementswet

Artikel 299a van de Faillissementswet4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «titel 5 van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door «hoofdstuk 6 van de Wet studiefinanciering 2000» en wordt «artikel 40 van die wet» vervangen door: artikel 6.8 van die wet.

2. In het tweede lid wordt «artikel 39 van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: artikel 6.7 van de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.6. Les- en cursusgeldwet

De Les- en cursusgeldwet5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel e, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder 1°a wordt «de artikelen 9 en 11 van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: paragraaf 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000.

2. Onder 5° vervalt.

B

In artikel 6, derde lid, wordt «is voldaan» vervangen door: is of zal worden voldaan.

C

In de artikelen 4, derde en vierde lid, 5, vierde lid, en 6, vijfde lid, wordt «bij algemene maatregel van bestuur» telkens vervangen door: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Artikel 13.7. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

In artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten6 wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.8. Wet educatie en beroepsonderwijs

De WEB7 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7.4.8, eerste lid, onderdeel f, wordt «de eisen van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: de eisen van de Wet studiefinanciering 2000.

B

Artikel 8.1.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «onder de werking van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: onder de werking van de Wet studiefinanciering 2000.

2. In het zevende lid wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.9. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

In artikel 45, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen8 wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.10. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

In artikel 45, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers9 wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.11. Wet inschakeling werkzoekenden

In de artikelen 1, tweede lid, en 4, zevende lid, onderdeel b, van de Wet inschakeling werkzoekenden10 wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» telkens vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.12. Wet op de inkomstenbelasting 1964

De Wet op de inkomstenbelasting 196411 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 45, vijfde lid, ten 1°, wordt «Wet op de Studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

B

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a ten 1° en ten 2°, wordt telkens na «ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» ingevoegd: of ingevolge de Wet studiefinanciering 2000.

2. In het tiende lid wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door «de Wet studiefinanciering 2000», wordt «bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet» vervangen door «bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet» en wordt «toegekende voorwaardelijke rentedragende lening bedoeld in artikel 31c, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering, op grond van artikel 17e van die wet wordt omgezet in een beurs» vervangen door: toegekende prestatiebeurs bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, op grond van de artikelen 5.10 en 5.17 van die wet wordt omgezet in een gift.

Artikel 13.13. Wet op de studiefinanciering

De Wet op de studiefinanciering12 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17fa vervalt «10 studiepunten en hij».

B

In artikel 141, tweede lid, wordt «42 tot en met 48, 50» vervangen door: 41 tot en met 50.

Artikel 13.14. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

De WHW13 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7.4, achtste lid, komt te luiden:

  • 8. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat de student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in de artikelen 5.12, eerste lid, en 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de norm vastgesteld krachtens artikel 5.12, vierde lid, of artikel 10.6, derde lid, van die wet.

B

Artikel 7.9a komt te luiden:

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs
  • 1. Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 2. Het instellingsbestuur deelt aan de Informatie Beheer Groep mee welke van de in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 10.6, tweede of derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, met inachtneming van artikel 10.6 van die wet, niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 3. Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.

C

Artikel 7.9b komt te luiden:

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole eerste jaar prestatiebeurs
  • 1. Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie artikel 5.12 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het eerste of vierde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 2. Het instellingsbestuur deelt aan de Informatie Beheer Groep mee welke van de in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 5.12, eerste of vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

  • 3. Artikel 9a, derde lid, is van toepassing.

D

De artikelen 7.9ba en 7.9bb vervallen.

E

Artikel 7.9c komt te luiden:

Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder de artikelen 5.12 of 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, of 7.9b, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid, of 7.9b, tweede lid.

F

In artikel 7.9d wordt «bedoeld in artikel 17g, eerste lid, dan wel 17h, van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000.

G

Artikel 7.9f vervalt.

H

In artikel 7.33 vervalt het tweede lid. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

I

Artikel 7.43 komt te luiden:

Artikel 7.43. Collegegeld voor voltijdse opleidingen
  • 1. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van f 2 874 door degene die voor de aanvang van het studiejaar de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt, en die

    a. de nationaliteit bezit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of

    b. een niet onder a bedoelde vreemdeling is die studiefinanciering geniet krachtens de Wet studiefinanciering 2000.

  • 2. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een door het instellingsbestuur vast te stellen collegegeld verschuldigd door degene die niet onder het bereik valt van het eerste lid. Het collegegeld bedraagt ten minste f 2 874.

  • 3. Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het tweede lid vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dat lid.

  • 4. Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden. De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. Het overeenkomstig dit lid gewijzigde bedrag treedt in de plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag. Hetgeen onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt verstaan, wordt geregeld bij ministeriële regeling.

J

In de artikelen 7.44, tweede lid, en 7.45, tweede lid, wordt «Artikel 7.43, vierde lid» telkens vervangen door: Artikel 7.43, derde lid.

K

In artikel 7.46, eerste lid wordt «de artikelen 7.43, eerste en derde lid» vervangen door: de artikelen 7.43, eerste en tweede lid.

L

In artikel 7.47 vervallen het derde tot en met vijfde lid. In het tweede lid wordt «de artikelen 7.43, derde lid, onder a» vervangen door: de artikelen 7.43, tweede lid.

M

In de artikelen 7.48, eerste lid, en 7.49, eerste lid, vervalt telkens «of tweede».

N

Artikel 7.51 komt te luiden:

Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeersteun)
  • 1. Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van de student ten aanzien van wie zich ieder van de navolgende feiten voordoet:

    a. de student is aan de desbetreffende instelling ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,

    b. de student geniet of heeft in verband met het volgen van de opleiding, bedoeld onder a, dan wel het volgen van dezelfde opleiding aan een andere instelling, studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 genoten,

    c. in de periode waarin met het oog op het volgen van een opleiding aan een instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 werd genoten, doen zich een of meer, in het tweede lid genoemde, bijzondere omstandigheden voor of hebben deze zich voorgedaan, en

    d. de in onderdeel c bedoelde bijzondere omstandigheden hebben tot studievertraging geleid of zullen dat naar verwachting doen.

  • 2. De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing van het eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:

    a. ziekte of zwangerschap;

    b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;

    c. bijzondere familieomstandigheden;

    d. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

    1°. bij universiteiten: de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of een opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen orgaan;

    2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad, een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk te stellen orgaan;

    e. andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de instelling;

    f. ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid;

    g. een onvoldoende studeerbare opleiding;

    h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 3. Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de beslissing op de aanvraag om toekenning van financiële ondersteuning zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere omstandigheid heeft aangemeld. De financiële ondersteuning wordt de student zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld of op een ander, door de student te bepalen tijdstip.

  • 4. De omvang van de financiële ondersteuning is gelijk aan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.

  • 5. Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, en de onderwijsprogrammering in aanmerking genomen. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerende is. Het instellingsbestuur kan aan toekenning van financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het instellingsbestuur stelt regels betreffende de voorwaarden, bedoeld in de derde volzin.

  • 6. De omvang en de duur van een aan een student aan de desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning op grond van dit artikel zoals dat luidde op 31 augustus 2000 worden geëerbiedigd, indien deze gunstiger voor de student zijn dan bij toepassing van dit artikel. De student die een opleiding aan een andere instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g heeft gevolgd, en op grond van dit artikel een eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning heeft of zou hebben gehad, indien hij daarom zou hebben verzocht, heeft, met inachtneming van de eerste volzin, aanspraak op financiële ondersteuning als ware die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is ingeschreven.

  • 7. Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij algemene maatregel van bestuur worden de voorwaarden vastgesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.

O

Artikel 7.51a komt te luiden:

Artikel 7.51a. Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)
  • 1. Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.

  • 2. Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de opleiding, die uitgaat boven het aantal van 168 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.

  • 3. Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast voor de toepassing van dit artikel.

P

In artikel 7.52, vierde lid, wordt «de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

Q

De onderdelen g van de artikelen 9.33 en 10.20 komen als volgt te luiden:

g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.

R

In artikel 15.2, onder a, wordt «van artikel 7.43, derde en vierde lid» vervangen door: van artikel 7.43, tweede en derde lid.

S

In artikel 16.3 vervalt het eerste lid en het cijfer «2» voor het tweede lid.

T

Na artikel 16.9a wordt een artikel 16.9b ingevoegd, luidende:

Artikel 16.9b. Aanvullende afstudeersteun voor tempobeursstudenten
  • 1. Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van die wet bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.

  • 2. De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 7.51, tweede lid. Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het instellingsbestuur als bijzondere omstandigheid tevens de omstandigheid dat de opleiding zodanig is ingericht dat de student redelijkerwijs niet in staat is geweest het in dat lid bedoelde resultaat te behalen.

U

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van artikel 7.9a komt te luiden:

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs

2. Het opschrift van artikel 7.9b komt te luiden:

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole eerste jaar prestatiebeurs

3. De artikelen 7.9ba en 7.9bb alsmede de opschriften daarvan vervallen.

4. Het opschrift van artikel 7.9c komt te luiden:

Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole

5. Artikel 7.9f alsmede het opschrift daarvan vervalt.

6. Het opschrift van artikel 7.51 komt te luiden:

Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeersteun)

7. Na het opschrift van artikel 16.9a wordt ingevoegd:

Artikel 16.9b. Aanvullende afstudeersteun voor tempobeursstudenten

Artikel 13.15. Wet op het voortgezet onderwijs

Artikel 27a van de Wet op het voortgezet onderwijs14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «onder de werking van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: onder de werking van hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

2. In het zevende lid wordt «de studiefinanciering van betrokkene op grond van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: de tegemoetkoming in de studiekosten van betrokkene op grond van hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

3. Het achtste lid vervalt.

Artikel 13.16. Wet tegemoetkoming studiekosten

De Wet tegemoetkoming studiekosten15 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, onderdeel c, wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

B

In de artikelen 16a, eerste lid, onderdeel b, 19, derde lid, 22, zevende lid, en 23, derde lid, wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» telkens vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

C

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «WSF-schuld» vervangen door: schuld op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

2. In het eerste en het tweede lid wordt «op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» telkens vervangen door «op grond van de Wet studiefinanciering 2000» en wordt «artikel 58» vervangen door: artikel 7.4.

D

In artikel 43 wordt «De artikelen 34a tot en met 50 van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: De artikelen 6.3 tot en met 6.18 van de Wet studiefinanciering 2000.

E

In artikel 44, tweede lid, wordt «de artikelen 7 tot en met 11 van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: hoofdstuk 2 van de Wet studiefinanciering 2000.

F

In het opschrift van hoofdstuk IV wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.17. Wet van 28 maart 1996, Stb. 227

De artikelen V, XI en XIV, vijfde lid, van de Wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat (Stb. 1996, 227) vervallen.

Artikel 13.18. Wet van 2 april 1998, Stb. 216

In artikel VIIa, derde lid, van de wet 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216), wordt «Wet op de studiefinanciering» vervangen door: Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 13.19. Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank

In artikel 3, eerste lid onderdeel a, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank16 wordt voor «de Wet op de studiefinanciering» ingevoegd «de Wet studiefinanciering 2000,» en wordt voor «het Besluit studiefinanciering» ingevoegd: het Besluit studiefinanciering 2000,.

Artikel 13.20. Ziekenfondswet

In artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de Ziekenfondswet17 wordt «hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: de Wet studiefinanciering 2000.

HOOFDSTUK 14. SLOTBEPALINGEN

Artikel 14.1. Intrekking Wet op de studiefinanciering

  • 1. De Wet op de studiefinanciering wordt ingetrokken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft hoofdstuk VII van de Wet op de studiefinanciering met uitzondering van artikel 119b van kracht tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 3. In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 141 tot en met 150 van de Wet op de studiefinanciering van kracht.

Artikel 14.2. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op 1 september 2000, met uitzondering van:

a. artikel 13.6 dat voor wat betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000,

b. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en

c. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 14.3. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet studiefinanciering 2000.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 juni 2000

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Uitgegeven de dertiende juli 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 1999, Stb. 595.

XNoot
2

Stb. 1990, 128, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 januari 2000, Stb. 40.

XNoot
3

Stb. 1970, 370, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
4

Stb. 1893, 140, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
5

Stb. 1987, 343, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 april 1998, Stb. 228.

XNoot
6

Stb. 1999, 25, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 1999, Stb. 595.

XNoot
7

Stb. 1995, 501, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 oktober 1999, Stb. 445.

XNoot
8

Stb. 1995, 206, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 januari 2000, Stb. 40.

XNoot
9

Stb. 1995, 205, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 januari 2000, Stb. 40.

XNoot
10

Stb. 1997, 760, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 742.

XNoot
11

Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 mei 2000, Stb. 227.

XNoot
12

Stb. 1997, 254, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 2000, Stb. 284.

XNoot
13

Stb. 2000, 11, gewijzigd bij de wet van 25 april 2000, Stb. 203.

XNoot
14

Stb. 1998, 512, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 474.

XNoot
15

Stb. 1995, 676, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 2000, Stb. 284.

XNoot
16

Stb. 1993, 714, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
17

Stb. 1992, 391, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 januari 2000, Stb. 42.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 26 873.

Handelingen II 1999/2000, blz. 4084–4107; 4129–4145; 4211–4232; 4454–4458.

Kamerstukken I 1999/2000, 26 873 (209, 209a, 209b, 209c, 209d, 209e).

Handelingen I 1999/2000, zie vergadering d.d. 27 juni 2000 en 4 juli 2000.