1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om
door de burgemeester aangewezen groepen van personen, op een door de burgemeester
aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten,
indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts
uit:
a. jegens personen die een door de raad bij verordening vastgesteld en
daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de
openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in artikel
175, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting
of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere
geschikte wijze kan worden verzekerd.
3. De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie dermate spoedeisend
is dat de burgemeester de beslissing tot ophouding niet tevoren op schrift
kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling
en voor de bekendmaking.
4. De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
5. De burgemeester laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet
overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep in
de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding
te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het vierde lid, na te
leven.
6. De burgemeester draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een verslag
van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de ophouding wordt opgesteld.
7. De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming
van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van twaalf
uren.
8. De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de op
te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
hieromtrent worden gesteld.
9. De burgemeester draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de opgehouden
personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe door hem aangewezen
ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten bewijze dat zij zijn opgehouden.
10. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op
de beschikking tot ophouding.
11. Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een voorlopige
voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, de verzoeker die is opgehouden zo mogelijk nog tijdens zijn
ophouding door de president gehoord;
b. doet de president in afwijking van artikel 8:84, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk na het horen van partijen uitspraak,
en
c. wordt, in afwijking van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, geen griffierecht geheven.
12. Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de president tevens de rechtmatigheid
van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding jegens verzoeker.
13. Indien de president een of meer verzoeken toewijst op de grond dat de
beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig oordeel onrechtmatig is, kan
hij bepalen dat alle personen die op basis van de betrokken beschikking zijn
opgehouden, onverwijld in vrijheid worden gesteld.
14. Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van
een beroep tegen de beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 8:1 van
de Algemene wet bestuursrecht.