Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2000, 161AMvB

Besluit van 27 maart 2000, houdende wijziging van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 1999, kenmerk GZB/C&O/2022018;

Gelet op de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, 2, 3, 6, 9, 10, 12, derde lid, en 24 van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen;

De Raad van State gehoord (advies van 28 januari 2000, nr. W13.99.0611/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 maart 2000, nr GZB/C&O/2047004;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, onderdeel b, komt te luiden:

«b. attractietoestel van een eenvoudig ontwerp: al dan niet roterend attractietoestel waarmee passagiers een snelheid kunnen bereiken van niet meer dan 10 meter per seconde en waarmee passagiers een hoogte kunnen bereiken van niet meer dan 5 meter boven het terrein waarop het attractietoestel staat opgesteld;»

B

Artikel 3, eerste lid, onderdeel d, komt te vervallen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onder B, dat voor voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven als bedoeld in de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen die reeds in gebruik zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, in werking treedt met ingang van de eerste dag van de twaalfde kalendermaand na de datum van uitgifte van voornoemd Staatsblad.

De artikelen 6, 7 derde lid, 8 tweede lid, en 14 eerste lid, van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen zijn niet van toepassing op voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven als bedoeld in de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen die reeds in gebruik zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 27 maart 2000

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de twintigste april 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

De onderhavige wijziging van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen (voortaan: Het Attractiebesluit) heeft met name tot doel om speeltoestellen die in zwemgelegenheden in of om het water staan opgesteld onder de werking te brengen van voornoemd besluit. Voorheen waren deze toestellen, omschreven als voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven, als bedoeld in de Wet Hygiëne en Veiligheid Zweminrichtingen (WHVZ), hiervan uitgezonderd aangezien het voornoemde wettelijke regime de mogelijkheid bood nadere regels te stellen voor deze categorie toestellen. Meer specifiek gaat het om attractieve speeltoestellen die zijn geplaatst aan de rand van of in het water van een zweminrichting. Hoewel het gebruik van deze toestellen, zoals bijvoorbeeld waterglijbanen, uiteindelijk leidt tot het zich te water begeven, is de primaire functie van deze toestellen echter gelegen in het bieden van ontspanning en vermaak.

In overleg met het Ministerie van VROM, verantwoordelijk voor de WHVZ, is besloten om de bedoelde speeltoestellen in zweminrichtingen onder het veiligheidsregime van het Attractiebesluit vanwege onder meer de volgende redenen.

Uit de ongevalsregistraties van het landelijke Letselinformatiesysteem (LIS) blijkt dat er met name bij waterglijbanen jaarlijks een relatief groot aantal ongevallen gebeurt, dat medische behandeling behoeft in een ziekenhuis. Een nadere analyse leert dat deze ongevallen met name zijn te herleiden tot factoren aangaande het ontwerp en het beheer. Dit maakt het geven van veiligheidsvoorschriften voor deze categorie toestellen wenselijk. In overleg met VROM is geconcludeerd dat het Attractiebesluit gebaseerd op de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen (WGW) een optimale regeling van de bedoelde categorie toestellen mogelijk maakt, aangezien zowel de ontwerp- en vervaardigingsfase als de beheersfase geregeld kunnen worden. Het uitgebreide regime van het attractiebesluit houdt onder andere in: een (type)keuring van nieuwe toestellen, mogelijke verwijzing naar technische normen en een zorgplicht voor de beheerder betreffende onder andere installatie, inspecties en onderhoud. Zo is het onder het Attractiebesluit mogelijk om de voor waterglijbanen ontwikkelde Europese normen, de EN 1069–1 en EN 1069–2 van toepassing te verklaren en aan te wijzen in de regeling Nadere regels attractie en speeltoestellen.

Op grond van de WHVZ zou het in principe ook mogelijk zijn om nadere regels te geven voor de veiligheid voor toestellen om zich te water te begeven. De systematiek en de mogelijkheden van de WHVZ zijn op het punt van veiligheid echter minder uitgebreid. De toepassing van het attractiebesluit op de bedoelde toestellen heeft naast de uitgebreidere wetstechnische mogelijkheden tevens als voordeel dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de aanwezige ervaring en expertise bij bijvoorbeeld aangewezen keuringsinstanties en de toezichthoudende instantie (de Inspectie Gezondheidsbescherming Waren en Veterinaire Zaken).

De toestellen in kwestie worden in het kader van het besluit gezien als speeltoestellen. Dientengevolge dienen de exploitanten van zweminrichtingen een logboek bij te houden voor deze toestellen. Tevens zijn zij verplicht te zorgen dat deze toestellen blijven voldoen aan het in het besluit vastgelegde veiligheidsniveau. Bij de introductie van het besluit in september 1996 is door het Economische Instituut voor het Midden- en kleinbedrijf (EMI) onderzoek naar administratieve lasten van het besluit gedaan. Dit onderzoek gaf aan dat de jaarlijkse kosten van het bijhouden van een logboek voor speeltoestellen, zeer gering zijn en in de orde van grootte van enkele guldens per jaar liggen. Alhoewel het bij de hier in het geding zijnde toestellen om toestellen gaat van een van complexere aard, zullen de aan een logboek verbonden kosten niet veel meer zijn dan enkele tientallen guldens op jaarbasis. De kosten gepaard gaand met het op peil houden van de veiligheid van het toestel mogen niet direct aan de werking van het besluit worden toegerekend. Het plegen van een zodanig onderhoud dat het toestel niet onveilig wordt, moet tot de normale taken en verantwoordelijkheden van de exploitant worden gerekend.

Voorzieningen in een zweminrichting waarbij het accent primair ligt op het zich te water begeven of de wijze waarop men dit doet, zoals bijvoorbeeld springplanken, startblokken en zwembadtrapjes zullen door voorliggende wijziging niet onder de werking van het Attractiebesluit komen te vallen. Omdat deze immers niet als speeltoestel in de zin van dit besluit kunnen worden aangemerkt. Het BHVZ geeft voor de veiligheid van deze categorie toestellen voldoende veiligheidsvoorschriften.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt in het Attractiebesluit een kleine technische wijziging aan te brengen in de definitie van een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp, in artikel 1, onderdeel b, van het Attractiebesluit. De strekking van dit artikel is dat een attractietoestel mag worden aangemerkt als zijnde van een eenvoudig ontwerp, al naar gelang de hoogte en snelheid die een passagier met het toestel kan bereiken. Onderhavig wijzigingsbesluit maakt duidelijk dat alleen sprake is van een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp, indien beide genoemde criteria, snelheid en hoogte, binnen de daarvoor geldende grenzen blijven.

Het Verdrag van de Europese gemeenschap (EG) verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking. Artikel 30 van dit verdrag stelt evenwel dat dit verbod geen beletsel mag vormen voor verboden of beperkingen van invoer welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen. De dienaangaande tot stand gekomen jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen toont dat bij een beroep op artikel 30 de betrokken maatregel noodzakelijk en proportioneel dient te zijn. De noodzaak van het onderhavige besluit ligt in het streven van de Nederlandse regering om de gezondheid en het leven van personen te beschermen, door het aantal ongevallen met de hier bedoelde toestellen substantieel terug te dringen.

De veiligheid van de hier bedoelde toestellen kan slechts effectief worden gewaarborgd indien regels worden gesteld voor de gehele levenscyclus van het toestel (ontwerpfase, vervaardigingsfase en gebruiksfase); maatregelen met minder verstrekkende gevolgen schieten tekort.

Het besluit komt als volgt tegemoet aan het leerstuk inzake het vrije verkeer van goederen, welke in een EU-lidstaat, of in een staat welke partij is bij de EER-overeenkomst, rechtsgeldig in het verkeer zijn gebracht. Buitenlandse keurmerken en keuringscertificaten kunnen op grond van artikel 4, zesde lid, van de WGW worden gelijkgesteld met een Nederlandse keuring, indien zij een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden. In voorkomende gevallen hoeft het desbetreffende toestel niet opnieuw te worden gekeurd door een aangewezen keuringsinstantie. Aan de erkenning van een buitenlands certificaat of keurmerk gaat uiteraard een toetsing vooraf aan het in het besluit vastgelegde veiligheidsniveau. In het geval voor een buitenlands toestel een keurmerk of keuringscertificaat is afgegeven dat is gelijkgesteld met een Nederlandse keuring, voldoet het toestel daarmee aan de technische veiligheidseisen van het besluit en heeft het toestel vrij toegang tot Nederland. Een buitenlandse exploitant mag, gedurende de geldigheidsduur van het gelijkgestelde certificaat of merk, dan ook vrijelijk diensten met dit toestel aanbieden in Nederland.

De eis van een keurmerk of hiermee gelijkgesteld merk wordt niet proportioneel geacht voor toestellen, die slechts bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland. Derhalve zondert artikel 3, tweede lid, van het attractieveiligheidsbesluit, toestellen die bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland, uit van het merendeel van de materiële bepalingen van dit besluit, mits zij voldoen aan technische veiligheidseisen die aantoonbaar gelijkwaardig zijn aan de eisen van dit besluit. Voornoemde bepaling is uitsluitend van toepassing bij tijdelijk gebruik van buitenlandse toestellen in Nederland. In geval dit gebruik een meer permanent karakter krijgt, zijn de materiële bepalingen van het besluit uiteraard onverkort van toepassing, omdat de werking van artikel 3, tweede lid, anders zou resulteren in een concurrentieachterstand voor de Nederlandse toestellen.

Het besluit voorziet in een overgangsregiem voor die toestellen welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds in gebruik zijn. De bepalingen van het attractiebesluit gaan pas twaalf maanden na inwerkingtreding van voorliggend besluit gelden voor deze reeds in gebruik zijnde toestellen.

Het besluit is in het kader van richtlijn 98/34/EG genotificeerd aan de Europese Commissie.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XNoot
1

Stb. 1996, 474, gewijzigd bij besluit van 16 november 1998, Stb. 646.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 mei 2000, nr. 89.