Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2000, 158AMvB

Besluit van 24 maart 2000, houdende wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in verband met de invoering van leerwegen in het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs (eindexamens leerwegen mavo en vbo)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund van 21 oktober 1999, nr. 1999/41022 (3723), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 10, negende lid, en 29, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 7.4.11, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 1 september 1999, nr. OR 990430/436);

De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1999, nr. W05.990528/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund, van 20 maart 2000, nr. 2000/7646 (3723), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING EINDEXAMENBESLUIT V.W.O.-H.A.V.O.-M.A.V.O.-V.B.O.

Het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De letteraanduiding van de begrippen vervalt.

2. Na de begripsbepaling van «v.b.o.» wordt ingevoegd: v.m.b.o.: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 21 van de wet;.

3. De begripsbepaling van «vakken» wordt vervangen door: vakken: vakken, deelvakken, intrasectorale programma's en andere programma-onderdelen;.

4. Na de begripsbepaling van «vakken» worden ingevoegd:

de vakken behorende tot de beeldende vorming: tekenen, handvaardigheid (handenarbeid), handvaardigheid (textiele werkvormen), fotografie, film, audio-visuele vorming;

kunstvakken: de vakken behorende tot de beeldende vorming, alsmede muziek, dans en drama;

algemene vakken: vakken niet zijnde afdelingsvakken genoemd in artikel 26h, respectievelijk bedoeld in artikel 26i, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., en niet zijnde intrasectorale programma's, genoemd in artikel 26j van dat besluit; sector: een in artikel 10, derde lid, artikel 10b, derde lid, of artikel 10d, derde lid, van de wet bedoelde sector;.

5. Na de begripsbepaling van «profielwerkstuk» wordt ingevoegd: sectorwerkstuk: het in artikel 4 bedoelde sectorwerkstuk;.

6. Na de begripsbepaling van «eindexamen» wordt ingevoegd: eindexamen v.m.b.o.: een eindexamen dat leidt tot een diploma v.m.b.o. voor zover het betreft de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de wet, de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet, de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet of de gemengde leerweg, genoemd in artikel 10d van de wet;.

B

In artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «, met dien verstande dat indien het een school voor v.b.o. betreft, het bevoegd gezag de leerlingen in de gelegenheid kan stellen ter afsluiting van de opleiding een eindexamen af te leggen».

2. In het vierde lid vervalt «of een school voor v.b.o.».

C

In artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: en sectorwerkstuk.

2. Toegevoegd wordt een vierde lid, luidende:

  • 4. Het schoolexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de wet, en de gemengde leerweg, genoemd in artikel 10d van de wet, omvat mede een sectorwerkstuk. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Het sectorwerkstuk heeft betrekking op een thema uit de sector waarin de leerling het onderwijs volgt.

D

In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de aanhef van het eerste lid vervallen de woorden «en andere programma-onderdelen».

2. Het derde tot en met vijfde lid worden vervangen door een nieuw derde lid, luidend:

  • 3. De examenprogramma's voor zover het betreft leerwegen in het v.m.b.o. kunnen voorzien in differentiaties waaruit de leerling een keuze maakt.

E

In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift wordt vervangen door:

Artikel 8.

Begrenzing mogelijkheden vakkenkeuze kandidaten

2. Aan het eerste lid wordt vóór de slotpunt ingevoegd: en in voorkomend geval nadat toepassing is gegeven aan artikel 27 van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

3. Het tweede tot en met vijfde lid worden onder vernummering van het zesde lid tot vierde lid vervangen door een nieuw tweede en derde lid, luidend:

  • 2. De kandidaten kunnen voor zover het bevoegd gezag hun dat toestaat, in meer vakken of niet-verplichte delen van de examenstof examen afleggen dan in de vakken en examenstof die ten minste tezamen een eindexamen vormen.

  • 3. Het bevoegd gezag beslist, welke in artikel 7, derde lid, bedoelde differentiaties worden aangeboden.

4. In het nieuwe vierde lid wordt «Het eerste tot en met vierde lid zijn» vervangen door: Het eerste lid is.

F

In artikel 9 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: v.a.v.o.

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «van scholen voor v.b.o. en».

G

Artikel 10 vervalt.

H

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22. Eindexamen v.m.b.o. theoretische leerweg

  • 1. Het eindexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de wet, omvat:

    a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de wet, omvat,

    b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 10, zesde lid, van de wet omvat, en

    c. in het vrije deel twee nog niet in het sectordeel gekozen vakken, bedoeld onderscheidenlijk genoemd in artikel 10, zevende lid, onderdelen a en b, en onderdeel c voor zover het betreft de Friese taal, van de wet, met dien verstande dat het sectordeel en het vrije deel tezamen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne taal zijn.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat in de sector economie ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 26n, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O., bij het eindexamen vrijgesteld van het vak Franse taal of het vak Duitse taal, genoemd in artikel 10, zesde lid, onderdeel c, van de wet, overeenkomstig genoemd artikel 26n, tweede lid. In plaats van elk vak waarvoor vrijstelling is verleend, doet de kandidaat eindexamen in het vak Arabisch, het vak Turks, het vak Spaans of het vak maatschappijleer II.

  • 3. Indien de kandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt één kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en één kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vrijgesteld van de vakken lichamelijke opvoeding en de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama van het gemeenschappelijk deel.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, op zijn verzoek bij het eindexamen worden vrijgesteld van de vakken Franse taal of Duitse taal van het sectordeel of van beide. Artikel 11, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

I

Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23. Eindexamen v.m.b.o. basisberoepsgerichte leerweg

  • 1. Het eindexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet, omvat:

    a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge in artikel 10b, vijfde lid, van de wet, omvat,

    b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 10b, zesde lid, van de wet, omvat, en

    c. in het vrije deel een tot de sector behorend afdelingsvak of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 2. Artikel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

J

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24. Eindexamen v.m.b.o. kaderberoepsgerichte leerweg

  • 1. Het eindexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet, omvat:

    a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge in artikel 10b, vijfde lid, van de wet, omvat,

    b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 10b, zesde lid, van de wet, omvat, en

    c. in het vrije deel een tot de sector behorend afdelingsvak of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 2. Artikel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

K

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25. Eindexamen v.m.b.o. gemengde leerweg

  • 1. Het eindexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de gemengde leerweg, genoemd in artikel 10d van de wet, omvat:

    a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge artikel 10d, vijfde lid, van de wet, omvat,

    b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 10d, zesde lid, van de wet, omvat,

    c. in het vrije deel een nog niet in het sectordeel gekozen algemeen vak, bedoeld onderscheidenlijk genoemd in artikel 10d, zevende lid, onderdelen a en c, en onderdeel d voor zover het betreft de Friese taal, van de wet, en

    d. een tot de sector behorend afdelingsvak of een tot de sector behorend intrasectoraal programma, genoemd in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

  • 2. Artikel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

L

De artikelen 25a tot en met 29b vervallen.

M

In artikel 32 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste en tweede lid worden vervangen door:

  • 1. Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt. Het schoolexamen wordt afgesloten voor de aanvang van het eerste tijdvak, bedoeld in artikel 37. Het bevoegd gezag kan in afwijking van de tweede volzin een kandidaat die ten gevolge van ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen niet heeft kunnen afsluiten voor de aanvang van het eerste tijdvak, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in dat vak af te sluiten vóór het centraal examen in dat vak, doch na de aanvang van het eerste tijdvak. In afwijking van de tweede volzin geldt voor het v.m.b.o. dat het schoolexamen voor de vakken waarin geen centraal examen wordt afgelegd en, voor zover van toepassing, het sectorwerkstuk uiterlijk moeten zijn afgesloten op een datum gelegen na de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen, doch uiterlijk een week voordat de uitslag wordt vastgesteld. Het bevoegd gezag dat afwijkt van de tweede volzin, zendt de met het schoolexamen en het sectorwerkstuk behaalde resultaten zo spoedig mogelijk aan de inspectie.

    1. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

N

In artikel 33 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «cijfers schoolexamen»vervangen door: beoordeling schoolexamen.

2. De aanduiding «1.» voor het eerste lid, en het tweede lid, vervallen.

3. In de aanhef vervalt «v.w.o., h.a.v.o. of m.a.v.o.».

4. In onderdeel c wordt vóór de slotpunt ingevoegd: of het sectorwerkstuk.

O

Artikel 34 vervalt.

P

In artikel 35 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «Cijfer» vervangen door: Beoordeling.

2. Aan het derde lid wordt toegevoegd: De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de kunstvakken en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elke leerweg.

3. Aan het vierde lid wordt toegevoegd: De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op het sectorwerkstuk. Het sectorwerkstuk wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren die de kandidaat hebben begeleid bij de totstandkoming van het sectorwerkstuk.

Q

Na artikel 35b wordt ingevoegd:

Artikel 35b1. Herexamen schoolexamen v.m.b.o.

  • 1. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de kandidaat die eindexamen of deeleindexamen aflegt, voor één of meer vakken het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen, met dien verstande dat het bevoegd gezag dit recht in elk geval verleent voor het vak maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen, indien de kandidaat voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het in het eerste lid bedoelde herexamen wordt bepaald. Het hoogste van de cijfers behaald bij het herexamen in een vak en bij het eerder afgelegde schoolexamen in dat vak geldt als het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.

R

In artikel 35c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «v.w.o. en h.a.v.o.».

2. In de tekst vervalt de zinsnede «voor het v.w.o. en het h.a.v.o.».

3. Toegevoegd wordt: Het examendossier voor het v.m.b.o. omvat tevens de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 26g, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. of artikel 26i, tweede lid, van dat besluit, voor zover in die vakken geen eindexamen is afgelegd.

S

Artikel 36, eerste lid, eerste volzin, wordt vervangen door:

De Informatie Beheer Groep, dan wel voor zover het landbouwonderwijs betreft Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, wijst voor elke school en voor elke instelling voor educatie en beroepsonderwijs, ten behoeve van het centraal examen een of meer gecommitteerden aan.

T

Artikel 38, vierde lid, wordt vervangen door:

  • 4. Indien een examenprogramma differentiaties kent als bedoeld in artikel 7, derde lid, kan een kandidaat per tijdvak in niet meer differentiaties centraal examen afleggen dan volgens het desbetreffende programma is vereist.

U

Artikel 39, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. De commissie, bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat een toets wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.

V

In artikel 40 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het tweede lid wordt toegevoegd: De commissie, bedoeld in artikel 39, kan opgaven aanwijzen waarop de eerste volzin niet van toepassing is.

2. In het derde lid wordt voor de slotpunt ingevoegd: , uitgezonderd mededeling van door de commissie, bedoeld in artikel 39, vastgestelde errata.

W

Na artikel 41 wordt ingevoegd:

Artikel 41a. Beoordeling praktisch gedeelte centraal examen v.m.b.o.

  • 1. De directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het praktisch gedeelte van het centraal examen van een eindexamen v.m.b.o., de examinator in het desbetreffende vak of programma aanwezig is. De examinator beoordeelt de prestaties tijdens het maken van de praktijkopgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de kandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door de in artikel 39 bedoelde commissie gegeven richtlijnen. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de in artikel 39, eerste lid, onderdeel e, bedoelde beoordelingsnormen toe. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel f. De examinator zendt de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk aan de directeur.

  • 2. De gecommitteerde beoordeelt het resultaat van de praktijkopgaven, alsmede de verrichtingen van de kandidaat zoals blijkend uit de in het eerste lid bedoelde schriftelijke vastlegging daarvan. De directeur overhandigt de gecommitteerde daartoe een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal, alsmede de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid. Artikel 41, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

X

Artikel 47, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. De directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Voor de in artikel 10b van de wet genoemde basisberoepsgerichte leerweg geldt in afwijking van de eerste volzin dat voor de bepaling van het eindcijfer het cijfer voor het schoolexamen tweemaal wordt meegerekend, en het cijfer voor het centraal examen éénmaal. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste of tweede volzin, niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

Y

Artikel 48, derde en vierde lid, vervalt.

Z

1. Artikel 49, eerste lid, wordt vervangen door:

  • 1. De kandidaat die eindexamen v.m.b.o. heeft afgelegd, is geslaagd indien hij:

    a. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger, of

    b. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer 4 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger waarvan ten minste één 7 of hoger, of

    c. voor twee van zijn examenvakken, waarvan ten hoogste één behorend tot het sectordeel, het eindcijfer 5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger waarvan ten minste één 7 of hoger, met dien verstande dat het eindcijfer van het afdelingsvak of intrasectorale programma in de basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg wordt meegerekend als twee eindcijfers.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met het zesde lid tot respectievelijk derde tot en met zevende lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend:

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt tevens dat voor de vakken lichamelijke opvoeding en het kunstvak uit het gemeenschappelijk deel en in de gemengde en de theoretische leerweg voor het sectorwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» is behaald.

3. In het vierde lid wordt «tweede» vervangen door: derde.

4. In het zesde lid wordt «derde» vervangen door «vierde» en wordt «vierde» vervangen door: vijfde.

5. In het zevende lid wordt «vijfde» vervangen door: zesde.

AA

In artikel 51 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het derde lid vervalt het gedeelte na de eerste volzin.

2. Aan het vijfde lid wordt toegevoegd: De kandidaat die in een examenjaar zowel eindexamen als een of meer deeleindexamens aflegt, oefent het in het eerste lid bedoelde recht per examenjaar ten hoogste eenmaal uit.

BB

In artikel 52 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «volgens welk programma» vervangen door «volgens welke differentiatie als bedoeld in artikel 7, derde lid,» en wordt na «het profielwerkstuk» telkens ingevoegd: of het sectorwerkstuk.

2. Aan het eerste lid wordt toegevoegd een nieuwe volzin, luidende: Bij scholen voor m.a.v.o. en v.b.o. worden tevens vermeld de beoordeling van het kunstvak en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van de leerweg.

3. In het derde lid wordt na de eerste volzin ingevoegd: Op het diploma v.m.b.o. is de leerweg vermeld die bij de uitslag is betrokken.

4. Toegevoegd wordt een negende lid, luidend:

  • 9. De directeur reikt aan de kandidaat van een school voor m.a.v.o. of een scholengemeenschap die in elk geval een school voor m.a.v.o. omvat, die met goed gevolg het examen v.m.b.o. in de gemengde leerweg heeft afgelegd en bovendien examen heeft afgelegd in een algemeen vak en met het meetellen van dat vak voldoet aan artikel 49 voor zover het betreft de theoretische leerweg, op diens verzoek het diploma v.m.b.o. in de theoretische leerweg uit.

CC

Artikel 54 vervalt.

DD

De inhoudsopgave wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan de aanduiding van artikel 4 wordt toegevoegd: en sectorwerkstuk.

2. De aanduiding van artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8. Begrenzing mogelijkheden vakkenkeuze kandidaten.

3. Aan de aanduiding van artikel 9 wordt toegevoegd: v.a.v.o.

4. De aanduiding van artikel 10 vervalt.

5. De aanduidingen van de artikelen 22, 23, 24 en 25 komen te luiden:

Artikel 22. Eindexamen v.m.b.o. theoretische leerweg

Artikel 23. Eindexamen v.m.b.o. basisberoepsgerichte leerweg

Artikel 24. Eindexamen v.m.b.o. kaderberoepsgerichte leerweg

Artikel 25. Eindexamen v.m.b.o. gemengde leerweg.

6. De aanduidingen van de artikelen 25a tot en met 29b en 34 vervallen.

7. In de aanduiding van artikel 35 wordt «Cijfer» vervangen door: Beoordeling.

8. Na de aanduiding van artikel 35b wordt de volgende aanduiding ingevoegd:

Artikel 35b1. Herexamen schoolexamen v.m.b.o.

9. In de aanduiding van artikel 35c vervalt de zinsnede «v.w.o. en h.a.v.o.».

10. Na de aanduiding van artikel 41 wordt de volgende aanduiding ingevoegd:

Artikel 41a. Beoordeling praktisch gedeelte centraal examen.

11. De aanduiding van artikel 54 vervalt.

ARTIKEL II. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT W.V.O.

In artikel 26n, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.2 wordt «maatschappijleer» vervangen door: maatschappijleer II.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt, onverminderd het tweede lid, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het koninklijk besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld.

  • 2. Het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. zoals gewijzigd door artikel I van dit besluit, vindt toepassing met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 maart 2000

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de achttiende april 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337) (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) bepaalt onder meer dat het onderwijs in het derde en vierde leerjaar van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) wordt ingericht volgens leerwegen. Het onderwijs in de leerwegen aan de scholen voor mavo en voor vbo wordt vanwege zijn specifieke gerichtheid aangeduid als voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). De schoolsoorten mavo en vbo zijn blijven bestaan.

De invoering van het vmbo met zijn leerwegen dwingt tot wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. (hierna: het Eindexamenbesluit).

De uitgangspunten, de structuur en de inhoud van het vmbo zijn op hoofdlijnen neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337) (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs). De onderwijskundige uitwerking voor de inrichting is inmiddels neergelegd in het Inrichtingsbesluit W.V.O., door het Besluit van 19 mei 1999, Stb. 230, houdende wijziging van het Inrichtingsbesluit W.V.O. in verband met de invoering van leerwegen in het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede ten aanzien van het praktijkonderwijs; technische aanpassing enkele andere besluiten (invoering leerwegen mavo en vbo, en praktijkonderwijs).

Het nieuwe vmbo is het resultaat van een intensief beleidsproces, waarbij op basis van het advies van de zogenoemde commissie Van Veen II, «Recht doen aan verscheidenheid», intensief met vele en velerlei organisaties, instellingen en direct betrokkenen is overlegd over de vernieuwing van het mavo, het vbo en het voortgezet speciaal onderwijs (vso).

De wijzigingen van het Eindexamenbesluit houden ten dele direct verband met de invoering van de leerwegen en de sectoren. Dat geldt in het bijzonder voor de keuze van de eindexamenvakken. Daarnaast is ook sprake van wijzigingen die een meer indirecte samenhang vertonen met de invoering van de leerwegen. Het gaat dan om de veranderingen in verband met de ontwikkeling van één examensysteem voor het vmbo, dat zoals gezegd het mavo en het vbo omvat, en het versterken van de samenhang tussen het systeem van mavo en vbo enerzijds en dat van vwo en havo anderzijds.

Op 31 juli 1996 is de adviescommissie examinering vbo/mavo, de commissie Van den Heuvel, ingesteld. De commissie had tot taak een advies uit te brengen over een systeem van examinering dat past bij de uitgangspunten en doelstellingen van de herziening van mavo en vbo zoals weergegeven in de beleidsreactie op het hierboven al genoemde advies «Recht doen aan verscheidenheid», de Ontwikkelstandaard (VO/BOB-95023068) en de bijstelling daarvan (VO/BOB-96010604).

Op 22 april 1997 presenteerde de commissie Van den Heuvel haar eindrapport «Op weg naar een geharmoniseerde en flexibele examenstructuur voor vbo en mavo». Een eerste reactie daarop is op 22 september 1997 in het onderwijsoverleg PO/VO besproken. Het advies van de commissie Van den Heuvel is op 18 december 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gestuurd als bijlage bij de brief van de voorganger van de eerste ondergetekende ter voorbereiding van het algemeen overleg van 15 januari 1998 over het advies van de Onderwijsraad over de concept-examenprogramma's mavo-vbo (kamerstukken II 1997/98, 25 410, nr. 34). In de brief is ook een korte reactie op het advies gegeven.

Het advies van de commissie is op twee doelen gericht: flexibilisering en harmonisatie. De reactie verleent prioriteit aan harmonisatie boven flexibilisering en sluit daarmee aan bij eerdere beslissingen aangaande het havo en vwo, waarin flexibilisering eveneens op termijn is gesteld. De inspanningen worden in eerste instantie gericht op het verkrijgen van één examensystematiek voor mavo en vbo. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij het systeem voor havo en vwo.

Deze uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in de notitie Examinering in het vmbo van 17 november 1998, die de Kamer bij brief van 19 november 1998 is overgelegd (kamerstukken II 1998/99, 24 578, nr. 13) en die werd geagendeerd voor in het Algemeen Overleg van 3 februari 1999 (kamerstukken II 1998/99, 24 578, nr. 16). De notitie gaf de Vaste Commissie geen aanleiding tot opmerkingen over de voorstellen over de examinering.

De formele vertaling van die notitie is neergelegd in de nu voorliggende wijzigingen van het Eindexamenbesluit. De aangebrachte wijzigingen komen in het hiernavolgende aan de orde. Deze wijzigingen worden bij voorrang aangebracht. Zij worden nog gevolgd door een afzonderlijk wijzigingsbesluit waarmee ook het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978 in overeenstemming wordt gebracht met de nieuwe vmbo-examens.

Het voorliggende besluit voorziet in het verlengde van laatstgenoemde notitie in één examensystematiek voor mavo en vbo (voorheen verschilden de regels voor mavo en vbo aanzienlijk).

Het eindexamen bestaat voor ieder vak uit een schoolexamen, dan wel uit een combinatie van een schoolexamen en een centraal examen. Het schoolexamen krijgt, net als in het havo en vwo, de vorm van een examendossier.

Alle vakken (daaronder ook begrepen intrasectorale programma's) worden opgenomen in de examinering: alle vakken kennen in ieder geval een schoolexamen. Het nieuwe daarvan is dat ook de vakken maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en het kunstvak uit het gemeenschappelijk deel worden betrokken in de examinering. Ze behoren immers tot het voor iedere leerling verplichte deel van het onderwijsprogramma van het vmbo. Opname in het examendossier is het logische gevolg daarvan en sluit aan bij de ontwikkelingen in het havo en het vwo.

Het examendossier kan vanaf het derde leerjaar worden opgebouwd. Dat maakt het mogelijk vakken of delen van vakken al in het derde leerjaar af te sluiten. Met name zal dat het geval kunnen zijn voor de niet centraal te examineren vakken van het gemeenschappelijk deel en voor delen van meer gemoduleerd opgebouwde vakken. In de gemengde en de theoretische leerweg worden ook de resultaten van de extra vakken van het derde leerjaar waarin geen eindexamen wordt afgelegd, opgenomen in het examendossier. Daardoor geeft het examendossier een vollediger beeld van de breedte van het vakkenpakket van de leerling en het niveau dat de leerling per vak heeft bereikt.

In het hele vbo worden centrale examens ingevoerd, zowel voor de algemene vakken als voor de afdelingsvakken en intrasectorale programma's. Het centrale examen van de afdelingsvakken en de intrasectorale programma's zal in de beroepsgerichte leerwegen ook een praktisch deel kennen.

Er komt één periode voor de centrale examens aan het eind van het vierde leerjaar. Wel is het om organisatorische redenen nodig die periode voor het praktisch deel van de centrale examens van de afdelingsvakken of intrasectorale programma's te verlengen (examens kunnen meer dan een dagdeel duren; beperkte beschikbaarheid van inventaris, waardoor niet iedereen tegelijk examen kan doen).

De verdeling van de leerstof over het centraal examen en het schoolexamen of de manier waarop deze tot stand komt, wordt in de examenprogramma's uitgewerkt. De richtlijn daarbij is dat een derde deel in het centraal examen en twee derde deel in het schoolexamen wordt afgesloten en dat er zo weinig mogelijk overlap is tussen het schoolexamen en het centraal examen. Waar dit op grond van de specifieke kenmerken van het vak niet mogelijk of niet gewenst is, is een andere verdeling mogelijk.

Vaardigheden die zich niet goed lenen voor centrale examinering, worden opgenomen in het schoolexamen. Daaronder valt in ieder geval het sectorwerkstuk, dat voor leerlingen in de theoretische en de gemengde leerweg verplicht is.

Advies Onderwijsraad en overige ontvangen commentaren

Het ontwerp-besluit is voor advies voorgelegd aan de Onderwijsraad (OR). De Raad heeft geadviseerd bij brief van 1 september 1999 (kenmerk 990430/436).

Van de gelegenheid tot het geven van commentaar is gebruikgemaakt door de AOC-raad, de Platforms vmbo: Verzorging, Elektrotechniek en Voertuigentechniek, de Vereniging van Leraren in Levende Talen (VLLT), de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM), het Koninklijk Nederlands Aardrijkskunde Genootschap (KNAG), de Vereniging van leraren in de economisch/maatschappelijke vakken (VECON), het Kenniscentrum voor Uiterlijke Verzorging (KOC), de Innovamgroep, Stichting Vakopleiding Carosseriebedrijf (VOC), de IVO-vereniging, VNO-NCW, de Stichting OVDB Landelijk Orgaan van het Beroepsonderwijs Gezondheidszorg, Dienstverlening, Welzijn en Sport (OVDB), de Stichting Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs Electrotechniek (VEV), de Bve-Raad, de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven centrale examens VBO-MAVO-HAVO-VWO (CEVO), de VOS/ABB, de Vereniging Leraren Beeldende Vakken (VLBV), de Vereniging voor het management in het Voortgezet Onderwijs (VVO) en de Vereniging «Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag» (VBS).

De OR gaat in zijn advies in op de onderwerpen waar met name advies over is gevraagd, en kan zich in grote lijnen verenigen met de uitwerking in het Eindexamenbesluit. Daarnaast heeft hij zijn advies geplaatst in een breder kader. De OR acht dit te meer van belang aangezien het ontwerp-besluit te beschouwen is als een voorlopig sluitstuk van de wet- en regelgeving met betrekking tot het vmbo, zodat enkele zaken zoals de verhouding tussen de formele en gedelegeerde wetgeving en de totale zwaarte van de onderwijsprogramma's, meer in samenhang kunnen worden beoordeeld.

Ondergetekenden reageren in het hierna volgende op de door de OR naar voren gebrachte aspecten. Voor zover de commentaren van andere organisaties eveneens betrekking hebben op deze aspecten, worden zij daarbij betrokken. Voorts is een paragraaf opgenomen voor een reactie op de overige punten van commentaar. Waar dit doelmatig is, is in de artikelsgewijze toelichting ingegaan op commentaren.

Correctie- en beoordelingsvoorschriften

De OR onderschrijft in het algemeen de voorschriften op het gebied van correctie en beoordelingen. Meer toelichting acht hij gewenst ten aanzien van hetgeen gebeurt bij het beoordelen van de praktijkopgaven bij het centraal examen en op de positie van de gecommitteerden. Ook het KNAG en de OVDB willen verduidelijkingen op dit gebied. De CEVO merkt juist op dat het te vroeg en nog niet nodig is om de procedure voor de praktische onderdelen van het centraal examen en detail te regelen: beter is het, te wachten op de ervaringen met de eerste proefexamens in 2001.

Ondergetekenden zijn tegemoet gekomen aan de behoefte aan verduidelijking door de toelichting bij artikel 41a aan te vullen.

Uitslagregeling

De Raad heeft moeite met de positie die het vak maatschappijleer heeft gekregen in het kader van de uitslagregeling en het herexamen van het schoolexamen. Ook de NVLM en de OVDB geven aan hiermee moeite te hebben.

De Raad adviseert dit vak te laten beoordelen in termen van voldoende of goed.

Ook de AOC-raad geeft aan hier voorstander van te zijn.

Ondergetekenden zijn van mening dat de aard van het vak maatschappijleer zich niet verzet tegen een beoordeling in de vorm van cijfers. Zij geven daar de voorkeur aan. Wel komen ondergetekenden tegemoet aan de bezwaren tegen de uitzonderingspositie van het vak in de uitslagregeling: de regeling in artikel 49 is zo aangepast dat geen sprake meer is van een uitzonderingspositie.

De Raad plaatst een kanttekening bij het feit dat formeel een kunstvak voor het derde leerjaar voor de beroepsgerichte leerwegen is vastgelegd. De Raad merkt op in principe positief te staan ten aanzien van de verplichte invoering van een kunstvak met een ckv-achtig karakter in het derde leerjaar. Hij voorziet echter overgangsproblemen zolang een dergelijk vak nog niet geregeld is en vraagt zich af hoe scholen hiermee om moeten gaan.

Ondergetekenden zijn zich ervan bewust dat invulling van het vak nog verdere ontwikkel- en implementatietijd vraagt. Voor de kunstvakken van het gemeenschappelijk deel wordt een examenprogramma ontwikkeld met daarin een gemeenschappelijke ckv-exameneenheid of -eenheden. Zodra dit programma gereed is, zal het volgens de gebruikelijke procedure worden vastgesteld. Verplichtstelling van het geïntegreerde ckv-onderdeel vereist echter een zorgvuldig invoeringsproces waarin de noodzakelijke randvoorwaarden (leermiddelen, nascholing, organisatiemogelijkheden in scholen, opvangcapaciteit van culturele instellingen, e.d.) worden vervuld. Het moment van verplichte invoering in leerjaar drie zal tijdig worden bekend gemaakt. Tot zolang hebben scholen bij de invulling van het programma de keuze tussen verdieping van de kerndoelen basisvorming of de geïntegreerde (concept-) exameneenheden, zoals die momenteel in een netwerk van scholen worden beproefd.

De Raad meent dat de formulering van de bepaling van de uitslag, als verwoord in artikel 49, eerste lid, aanleiding kan geven tot misverstanden. Hij stelt voor een formulering te gebruiken analoog aan die voor vwo en havo.

De ondergetekenden hebben naar aanleiding daarvan de elementen van de uitslagregeling nu meer geordend volgens de systematiek voor vwo en havo.

Schoolexamen: examendossier en sectorwerkstuk

De Raad staat positief tegenover het hanteren van een examendossier, ook voor de leerlingen in het vbo. Meer verduidelijking, om redenen van rechtszekerheid, is volgens de Raad nodig op het punt van het sectorwerkstuk. Hoewel hij van oordeel is dat veel ruimte aan de scholen moet worden gelaten bij de vormgeving van het sectorwerkstuk, vindt hij de uitwerking hiervan in het besluit te minimaal. Ook ten aanzien van de beoordeling is er volgens de Raad onvoldoende duidelijkheid. VECON, KNAG en de OVDB vragen eveneens om verduidelijking. De VVO acht een modelregeling voor het programma van toetsing en afsluiting en het examendossier gewenst.

Ondergetekenden hebben ter verduidelijking de toelichting bij artikel 4 uitgebreid, de bepaling van artikel 35, vierde lid, aangescherpt en de toelichting bij artikel 35 aangepast. Zij zijn echter van mening dat over invulling en beoordeling van het sectorwerkstuk niet te veel geregeld moet worden. Ten behoeve van de scholen wordt in een zogeheten sleutelnetwerk van scholen een handleiding ontwikkeld voor het werken met het sectorwerkstuk in het onderwijsprogramma. Een ander sleutelnetwerk richt zich op het examendossier. Dit netwerk zal een handleiding opleveren met voorbeeldmodellen voor het examendossier en het programma van toetsing en afsluiting. De suggestie van VNO/NCW om de leerlingen in het sectorwerkstuk vooral een vertaalslag van theorie naar praktijk te laten maken en daarbij de bedrijfstakorganisaties en lokale ondernemingen in te schakelen, hebben ondergetekenden graag aan dit sleutelnetwerk doorgegeven.

Ondergetekenden hebben op advies van de Raad het opschrift van artikel 35 veranderd.

Centraal examen

De Raad begrijpt de gedachtegang die ligt achter het voor tweederde meetellen van het schoolexamen in het eindcijfer voor de basisberoepsgerichte leerweg, terwijl bij de overige leerwegen het schoolexamen en het centraal examen elk de helft van het eindcijfer bepalen. Hij meent echter dat de basisberoepsgerichte leerweg op deze manier te zeer in een uitzonderingspositie wordt geplaatst en adviseert voor alle leerwegen dezelfde berekening van eindcijfer te hanteren.

Het KNAG vindt dat het schoolexamen veel invloed krijgt als het tweemaal wordt geteld. De VOS/ABB stemt in met tweemaal meerekenen van het schoolexamen, aangezien dit de scholen meer ruimte geeft voor een meer individuele benadering van een groep leerlingen met een zeer uiteenlopende leerstijl. De AOC-Raad vraagt om versoepeling van de uitslagregeling voor de basisberoepsgerichte leerweg.

Ondergetekenden houden voorlopig vast aan de verhouding 1:2 voor het centraal examen en het schoolexamen in de basisberoepsgerichte leerweg. Dit vooral vanwege de steun uit het onderwijsveld en de breed gedeelde zorg om de zwaarte van de basisberoepsgerichte leerweg. Nadat drie jaar ervaring met deze werkwijze is opgedaan, zal in 2005 de 1:1- verhouding opnieuw in overweging worden genomen.

De Raad voorziet moeilijkheden van onderwijsinhoudelijke en methodologische aard ten aanzien van de ontwikkeling van centrale examens voor de basisberoepsgerichte leerweg en dringt aan op een gedegen ontwikkeling van proefexamens.

Ondergetekenden onderkennen dat een gedegen ontwikkeling van centrale examen voor de basisberoepsgerichte, maar ook voor de kaderberoepsgerichte leerweg, noodzakelijk is. Deze ontwikkeling wordt dan ook in een pilot beproefd. Daartoe is per 1 augustus 1999 een pilot van start gegaan onder leiding van het Cito. Een netwerk van scholen bereidt zich daarin voor op proefexamens die vanaf 2001 in de betrokken scholen afgenomen worden. Deze proefexamens worden zowel in productie als in afname en beoordeling behandeld «als ware het centrale examens». Tevens loopt er een onderzoek naar de kenmerken die toetsen geschikt maken voor de doelgroep van de basisberoepsgerichte leerweg. De resultaten van pilot en onderzoek zullen met grote zorgvuldigheid worden betrokken in de voorbereiding voor de eerste centrale examens voor het vmbo in 2003. Overigens merken ondergetekenden op dat de ontwikkeling van centrale examens voor deze doelgroep niet vanaf het nulpunt hoeft te vertrekken, maar voort kan bouwen op belangrijke ervaringen die zijn opgedaan met de landelijke examens voor het vbo. Daartoe is het Examenbureau VBO ondergebracht bij de CEVO.

Gemengde leerweg aan categoriale mavo/vbo-school

Gegeven de mogelijkheid dat scholen, onder door de Minister te stellen voorwaarden, onderwijs in de gemengde leerweg kunnen verzorgen (artikel 10d van de WVO), vindt de Raad dat leerlingen op vbo-scholen met een gemengde leerweg niet via onderhavig besluit van het afleggen van een examen in extra vakken mogen worden uitgesloten. Ook de AOC-raad vindt dat zij niet uitgesloten mogen worden.

Ondergetekenden gaan hierin mee en hebben de desbetreffende passage in artikel 8, tweede lid, geschrapt.

Implementatie van de voorstellen

De Raad stelt met nadruk dat voor scholen voldoende randvoorwaarden moeten zijn geschapen om de nieuwe examensystematiek in te kunnen voeren. Deze wijze van examinering vraagt extra inspanningen op het vlak van personele en materiële voorzieningen. De Raad twijfelt of hiermee voldoende rekening is gehouden bij de vaststelling van de financiële consequenties. Als voorbeeld noemt de Raad de bezetting van praktijklokalen tijdens het centraal examen en dat volgens de geldende regeling praktische werkstukken bij de directeur dienen te worden ingeleverd.

De VOS/ABB pleit voor grote zorgvuldigheid en monitoring van de invoering van centrale examens in met name de basisberoepsgerichte leerweg. De VOS/ABB verwacht dat de tweede correctie van het centraal examen en het praktische deel ervan nauwelijks zonder lesuitval te realiseren zijn. De AOC-raad benadrukt dat de overheid voldoende randvoorwaarden moet scheppen om het voor de instellingen mogelijk te maken de nieuwe systematiek verantwoord in te voeren.

Ondergetekenden zijn zich zeer bewust van de grote zorgvuldigheid die vereist is bij de invoering van centrale examens in de beroepsgerichte leerwegen, in het bijzonder de basisberoepsgerichte leerweg. In het voorgaande hebben zij daarop al gewezen. Met de voorliggend wijzigingen van het Eindexamenbesluit is juist geprobeerd het Eindexamenbesluit zo vorm te geven, dat in het centraal examen niet alleen een theoretisch schriftelijk examen uitvoerbaar is, maar ook een voor de beroepsgerichte vakken belangrijke praktische component. In de oplossing van de problemen die de Onderwijsraad als voorbeeld noemt, is in dit voorstel reeds als volgt voorzien. Voor de kwestie van de bezetting van de praktijklokalen biedt artikel 39, tweede lid, uitkomst. De toelichting daarbij is uitgebreid. Voor de regeling over het inleveren van de praktische werkstukken zij verwezen naar de woorden «voor zover mogelijk» in artikel 41a, eerste lid. Ook bij dit artikel is de toelichting uitgebreid. Ondergetekenden merken tenslotte op dat het op dit moment niet mogelijk en niet nodig is om de procedure bij de centrale praktische examens tot in de details te regelen. De ervaringen met de proefexamens zullen aangeven of en waar nadere regelgeving nodig is. De voorliggende voorschriften bieden daartoe de mogelijkheden.

Het geheel aan wet- en regelgeving voor het vmbo

De Onderwijsraad vindt dat de verhouding tussen formele en gedelegeerde regelgeving onevenwichtig is. De Raad wijst er daarbij op dat hoofd- en structurele elementen in de formele wet behoren te worden geregeld. Hij noemt als voorbeeld de verhouding tussen schoolexamen en centraal examen. Die verhouding hoort zijns inziens thuis in de wet zelf, bijvoorbeeld in artikel 29.

Ondergetekenden hebben begrip voor deze benadering. Inderdaad is er reden om de meer structurele elementen van het examenbouwwerk een meer geëigende plaats in de wet- en regelgeving te geven. Nu echter sprake is van een invoeringstraject waarin nog ervaring met de nieuwe regels moet worden opgedaan, stellen ondergetekenden zich voor om naar aanleiding van ervaringen met die invoering te bezien welke elementen een plaats in de wet moeten krijgen en welke elementen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur moeten worden geregeld.

Het geheel aan wet- en regelgeving ten aanzien van het vmbo in samenhang neemt de zorg van de Raad niet weg dat de programma's in de praktijk overladen en te zwaar zullen zijn. De Raad is er niet gerust op dat het geheel aan wet- en regelgeving in de praktijk, voor leraren en leerlingen werkbaar zal zijn. De Raad noemt daarbij de geringe geprogrammeerde vrije ruimte, het risico dat afspraken over doorstroming in het vervolgonderwijs tot mogelijke verzwaring van de onderwijsprogramma's leiden en dat nieuwe wijze van examinering in met name de basisberoepsgerichte leerweg tot extra belasting van leraren kan leiden.

De Raad geeft in overweging om onderzoek te doen naar uitvoerbaarheid en zwaarte van het onderwijs in de leerwegen, waarbij uitgegaan zou moeten worden van de voor de verschillende leerwegen beoogde doelgroepen.

Ondergetekenden hebben in het bovenstaande op verschillende plaatsen aangegeven zich zeer bewust te zijn van mogelijke problemen op het gebied van uitvoerbaarheid en zwaarte. Ze zijn met de Onderwijsraad van mening dat onderzoek gewenst is. Met behulp van quick-scan en monitoring zullen ondergetekenden daarom voortdurend de vinger aan de pols van het invoeringsproces houden. De pilot «centrale examinering in het vmbo» en de sleutelnetwerken «examendossier» en «sectorwerkstuk» die alle drie per 1 augustus 1999 van start zijn gegaan, leveren belangrijke gegevens over de zwaarte van de programma's voor de leerlingen en uitvoerbaarheid voor de scholen. Op deze manier kan een totaalbeeld verkregen worden waarin reële knelpunten geïdentificeerd zijn. Waar onoverkomelijke knelpunten niet binnen de bestaande regelgeving kunnen worden opgelost, zal de regelgeving worden aangepast.

Overige commentaren

AOC-Raad en OVDB pleiten voor de mogelijkheid het schoolexamen ook na de aanvang van het eerste tijdvak af te sluiten. Daardoor is een betere benutting van het schooljaar mogelijk, wat vooral voor zwakkere leerlingen van belang is. De CEVO wijst juist op de noodzaak het schoolexamen tijdig af te sluiten om voldoende tijd te reserveren voor de voorbereiding op het centraal examen dat immers veelal op andere delen van het examenprogramma betrekking heeft.

Ondergetekenden hebben het advies van AOC-Raad en OVDB gevolgd voor zover het vakken betreft waarvoor geen centraal examen wordt afgelegd en voor het sectorwerkstuk. Daartoe is artikel 32 aangepast.

AOC-raad, VOS/ABB, VBS, IVO-vereniging, Platform Verzorging, Platform Voertuigentechniek, Platform Elektrotechniek, VEV en OVDB geven met meer of minder nadruk aan dat het streven naar flexibilisering van het eindexamen niet uit het zicht mag verdwijnen.

Alvorens in te gaan op mogelijke flexibilisering van het centraal examen, hechten ondergetekenden er aan, erop te wijzen dat de mogelijkheden voor flexibilisering binnen het schoolexamen niet over het hoofd moeten worden gezien als gevolg van het verlangen naar een flexibel centraal examen. Het nieuwe examensysteem kent reële mogelijkheden voor flexibilisering binnen het schoolexamen. Doordat schoolexamen en centraal examen betrekking hebben op verschillende leerinhouden en door de opbouw in de vorm van een examendossier, is binnen het schoolexamen een over de tijd gespreide, gemoduleerde examinering mogelijk. Aan het schoolexamen is bovendien een belangrijke plaats toegekend zowel naar inhoud als naar gewicht. Voor het centraal examen is in de reactie op het advies van de commissie Van den Heuvel de prioriteit gelegd bij harmonisatie boven flexibilisering. Ondergetekenden houden daaraan vast; het hele vmbo betrekken in een systeem met centrale examinering onder gelijktijdige flexibilisering van het centraal examen zien zij als een stap te ver. In 2005, wanneer drie jaar ervaring is opgedaan met het nieuwe examensysteem, zullen de mogelijkheden voor flexibilisering van het centraal examen opnieuw worden overwogen.

Financiële gevolgen

De vernieuwde examensystematiek vmbo is vastgelegd in de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337). De financiële gevolgen zijn beschreven in de memorie van toelichting bij het bijbehorende wetsvoorstel tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs (kamerstukken II, 1996/97, 25 410, nr. 3). Het onderhavige besluit werkt een en ander uit op het niveau van de centrale examinering van de afdelingsvakken, de algemene vakken en de intrasectorale programma's. De financiële gevolgen zijn reeds meegenomen bij het wetsvoorstel; aan het besluit zelf zijn derhalve geen financiële gevolgen verbonden.

Gelet op de te realiseren nieuwe examens als afzonderlijk onderdeel van de invoering van leerwegen is in de bestaande systematiek van de centrale examens het Cito gevraagd om, rekening houdende met het bepaalde in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (Wet SLOA, Stb.1997, 290), de uitvoering tot stand te brengen. In dat kader is in verband met de subsidieafhandelingen tevens een zelfstandige financiële verantwoording voorgeschreven in het «Uitvoeringsbesluit Wet SLOA» (Stb.1999, 357). De financiële gevolgen zijn meerjarig verdisconteerd in de Rijksbegroting 1999 e.v. De dekking is, inclusief de tijdelijke extra investering, meerjarig gerealiseerd in de artikelen 19.03, 19.05 en 19.06, met een herschikking binnen de OCenW-begroting van 10 mln gulden. In dat kader is het subsidieplafond van het Cito structureel met 3,5 mln gulden opgehoogd. Voorts is voor de verhoging van de investeringskosten in de jaren 2001 e.v. uitgegaan van een reservering van 6,5 mln gulden. In deze reservering zijn ook de investerings- en aanloopkosten voor het Cito meegenomen. Deze worden in verband met de afhandeling van subsidies op grond van de Wet SLOA additioneel toegekend en verantwoord.

Uitvoeringsgevolgen

De Informatie Beheer Groep (IBG) heeft op 19 april 1999 een uitvoeringstoets uitgebracht op het onderhavige concept-besluit. De IBG concludeert in staat te zijn de examens in het mavo en vbo in te voeren.

Invoeringstraject

Het invoeringstraject van de nieuwe examenregels ziet er schematisch als volgt uit:

 Examenjaar 2000 landelijke examens strikte toepassing correctiemodel door pilotscholenExamenjaar 2001proef centrale examensalgemene vakken BB en afdelingsprogramma's BB + KBExamenjaar 2002proef-centrale examens algemene vakken BB, afdelingsprogramma's BB + KB + GL en intrasectorale programma's BB + KB + GLExamenjaar 2003centrale examens
juli 1999Startbijeenkomst pilotscholen (en netwerkscholen «examendossier» en «sectorwerkstuk»)   
december 1999 Vaststelling van de onderdelen van het examenprogramma waarop de examens betrekking hebben (CEVO)  
december 1999 Start constructie (Cito)  
feb./mrt. 2000   Vaststelling gewijzigd Eindexamenbesluit i.v.m. de invoering van de leerwegen (OCenW)
feb./mrt. 2000   Vaststelling bij Ministeriële regeling van de examenprogramma's voor het vmbo, inclusief de examenparagrafen (OCenW)
april 2000Vmbo-examengids operationeel op internet: eerste producten uit netwerken «examendossier» en «sectorwerkstuk»   
mei 2000Afname landelijke examens oude stijl met strikte toepassing correctiemodel + rapportage aan Cito door pilotscholen   
juli 2000  Vaststelling van de onderdelen van het examenprogramma waarop de examens betrekking hebben (CEVO)Vaststelling van de onder- delen van het examenpro- gramma waarop de examens betrekking hebben (CEVO)
september 2000 Vaststelling CEVOStart constructie (Cito) 
oktober 2000Eerste producten/resul- taten pilot «centraal examen vmbo» gepubliceerd in vmbo-examen- gids (internet-site)   
april–mei 2001 Afname van de examens in het kader van het pilot-project centrale examinering  
juni–september 2001 Evaluatie (CEVO, Cito, pilotscholen)  
september 2001  Vaststelling (CEVO)Start constructie (Cito)
oktober 2001 Publicatie van de examens in de vmbo-examengids (internet-site)  
april–mei 2002  Afname van de examens in het kader van het pilot-project centrale examinering 
juni–september 2002  Evaluatie (CEVO, Cito, pilotscholen) 
september 2002   Vaststelling (CEVO)
oktober 2002  Publicatie van de examens in de vmbo-examengids (internetsite) 
april–mei 2003   Afname van de centrale examens
juni–september 2003   Evaluatie (CEVO, Cito)

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I

Onderdeel A (artikel 1)

De begripsbepalingen worden op een aantal punten gewijzigd en aangevuld.

Het betreft in de eerste plaats de omschrijving van het begrip voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), een begrip dat in het besluit een aantal malen wordt gebruikt. Voor de begripsomschrijving is aansluiting gezocht bij die in artikel 1 van het gewijzigde Inrichtingsbesluit W.V.O.

Voorts is opgenomen een omschrijving van «vakken». Voor de toepassing van dit besluit worden onder «vakken» tevens verstaan, intrasectorale programma's.

Verder zijn de begrippen «vakken van de beeldende vorming» en «kunstvakken» gedefinieerd, op dezelfde wijze als in artikel 1 van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

Zoals voor het vwo en havo een profielwerkstuk als onderdeel van het eindexamen is ingevoerd, wordt voor mavo en vbo een sectorwerkstuk geïntroduceerd. In artikel 4 worden hieromtrent nadere voorschriften gegeven. Artikel 1, eerste lid, bevat hiervoor een technische begripsbepaling.

Tot slot dient de nieuwe benaming van diploma's te weerklinken in de benaming van de eindexamens. Door de Wet regeling invoering leerwegen mavo en vbo (Stb. 1998, 337) zijn in de wijzigingen van de Wet educatie en beroepsonderwijs de nieuwe benamingen opgenomen: voortaan zal sprake zijn van diploma's vmbo waarbij wordt aangegeven welke leerweg tot dat diploma heeft geleid. De tot die diploma's leidende eindexamens zijn niet meer de eindexamens mavo en vbo, doch eindexamens vmbo, voor zover het betreft de theoretische, de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte of de gemengde leerweg. In verband hiermee is een begripsbepaling opgenomen van «eindexamen v.m.b.o.».

Onderdeel B (artikel 2)

Deze wijziging houdt verband met de invoering van centrale examens voor het vbo. Artikel 29, tweede lid, van de WVO is daartoe door de Wet regeling invoering leerwegen mavo en vbo geschrapt.

Onderdeel C (artikel 4)

De toevoegingen in dit artikel maken het sectorwerkstuk tot een verplicht onderdeel van het eindexamen vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg en de gemengde leerweg. Het sectorwerkstuk dient in ieder geval betrekking te hebben op een bepaalde door de leerling te kiezen thematiek binnen de sector. Er worden geen voorschriften gegeven over het aantal betrokken vakken. Het belang voor de sector is voor de onderwerpkeuze het criterium, niet het aantal vakken dat daarbij kan worden betrokken. Het kan voorkomen dat de gekozen thematiek slechts binnen één vak is te plaatsen. Wel wordt in artikel 35, vierde lid, bepaald dat minstens twee examinatoren moeten zijn betrokken bij de begeleiding en de beoordeling van het sectorwerkstuk. Zie voorts bij artikel 35, vierde lid.

In de kaderberoepsgerichte leerweg bevat het programma van het afdelingsvak of het intrasectorale programma een vergelijkbaar onderdeel. Omdat dit examenonderdeel geen vak- of programmagrenzen overschrijdt, wordt het niet in dit artikel, maar in het desbetreffende programma beschreven.

Onderdeel D (artikel 7)

De aanpassing van het eerste lid houdt verband met het feit dat de «andere programma-onderdelen» reeds zijn begrepen in de definitie van «vakken» in artikel 1, en dus geen afzonderlijke vermelding behoeven.

Het derde tot en met vijfde lid moeten vervallen omdat in de systematiek van de leerwegen het programma van de leerweg één geheel is, waaruit de niveau-aanduidingen A, B, C en D zijn verdwenen.

Het nieuwe derde lid richt zich specifiek op de leerwegen in het vmbo en geeft aan dat binnen de programma's keuzemogelijkheden voor leerlingen kunnen voorkomen. De keuzemogelijkheden worden aangeduid als «differentiaties». In welke programma's differentiaties voorkomen, welke differentiaties er zijn en volgens welke regels de keuze tot stand moet komen, wordt niet in dit artikel aangegeven maar in de desbetreffende programma's.

Het gaat om de volgende drie afdelingsprogramma's:

– bouwtechniek met timmeren; metselen; schilderen/afwerkingstechnieken.

– consumptief met bakken; horeca.

– landbouw en natuurlijke omgeving met: groene ruimte; bloembinden en -schikken; verwerking agrarische producten/levensmiddelentechnologie; plantenteelt; dierhouderij en -verzorging; agrarische bedrijfseconomie; agrarische techniek.

Zie ook artikel 52 over de diploma's.

Onderdeel E (artikel 8)

De toevoeging aan het eerste lid is nodig in verband met de mogelijkheid dat een vbo-leerling een deel van het onderwijsprogramma volgt aan een andere vbo-school dan de school waar de leerling is ingeschreven. Die mogelijkheid wordt geboden door artikel 10b, tiende lid, onderdeel d, en artikel 10d, tiende lid, onderdeel d, van de WVO, en is uitgewerkt in artikel 27 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. Het ligt voor de hand dat de vbo-leerling voor die programma-onderdelen ook het examen zal afleggen aan de vbo-school die daarin het onderwijs verzorgt. Heeft de leerling binnen de ruimte die het bevoegd gezag daarvoor biedt, zijn keuze bepaald voor de eindexamenvakken, dan moet de leerling vervolgens ook daadwerkelijk worden toegelaten tot het examen in die vakken.

Voor alle duidelijkheid wordt in dit verband nog opgemerkt dat de leerling uitsluitend is ingeschreven bij één school: de «oorspronkelijke». Aan het volgen van onderwijs en deelnemen aan examens op de «andere» school ligt dus geen inschrijving aan ook díe school ten grondslag.

De examinering aan de «andere» school is bij uitsluiting een zaak van het bevoegd gezag van die school, de vaststelling van de einduitslag en de afgifte van het diploma zijn bij uitsluiting een zaak van het bevoegd gezag van de «oorspronkelijke» school.

Het nieuwe tweede lid maakt het mogelijk dat leerlingen niet alleen een extra vak (zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid) in hun examen kunnen opnemen, maar ook onderdelen van de examenstof die niet verplicht zijn ter verkrijging van het diploma vmbo, behorend bij de door hen gevolgde leerweg. Het gaat hier vooral om de niet-verplichte verrijkingsdelen die voor de basisberoepsgerichte leerweg zijn ontwikkeld en die tot vrijstellingen in het vervolgonderwijs kunnen leiden. Voor de duidelijkheid zij vermeld dat een kandidaat voor alle vakken die een centraal examen kennen, het centraal examen van zijn leerweg aflegt.

Het nieuwe derde lid houdt verband met de keuzemogelijkheid die artikel 7, derde lid, de leerling biedt. De keuzemogelijkheden worden door het bevoegd gezag bepaald.

Om systematische redenen zijn de beperkingen die het vierde en vijfde lid regelden voor het mavo, nu overgebracht naar het nieuwe artikel 22. Zie ook de toelichting bij onderdeel H. In verband daarmee is ook het opschrift van artikel 8 aangepast.

Onderdeel F (artikel 9)

De vrijstellingsmogelijkheid voor het vbo was gekoppeld aan de mogelijkheid tot profielverbetering of profielverbreding in een extra vierde leerjaar («kopklas»). Nu die systematiek is verlaten, is het vbo op dit punt vergelijkbaar geworden met vwo, havo en mavo, voor welke onderwijssoorten geen vrijstellingsmogelijkheid bestaat, en is de mogelijkheid geschrapt tot het geven van vrijstelling aan kandidaten van scholen voor vbo. Artikel 9 heeft daardoor uitsluitend nog betrekking op het vavo.

Onderdeel G (artikel 10)

Artikel 10, dat de eindexamenvakken voor mavo en vbo regelde, moet vervallen omdat de omvang van de eindexamens nu integraal wordt geregeld in de artikelen 22 tot en met 25.

Onderdeel H (artikel 22)

Het onderwijs in de theoretische leerweg wordt afgesloten met een eindexamen. Dit heet niet meer het «eindexamen mavo», maar het «eindexamen v.m.b.o. voor zover het betreft de theoretische leerweg».

Artikel 22 omschrijft de minimumeisen waaraan het vakkenpakket van een leerling moet voldoen om een diploma vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg te behalen. De extra vakken, bedoeld in artikel 26g van het Inrichtingsbesluit W.V.O., behoren niet tot het eindexamen. Ze worden immers afgesloten op een moment dat het programma nog niet volledig is doorlopen. De behaalde resultaten moeten volgens artikel 35c wel worden opgenomen in het examendossier.

Het schoolexamen én het centraal examen worden afgelegd in ten minste zes vakken. Voor een aantal vakken uit het gemeenschappelijk deel wordt alleen een schoolexamen afgelegd; het gaat hier om lichamelijke opvoeding, de kunstvakken en maatschappijleer.

Artikel 26n van het Inrichtingsbesluit W.V.O. regelt dat het bevoegd gezag kan goedkeuren dat een vrijstelling die op grond van artikel 11e van de WVO voor de periode van de basisvorming is verleend voor de tweede moderne vreemde taal, tevens geldt als vrijstelling voor dat vak voor de periode waarin de leerling onderwijs in een leerweg volgt. Complementair daaraan regelt artikel 22, tweede lid, van het Eindexamenbesluit dit onderwerp nu ook voor de eindexamens, door binnen de sector economie een van de keuzevakken Frans of Duits te doen vervangen door onderwijs in Arabisch, Turks, Spaans of maatschappijleer II.

In aangepaste vorm zijn de beperkingen uit artikel 8, vierde en vijfde lid, nu in het nieuwe artikel 22 ondergebracht. Zie het eerste lid, onderdeel c, voor de keuze van moderne talen, en het derde lid voor de keuze uit de kunstvakken (zoals gedefinieerd in artikel 1). Bij de keuze uit de kunstvakken is de mogelijkheid toegevoegd het vak dans of het vak drama te kiezen. Dit is een verruiming ten opzichte van het oorspronkelijke artikel 10 (en daaraan gerelateerd artikel 8, vierde lid), waar voor het eindexamen mavo alleen muziek, tekenen en handvaardigheid (I en II) waren vermeld als kunstvakken. De keuzemogelijkheden zoals nu geformuleerd, sluiten aan bij de systematiek in de basisvorming (artikel 11a, tweede lid, onderdeel b van de wet).

De mogelijkheid om Friese taal te kiezen in het vrije deel van de gemengde of theoretische leerweg is expliciet geregeld.

Voor het vavo blijft op grond van het vierde en vijfde lid een beperkter regiem gelden, op een wijze die vergelijkbaar is met de positie van het vavo onder de profielen tweede fase (zie bijvoorbeeld artikel 11, vierde lid).

Onderdelen I en J (artikelen 23 en 24)

Voor de beroepsgerichte leerwegen regelen deze artikelen de vakken van het eindexamen, op een met artikel 22 vergelijkbare wijze.

Opgemerkt wordt nog dat de term «afdelingsvakken» is gedefinieerd in artikel 1 van het Eindexamenbesluit, gekoppeld aan artikel 26h van het Inrichtingsbesluit W.V.O.

Onderdeel K (artikel 25)

Dit artikel regelt de minimumeisen waaraan het vakkenpakket van een leerling moet voldoen om een diploma vmbo voor zover het betreft de gemengde leerweg te behalen. De verschillen met de artikelen 22 tot en met 24 zijn te vinden in het eerste lid, onderdelen c en d. Terwijl in de theoretische leerweg twee algemene vakken moeten worden gekozen, en in de beroepsgerichte leerwegen een beroepsgericht programma (een afdelingsvak of een intrasectoraal programma), geldt voor de gemengde leerweg dat één algemeen vak en één beroepsgericht programma (afdelingsvak of intrasectoraal programma) moeten worden gevolgd.

Zie verder de toelichting bij het nieuwe artikel 22.

Onderdeel L (artikelen 25a tot en met 29b)

De omschrijvingen van de eindexamens voor de verschillende vbo-afdelingen vervallen, omdat de nieuwe artikelen 22 tot en met 25 (onder meer) daarvoor in de plaats zijn gekomen.

Onderdeel M (artikel 32)

In samenhang met de integrale invoering van centrale examinering vervalt in het tweede lid de uitzonderingspositie van het vbo.

Door de bepaling dat het schoolexamen moet zijn afgesloten voor de aanvang van het eerste tijdvak in plaats van voor de aanvang van het centraal examen, wordt voorkomen dat het schoolexamen in de beroepsgerichte leerwegen vroeger in het jaar moet zijn afgesloten dan het schoolexamen in het mavo, havo en vwo. In verband met o.a. de capaciteit van vaklokalen en de duur van het examen zal naar verwachting voor het praktijkgedeelte van enkele afdelingsvakken en intrasectorale programma's een langere periode nodig zijn dan de twee weken van het centraal examen in vwo, havo en mavo. Artikel 39, tweede lid, (zie onderdeel U), biedt de mogelijkheid deze onderdelen van het centraal examen van de beroepsgerichte leerwegen eerder te laten aanvangen dan het eerste tijdvak. In het geval van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, hoeft het schoolexamen bij de aanvang van de desbetreffende onderdelen van het centraal examen nog niet afgerond te zijn. Voor de duidelijkheid zij vermeld dat, aangezien er na de aanvang van het eerste tijdvak in ieder geval nog een schriftelijk gedeelte van het centraal examen volgt, het laatste onderdeel van het examen in een vak waarin ook centraal examen wordt afgelegd, altijd een centraal onderdeel is.

Het sectorwerkstuk en het schoolexamen van de vakken waarvoor geen centraal examen wordt afgelegd, kunnen later worden afgesloten. Dit maakt enige verlenging van onderwijstijd mogelijk, wat met name in de beroepsgerichte leerwegen van belang is en waarmee ook zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de huidige praktijk in het vbo. Bij de bepaling van de einddatum moet er rekening mee worden gehouden dat de scholen na het bekend worden van de cijfers voor het centraal examen de einduitslag in het belang van de kandidaten zo snel mogelijk kunnen bepalen. Daarom moet de afsluiting een feit zijn uiterlijk een week voor de datum waarop de uitslag wordt bekendgemaakt.

Onderdeel N (artikel 33)

De wijzigingen in dit artikel zijn het gevolg van opneming van het vbo in dezelfde examensystematiek als die van het vwo, het havo en het mavo.

Onderdeel O (artikel 34)

Omdat de verschillende programmatische niveaus van de mavo- en vbo-examens zijn vervallen, is dit artikel geschrapt.

Onderdeel P (artikel 35)

Volgens het advies van de Onderwijsraad is het opschrift «cijfer schoolexamen» van artikel 35 gewijzigd in «beoordeling schoolexamen», gelet op het gegeven dat ook beoordelingen in termen van «voldoende» of «goed» een rol spelen.

De toevoeging aan het derde lid zorgt ervoor dat de kunstvakken en lichamelijke opvoeding in mavo en vbo op dezelfde wijze worden behandeld als in vwo en havo. Evenzo wordt het sectorwerkstuk op één lijn geplaatst met het profielwerkstuk in havo en vwo. Dat betekent dat uit het examendossier moet blijken dat het sectorwerkstuk en de desbetreffende vakken genoegzaam met ten minste een «voldoende» beoordeling zijn afgesloten, waarbij voor de kunstvakken en het vak lichamelijke opvoeding nadrukkelijk geldt dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de mogelijkheden van de leerling. Er wordt dus geen absolute norm gesteld waaraan voldaan moet worden om een «voldoende» beoordeling te krijgen. Dat is wel het geval bij het sectorwerkstuk, dat specifiek is voor de gemengde en de theoretische leerweg en mede het niveau daarvan bepaalt. Beoordeling in de vorm van een cijfer zou echter een mate van exactheid suggereren die in het geval van een dergelijk werkstuk niet is aan te tonen.

Tevens is bepaald, in de tweede aan het vierde lid toegevoegde volzin, dat ten minste twee docenten die ook een taak hebben in de begeleiding bij het maken van het sectorwerkstuk, betrokken moeten zijn bij de beoordeling van het sectorwerkstuk. De reden daarvan is gelegen in de complexiteit van de beoordeling van het sectorwerkstuk in combinatie met de positie van het sectorwerkstuk in de uitslagregeling (om te slagen moet het als «voldoende» of «goed» zijn beoordeeld). Beoordeling door minimaal twee docenten is daarom in het belang van zowel beoordeelde als beoordelaar.

Onderdeel Q (artikel 35b1)

Artikel 35b1 regelt de mogelijkheden om in het schoolexamen een herexamen voor een heel vak te bieden. Bepaald is dat de mogelijkheid in ieder geval geboden moet worden voor het vak maatschappijleer in het gemeenschappelijk deel van de leerwegen vmbo, indien de kandidaat voor dat vak het eindcijfer 5 of lager heeft gehaald. Daarbij is uitsluitend bepaald dat een herexamen moet worden aangeboden. De vaststelling van de inhoud van het herexamen is aan de school, die de herexamenregeling vastlegt in het plan van toetsing en afsluiting (zie hieronder).

Voor het overige bepalen scholen zelf in hoeverre zij de mogelijkheid willen bieden van een herexamen voor één of meer vakken en van herkansing van afzonderlijke toetsen en praktische opdrachten.

De uitzonderingspositie voor het vak maatschappijleer hangt samen met het ontbreken van een centraal examen. Alle andere met een cijfer beoordeelde vakken zijn betrokken in de herkansingsregeling die geldt voor het centraal examen.

De kunstvakken I, het vak lichamelijke opvoeding en het sectorwerkstuk, die eveneens niet in het centraal examen zijn opgenomen, vallen buiten deze verplichting een herexamen te bieden. Ze worden niet door middel van een cijfer beoordeeld, en moeten in alle gevallen «voldoende» of «goed» worden afgerond. In de praktijk zal dat veelal op andere wijze dan met een herexamen worden opgelost, bijvoorbeeld door bijsturing tijdens het proces van uitvoering.

Uit artikel 31, tweede lid, volgt dat de school de regeling van herkansing/herexamen opneemt in het programma van toetsing en afsluiting (PTA).

Onderdeel R (artikel 35c)

De verwijzingen naar het Inrichtingsbesluit W.V.O. betreffen de vakken die in het derde leerjaar van de theoretische of gemengde leerweg moeten worden gevolgd. Zie ook de toelichting bij het nieuwe artikel 22. De resultaten die zijn behaald voor vakken die in het derde leerjaar zijn gevolgd maar niet worden geëxamineerd in het eindexamen, moeten net als de schoolexamens worden opgenomen in het examendossier. Dat maakt het beeld compleet dat het examendossier geeft van de breedte van het vakkenpakket en de daarbij behorende eindresultaten van een leerling in de theoretische en de gemengde leerweg.

In artikel 35c zijn geen voorschiften opgenomen over de vorm waarin de resultaten voor de desbetreffende vakken in het examendossier moeten worden vermeld. Daardoor kan aangesloten worden bij de vorm van de voortgangsrapportage zoals die in de school gebruikelijk is.

Onderdeel S (artikel 36)

Deze wijziging vloeit voort uit de omstandigheid dat voor het vbo voortaan de examensystematiek van het algemeen voortgezet onderwijs (avo) geldt.

Onderdeel T (artikel 38)

Het vierde lid wordt vervangen door een nieuw lid, vanwege het verdwijnen van de c- en d-niveaus binnen de vakken. Wel kunnen in het examenprogramma van een vak verschillende differentiaties voorkomen. In het centraal examen worden deze differentiaties in één en dezelfde zitting geëxamineerd. Per tijdvak kan slechts centraal examen worden afgelegd in het aantal differentiaties dat volgens het examenprogramma is vereist.

Onderdeel U (artikel 39)

Het tweede lid is om redenen van eenduidigheid opnieuw geformuleerd.

Deze voorziening is vooral nodig bij vakken waarvan het centraal examen ook een praktisch deel kent. Gezien de mogelijk langere duur van praktisch examens en gezien de beperkte beschikbaarheid van lokalen, inventaris, e.d. zal het om organisatorische redenen niet mogelijk of gewenst zijn het praktisch deel van het centraal examen van met name de afdelingsvakken of intrasectorale programma's in de periode van het eerste tijdvak te laten plaatsvinden.

Deze regeling impliceert ook dat het schoolexamen van het afdelingsvak of intrasectoraal programma niet hoeft te zijn afgesloten bij de aanvang van het praktisch deel van het centraal examen wanneer dit is gelegen voor de formele aanvang van het eerste tijdvak. Voor de fraudegevoeligheid is dat ook niet nodig, aangezien er na de aanvang van het eerste tijdvak nog een schriftelijk deel volgt.

Onderdeel V (artikel 40)

De toevoeging aan het tweede lid hangt samen met de aard van de opgaven in praktische delen van het centraal examen: bij praktijkopgaven is geheimhouding veelal niet nodig en gezien de langere periode waarover ze zich uit kunnen strekken, ook niet altijd mogelijk.

De aanvulling van het derde lid betreft een vanzelfsprekende nuancering van de regelgeving.

Onderdeel W (artikel 41a)

Dit nieuwe artikel regelt de onderscheiden verantwoordelijkheden van de directeur, de examinator en de gecommitteerde met betrekking tot de praktisch afgenomen examengedeelten. De examinator beoordeelt niet alleen het eindproduct, maar ook de manier waarop dit tot stand komt. Daarom is bepaald dat hij bij de uitvoering van het praktisch gedeelte aanwezig moet zijn. Om de gecommitteerde inzicht te geven in de totstandkoming van het product, doet de examinator daarvan schriftelijk verslag volgens de richtlijnen die de CEVO daarbij geeft. Na afloop van het praktisch gedeelte van het examen komt de examinator zo spoedig mogelijk tot zijn eindbeoordeling daarvan, waarbij hij de beoordelingsnormen van de CEVO toepast. De bepaling dat artikel 41, vierde en vijfde lid, op artikel 41a van overeenkomstige toepassing is, maakt het mogelijk dat de Minister nadere voorschriften geeft dan wel bepaalt dat van de voorschriften van artikel 41a wordt afgeweken. Ervaringen in de pilot «centrale examinering in de beroepsgerichte leerwegen» die op 1 augustus 1999 van start is gegaan, kunnen aanleiding zijn om van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Onderdeel X (artikel 47)

Voor de leerwegen die opleiden naar de niveaus drie en vier van het secundair beroepsonderwijs (de kaderberoepsgerichte, de gemengde en de theoretische leerweg) is aangesloten bij de voorheen al bestaande situatie: het schoolexamen en het centrale examen bepalen ieder de helft van het eindcijfer. In de basisberoepsgerichte leerweg echter is het van belang dat de school in het schoolexamen onder andere condities kan toetsen, waarmee ingespeeld kan worden op de specifieke leerstijlen en kenmerken van de gevarieerde leerlingenpopulatie die eigen is aan die leerweg. Daarom is voor deze leerweg de keuze gemaakt dat het schoolexamen tweederde deel van het eindcijfer bepaalt.

Voorts is expliciet aangegeven dat het de directeur is, niet de examinator, die het eindcijfer bepaalt.

Onderdeel Y (artikel 48)

Het derde en het vierde lid waren van toepassing op de niveaudifferentiatie binnen de vakken van mavo en vbo. In het nieuwe systeem wordt het examen per leerweg afgenomen en daarbinnen geldt slechts één programma. Daarmee vervalt de basis van het derde en vierde lid en worden zij geschrapt.

Onderdeel Z (artikel 49)

Het nieuwe eerste lid betreft alle vakken die met een cijfer worden beoordeeld, inclusief het vak maatschappijleer van het gemeenschappelijk deel. Het eindcijfer voor het vak maatschappijleer is op gelijke wijze in de regeling betrokken als de andere (algemene) vakken. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren die door de Onderwijsraad, de NVLM en de OVDB werden ingebracht tegen de plaats die het vak maatschappijleer in het voorgelegde voorstel innam. In samenhang daarmee heeft de compensatie-regeling enigszins aan belang ingeboet.

De bijzondere positie van het afdelingsvak of intrasectorale programma in de beroepsgerichte leerwegen is zichtbaar gemaakt in het eerste lid: het eindcijfer telt twee keer mee in de uitslagregeling. De reden daarvan is dat het beroepsgerichte programma in deze leerwegen een dermate wezenlijk en relatief groot deel uitmaakt van het gehele programma, dat aan het belang ervan onvoldoende recht gedaan zou worden wanneer het in de uitslagregeling op gelijke wijze zou meetellen als de algemene vakken. In de regeling is het belang van de sectorvakken zichtbaar in de bepaling dat niet meer dan één van deze twee vakken onvoldoende mag zijn. De sectorvakken bepalen immers voor een belangrijk deel het civiel effect van het diploma.

Het nieuwe tweede lid betrekt het kunstvak, de lichamelijke opvoeding en het sectorwerkstuk in de uitslagregeling.

Onderdeel AA (artikel 51)

De bepalingen in het derde lid van artikel 51 omtrent de verschillende programma's in het mavo en vbo worden geschrapt in verband met het vervallen van het onderscheid in een c- en een d-programma. De toevoeging aan het vijfde lid begrenst de herkansingsmogelijkheden.

Onderdeel BB (artikel 52)

De regeling van het diploma en de cijferlijst geldt mutatis mutandis voor het mavo en vbo. Daartoe worden in het eerste lid het kunstvak en de lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van de leerwegen, alsmede het sectorwerkstuk opgenomen. In samenhang met het verdwijnen van de a-, b-, c-, en d-niveaus in vbo en mavo en met de introductie van de mogelijkheid van differentiaties binnen de examenprogramma's van het vmbo, is de regel dat in voorkomende gevallen op het diploma vermeld wordt volgens welk programma een vak is geëxamineerd, vervangen door de regel dat aangegeven wordt volgens welke differentiatie een vak is geëxamineerd.

Er is een negende lid toegevoegd waarin geregeld wordt dat een kandidaat die met succes het examen in de gemengde leerweg heeft afgelegd met een extra algemeen vak en die daarmee ook voldoet aan de voorwaarden om het diploma in de theoretische leerweg te halen, op zijn verzoek het diploma vmbo in de theoretische leerweg uitgereikt kan krijgen. Het beroepsgerichte vak zal op dat diploma als extra vak vermeld worden. Omdat alleen scholen voor of met mavo een diploma theoretische leerweg uit kunnen reiken, is deze mogelijkheid beperkt tot deze scholen.

Onderdeel CC (artikel 54)

De systematiek van de leerwegen brengt met zich dat artikel 54 niet meer nodig is en dus moet vervallen.

Artikel II

Deze wijziging is een technische verbetering. Omdat het in artikel 26n, tweede lid, niet gaat om het gemeenschappelijk deel maar om het sectordeel, moet het vervangende vak niet «maatschappijleer» zijn, maar «maatschappijleer II».

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst


XNoot
1

Stb. 1994, 624, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 januari 1998, Stb. 413.

XNoot
2

Stb. 1993, 207, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 september 1999, Stb. 405.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 mei 2000, nr. 89.