Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2000, 11Beschikking

Beschikking van de Minister van Justitie van 10 januari 2000, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals deze luidt na wijziging door de wet van 8 juli 1999, Stb. 329

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel XI van de wet van 27 februari 1997, Stb. 117;

Besluit:

de tekst van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals deze luidt na wijziging door de wet van 8 juli 1999, Stb. 329, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

's-Gravenhage, 10 januari 2000

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de achttiende januari 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

TEKST VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK, ZOALS DEZE LUIDT NA WIJZIGING DOOR DE WET VAN 8 JULI 1999, STB. 329

INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1.ALGEMENE BEPALINGEN
Titel 1.Definities en taakomschrijving
Artikel 1.1.Begripsbepalingen
Artikel 1.2.Reikwijdte
Artikel 1.3Universiteiten, hogescholen en Open Universiteit
Artikel 1.4.Academische ziekenhuizen
Artikel 1.5.Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
Artikel 1.6.Academische vrijheid
Artikel 1.7.Richtlijnen ethiek
Titel 2.De instellingen
Paragraaf 1.Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.8.Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.9.Bekostiging en getuigschriften
Artikel 1.10.Aard bepalingen
Paragraaf 2.Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.11.Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.12.Titulatuur en getuigschriften aangewezen instellingen
Paragraaf 3.Academische ziekenhuizen
Artikel 1.13.Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid
Artikel 1.14.Bekostiging academische ziekenhuizen
Artikel 1.15.Aard bepalingen
Paragraaf 4.Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
Artikel 1.16.Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB
Artikel 1.17.Bekostiging
Titel 3.Kwaliteitszorg
Artikel 1.18.Kwaliteitszorg
HOOFDSTUK 2.PLANNING EN BEKOSTIGING
Artikel 2.1.Reikwijdte
 
Titel 1.Planning
Artikel 2.2.Instellingsplan
Artikel 2.3.Hoger onderwijs- en onderzoekplan
Artikel 2.4.Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan
Titel 2.Bekostiging
Artikel 2.5.Rijksbijdrage
Artikel 2.6.Algemene berekeningswijze
Artikel 2.7.Mededeling geraamde en vastgestelde rijksbijdrage
Artikel 2.7a.Aanvullende rijksbijdrage i.v.m. kwaliteit en studeerbaarheid
Artikel 2.8.Begroting
Artikel 2.9.Verslaglegging
Artikel 2.10Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant
Artikel 2.11.Bijzondere bepalingen universitaire eerstegraads lerarenopleidingen
Artikel 2.12.Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen
Artikel 2.13.Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen
Titel 3.Richtlijn
Artikel 2.14.Richtlijn
 
Titel 4.Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen
Artikel 2.15.Waarborgfonds hogescholen
Artikel 2.16.Opheffing instellingen
Artikel 2.17.Beheer van de middelen
Titel 5.Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening
Artikel 2.18Subsidie educatieve voorziening
Artikel 2.19Begroting en verslaglegging
Artikel 2.20Controle en terugvordering
HOOFDSTUK 3.OVERLEG
Artikel 3.1.Algemeen overleg
Artikel 3.2.Overleg met afzonderlijke instellingen
Artikel 3.3.Overleg met studentenorganisaties
HOOFDSTUK 4.HET PERSONEEL
Artikel 4.1.Reikwijdte
Artikel 4.2.Personeelsbeleid
Artikel 4.3.Georganiseerd overleg
Artikel 4.4.Geschillencommissie georganiseerd overleg bij instellingen
Artikel 4.5.Regeling van de rechtspositie
Artikel 4.6.Arbeidsovereenkomst personeel bijzondere instellingen
Artikel 4.7.Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen
HOOFDSTUK 5.HET TOEZICHT
Artikel 5.1.Opdracht tot toezicht, inspectie
Artikel 5.2.Uitoefening toezicht door inspectie
Artikel 5.3.Commissies van onafhankelijke deskundigen
Artikel 5.4.Toegang en inlichtingen inspectie en leden commissies
Artikel 5.5.Uitoefening toezicht in overleg met andere ministers
HOOFDSTUK 6.ONDERWIJSAANBOD
Artikel 6.1.Reikwijdte
Titel 1.Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 6.2.Onderwijsaanbod
Artikel 6.3.Adviescommissie onderwijsaanbod
Artikel 6.4.Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen
Artikel 6.5.Ontneming rechten ten aanzien van bestaande opleidingen
Artikel 6.6.Procedure ontneming rechten aan bestaande opleidingen
Artikel 6.7.[vervallen]
Artikel 6.8.Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen
Titel 2.Aanwijzing en intrekking aanwijzing van niet bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 6.9.Aanwijzing van instellingen
Artikel 6.10.Ontneming rechten verbonden aan de aanwijzing van bestaande opleidingen
Artikel 6.11.Onthouding rechten verbonden aan de aanwijzing van nieuwe opleidingen
Artikel 6.12.Intrekking aanwijzing instelling
Titel 3.Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
Artikel 6.13.Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
Artikel 6.14.De registratieprocedure
Artikel 6.15.Beëindiging registratie
Titel 4.Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst
Artikel 6.16.Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst
HOOFDSTUK 7.ONDERWIJS
Artikel 7.1.Reikwijdte
Titel 1.Het onderwijs, de examens en de promoties
Paragraaf 1.Het onderwijs en de examens
Artikel 7.2.Taal
Artikel 7.3.Opleidingen en onderwijseenheden
Artikel 7.4.Studielast en studiepunten
Artikel 7.5.Bijzondere voorwaarden verzorging universitaire eerstegraads lerarenopleidingen
Artikel 7.6.Beroepsvereisten
Artikel 7.7.Voltijdse en deeltijdse inrichting van opleidingen; duale inrichting van opleidingen aan hogescholen
Artikel 7.7a.Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten
Artikel 7.8.Propedeutische fase en propedeutisch examen
Artikel 7.8a.Kandidaatsfase en kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs
Artikel 7.8b.Studieadvies propedeutische fase
Artikel 7.9.Verwijzing in postpropedeutische fase
Artikel 7.9a.Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering
Artikel 7.9b.Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17f van de Wet op de studiefinanciering
Artikel 7.9ba.Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering
Artikel 7.9bb.Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering
Artikel 7.9c.Aanleveren van gegevens in afwijking van de artikelen 7.9a, 7.9b, 7.9ba en 7.9bb
Artikel 7.9d.Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen
Artikel 7.9e.Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel 7.31a
Artikel 7.9f.Aanleveren gegevens duale opleiding
Artikel 7.10.Examens en tentamens
Artikel 7.11.Getuigschriften en verklaringen
Artikel 7.12.Examencommissie en examinatoren
Artikel 7.13.Onderwijs- en examenregeling
Artikel 7.14.Beoordeling onderwijs- en examenregeling
Artikel 7.15.Openbaarheid onderwijsaanbod
Artikel 7.16.Bijzondere voorschriften lerarenopleidingen
Paragraaf 2.Gemeente van vestiging
Artikel 7.17.Gemeente van vestiging
Paragraaf 3.De promoties
Artikel 7.18.Doctoraten, toegang en inrichting promotie
Artikel 7.19.Promotiereglement
Paragraaf 4.Titulatuur
Artikel 7.20.Titels ir., ing., mr., drs. en bc.
Artikel 7.20a.De titel kand.
Artikel 7.21.Titels Master en Bachelor
Artikel 7.22.Titel dr.
Artikel 7.23.Buiten Nederland verkregen titels
Titel 2.Vooropleidingseisen
Artikel 7.24.Vooropleidingseisen
Artikel 7.25.Nadere vooropleidingseisen
Artikel 7.26.Aanvullende eisen
Artikel 7.26a.Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst
Artikel 7.27.Eisen werkkring
Artikel 7.28.Vrijstelling op grond van andere diploma's
Artikel 7.29.Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek
Artikel 7.30.Postpropedeutische fase
Artikel 7.31.Lerarenopleidingen speciaal onderwijs, universitaire lerarenopleidingen, opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, hogere kaderopleiding pedagogiek, voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst
Titel 2a.Vrijstelling van het afleggen van tentamens op grond van het bezit van een diploma beroepsonderwijs
Artikel 7.31a.Vrijstelling op grond van verwante opleidingen in het beroepsonderwijs
Artikel 7.31b.Toegang tot onderdelen van het afsluitend examen
Titel 3.Studenten en extraneï
Paragraaf 1.Inschrijving
Artikel 7.32.Algemene bepaling inschrijving
Artikel 7.33.Procedure inschrijving
Artikel 7.34.Rechten inschrijving als student
Artikel 7.35.[vervallen]
Artikel 7.36.Rechten inschrijving als extraneus
Artikel 7.37.Voorwaarden inschrijving
Artikel 7.38.[vervallen]
Artikel 7.39.[vervallen]
Artikel 7.40.[vervallen]
Artikel 7.41.[vervallen]
Artikel 7.42.Procedure beëindiging inschrijving
Paragraaf 2.Eigen bijdragen
Artikel 7.43.Collegegeld voor voltijdse opleidingen
Artikel 7.44.Collegegeld voor deeltijdse en duale opleidingen
Artikel 7.45.Examengeld extraneus
Artikel 7.46.Overige bijdragen
Artikel 7.47.Voldoening collegegeld
Artikel 7.48.Vermindering en vrijstelling wettelijk collegegeld
Artikel 7.49.Terugbetaling wettelijk collegegeld
Artikel 7.50.Cursusgeld Open Universiteit
Artikel 7.51.Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)
Artikel 7.51a.Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)
Paragraaf 3.Centraal register inschrijving hoger onderwijs
Artikel 7.52.Centraal register inschrijving hoger onderwijs
Paragraaf 4.Bijzondere bepalingen inschrijving
Artikel 7.53.Beperking eerste inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit
Artikel 7.54.Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase
Artikel 7.55.Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit
Artikel 7.56.Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt
Artikel 7.56a.Beperking inschrijving opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt
Artikel 7.57.Identificatie opleidingen
Paragraaf 4a.Regels voor de selectie voor opleidingen met een toelatingsbeperking
Artikel 7.57a.Algemeen
Artikel 7.57b.Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating
Artikel 7.57c.Afgifte bewijzen van toelating
Artikel 7.57d.Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit
Artikel 7.57e.Selectie door instellingen
Artikel 7.57f.Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure
Artikel 7.57g.Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen
Paragraaf 5.Overige bepalingen
Artikel 7.57h.Huisregels en ordemaatregelen
Artikel 7.58.Afgifte getuigschrift
Artikel 7.59.Studentenstatuut
Titel 4.Rechtsbescherming van studenten en extraneï
Paragraaf 1.College van beroep voor de examens
Artikel 7.60.College van beroep voor de examens
Artikel 7.61.Bevoegdheid college van beroep voor de examens
Artikel 7.62.Reglement van orde
Artikel 7.63.Inlichtingenplicht
Paragraaf 2.College van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 7.64.College van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 7.65.Benoeming en ontslag leden en plaatsvervangende leden
Artikel 7.66.Bevoegdheid college van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 7.67.Griffierechten
Paragraaf 3.Colleges van beroep bijzonder onderwijs
Artikel 7.68.Colleges van beroep bijzonder onderwijs
HOOFDSTUK 8.SAMENWERKING BEKOSTIGDE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS
Artikel 8.1.Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
HOOFDSTUK 9.HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE UNIVERSITEITEN
Titel 1.Het bestuur en de inrichting van de openbare universiteiten
Artikel 9.1.Reikwijdte
Paragraaf 1.Het bestuur van de universiteit
Artikel 9.2.Algemene bevoegdheden college van bestuur
Artikel 9.3.Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
Artikel 9.4.Bestuurs- en beheersreglement
Artikel 9.5.Richtlijnen aan decanen
Artikel 9.6.Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur
Artikel 9.7.Samenstelling raad van toezicht
Artikel 9.8.Taken en bevoegdheden raad van toezicht
Artikel 9.9.Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht
Artikel 9.10.College voor promoties
Paragraaf 2.Onderwijs en wetenschapsbeoefening
Artikel 9.11.Faculteiten en opleidingen
Artikel 9.12.Faculteit; decaan
Artikel 9.13.Benoeming en ontslag decaan
Artikel 9.14.Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement
Artikel 9.15.Overige taken en bevoegdheden decaan
Artikel 9.16.Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan
Artikel 9.17.Bestuur opleidingen
Artikel 9.18.Opleidingscommissies
Artikel 9.19.Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
Paragraaf 3.Onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.20.Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een faculteit
Artikel 9.21.Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een universiteit
Artikel 9.22.Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.23.Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten
Paragraaf 4.Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit
Artikel 9.24.Schorsing en vernietiging besluiten decaan en examencommissies
Artikel 9.25.Gevolgen schorsing en vernietiging
Artikel 9.26.Voorziening na schorsing of vernietiging; termijn
Artikel 9.27.Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan
Paragraaf 5.Klachtrecht studenten
Artikel 9.28.Collectief recht van beklag voor studenten
Titel 2.Medezeggenschap binnen de openbare universiteiten
Artikel 9.29.Reikwijdte
Artikel 9.30.Keuze uit medezeggenschapsstelsels
Artikel 9.30a.Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten
Paragraaf 1.Medezeggenschap binnen de universiteit
Artikel 9.31.Universiteitsraad
Artikel 9.32.Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en raadsleden
Artikel 9.33.Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad
Artikel 9.34.Reglement universiteitsraad
Artikel 9.35.Advies
Artikel 9.36.Bijzondere bevoegdheden
Paragraaf 2.Medezeggenschap binnen de faculteit
Artikel 9.37.Faculteitsraad
Artikel 9.38.Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad
Artikel 9.38a.Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden
Artikel 9.38b.Faculteitsreglement
Paragraaf 3.Geschillen inzake medezeggenschap
Artikel 9.39.Commissie voor geschillen
Artikel 9.40.Competentie commissie voor geschillen
Artikel 9.41.Geschil instemmingsbevoegdheid
Artikel 9.42.Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad
Artikel 9.43.Geschil adviesbevoegdheid
Artikel 9.44.Geschil interpretatie
Artikel 9.45.Nadere geschillen
Paragraaf 4.Overige bepalingen
Artikel 9.46.Procesbevoegdheid universiteitsraad
Artikel 9.47.Commissies
Artikel 9.48.Voorzieningen en scholing
Paragraaf 5.Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.49.Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Paragraaf 6.Medezeggenschap binnen de centrale diensten
Artikel 9.50.Dienstraad t.b.v. centrale diensten
Paragraaf 7.Afwijking van titel 1 of titel 2
Artikel 9.50a.Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2
Titel 3.Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten
Artikel 9.51.Structuurregeling bijzondere universiteiten, inlichtingenplicht
Titel 4.Bijzonder onderwijs aan openbare universiteiten
Paragraaf 1.De kerkelijke hoogleraren
Artikel 9.52.Kerkelijke hoogleraren
Paragraaf 2.De bijzondere leerstoelen
Artikel 9.53.Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel
Artikel 9.54.Indiening verzoek bevoegdverklaring
Artikel 9.55.Vereisten bijzonder hoogleraarschap
Artikel 9.56.Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar
Artikel 9.57.Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar
Artikel 9.58.Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel
Artikel 9.59.Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt
HOOFDSTUK 10.HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE HOGESCHOLEN
Artikel 10.1.Reikwijdte
Titel 1.Het bestuur en de inrichting van hogescholen zonder rechtspersoonlijkheid
Paragraaf 1.Het bestuur en de inrichting van de hogeschool
Artikel 10.2.Centrale directie of college van bestuur
Artikel 10.3.Delegatie taken en bevoegdheden
Artikel 10.3aFaculteiten en andere organisatorische eenheden
Artikel 10.3bBestuursreglement
Artikel 10.3cOpleidingscommissies
Paragraaf 2.Geschillenregeling
Artikel 10.4.[vervallen]
Artikel 10.5.Geschillenregeling
Paragraaf 3.Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een openbare hogeschool
Artikel 10.6.Inlichtingenplicht
Artikel 10.7.Schorsing en ontslag personeelslid tevens gemeenteraadslid
Paragraaf 4.Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een bijzondere hogeschool
Artikel 10.8.Bestuur bijzondere hogeschool
Artikel 10.8aAfwijking bestuursreglement
Titel 2.Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid
Artikel 10.9.Bestuursorganen
Artikel 10.10.College van bestuur
Artikel 10.11.Bestuursraad
Artikel 10.12.Bestuursreglement
Artikel 10.13.Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling
Artikel 10.14.Schorsing en vernietiging besluiten van bestuursorganen
Artikel 10.15.Voorzieningen na schorsing en vernietiging
Artikel 10.16.Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur
Titel 3.Medezeggenschap
Artikel 10.17.Medezeggenschapsraad
Artikel 10.18Voorzitter medezeggenschapsraad
Artikel 10.19Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden
Artikel 10.20Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad
Artikel 10.21Medezeggenschapsreglement
Artikel 10.22Inhoud medezeggenschapsreglement
Artikel 10.23Advies
Artikel 10.24Bijzondere bevoegdheden
Artikel 10.25Deelraden
Artikel 10.26Commissie voor geschillen
Artikel 10.27Competentie commissie voor geschillen
Artikel 10.28Geschil instemmingsbevoegdheid
Artikel 10.29Geschil inhoud medezeggenschapsreglement
Artikel 10.30Geschil adviesbevoegdheid
Artikel 10.31Geschil interpretatie
Artikel 10.32Nadere geschillen
Artikel 10.33Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad
Artikel 10.34Commissies
Artikel 10.35Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
Artikel 10.36Gemeenschappelijke commissies
Artikel 10.37Afwijking bij bijzondere omstandigheden
Artikel 10.38Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging
Artikel 10.39Voorzieningen en scholing
HOOFDSTUK 11.HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPEN UNIVERSITEIT
Paragraaf 1.Het bestuur van de Open Universiteit
Artikel 11.1.Algemene bevoegdheden van het college van bestuur
Artikel 11.2.Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
Artikel 11.3.Bestuurs- en beheersreglement; onderwijs- en examenregeling
Artikel 11.4.Verantwoordings- en inlichtingenplicht van het college van bestuur
Artikel 11.5.Samenstelling raad van toezicht; financiële regeling leden
Artikel 11.6.Taken en bevoegdheden van de raad van toezicht
Artikel 11.7.Verantwoordings- en inlichtingenplicht van de raad van toezicht
Paragraaf 2.Onderwijs
Artikel 11.8.Opleidingen Open Universiteit
Artikel 11.9.Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
Artikel 11.10.College voor promoties
Artikel 11.11.Opleidingscommissies
Paragraaf 3.Schorsing en vernietiging van besluiten
Artikel 11.12.Schorsing en vernietiging van besluiten examencommissies
Paragraaf 4.Medezeggenschap studenten
Artikel 11.13.Studentenraad
Artikel 11.14.Reglement voor de studentenraad
Artikel 11.15.Adviesbevoegdheid
Artikel 11.16.Geschil instemmingsbevoegdheid
HOOFDSTUK 12.HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE ACADEMISCHE ZIEKENHUIZEN
Artikel 12.1.Reikwijdte
Titel 1.Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
Paragraaf 1.Algemene bepalingen
Artikel 12.2.Algemene bepalingen
Paragraaf 2.De openbare academische ziekenhuizen
Artikel 12.3.Bestuursorganen academisch ziekenhuis, afbakening bevoegdheden raad van bestuur en raad van toezicht
Artikel 12.4.Raad van bestuur, omvang, samenstelling, benoeming en ontslag leden
Artikel 12.5.Rechtspositie leden raad van bestuur
Artikel 12.6.Taken raad van bestuur
Artikel 12.7.Bestuursreglement
Artikel 12.8.Verantwoordingsplicht raad van bestuur
Artikel 12.9.Vertegenwoordiging academisch ziekenhuis
Artikel 12.10.Raad van toezicht, omvang en samenstelling, benoeming en ontslag, financiële regeling leden
Artikel 12.11.Deelneming aan vergaderingen raad van toezicht
Artikel 12.12.Taken raad van toezicht
Artikel 12.13.Verantwoordingsplicht raad van toezicht
Artikel 12.14.[vervallen]
Artikel 12.15.Afdelingen en andere onderdelen
Artikel 12.16.Afdelingshoofden, hoogleraren en ander wetenschappelijk personeel
Artikel 12.17.Stafconvent, taak en samenstelling
Paragraaf 3.De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten
Artikel 12.18.Structuurregeling, inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis
Titel 2.Het gemeenschappelijk beleidsorgaan
Artikel 12.19.Oprichting en taak gemeenschappelijk beleidsorgaan
Artikel 12.20.Gemeenschappelijke regeling
Artikel 12.21.Bijzondere taak gemeenschappelijk beleidsorgaan
Titel 3.Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan
Artikel 12.22.Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan
Titel 4.Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur
Artikel 12.23.Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur
HOOFDSTUK 13.HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE INSTELLINGEN VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Titel 1.Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
Artikel 13.1.Het algemeen bestuur en de algemene vergadering
Artikel 13.2.Het reglement
Titel 2.Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek
Artikel 13.3.Het algemeen bestuur
Artikel 13.4.Verantwoordingsplicht algemeen bestuur
Artikel 13.5.Bibliothecaris
Artikel 13.6.Reglement
Titel 3.Overige bepalingen
Artikel 13.7.[vervallen]
Artikel 13.8.Openbaarheid
Artikel 13.9.Schorsing en vernietiging van besluiten
Artikel 13.10.Gevolgen schorsing en vernietiging
Artikel 13.11.Voorziening na schorsing en vernietiging
HOOFDSTUK 14.BEROEP OP DE ADMINISTRATIEVE RECHTER
Artikel 14.1.Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Artikel 14.2.Intreden gevolgen van toekenning van rechten na beroep
HOOFDSTUK 15.INHOUDING BEKOSTIGING, SCHADEVERGOEDING EN STRAFBEPALINGEN
Artikel 15.1.Inhouding bekostiging
Artikel 15.2.Schadevergoeding niet-gerechtigde deelname onderwijs
Artikel 15.3.Geldboete niet-gerechtigde deelname onderwijs
Artikel 15.4.Geldboete niet-nakoming identificatieplicht
Artikel 15.5.Geldboete ten onrechte afgegeven getuigschriften
Artikel 15.6.Geldboete niet-gerechtigde verlening titels
Artikel 15.7.Karakter strafbare feiten
HOOFDSTUK 16.OVERGANGS-, INVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN
Titel 1.Intrekking wetten en besluiten
Artikel 16.1.Intrekking wetten en besluiten
Titel 2.Voorzieningen voor onbepaalde tijd
Artikel 16.2.Getuigschriften, titulatuur
Artikel 16.3.Handhaving voorschriften oude stijl
Artikel 16.4.Aanspraken gewezen personeel instellingen hoger onderwijs
Artikel 16.5.[vervallen]
Artikel 16.6.Overgangsbepaling Abp-wet
Artikel 16.6a.Overgangsrecht studieadvies en verwijzing in postpropedeutische fase
Artikel 16.7.Voorbereidende perioden kuo
Artikel 16.8.Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën
Titel 3.Tijdelijke handhaving voorschriften oude stijl
Artikel 16.9.Afwijkende vooropleidingseisen
Artikel 16.9a.Overgangsrecht selectieprocedure bij opleidingen met een toelatingsbeperking
Artikel 16.10.Tijdelijke regeling lerarenopleidingen en bevoegdheden van docenten
Artikel 16.10aTijdelijke garanties voor door academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening over te nemen personeel
Titel 4.Voorschriften i.v.m. invoering wet
Paragraaf 1.Voorschriften betreffende de instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 16.11.Overgangsrecht hogescholen
Artikel 16.12.Overgangsrecht met betrekking tot gemeente van vestiging universiteiten
Artikel 16.13.Tijdelijke handhaving erkenningen WEO
Artikel 16.14.Overgangsrecht aangewezen onderwijs
Artikel 16.15.Indeling bestaand onderwijs in Centraal register opleidingen hoger onderwijs; handhaving vooropleidingseisen
Artikel 16.15a.Tijdelijke handhaving titel drs. bij opleidingen op het gebied van het recht
Artikel 16.16.Overgangsvoorziening opleidingen tweede fase
Artikel 16.17.Eerste onderwijs- en examenregeling
Artikel 16.18.Staatsexamens
Artikel 16.19.Omzetting eerder afgelegde examenonderdelen in studiepunten
Artikel 16.20.Overgangsrecht aanvang studiejaar hoger beroepsonderwijs
Artikel 16.21.Eerste toepassing capaciteitsbeperking
Artikel 16.22.Tijdelijke regeling arbeidsmarktfixus
Artikel 16.23.Tijdelijke handhaving regeling overleg en rechtspositieregelingen
Artikel 16.24.Opleidingen godgeleerdheid, opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt
Artikel 16.25.Start HOOP-cyclus
Artikel 16.26.Eerste toepassing bekostigingsbepalingen; afwijkende bekostiging
Artikel 16.27.Opheffing PAO-organen
Artikel 16.28.Overgangssamenstelling college van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 16.29.Tijdelijke voorziening reglement van orde
Artikel 16.30.Tijdelijke handhaving procesrecht colleges van beroep
Artikel 16.31.Verhoging college- en examengeld
Artikel 16.32.Extraneusinschrijving bij lerarenopleidingen
Artikel 16.33.Tijdelijke handhaving Reglement CRIHO
Artikel 16.34.[vervallen]
Artikel 16.35.[vervallen]
Artikel 16.36.[vervallen]
Artikel 16.37.[vervallen]
Paragraaf 2.Voorschriften betreffende de onderzoekinstellingen
Artikel 16.38.Voortbestaan rechtspersoon KNAW
Artikel 16.39.Tijdelijke handhaving reglement KNAW
Artikel 16.40.Voorziening in reglement KNAW door minister
Artikel 16.41.Overgangssamenstelling bestuur KNAW
Artikel 16.42.Overgangsvoorziening besluiten KNAW
Artikel 16.42a.Overgangsregeling registergoederen KNAW
Artikel 16.42b.Vrijstelling overdrachtsbelasting KNAW
Artikel 16.43.Omzetting dienstcommissies KNAW en KB
Artikel 16.44.Tijdelijke voorziening in reglement KB
Artikel 16.45.Voorziening in reglement KB door minister
Artikel 16.46.Overgangssamenstelling bestuur KB
Artikel 16.47.Overgangsvoorziening besluiten KB
Artikel 16.48.Overgangsregeling zittend personeel KB
Artikel 16.49.Overgangsregeling lasten, plichten, rechten, goederen KB
Artikel 16.50.Vrijstelling overdrachtsbelasting KB
Paragraaf 3.Aanhangige beroepen
Artikel 16.51.Aanhangige beroepen
Titel 5.[vervallen]
Artikel 16.52.[vervallen]
Artikel 16.53.[vervallen]
Artikel 16.54.[vervallen]
Artikel 16.55.[vervallen]
Artikel 16.56.[vervallen]
Artikel 16.57.[vervallen]
Artikel 16.58.[vervallen]
Artikel 16.59.[vervallen]
Artikel 16.60.[vervallen]
Artikel 16.61.[vervallen]
Artikel 16.62.[vervallen]
Artikel 16.63.[vervallen]
Artikel 16.64.[vervallen]
Artikel 16.65.[vervallen]
Artikel 16.66.[vervallen]
Artikel 16.67.[vervallen]
Artikel 16.68.[vervallen]
Artikel 16.69.[vervallen]
Artikel 16.70.[vervallen]
Artikel 16.71.[vervallen]
Artikel 16.72.[vervallen]
Artikel 16.73.[vervallen]
Artikel 16.74.[vervallen]
Artikel 16.75.[vervallen]
Artikel 16.76.[vervallen]
Artikel 16.77.[vervallen]
Artikel 16.78.[vervallen]
Artikel 16.79.[vervallen]
Artikel 16.80.[vervallen]
Artikel 16.81.[vervallen]
Artikel 16.82.[vervallen]
Artikel 16.83.[vervallen]
Titel 6.Evaluatie, inwerkingtreding, citeertitel
Artikel 16.84.Evaluatie
Artikel 16.85.Inwerkingtreding
Artikel 16.86.Citeertitel
 
Bijlage De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL 1. DEFINITIES EN TAAKOMSCHRIJVING

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;

d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;

e. initieel onderwijs: hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs;

f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;

g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a of b;

h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de overheid;

i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

j. instellingsbestuur:

– voorzover het een bijzondere instelling betreft: het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan die instelling uitgaat;

– voorzover het een openbare instelling, uitgaande van een gemeente, betreft: het college van burgemeester en wethouders voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk acht, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

– voorzover het een openbare instelling betreft, uitgaande van een openbaar lichaam ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling: het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan;

– voorzover het een openbare instelling, uitgaande van het Rijk, betreft: Onze minister;

– voorzover het een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake bevoegde orgaan;

k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

l. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 5.1;

m. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3;

n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, of artikel 7.7a;

o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleiding voor het beroep van arts is ingesteld;

p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;

q. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.

Artikel 1.2. Reikwijdte

Deze wet heeft betrekking op:

a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit,

b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn aangewezen,

c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

Artikel 1.3. Universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit
  • 1. Universiteiten hebben het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek tot taak. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

  • 2. Hogescholen hebben het verzorgen van hoger beroepsonderwijs tot taak. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.

  • 3. De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. In elk geval verzorgt zij initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.

  • 4. De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.

Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen
  • 1. Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.

  • 2. De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 165 van de Wet op de expertisecentra en artikel 280 van de Wet op het voortgezet onderwijs informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.

  • 3. Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

  • 4. Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.

Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
  • 1. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.

  • 2. De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In elk geval draagt zij zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken.

Artikel 1.6. Academische vrijheid

Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

TITEL 2. DE INSTELLINGEN

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
  • 1. De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met h.

  • 2. De in de bijlage van deze wet onder a, c en h genoemde instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.

  • 3. Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.

Artikel 1.9. Bekostiging en getuigschriften
  • 1. Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c en h genoemde instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet genoemde instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.

  • 2. Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de bekostigde instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.

  • 3. Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

    a. de kwaliteitszorg,

    b. de planning en bekostiging,

    c. het personeel,

    d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    e. de vooropleidingseisen,

    f. de studenten en extraneï,

    g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

    h. het bestuur en de inrichting.

  • 4. Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek is het derde lid, onder d, voor wat betreft het onderwijs, de examens en de promoties, e en h, niet van toepassing, maar geldt als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.

  • 5. De in het vierde lid bedoelde regeling alsmede wijzigingen daarvan worden door het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van Onze minister. Zij wordt geacht te beantwoorden aan de in het vierde lid genoemde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het instellingsbestuur gerichte brief heeft verklaard tegen de regeling of de desbetreffende wijziging daarvan uit oogpunt van voldoende waarborg van deugdelijkheid bedenkingen te hebben.

  • 6. Indien de bedenkingen, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden worden ondervangen, kan Onze minister besluiten dat aan de desbetreffende opleiding de rechten, genoemd in het eerste en tweede lid, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in hoofdstuk 6, titel 1, bepaalde. Artikel 6.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.10. Aard bepalingen
  • 1. De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7 met uitzondering van titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titels 1 en 2, 10, met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33, en 11 regelen het openbaar hoger onderwijs.

  • 2. De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7, met uitzondering van titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titel 3, en 10, titel 1, paragrafen 1, 2 en 4, titel 3, zijn voor het bijzonder hoger onderwijs, met uitzondering van artikel 9.51 voorzover het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, betreft en artikel 10.33, voorwaarden voor bekostiging. Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, gelden in plaats van de bepalingen van hoofdstuk 7, titels 1 en 2, de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, als zodanige voorwaarden.

Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.11. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs

Andere instellingen voor hoger onderwijs dan die genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen worden aangewezen.

Artikel 1.12. Titulatuur en getuigschriften aangewezen instellingen
  • 1. Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de aangewezen instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.

  • 2. Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

    a. de kwaliteitszorg,

    b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

    c. de vooropleidingseisen.

  • 3. Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.

  • 4. Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.

Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid
  • 1. Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel i van de bijlage van deze wet.

  • 2. De academische ziekenhuizen, genoemd in onderdeel i, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen
  • 1. De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden.

  • 2. Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

    a. de planning en bekostiging,

    b. het personeel, en

    c. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.15. Aard bepalingen
  • 1. De bepalingen van de hoofdstukken 2, artikelen 2.10, 2.12 en 2.13, 4 en 12, met uitzondering van artikel 12.18, regelen de academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten.

  • 2. De bepalingen van de hoofdstukken 2, artikelen 2.10, 2.12 en 2.13, 4 en 12, artikelen 12.2 en 12.18, zijn met betrekking tot de academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.17. Bekostiging
  • 1. De in artikel 1.16 genoemde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hebben aanspraak op een bijdrage uit 's Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden.

  • 2. Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

    a. de kwaliteitszorg,

    b. de planning en bekostiging,

    c. het personeel, en

    d. het bestuur en de inrichting.

  • 3. De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

TITEL 3. KWALITEITSZORG

Artikel 1.18. Kwaliteitszorg
  • 1. Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.

  • 2. Onze minister ziet toe op de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen. Voorzover het betreft het hoger onderwijs geschiedt dit onderzoek overeenkomstig hoofdstuk 5. Daarbij wordt de eigen aard van de bijzondere instelling in acht genomen.

HOOFDSTUK 2. PLANNING EN BEKOSTIGING

Artikel 2.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat artikel 2.13 en titel 5 niet van toepassing zijn en dat artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen. Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.

TITEL 1. PLANNING

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan
  • 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

  • 2. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 3. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:

    a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

    b. voornemens met betrekking tot beperking van inschrijving op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt, alsmede

    c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan
  • 1. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt om het andere jaar uiterlijk 31 januari vastgesteld.

  • 2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen deelt in september van het jaar, voorafgaand aan het tijdstip waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

  • 3. Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en in de Staatscourant.

TITEL 2. BEKOSTIGING

Artikel 2.5. Rijksbijdrage
  • 1. De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 1.17, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze minister te bepalen wijze.

  • 2. Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

  • 3. De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het dienstverband van zodanig personeel.

  • 4. Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader bepaald.

  • 5. De rijksbijdrage wordt uitgekeerd volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

  • 6. Zolang de rijksbijdrage niet is bepaald of nader bepaald, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6. Algemene berekeningswijze
  • 1. De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

  • 2. Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van opleidingen.

  • 3. De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.

  • 4. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 2.7. Mededeling geraamde en vastgestelde rijksbijdrage
  • 1. Onze minister deelt elke instelling jaarlijks in september mede welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.

  • 2. Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid, bedoelde nadere bepaling van de rijksbijdrage.

Artikel 2.7a. Aanvullende rijksbijdrage in verband met kwaliteit en studeerbaarheid
  • 1. Onze minister kan, in afwijking van de artikelen 2.5 tot en met 2.7, op verzoek van het instellingsbestuur een aanvullende rijksbijdrage verlenen in verband met de voortgaande bevordering van de kwaliteit van het onderwijs in die instelling en de verbetering van de organisatie en inrichting van de onderwijsprogramma's. Aan die verlening kunnen verplichtingen worden verbonden.

  • 2. Onze minister kan voor de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, een bijdrageplafond instellen. Hij kan weigeren de aanvullende rijksbijdrage toe te kennen wegens overschrijding van dat plafond.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden de criteria voor de verlening, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 2.8. Begroting
  • 1. Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.

  • 2. De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader bepaalde rijksbijdrage.

  • 3. Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader bepaalde rijksbijdrage.

  • 4. Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.

  • 5. Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels.

Artikel 2.9. Verslaglegging
  • 1. Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan.

  • 2. In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.

  • 3. Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (Stb. 1962, 258). Die verklaring heeft mede betrekking op de gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid. Bij de aanwijzing van de registeraccountant wordt bedongen dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de registeraccountant.

  • 4. Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.

  • 5. Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

  • 6. De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.

Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Artikel 2.11. Bijzondere bepalingen universitaire eerstegraadslerarenopleidingen

Een in artikel 7.5 bedoelde universiteit en de daarmee samenwerkende hogescholen bereiken jaarlijks overeenstemming over de besteding van dat gedeelte van de rijksbijdrage dat blijkens mededeling van Onze minister ten behoeve van de desbetreffende lerarenopleiding beschikbaar is. Het bestuur van de universiteit keert, zodra de in artikel 2.5 bedoelde uitkering van de rijksbijdrage dan wel verstrekking van een voorschot daarop heeft plaatsgevonden, aan de met die universiteit samenwerkende hogescholen de gelden uit waarop die instellingen op grond van de in de eerste volzin bedoelde overeenstemming aanspraak hebben.

Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit keert, zodra de in artikel 2.5 bedoelde uitkering van de rijksbijdrage dan wel verstrekking van een voorschot daarop heeft plaatsgevonden, aan het met die universiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld de gelden uit waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen
  • 1. Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze minister.

  • 2. Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.

  • 4. Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn bekostigd en hiervoor geen rijksbijdrage werd verleend, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.

TITEL 3. RICHTLIJN

Artikel 2.14. Richtlijn

Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het verslag.

TITEL 4. BIJZONDERE BEPALINGEN IN VERBAND MET INVESTERINGEN EN LENINGEN

Artikel 2.15. Waarborgfonds hogescholen
  • 1. Elke instelling is aangesloten bij de door de instellingsbesturen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk. Deze rechtspersoon stelt zich ten doel zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het instellingsbestuur aangegane leningen door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds, dat uitsluitend de in dit artikel genoemde functies uitoefent.

  • 2. De leden van het bestuur van het fonds worden benoemd door de instellingsbesturen. De leden stemmen zonder last of ruggespraak.

  • 3. Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.

  • 4. Het instellingsbestuur kan het fonds verzoeken zich geheel of gedeeltelijk borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit een door het instellingsbestuur afgesloten lening.

  • 5. Het fonds kan aan het verlenen van een waarborg algemeen geldende voorwaarden verbinden met betrekking tot de vorm van de te waarborgen lening en met betrekking tot een door de instelling aan het fonds te betalen borgstellingsvergoeding. Een verzoek om borgstelling van een instelling dat aan deze algemene voorwaarden voldoet kan, onverminderd het bepaalde in het negende lid, niet worden geweigerd.

  • 6. Het instellingsbestuur legt jaarlijks een afschrift van de vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en het vastgestelde verslag als bedoeld in artikel 2.9 over aan het bestuur van het fonds.

  • 7. Indien het aan het instellingsbestuur bij de vaststelling van de begroting blijkt dat het op enig moment in het kalenderjaar waarop die begroting betrekking heeft, niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, meldt het instellingsbestuur dit voor de aanvang van het in dit artikellid bedoelde kalenderjaar aan het fonds. Binnen acht weken na de melding, bedoeld in de eerste volzin, legt het instellingsbestuur aan het fonds een door hem vastgesteld saneringsplan over, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling hersteld kan worden. Het bestuur van het fonds kan ten aanzien van het saneringsplan voorwaarden van financiële aard stellen die zijn gericht op het herstel van het financieel evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de instelling, die door de instelling in het door haar vastgestelde saneringsplan worden opgenomen.

  • 8. Indien het aan het instellingsbestuur in de loop van een kalenderjaar blijkt dat het niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, terwijl dat bij de vaststelling van de begroting met betrekking tot dat kalenderjaar niet was voorzien, meldt het instellingsbestuur dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voordat de toestand, bedoeld in deze volzin, intreedt aan het fonds. De tweede en derde volzin van het zevende lid zijn van toepassing.

  • 9. Indien een lening, waarvan de instelling bij het fonds om borging verzoekt, naar het oordeel van het fonds tot gevolg heeft dat het instellingsbestuur niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, bepaalt het bestuur van het fonds dat de borging niet wordt verleend dan nadat een door het instellingsbestuur vastgesteld saneringsplan is overgelegd dan wel geheel of gedeeltelijk is uitgevoerd, waarin is aangegeven op welke wijze het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling kan worden behouden dan wel hersteld. De derde volzin van het zevende lid is van toepassing.

  • 10. Het negende lid is niet van toepassing op de leningen die door het instellingsbestuur worden afgesloten in verband met de betaling van het bedrag, bedoeld in artikel II van de Wet van 11 november 1993, Stb. 628, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.

  • 11. Indien een of meer voorwaarden van het fonds als bedoeld in het zevende tot en met negende lid, de vrijheid van inrichting van het onderwijs in ernstige mate aantast, kan het instellingsbestuur daartegen beroep instellen bij Onze minister. Op het beroep zijn de hoofdstukken 6 en 7, met uitzondering van de artikelen 7:24 en 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

  • 12. Onze minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het beroepschrift. Indien Onze Minister het beroep gegrond acht, bepaalt hij dat een of meer van de voorwaarden niet in het saneringsplan behoeven te worden opgenomen. De instelling stelt met inachtneming van de uitspraak van Onze Minister het saneringsplan opnieuw vast en treedt daarover in overleg met het fonds. De laatste twee volzinnen van het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 13. Indien een instelling één of meer leningen bij het fonds heeft geborgd, dient de instelling voorafgaand aan het aangaan van leningen waarvoor de instelling het fonds niet om borging verzoekt, dit te melden aan het fonds.

  • 14. Van de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, kan Onze minister op verzoek van het bestuur van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts, indien het instellingsbestuur aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.

  • 15. Het fonds kan batig saldo uitkeren aan de instellingen. De instellingen besteden deze uitkeringen ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling, waarvoor de rijksbijdrage wordt verstrekt.

  • 16. De statuten van de rechtspersoon die het fonds in stand houdt voldoen aan het gestelde in dit artikel.

Artikel 2.16. Opheffing instellingen
  • 1. Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant, als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (Stb. 1962, 258).

  • 2. Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.

  • 3. Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.

Artikel 2.17. Beheer van de middelen

Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

TITEL 5. SUBSIDIËRING ACADEMISCHE ZIEKENHUIZEN TEN BEHOEVE VAN DE EDUCATIEVE VOORZIENING

Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening
  • 1. Jaarlijks verstrekt Onze minister een subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, in stand houdt, ter tegemoetkoming in de kosten van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in de artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs, 18a van de Wet op de expertisecentra, 18 en 138a van de Wet op het voortgezet onderwijs en 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

  • 2. De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertise-centra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.

  • 3. Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.

Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

Artikel 2.20. Controle en terugvordering
  • 1. Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

  • 2. Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.

HOOFDSTUK 3. OVERLEG

Artikel 3.1. Algemeen overleg

  • 1. Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.

  • 2. Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.

Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, en 7.56, eerste lid, onder b, en 7.56a, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties

  • 1. Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

  • 2. Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden.

HOOFDSTUK 4. HET PERSONEEL

Artikel 4.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van artikel 4.2, derde tot en met vijfde lid, dat uitsluitend betrekking heeft op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit.

Artikel 4.2. Personeelsbeleid

  • 1. Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

  • 2. Onze minister kan het instellingsbestuur van een universiteit richtlijnen geven met betrekking tot het minimum aantal assistenten in opleiding.

  • 3. Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.

  • 4. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

  • 5. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.

Artikel 4.3. Georganiseerd overleg

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de algemene rechtstoestand van het personeel van de instellingen wordt door Onze minister overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens de gevallen bepaald waarin in dat overleg overeenstemming met de vakorganisaties dient te worden bereikt.

Artikel 4.4.

[vervallen]

Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie

  • 1. Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:

    a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, onderscheidenlijk

    b. rechten en plichten van het personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

  • 4. Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5. Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 10.22, eerste lid, en artikel 12.14, derde lid, door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.

Artikel 4.6.

[vervallen]

Artikel 4.7. Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen

  • 1. Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, door of namens het instellingsbestuur genomen, inhoudende:

    a. een disciplinaire maatregel,

    b. schorsing,

    c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,

    d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of

    e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

  • 2. Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een of meer instellingen.

  • 3. De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, een of meer plaatsvervangende voorzitters. De besturen en het personeel van de aangesloten instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

  • 4. De leden en de eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep mogen geen lid zijn van het bestuur van een aangesloten instelling noch deel uitmaken van het personeel van de vereniging of stichting waarvan die instelling uitgaat.

  • 5. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter- zake te doen horen.

  • 6. De uitspraak van de commissie van beroep is voor het instellingsbestuur bindend.

  • 7. De besturen van de aangesloten instellingen stellen voor de commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. Bij of krachtens het beroepsreglement worden geregeld:

    a. de omvang en samenstelling van de commissie van beroep,

    b. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep,

    c. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap eindigt,

    d. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder begrepen de inhoud en indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede

    e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzien.

  • 8. Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.

  • 9. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen terzake van besluiten die aan het oordeel van de commissie van beroep zijn onderworpen.

HOOFDSTUK 5. HET TOEZICHT

Artikel 5.1. Opdracht tot toezicht, inspectie

  • 1. Het toezicht op het hoger onderwijs, met uitzondering van het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, is opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het onderwijs onder leiding van de inspecteur-generaal van het onderwijs.

  • 2. Het toezicht op het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving is opgedragen aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het landbouwonderwijs.

Artikel 5.2. Uitoefening toezicht door inspectie

De inspectie is belast met:

a. het onderzoek betreffende het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.18, tweede lid,

b. het bekend blijven met de toestand van het hoger onderwijs onder meer door bezoek aan de instellingen voor hoger onderwijs,

c. het toezien op de naleving van de op het hoger onderwijs betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen en reglementen,

d. het desgevraagd of uit eigen beweging rapporteren aan Onze minister over de toestand van het hoger onderwijs en het doen van voorstellen die zij in het belang van dat onderwijs nodig acht, en met

e. het bijdragen aan de ontwikkeling van het hoger onderwijs door overleg met de organen van de instellingen voor hoger onderwijs alsmede met personeel en studenten van die instellingen.

Artikel 5.3. Commissies van onafhankelijke deskundigen

  • 1. Ter uitvoering van artikel 5.2, onder a, kan de inspectie commissies van onafhankelijke deskundigen instellen. Zij draagt zorg voor de organisatie en administratieve ondersteuning van die commissies.

  • 2. Een commissie als bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een door de inspectie te bepalen aantal deskundigen. De inspectie benoemt de voorzitter en de overige leden. Aan hen kan een tegemoetkoming, vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de commissie.

  • 3. De commissie maakt een verslag van haar werkzaamheden en bevindingen. Zij zendt dit verslag door tussenkomst van de inspectie aan Onze minister. Onze minister maakt het verslag, vergezeld van zijn oordeel, openbaar uiterlijk twee maanden nadat het verslag door hem is ontvangen.

  • 4. Voordat de commissie tot verzending van haar verslag overgaat, stelt zij de betrokken instelling of instellingen in de gelegenheid daarvan kennis te nemen en desgewenst met haar binnen een door haar te bepalen termijn overleg te plegen. Indien binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn geen overleg heeft plaatsgevonden dan wel in dat overleg geen overeenstemming wordt bereikt over door de betrokken instelling of instellingen gewenste wijzigingen van het verslag, wordt daarvan in een bijlage bij dat verslag melding gemaakt met alle in verband daarmede van belang zijnde gegevens.

Artikel 5.4. Toegang en inlichtingen inspectie en leden commissies

  • 1. De inspectie en de leden van de commissies, bedoeld in artikel 5.3, hebben steeds toegang tot de instelling voor hoger onderwijs.

  • 2. De organen van de instelling voor hoger onderwijs alsmede het personeel van die instelling zijn gehouden alle door de inspectie of de leden van de commissies, bedoeld in artikel 5.3, gevraagde inlichtingen omtrent de instelling te geven.

Artikel 5.5. Uitoefening toezicht in overleg met andere ministers

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, pleegt de inspectie overleg met door Onze minister welke het aangaat, aangewezen ambtenaren.

HOOFDSTUK 6. ONDERWIJSAANBOD

Artikel 6.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van titel 4, en wat betreft de titels 2 en 3, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

TITEL 1. OPLEIDINGEN BEKOSTIGDE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS

Artikel 6.2. Onderwijsaanbod

Het instellingsbestuur neemt bij de instelling van nieuwe opleidingen en de beëindiging van bestaande opleidingen in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs.

Artikel 6.3. Adviescommissie onderwijsaanbod
  • 1. Onze minister stelt een adviescommissie onderwijsaanbod in, belast met de beoordeling van de doelmatigheid van de opleidingen die de instellingen voornemens zijn te verzorgen. De commissie betrekt daarbij de behoeften aan hoger onderwijs en onderzoek, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs en mede gelet op de spreiding van de voorzieningen. De commissie houdt daarbij rekening met het profiel van de instellingen.

  • 2. De commissie is tevens belast met de beoordeling of al dan niet sprake is van een nieuwe opleiding in de zin van het eerste lid, indien het instellingsbestuur voornemens is een wijziging aan te brengen in de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder d.

  • 3. De commissie bestaat uit vijf leden. De leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van vier jaar.

  • 4. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door ontslag op eigen verzoek en ontslag om zwaarwichtige redenen. Aan het ontslag om zwaarwichtige redenen kan een schorsing vooraf gaan.

  • 5. Degene die een tussentijds opengevallen plaats vervult, treedt af op hetzelfde tijdstip, waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.

  • 6. Onze minister kan aan de leden een tegemoetkoming toekennen.

Artikel 6.4. Onthouding rechten ten aanzien van nieuwe opleidingen
  • 1. Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden indien de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet doelmatig kan worden geacht.

  • 2. Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, beëindigd wordt.

  • 3. Onze minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste lid voor 1 juni van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs en doet de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, daarvan mededeling. Wanneer Onze minister daarbij afwijkt van het standpunt van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, doet hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal daarvan mededeling.

Artikel 6.5. Ontneming rechten ten aanzien van bestaande opleidingen
  • 1. Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden indien:

    a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest,

    b. de verzorging van de opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, dan wel

    c. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.

  • 2. Artikel 6.4, tweede lid, is van toepassing.

  • 3. Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan bestaande opleidingen
  • 1. Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onder a dan wel c, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

  • 2. Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onder b, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte. In dat tijdvak kan het instellingsbestuur het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, over dat voornemen vragen. Indien het instellingsbestuur dat oordeel vraagt, gaat de bekendmaking van het voornemen aan de Tweede Kamer van dat oordeel vergezeld.

Artikel 6.7.

[vervallen]

Artikel 6.8. Onthouding rechten aan nieuwe opleidingen

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, die op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onder a, is beëindigd. Artikel 6.4, tweede lid, is van toepassing.

TITEL 2. AANWIJZING EN INTREKKING AANWIJZING VAN NIET BEKOSTIGDE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS

Artikel 6.9. Aanwijzing van instellingen
  • 1. Het besluit tot aanwijzing van een andere dan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling voor hoger onderwijs wordt genomen door Onze minister.

  • 2. Het besluit tot aanwijzing wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs, alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede onderscheidenlijk derde lid, bedoelde voorwaarde.

  • 3. Het besluit tot aanwijzing van universiteiten wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek.

  • 4. Het besluit tot aanwijzing kan slechts worden genomen op een daartoe strekkende aanvraag van het instellingsbestuur.

Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan de aanwijzing van bestaande opleidingen
  • 1. Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen indien:

    a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, dan wel

    b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.

  • 2. Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

  • 3. Artikel 6.5, derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6.11. Onthouding rechten verbonden aan de aanwijzing van nieuwe opleidingen

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden onthouden:

a. indien die opleiding niet kan worden beschouwd als wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs, dan wel

b. indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen, die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een door diezelfde instelling verzorgde opleiding die op grond van artikel 6.10, eerste lid, onder a, is beëindigd.

Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing instelling
  • 1. Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.

  • 2. De aanwijzing kan door Onze minister worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede of derde lid, bedoelde voorwaarden. Artikel 6.10, vierde lid, is van toepassing.

TITEL 3. HET CENTRAAL REGISTER OPLEIDINGEN HOGER ONDERWIJS

Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
  • 1. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

  • 2. Het register wordt jaarlijks voor 1 juli bekendgemaakt. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Het register heeft betrekking op het studiejaar dat aanvangt in het kalenderjaar na die bekendmaking.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, en taal en cultuur. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

  • 4. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding de volgende gegevens:

    a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,

    b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

    c. de indeling in het register,

    d. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.15, daaronder ten minste begrepen afstudeerrichtingen binnen opleidingen en differentiaties binnen opleidingen op het gebied van de kunst en binnen lerarenopleidingen op het gebied van de kunst,

    e. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

    f. de studielast,

    g. of aan de opleiding een propedeutisch examen is verbonden en tevens een kandidaatsexamen,

    h. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

    i. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

    j. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

    k. de gemeente waar de opleiding wordt verzorgd;

    l. de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.

  • 5. Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 6.14. De registratieprocedure
  • 1. Het instellingsbestuur meldt elke nieuwe opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen aan voor registratie.

  • 2. De aanmelding geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs, onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een nieuwe opleiding of van een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder d, voegt het bestuur van een bekostigde instelling het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderscheidenlijk bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, alsmede de schriftelijke bewijsstukken waaruit de juistheid van de overgelegde gegevens blijkt. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft.

  • 3. De Informatie Beheer Groep registreert de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en doet de commissie, bedoeld in artikel 6.3, daarvan mededeling.

  • 4. Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door de Informatie Beheer Groep te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Onverminderd artikel 6.15 weigert de Informatie Beheer Groep registratie in het register uitsluitend, indien de Informatie Beheer Groep de gegevens, daaronder begrepen het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien Onze minister, in afwijking van het oordeel van de commissie, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, in redelijkheid van oordeel is dat een nieuwe opleiding wordt ingesteld, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister evenmin in redelijkheid passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

  • 5. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een beslissing houdende weigering van registratie als bedoeld in het vierde lid en doet de commissie, bedoeld in artikel 6.3, daarvan mededeling. Indien de weigering gegrond is op de indeling van de opleiding, maakt Onze minister de beslissing houdende weigering van de registratie bekend en doet daarvan mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

  • 6. Onverminderd het in dit artikel bepaalde ten aanzien van gegevens als bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder d, is dit artikel van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.

Artikel 6.15. Beëindiging registratie
  • 1. De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van een opleiding indien:

    a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,

    b. Onze minister met toepassing van artikel 6.4 dan wel 6.8 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden,

    c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel

    d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10, 6.11 of 6.12 heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de opleiding.

  • 2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de opleiding niet meer openstaat.

TITEL 4. BIJZONDERE BEPALINGEN VOORTGEZETTE KUNSTOPLEIDINGEN EN VOORTGEZETTE OPLEIDINGEN BOUWKUNST

Artikel 6.16. Bijzondere bepalingen voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst
  • 1. Ten aanzien van voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst als bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, bestaat uitsluitend aanspraak op de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, indien Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, zijn goedkeuring heeft gehecht aan de instelling van een dergelijke opleiding. De artikelen 6.4 en 6.8 zijn niet van toepassing.

  • 2. Bij zijn besluit neemt Onze minister in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het desbetreffende onderwijs.

  • 3. Onze minister kan aan de goedkeuring beperkingen verbinden ten aanzien van de gemeente of gemeenten waar het onderwijs wordt aangeboden. Artikel 7.17 is in een dergelijk geval niet van toepassing.

  • 4. De aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, geldt als verzoek om goedkeuring. De artikelen 6.3 en 6.14, tweede lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing.

  • 5. Onze minister neemt een besluit omtrent de goedkeuring vóór 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs. Indien Onze minister besluit tot goedkeuring, registreert de Informatie Beheer Groep de opleiding in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

HOOFDSTUK 7. ONDERWIJS

Artikel 7.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van artikel 7.17, en wat betreft de titels 1, 2 en 2a, met uitzondering van artikel 7.17, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

TITEL 1. HET ONDERWIJS, DE EXAMENS EN DE PROMOTIES

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens
Artikel 7.2. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,

b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of

c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden
  • 1. Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

  • 2. Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

  • 3. Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

  • 4. Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, onder goedkeuring van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.

  • 5. De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het vierde lid bedoelde goedkeuring aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.

  • 6. Elke opleiding, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in het vierde lid, wordt op de voet van hoofdstuk 6, titel 3 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

Artikel 7.4. Studielast en studiepunten
  • 1. De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. Een studiepunt is gelijk aan veertig uren studie. De studielast van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt in hele studiepunten.

  • 2. Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een opleiding 168 studiepunten.

  • 3. De studielast van opleidingen voor het beroep van tandarts en wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 210 studiepunten. De studielast van opleidingen voor het beroep van arts, dierenarts en apotheker bedraagt 252 studiepunten.

  • 4. De studielast van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen en van lerarenopleidingen speciaal onderwijs bedraagt 42 studiepunten. Deze opleidingen volgen op opleidingen met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van de opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken en van de deeltijdse hogere kaderopleiding pedagogiek, die volgen onderscheidenlijk mede volgen op opleidingen gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in algemene vakken, bedraagt 63 studiepunten.

  • 5. De studielast van voortgezette kunstopleidingen bedraagt ten hoogste 84 studiepunten. Deze opleidingen volgen op opleidingen op het gebied van de kunst met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van voortgezette opleidingen bouwkunst bedraagt 168 studiepunten. Deze opleidingen volgen op bouwkunde opleidingen op het gebied van de techniek met een studielast van 168 studiepunten.

  • 6. De studielast van de volgende opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt eveneens 210 studiepunten:

    a. biomedische technologie, bouwkunde, civiele techniek, elektrotechniek, geodesie, industrieel ontwerpen, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, materiaalkunde, maritieme techniek, technische aardwetenschappen, scheikundige technologie, technische informatica, technische natuurkunde, technische wiskunde, en werktuigbouwkunde aan de openbare universiteiten te Delft, Eindhoven en Enschede,

    b. biologie, informatica, natuurkunde, scheikunde, statistiek, sterrenkunde, technische farmacie, technische informatica, technische mechanica, technische natuurkunde, technische scheikunde, en wiskunde aan de openbare universiteit te Groningen,

    c. biologie, bioprocestechnologie, bodem, water en atmosfeer, bosbouw, landbouwplantenteelt, landbouwtechniek, landinrichtingswetenschappen, levensmiddelentechnologie, milieuhygiëne, moleculaire wetenschappen, tropisch landgebruik, tuinbouw, en zoötechniek aan de openbare universiteit te Wageningen,

    d. informatica, en informatietechnologie aan de Open Universiteit,

    e. bio-farmaceutische wetenschappen, biologie, informatica, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, en wiskunde aan de openbare universiteit te Leiden,

    f. bedrijfs- en industriële statistiek, biologie, fysische geografie, informatica, kunstmatige intelligentie, medische biologie, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, en wiskunde aan de openbare universiteit te Amsterdam,

    g. biologie, computational science, fundamentele biomedische wetenschappen, fysische geografie, geochemie, geofysica, geologie, informatica, medische biologie, meteorologie en fysische oceanografie, milieubiologie, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, en wiskunde aan de openbare universiteit te Utrecht,

    h. bedrijfswiskunde en informatica, biologie, farmacochemie, fysische geografie, geologie, informatica, kunstmatige intelligentie, medische biologie, milieuwetenschappen/aardwetenschappen, milieuwetenschappen/biologie, milieuwetenschappen/scheikunde, natuurkunde, scheikunde, en wiskunde aan de bijzondere universiteit te Amsterdam, en

    i. biologie, informatica, natuurkunde, natuurwetenschappelijke milieukunde, natuurwetenschappen, scheikunde, en wiskunde aan de bijzondere universiteit te Nijmegen.

  • 7. Het instellingsbestuur van een universiteit kan bepalen dat een opleiding, bedoeld in het tweede lid, een grotere studielast heeft dan 168 studiepunten.

  • 8. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat de student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in de artikelen 17b, eerste lid, en 17f, eerste lid, dan wel de norm vastgesteld krachtens de artikelen 17b, tweede lid, dan wel 17f, vierde lid, van de Wet op de studiefinanciering.

  • 9. Bij ministeriële regeling kunnen in het zesde lid worden opgenomen opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, op het gebied van de natuur en op het gebied van de gezondheidszorg met een studielast van 210 studiepunten, voorzover ten aanzien van die opleidingen de toestemming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen, is verleend.

Artikel 7.5. Bijzondere voorwaarden verzorging universitaire eerstegraads lerarenopleidingen
  • 1. Indien een in de bijlage van deze wet genoemde universiteit een opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs instelt voor vakken van voortgezet onderwijs waarvoor bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1986, 552), een aan een universiteit verkregen getuigschrift van met goed gevolg afgelegd examen van een universitaire eerstegraads lerarenopleiding van deze wet als bewijs van bekwaamheid van de eerste graad is aangewezen, geschiedt dit op basis van een overeenkomst van samenwerking, gesloten met een of meer in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen waaraan opleidingen voor leraar in het voortgezet onderwijs zijn verbonden. Deze samenwerking vindt plaats op voet van gelijkwaardigheid.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst regelt behalve de samenwerking met betrekking tot het verzorgen van de opleiding in elk geval ook de wijze van personele samenwerking.

  • 3. De besturen van de in het eerste lid bedoelde universiteiten treffen een regeling met betrekking tot de samenstelling van de examencommissie. Zij voorzien in samenwerking met een of meer scholen voor voortgezet onderwijs met het oog op de verzorging van het schoolpracticum. Bij de keuze van deze scholen houden de instellingsbesturen waar mogelijk rekening met de onderscheiden aspecten van openbaar en bijzonder onderwijs.

Artikel 7.6. Beroepsvereisten
  • 1. Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.

  • 2. Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke zijn neergelegd in de volgende Richtlijnen van de Raad van Europese Gemeenschappen:

    a. Richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG (PbEG, L 165) (ten aanzien van artsen);

    b. Richtlijn van 27 juni 1977, 77/453/EEG (PbEG, L 176) (ten aanzien van verpleegkundigen);

    c. Richtlijn van 25 juli 1978, 78/687/EEG (PbEG, L 233) (ten aanzien van tandartsen);

    d. Richtlijn van 18 december 1978, 78/1027/EEG (PbEG, L 362) (ten aanzien van dierenartsen);

    e. Richtlijn van 10 juni 1985, 85/385/EEG (PbEG, L 223) (ten aanzien van architecten);

    f. Richtlijn van 16 september 1985, 85/432/EEG (PbEG, L 253) (ten aanzien van apothekers).

  • 3. Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

Artikel 7.7. Voltijdse en deeltijdse inrichting van opleidingen; duale inrichting van opleidingen aan hogescholen
  • 1. Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds en deeltijds zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse onderscheidenlijk deeltijdse opleidingen.

  • 2. Opleidingen aan hogescholen kunnen tevens duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als duale opleidingen. Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.

  • 3. De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.

  • 4. In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven:

    a. de minimale studielast van het onderwijsdeel,

    b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en

    c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening.

  • 5. De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over:

    a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening,

    b. de begeleiding van de student,

    c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en

    d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

Artikel 7.7a. Duale inrichting van opleidingen aan universiteiten
  • 1. Onze minister kan toestaan dat een universiteit een daaraan verbonden opleiding tevens duaal inricht. Een zodanige opleiding wordt aangeduid als duale opleiding.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend, indien de duaal ingerichte opleiding:

    a. een voldoende wetenschappelijk karakter bezit,

    b. bijdraagt aan de ontwikkeling van het stelsel van hoger onderwijs, en

    c. voorziet in een maatschappelijke behoefte.

  • 3. Artikel 7.7, tweede lid, tweede en derde volzin, derde, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.

  • 4. Het gedeelte van de duale opleiding dat uit beroepsuitoefening bestaat, vindt niet plaats gedurende de propedeutische fase.

  • 5. Geen registratie als bedoeld in artikel 6.14 van het gegeven dat de opleiding tevens duaal wordt ingericht, vindt plaats, indien Onze minister de toestemming, bedoeld in het eerste lid, heeft geweigerd.

Artikel 7.8. Propedeutische fase en propedeutisch examen
  • 1. Een opleiding kent een propedeutische fase.

  • 2. Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden. De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 42 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale opleiding bedraagt 42 studiepunten.

  • 3. De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de opleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het einde van die fase.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin.

Artikel 7.8a. Kandidaatsfase en kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs
  • 1. Het instellingsbestuur kan in een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs na de propedeutische fase een kandidaatsfase onderscheiden.

  • 2. Aan de kandidaatsfase is een kandidaatsexamen verbonden. De studielast van de kandidaatsfase en de propedeutische fase tezamen bedraagt ten minste 126 studiepunten.

  • 3. In de kandidaatsfase van een opleiding wordt een samenhangend geheel van onderwijseenheden aangeboden. De student die het kandidaatsexamen met goed gevolg aflegt, beschikt over zodanige kennis en vaardigheden en over een zodanig inzicht dat hij in staat is een passende opleiding desgewenst aan een andere universiteit voort te zetten en met goed gevolg af te ronden.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin.

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase
  • 1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale opleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding. In geval van een deeltijdse opleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

  • 2. Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

  • 4. Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 5. Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

  • 6. Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

  • 7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase
  • 1. Indien een opleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing:

    a. op de studieresultaten van de student,

    b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of

    c. op een combinatie van a en b.

    Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 3. Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

  • 4. Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting.

  • 5. Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering
  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17b, eerste dan wel tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 17b van die wet van toepassing is, vast en deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd aan de betrokkene mee.

  • 2. Het instellingsbestuur deelt na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan de Informatie Beheer Groep mee welke studenten, bedoeld in het eerste lid, de norm van de studievoortgang bedoeld in artikel 17b, eerste dan wel tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering, met inachtneming van het bepaalde in artikel 31a, van die wet niet hebben behaald.

  • 3. Het instellingsbestuur stuurt gelijktijdig met de mededeling bedoeld in het tweede lid een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die over de betrokkene aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Het instellingsbestuur geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17f van de Wet op de studiefinanciering
  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17f, eerste dan wel vierde lid, van de Wet op de studiefinanciering van iedere aan de instelling ingeschreven student vast op wie artikel 17f van die wet van toepassing is, en deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd aan de betrokkene mee.

  • 2. Het instellingsbestuur deelt na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan de Informatie Beheer Groep mee welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het eerste lid, niet hebben behaald.

  • 3. Het instellingsbestuur stuurt gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die over de betrokkene aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Het instellingsbestuur geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

Artikel 7.9ba. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering
  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering van iedere aan de instelling ingeschreven student vast op wie artikel 17f van die wet van toepassing is, maar die niet aan dat artikel 17f voldeed. Het instellingsbestuur deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd aan de betrokkene mee.

  • 2. Artikel 7.9b, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 7.9bb. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering
  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering, van iedere aan de instelling ingeschreven student in de godgeleerdheid, die met een ontoereikend vakkenpakket zijn studie aanving, vast wanneer op hem artikel 17f van die wet van toepassing is en hij niet aan dat artikel 17f voldeed. Het instellingsbestuur deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, aan de betrokkene mee.

  • 2. Artikel 7.9b, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 7.9c. Aanleveren van gegevens in afwijking van de artikelen 7.9a, 7.9b, 7.9ba en 7.9bb

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder artikel 17b dan wel 17f van de Wet op de studiefinanciering vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a, eerste lid, artikel 7.9b, eerste lid, artikel 7.9ba, eerste lid, dan wel artikel 7.9bb, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, dan wel 7.9b, tweede lid.

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 17g, eerste lid, dan wel 17h, van de Wet op de studiefinanciering, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Artikel 7.9e. Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel 7.31a

Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Artikel 7.9f. Aanleveren gegevens duale opleiding

Het instellingsbestuur doet uiterlijk een bij ministeriële regeling te bepalen aantal maanden voor het begin van het studiejaar mededeling aan de Informatie Beheer Groep van het aantal studiepunten dat de student in het desbetreffende studiejaar voor het onderwijsdeel van de door hem gevolgde duale opleiding kan behalen, alsmede hoeveel maanden beroepsuitoefening de student in verband met die opleiding in dat studiejaar zal volgen.

Artikel 7.10. Examens en tentamens
  • 1. Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.

  • 2. Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.

Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen
  • 1. Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld, welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft, welke onderdelen het examen omvatte en, in voorkomende gevallen, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid.

  • 2. Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.

Artikel 7.12. Examencommissie en examinatoren
  • 1. Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3, vierde lid, bedoelde goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.

  • 3. Ten behoeve van het afnemen van de tentamens wijst de examencommissie examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede deskundigen van buiten de instelling. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

  • 4. De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen.

Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling
  • 1. Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

  • 2. In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:

    a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,

    b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding en, wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de inhoud van de binnen een opleiding voorkomende differentiaties,

    c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,

    d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,

    e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

    f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,

    g. ten aanzien van welke opleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4, zevende lid, en artikel 7.8a, eerste lid,

    h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,

    i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,

    j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,

    k. waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen,

    l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    m. de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,

    n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

    o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken,

    p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,

    q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen, en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,

    r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,

    s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,

    t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,

    u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en

    v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.

Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.

Artikel 7.15. Openbaarheid onderwijsaanbod

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat tijdig voor de aanvang van het studiejaar en zodanig dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen omtrent de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examens, openbaar worden gemaakt:

a. het onderwijsaanbod,

b. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregelingen,

c. ten aanzien van welke opleidingen een afwijzing verbonden kan worden aan het advies, bedoeld in artikel 7.8b, en ten aanzien van welke opleidingen een verwijzing als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid kan plaatsvinden, en

d. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid.

Artikel 7.16. Bijzondere voorschriften lerarenopleidingen
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van lerarenopleidingen inrichtingsvoorschriften worden gegeven.

  • 2. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Paragraaf 2. Gemeente van vestiging
Artikel 7.17. Gemeente van vestiging
  • 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, wordt het onderwijs, verzorgd door de bekostigde universiteiten en hogescholen, aangeboden in de gemeente waarin de instelling is gevestigd.

  • 2. Indien een doelmatige spreiding van voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs zich daartegen niet verzet, keurt Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, ten aanzien van één of meer opleidingen al dan niet voor een bepaalde periode, goed dat het onderwijs geheel of gedeeltelijk wordt gegeven buiten de gemeente van vestiging.

Paragraaf 3. De promoties
Artikel 7.18. Doctoraten, toegang en inrichting promotie
  • 1. Aan een universiteit alsmede aan de Open Universiteit kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie.

  • 2. Tot de promotie heeft toegang ieder die:

    a. met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd,

    b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en

    c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 3. In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.

  • 4. De toekenning van het doctoraat geschiedt door het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10 of artikel 11.10.

  • 5. Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

  • 6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.

Artikel 7.19. Promotiereglement
  • 1. Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:

    a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken, en

    b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen.

  • 2. Het college voor promoties heeft het recht om op de voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen het doctoraat honoris causa te verlenen.

Paragraaf 4. Titulatuur
Artikel 7.20. Titels ir., ing., mr., drs. en bc.
  • 1. Degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van:

    a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

    b. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

    c. de titel meester, afgekort tot mr., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht;

    d. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en c niet van toepassing zijn;

    e. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel b niet van toepassing is.

  • 2. De in het eerste lid genoemde titels worden uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van dat lid gerechtigd zijn.

  • 3. De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

  • 4. In verband met het met goed gevolg afgelegd hebben van een examen aan een instelling voor hoger onderwijs worden voor de naam geen andere aanduidingen gebezigd dan de in het eerste lid genoemde.

Artikel 7.20a. De titel kand.
  • 1. Degene die met goed gevolg het kandidaatsexamen, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van de titel kandidaat, afgekort tot kand.. Deze titel wordt, afgekort, achter de naam geplaatst.

  • 2. De titel kandidaat wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.

Artikel 7.21. Titels Master en Bachelor
  • 1. Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid, onder a, c of d, gerechtigd is tot het voeren van een in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Master te voeren.

  • 2. Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid onder b of e, of artikel 7.20a, eerste lid, gerechtigd is tot het voeren van de in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Bachelor te voeren.

  • 3. De titels Master en Bachelor worden, afgekort tot onderscheidenlijk M. en B., achter de naam geplaatst en desgewenst gevolgd door een aanduiding van de aard van het afgelegde afsluitend examen.

Artikel 7.22. Titel dr.
  • 1. Degene die op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18 dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, het doctoraat heeft verkregen, is gerechtigd de titel doctor te voeren.

  • 2. De titel doctor wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.

  • 3. De titel doctor wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.

Artikel 7.23. Buiten Nederland verkregen titels
  • 1. Degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

  • 2. Degene die op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20 te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke titel kan worden gevoerd.

  • 3. De Informatie Beheer Groep kan aan degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die titel in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere titel is verkregen, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

  • 4. Degene die aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een doctoraat heeft verkregen en gerechtigd is op grond daarvan een titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

TITEL 2. VOOROPLEIDINGSEISEN

Artikel 7.24. Vooropleidingseisen
  • 1. Voor de inschrijving aan een universiteit geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

  • 2. Voor de inschrijving aan een hogeschool geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

  • 3. Voor de inschrijving aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen
  • 1. Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen, indien het betreft:

    a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat;

    b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;

    c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen vakken en andere programmaonderdelen worden aangewezen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma van een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een bij ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, aangewezen vakopleiding, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of groep van opleidingen aan een hogeschool.

  • 4. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.26. Aanvullende eisen
  • 1. Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.

  • 3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst
  • 1. Bij ministeriële regeling worden voor de opleidingen op het gebied van de kunst en voor de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst dan wel voor de differentiaties binnen die opleidingen in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.

  • 2. Met betrekking tot de opleidingen en de differentiaties waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur van een hogeschool ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding of een differentiatie binnen een opleiding criteria vast met betrekking tot selectie en toelating van de studenten en extraneï. Met betrekking tot de inhoud en de wijze van toepassing van deze criteria wordt een oordeel gegeven door een door het instellingsbestuur voor elke opleiding of differentiatie binnen een opleiding als bedoeld in het eerste lid, aan te wijzen deskundige op het desbetreffende gebied van de arbeidsmarkt. Deze deskundige is niet aan de desbetreffende hogeschool verbonden. Het oordeel wordt jaarlijks ter kennis gebracht van het instellingsbestuur.

  • 3. Voor elke opleiding of differentiatie binnen een opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Van deze commissie maakt deel uit de deskundige, bedoeld in het tweede lid. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.

  • 4. Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit.

Artikel 7.27. Eisen werkkring

Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.

Artikel 7.28. Vrijstelling op grond van andere diploma's
  • 1. De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch, kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis, onverminderd het derde en vierde lid.

  • 2. Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de vorige volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.

  • 3. Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel 7.25, betrekking hebben.

  • 4. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.

  • 5. De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.29. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek
  • 1. Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.

  • 2. De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

  • 3. Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.

  • 4. Het instellingsbestuur van een hogeschool kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.

Artikel 7.30. Postpropedeutische fase
  • 1. Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben.

  • 2. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.

  • 3. Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het kandidaatsexamen of, indien geen kandidaatsexamen is ingesteld, tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Artikel 7.31. Lerarenopleidingen speciaal onderwijs, universitaire lerarenopleidingen, opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, hogere kaderopleiding pedagogiek, voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst
  • 1. Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin, geldt als eis het bezit van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs van toelating.

  • 2. Het instellingsbestuur regelt de toelating en de afgifte van het bewijs van toelating. De toelating geschiedt jaarlijks en, indien Onze minister daartoe heeft beslist, met inachtneming van het door hem vastgestelde aantal ten hoogste voor de desbetreffende opleiding in te schrijven personen.

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

Artikel 7.31a. Vrijstelling op grond van verwante opleidingen in het beroepsonderwijs
  • 1. In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 42 studiepunten, degene

    a. die in het bezit is van een diploma van een middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij ministeriële regeling, en

    b. die is ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.

  • 2. Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende opleiding of voor de groep van daarop aansluitende opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur, indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene bekend.

Artikel 7.31b. Toegang tot onderdelen van het afsluitend examen

Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

TITEL 3. STUDENTEN EN EXTRANEÏ

Paragraaf 1. Inschrijving
Artikel 7.32. Algemene bepaling inschrijving
  • 1. Ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.

  • 3. De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit ook kan geschieden voor een of meer onderwijseenheden.

  • 4. De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.

  • 5. De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:

    a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,

    b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,

    c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet,

    d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of

    e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.

  • 6. Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.

Artikel 7.33. Procedure inschrijving
  • 1. De inschrijving geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

  • 2. Alvorens tot inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool over te gaan, verzoekt het instellingsbestuur om informatie bij de Informatie Beheer Groep over de vraag of betrokkene daadwerkelijk studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering geniet en of betrokkene in dat geval nog meer dan 12 maanden aanspraak op studiefinanciering heeft.

  • 3. Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.

Artikel 7.34. Rechten inschrijving als student
  • 1. De inschrijving als student geeft het recht:

    a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.31, tweede lid, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.56a anders te beslissen,

    b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,

    c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,

    d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en

    e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.

  • 2. Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

  • 3. De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.

Artikel 7.35.

[vervallen]

Artikel 7.36. Rechten inschrijving als extraneus

De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c.

Artikel 7.37. Voorwaarden inschrijving
  • 1. De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.

  • 2. Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.

  • 3. Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase aan een bepaalde instelling wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij de Informatie Beheer Groep heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de opleiding waarop de inschrijving betrekking heeft en wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de gekozen differentiatie binnen die opleiding.

  • 4. Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

  • 5. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

  • 6. De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vierde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.

Artikel 7.38.

[vervallen]

Artikel 7.39.

[vervallen]

Artikel 7.40.

[vervallen]

Artikel 7.41.

[vervallen]

Artikel 7.42. Procedure beëindiging inschrijving
  • 1. Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool:

    a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg is afgelegd;

    b. wordt in geval van ziekte of bijzondere familieomstandigheden, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;

    c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;

    d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;

    e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.

  • 2. Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Paragraaf 2. Eigen bijdragen
Artikel 7.43. Collegegeld voor voltijdse opleidingen
  • 1. Voor de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van f 2 816 door degene die studiefinanciering geniet uit hoofde van de Wet op de studiefinanciering.

  • 2. Ten aanzien van degene die zich voor de eerste maal inschrijft en die niet voldoet aan het eerste lid, doch verklaart aanspraak te zullen maken op studiefinanciering uit hoofde van de Wet op de studiefinanciering, past het instellingsbestuur het eerste lid voorlopig toe. De desbetreffende student is in de gelegenheid uiterlijk in de derde maand volgende op zijn inschrijving te voldoen aan het eerste lid.

  • 3. Voor de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het instellingsbestuur het collegegeld vast ten aanzien van:

    a. degene voor wie het eerste lid niet van toepassing is,

    b. de student die niet heeft voldaan aan het tweede lid, tenzij die student vóór het in dat lid bedoelde tijdstip is overleden of met toepassing van artikel 7.42 is uitgeschreven,

    c. de student die niet meer dan 12 maanden aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, tenzij die student is overleden of met toepassing van artikel 7.42 is uitgeschreven, en

    d. de student die heeft opgehouden te voldoen aan het eerste lid, tenzij die student is overleden of met toepassing van artikel 7.42 is uitgeschreven.

    Het collegegeld bedraagt ten minste f 2 816.

  • 4. Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het derde lid vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van het derde lid.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste en derde lid genoemde bedrag jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden. De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. Hetgeen onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt verstaan, wordt geregeld bij ministeriële regeling.

Artikel 7.44. Collegegeld voor deeltijdse en duale opleidingen
  • 1. Voor de inschrijving als student voor een deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het instellingsbestuur het collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten minste f 1 250.

  • 2. Artikel 7.43, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.45. Examengeld extraneus
  • 1. Voor de inschrijving als extraneus is een door het instellingsbestuur vast te stellen examengeld verschuldigd.

  • 2. Artikel 7.43, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.46. Overige bijdragen
  • 1. De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en derde lid, 7.44, eerste lid, en 7.45, eerste lid, bedoelde bedragen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.

  • 3. Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 7.47. Voldoening collegegeld
  • 1. Het collegegeld wordt voldaan door:

    a. betaling ineens, dan wel

    b. gespreide betaling, overeenkomstig een door het instellingsbestuur en de betrokkene te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht. Deze bedragen ten hoogste f 30. In geval van betaling in termijnen is sprake van ten minste vijf termijnen, die over het hele studiejaar zijn gespreid.

  • 2. De belanghebbende, bedoeld in de artikelen 7.43, derde lid, onder a, en 7.44, eerste lid, is collegegeld verschuldigd met ingang van het door het instellingsbestuur te bepalen tijdstip.

  • 3. De student, bedoeld in artikel 7.43, derde lid, onder b, alsmede de student, bedoeld in artikel 7.43, derde lid, onder d, is het door het instellingsbestuur vastgestelde collegegeld verschuldigd, berekend over de termijn waarvoor hij was ingeschreven.

  • 4. In afwijking van het derde lid is de student niet eerder het door het instellingsbestuur vastgestelde collegegeld verschuldigd, dan met ingang van de maand volgende op de maand waarin voor hem de toepasselijkheid van artikel 7.43, eerste lid, is komen te vervallen, indien dat vervallen wordt veroorzaakt door het verlies van iedere aanspraak op studiefinanciering ingevolge de Wet op de studiefinanciering.

  • 5. De student, bedoeld in artikel 7.43, derde lid, onder c, is het door het instellingsbestuur vastgestelde collegegeld verschuldigd met ingang van de maand, volgende op de maand waarin die student heeft opgehouden aanspraak te hebben op meer dan 12 maanden studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering.

Artikel 7.48. Vermindering en vrijstelling wettelijk collegegeld
  • 1. Vermindering of vrijstelling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste of tweede lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Het collegegeld wordt met een twaalfde deel voor elke maand dat betrokkene niet is ingeschreven, verminderd:

    a. voor degene die in de loop van het studiejaar wordt ingeschreven;

    b. voor degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool, en wiens inschrijving op zijn verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur is beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, en die in de loop van hetzelfde studiejaar opnieuw voor een opleiding wenst te worden ingeschreven.

  • 3. Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel aan een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor een hoger collegegeld is verschuldigd dan de reeds voldane bijdrage, is voor de tweede inschrijving een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde, hogere collegegeld.

  • 4. Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die daarnaast, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven, voor welke inschrijving een collegegeld is verschuldigd, dat lager is dan of gelijk is aan de reeds voldane bijdrage, wordt voor de tweede inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld.

Artikel 7.49. Terugbetaling wettelijk collegegeld
  • 1. Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste of tweede lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Met ingang van de maand waarin de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, onder a, is uitgeschreven, wordt hem op zijn schriftelijk verzoek voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een tiende gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid. Voor de toepassing van dit artikellid tellen de laatste twee maanden van het studiejaar niet mee.

  • 3. Indien de inschrijving van degene op wiens schriftelijk verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur wordt beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, wordt met ingang van de maand waarin de inschrijving wordt beëindigd, voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid.

  • 4. Indien een student in de loop van het studiejaar is overleden, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald.

  • 5. De in dit artikel bedoelde terugbetaling geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

Artikel 7.50. Cursusgeld Open Universiteit
  • 1. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt het voor de inschrijving verschuldigde cursusgeld vast. Bij de vaststelling van de bedragen houdt het instellingsbestuur rekening met de toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.

  • 2. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast, waarin een voorziening in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling ten aanzien van het cursusgeld wordt getroffen, ten behoeve van personen waarvan de draagkracht uit inkomen beneden een door Onze minister te bepalen grens ligt. De hoogte van de vrijstelling is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.

  • 3. Het instellingsbestuur draagt zorg voor openbaarmaking van de cursusgelden, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld in het tweede lid. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door plaatsing in de Staatscourant.

  • 4. Het instellingsbestuur zendt de regeling, bedoeld in het tweede lid, binnen veertien dagen na de vaststelling aan Onze minister en brengt jaarlijks voor 1 juli verslag uit aan Onze minister over de uitvoering van de regeling.

Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)
  • 1. Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft voorzieningen ter financiële ondersteuning ten behoeve van een student ten aanzien van wie zich ieder van de navolgende feiten voordoet:

    a. de student is aan de desbetreffende instelling ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,

    b. de student heeft in verband met het volgen van de opleiding, bedoeld onder a, dan wel het volgen van dezelfde opleiding aan een andere instelling, studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering genoten,

    c. de student kan op grond van artikel 17a, tweede en volgende leden, van de Wet op de studiefinanciering niet langer aanspraak maken op studiefinanciering als bedoeld onder b, en

    d. ten aanzien van de student hebben zich in de periode waarin met het oog op het volgen van een opleiding aan een instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering werd genoten, een of meer bijzondere omstandigheden voorgedaan.

    Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden, bedoeld in de eerste volzin onder d, en de onderwijsprogrammering in aanmerking genomen. De omvang van deze voorzieningen is zodanig dat de betrokkene, in aanmerking genomen zijn omstandigheden, daardoor in redelijkheid in staat wordt gesteld zijn studie, bedoeld in de eerste volzin onder a, voort te zetten. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerende is en gedurende de looptijd van de voorziening voldoende voortgang boekt. Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de beslissing op de aanvraag om toekenning van een voorziening zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere omstandigheid heeft aangemeld.

  • 2. Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 31a tot en met 31f van de Wet op de studiefinanciering geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het in artikel 31a van die wet bedoelde resultaat, dan wel de in het van toepassing zijnde artikel 31b, 31d, 31e dan wel 31f van die wet bedoelde prestatie niet heeft behaald. De financiële voorziening, bedoeld in de eerste volzin, is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering, dan wel, voor wat betreft de periode, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, 17g, 17h dan wel 31b, eerste lid, van die wet, zonder toepassing van artikel 31c van die wet.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke omstandigheden de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde ondersteuning wordt verleend. Deze algemene maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de kamer is overgelegd en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in deze volzinnen, kan worden afgeweken.

  • 4. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast met betrekking tot de toepassing van het eerste en het tweede lid. In deze regeling wordt in elk geval opgenomen dat:

    a. de omvang en de duur van een aan een student aan de desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op een voorziening, indien deze gunstiger voor betrokkene is dan bij toepassing van een later gewijzigde regeling, worden geëerbiedigd, en

    b. een student die een opleiding aan een andere instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g heeft gevolgd, aanspraak heeft op een voorziening als ware die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is ingeschreven.

  • 5. Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, worden de voorwaarden vastgesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.

Artikel 7.51a. Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)
  • 1. Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 17g, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de studiefinanciering geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 17g, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de studiefinanciering, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.

  • 2. Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 17a, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van die wet, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de opleiding, die uitgaat boven het aantal van 168 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.

  • 3. Artikel 7.51, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. Centraal register inschrijving hoger onderwijs
Artikel 7.52. Centraal register inschrijving hoger onderwijs
  • 1. Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:

    a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,

    b. de Informatie Beheer Groep op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het kandidaatsexamen, onderscheidenlijk het afsluitend examen, en

    c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de instellingen.

  • 2. Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale Verzekeringsbank, worden kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal Bureau voor de Statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen onderzoekdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties.

  • 3. Van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs is de Informatie Beheer Groep houder in de zin van de Wet persoonsregistraties.

  • 4. De Informatie Beheer Groep kan ten behoeve van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs gebruikmaken van het sociaal fiscaal nummer, bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet op de studiefinanciering.

  • 5. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen stellen het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in de artikelen 7.9a en 7.9b, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn. Onze minister kan terzake nadere regels stellen.

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving
Artikel 7.53. Beperking eerste inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit
  • 1. Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan de Informatie Beheer Groep.

  • 2. Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, derde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, doet de Informatie Beheer Groep daarvan voor 1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur deelt de Informatie Beheer Groep voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal plaatsen te verhogen.

  • 3. Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt de Informatie Beheer Groep vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.

  • 4. Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft aangemeld bij de Informatie Beheer Groep.

  • 5. Indien een besluit ingevolge artikel 7.56 of artikel 7.56a van toepassing is op de opleiding, blijft dit artikel buiten toepassing.

Artikel 7.54. Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase

Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.

Artikel 7.55. Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

Artikel 7.56. Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt
  • 1. Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

    a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding aan al de universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden, en

    b. de verdeling van dat aantal over elk van de onder a bedoelde instellingen, waarbij in geval van door hogescholen verzorgde lerarenopleidingen binnen het voor een instelling vastgestelde aantal onderscheid kan worden gemaakt tussen voltijdse en deeltijdse opleidingen. Bij de verdeling wordt het door alle betrokken instellingen gezamenlijk binnen twee maanden na de vaststelling van het hoger onderwijs- en onderzoekplan gedane voorstel gevolgd. Blijft een dergelijk voorstel achterwege dan wordt zoveel mogelijk een evenredige spreiding over de afzonderlijke instellingen naar rato van het gemiddelde aantal over de voorafgaande drie jaren voor de eerste maal voor de propedeutische fase ingeschreven studenten in acht genomen. Indien de instelling de opleiding voor het tweede of het derde jaar verzorgt heeft het gemiddelde aantal betrekking op het eerste, onderscheidenlijk het eerste en tweede jaar dat de opleiding is verzorgd.

  • 2. Indien op grond van het eerste lid een toelatingsbeperking is vastgesteld, wordt paragraaf 4a van deze titel toegepast.

  • 3. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, uiterlijk drie maanden na vaststelling van het hoger onderwijs- en onderzoekplan waarin die regeling is aangekondigd.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

Artikel 7.56a. Beperking inschrijving opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt
  • 1. Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding op het gebied van de kunst of van een differentiatie daarbinnen dan wel van een bepaalde lerarenopleiding op het gebied van de kunst of van een differentiatie daarbinnen de behoefte aan afgestudeerden op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

    a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van een opleiding dan wel voor de propedeutische fase wat een bepaalde differentiatie betreft, aan alle hogescholen waaraan deze opleiding is verbonden, en

    b. de verdeling van dat aantal over elk van de in onderdeel a bedoelde hogescholen.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid reikt het instellingsbestuur een zodanig aantal bewijzen, bedoeld in artikel 7.26a, vierde lid, uit dat het aantal ingeschreven studenten het aantal, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet overschrijdt. Inschrijving voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding of voor de propedeutische fase wat een bepaalde differentiatie betreft, vindt slechts plaats onder overlegging van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs als bedoeld in artikel 7.26a, vierde lid, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.

  • 3. Artikel 7.56, derde lid, is van toepassing.

Artikel 7.57. Identificatie opleidingen
  • 1. Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d, 7.57f, derde lid, en 16.9a, vierde lid, gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van de artikelen 7.56, 7.57d, 7.57f, derde lid, en 16.9a, vierde lid, gelden bovendien door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen of differentiaties, bedoeld in artikel 7.56a.

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking
Artikel 7.57a. Algemeen
  • 1. De eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor op grond van paragraaf 4 van deze titel een toelatingsbeperking van kracht is, geschiedt slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.

  • 2. De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door de Informatie Beheer Groep afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.

  • 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. selectieprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e;

    b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating.

Artikel 7.57b. Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating
  • 1. De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde klassen hebben als grenzen:

    a. hoger dan of gelijk aan 8,

    b. lager dan 8 maar hoger dan of gelijk aan 7,5,

    c. lager dan 7,5 maar hoger dan of gelijk aan 7,

    d. lager dan 7 maar hoger dan of gelijk aan 6,5 en

    e. lager dan 6,5.

    De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.

  • 3. De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een opleiding hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

  • 4. De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.

  • 5. De Informatie Beheer Groep deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit de Nederlandse Antillen en Aruba in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

Artikel 7.57c. Afgifte bewijzen van toelating
  • 1. De Informatie Beheer Groep verstrekt een bewijs van toelating aan degenen die zijn ingedeeld in de klasse, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder a.

  • 2. De Informatie Beheer Groep verstrekt aan degenen die in de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, zijn ingedeeld, en die door het lot zijn aangewezen, een bewijs van toelating.

  • 3. Bij de loting, bedoeld in het tweede lid, verhouden de inlotings-kansen, voorzover kleiner dan honderd procent, zich voor de in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, bedoelde lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6 : 4 : 3.

  • 4. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat de Informatie Beheer Groep ten hoogste een in die regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

Artikel 7.57d. Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit
  • 1. Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan de Informatie Beheer Groep de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.

  • 2. De Informatie Beheer Groep bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De Informatie Beheer Groep kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

Artikel 7.57e. Selectie door instellingen
  • 1. Een instellingsbestuur kan een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem zelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties. Dat percentage is aan een maximum gebonden, doordat:

    a. in elk geval ten minste de helft van het aantal opleidingsplaatsen dient te worden toegewezen door toepassing van artikel 7.57c, tweede lid,

    b. op dat percentage tevens in mindering wordt gebracht het aantal gegadigden dat een bewijs van toelating ontvangt door toepassing van artikel 7.57c, eerste lid.

  • 2. Indien het instellingsbestuur toepassing geeft aan het eerste lid, maakt het

    a. de bijzondere kwalificaties die het in aanmerking wil nemen,

    b. eventuele nadere selectiecriteria,

    c. regels van administratieve aard, voorzover niet voortvloeiend uit het vierde lid,

    d. het door hem te bepalen percentage, bedoeld in het eerste lid, en

    e. de beslissing of gegadigden één, twee dan wel drie maal tot deelname aan de selectieprocedure zullen worden toegelaten, tijdig bekend.

  • 3. Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoren niet de behaalde eindexamencijfers.

  • 4. De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door de Informatie Beheer Groep aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure blijft deelnemen.

  • 5. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, worden nadere voorschriften opgenomen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 7.57f. Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure
  • 1. Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die ten genoegen van de Informatie Beheer Groep het bewijs levert, dat door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt voldaan.

  • 2. Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.

  • 3. Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere instelling.

Artikel 7.57g. Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen

In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de Informatie Beheer Groep inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van de Informatie Beheer Groep.

Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 7.57h. Huisregels en ordemaatregelen

Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.

Artikel 7.58. Afgifte getuigschrift
  • 1. Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

  • 2. Bij het verzoek worden overgelegd:

    a. de bewijzen van met goed gevolg afgelegde tentamens,

    b. het bewijs dat is voldaan aan de bij de onderwijs- en examenregeling gestelde verplichting betreffende het deelnemen aan praktische oefeningen, en

    c. de desbetreffende bewijzen van inschrijving.

  • 3. Ingeval de in het tweede lid bedoelde bewijzen van inschrijving niet worden overgelegd, kan het instellingsbestuur besluiten dat de verzochte verklaring wordt afgegeven, maar niet dan nadat het in verband met de inschrijving voor de desbetreffende onderwijseenheden verschuldigde collegegeld, examengeld onderscheidenlijk cursusgeld is voldaan.

  • 4. Een examencommissie geeft geen getuigschrift af dan nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

Artikel 7.59. Studentenstatuut
  • 1. Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend.

  • 2. Het instellingsbestuur reikt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut uit. Indien noodzakelijk reikt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut uit.

  • 3. Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek en een instellingsspecifiek deel.

  • 4. Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:

    a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen:

    1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,

    2°. de studentenvoorzieningen, en

    3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,

    b. de onderwijs- en examenregelingen, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en

    c. een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2°, op de opleiding van toepassing zijn.

  • 5. Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:

    a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en

    b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:

    1°. een beschrijving van de procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en

    2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen.

TITEL 4. RECHTSBESCHERMING VAN STUDENTEN EN EXTRANEÏ

Paragraaf 1. College van beroep voor de examens
Artikel 7.60. College van beroep voor de examens
  • 1. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een college van beroep voor de examens.

  • 2. Het college van beroep heeft drie of vijf leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Het college houdt voltallig zitting.

  • 3. Het college kan besluiten kamers in te stellen. Indien het college daartoe besluit, bestaat het college uit ten minste zes en ten hoogste vijftien leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij houdt voltallig zitting.

  • 4. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor ten minste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijk staf.

  • 5. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechter van een arrondissementsrechtbank, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

  • 6. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter- zake te doen horen.

Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens
  • 1. Een belanghebbende kan beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen:

    a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, 7.9 eerste lid, en 16.6a, derde lid,

    b. beslissingen inzake vaststelling van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.9a, 7.9b, 7.9ba of 7.9bb, alsmede beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,

    c. beslissingen inzake de omvang van de vrijstelling, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid,

    d. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens,

    e. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,

    f. beslissingen van examencommissies en examinatoren,

    g. beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, en

    h. beslissingen, genomen op grond van artikel 7.31 met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.

  • 2. Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld ter- zake dat een beslissing in strijd is met het recht.

  • 3. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, vier weken.

  • 4. Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beschikking van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.

  • 5. Het college van beroep beslist binnen tien weken na ontvangst van het beroepschrift, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 6. Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit een nieuw besluit te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

  • 7. Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het verzoekschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.

Artikel 7.62. Reglement van orde
  • 1. Het college van beroep stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:

    a. de omvang en samenstelling van het college van beroep,

    b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers,

    c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van beroep,

    d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college van beroep eindigt,

    e. de in artikel 7.61, vierde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,

    f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van beroep wordt voorzien, alsmede

    g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

  • 2. Het reglement van orde alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de goedkeuring van het instellingsbestuur.

Artikel 7.63. Inlichtingenplicht

De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs
  • 1. Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te 's-Gravenhage.

  • 2. Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden.

  • 3. Het college van beroep houdt zitting in kamers van drie of vijf leden.

Artikel 7.65. Benoeming en ontslag leden en plaatsvervangende leden
  • 1. De leden en de plaatsvervangende leden van het college van beroep worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit.

  • 2. De voorzitter van het college van beroep wordt bij koninklijk besluit aangewezen uit de leden. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangende voorzitter overeenkomstig het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde. De leden en de plaatsvervangende leden moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot raadsheer in een gerechtshof, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De voorzitter van een kamer wordt door het college van beroep aangewezen uit de leden. De tweede volzin is van toepassing.

  • 3. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bij koninklijk besluit ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt hun bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden bij koninklijk besluit ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

  • 4. De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.

  • 5. Het college van beroep wordt bijgestaan door een bezoldigd secretaris, die bij koninklijk besluit wordt benoemd. Aan de secretaris kan Onze minister een of meer ambtenaren toevoegen.

Artikel 7.66. Bevoegdheid college van beroep voor het hoger onderwijs
  • 1. Het college van beroep oordeelt bij uitsluiting, voorzover niet op grond van artikel 7.61, eerste lid, beroep openstaat op een college van beroep voor de examens, dan wel niet op grond van artikel 7.68 beroep openstaat op een college van beroep voor het bijzonder onderwijs, over het beroep dat door een belanghebbende is ingesteld tegen:

    a. besluiten genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk met het oog op inschrijving,

    b. besluiten van het instellingsbestuur, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk, en

    c. besluiten van het instellingsbestuur, genomen op grond van artikel 7.57h.

  • 2. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, en 8:13.

  • 3. Het college van beroep stelt ten behoeve van zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval de splitsing in kamers en de verdeling van werkzaamheden voor de verschillende kamers worden geregeld alsmede de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

  • 4. Tegen uitspraken van het college van beroep staat generlei beroep open.

  • 5. De besturen van de instellingen verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

  • 6. Op het beroep op het College van beroep voor het hoger onderwijs tegen een beslissing van een bijzondere instelling zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.67. Griffierecht

Het griffierecht bedraagt f 60. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
Artikel 7.68. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
  • 1. Het bestuur van een bijzondere instelling voor hoger onderwijs kan, al dan niet in samenwerking met de besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs, een college van beroep instellen ter behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 7.66, eerste lid, niet zijnde beslissingen als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, dan wel zich aansluiten bij een dergelijk college. Het besluit waarbij een college van beroep wordt ingesteld, bevat tevens een regeling van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede van de rechtsgang bij het college. Het besluit waarbij een college van beroep wordt ingesteld, alsmede wijzigingen daarvan, dan wel een besluit tot aansluiting bij een college wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister gebracht.

  • 2. De artikelen 7.60, vierde lid eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid, 7.61, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, en 7.63 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 8. SAMENWERKING BEKOSTIGDE INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS

Artikel 8.1. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

  • 1. Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.

  • 2. De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding.

  • 3. Bij de regeling kan een samenwerkingsinstituut worden ingesteld. De regeling omvat bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van het instituut, en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het instituut aan de besturen van de deelnemende instellingen.

  • 4. De regeling kan voorzien in de overdracht van bepaalde bevoegdheden van organen van de deelnemende instellingen aan organen van een andere deelnemende instelling of aan organen van het samenwerkingsinstituut.

  • 5. Op de besluiten van het samenwerkingsinstituut, genomen krachtens enige door het bestuur van een openbare instelling overgedragen bevoegdheid zijn de wettelijke bepalingen omtrent schorsing en vernietiging van besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen bevoegdheid van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 9. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE UNIVERSITEITEN

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Artikel 9.1. Reikwijdte

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit
Artikel 9.2. Algemene bevoegdheden college van bestuur
  • 1. Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.

  • 2. Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 3. De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.

Artikel 9.3. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
  • 1. Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit.

  • 2. De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

  • 3. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4. De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.

  • 5. In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.

  • 6. Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 7. Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:

    a. lid van de raad van toezicht,

    b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,

    c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of

    d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.

  • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

Artikel 9.4. Bestuurs- en beheersreglement

Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast.

Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen

Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.

Artikel 9.6. Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur
  • 1. Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.

  • 2. Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en handelingen.

  • 3. Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.

Artikel 9.7. Samenstelling raad van toezicht
  • 1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

  • 2. De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

  • 3. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de universiteitsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4. Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 5. Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:

    a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen universiteit of voor het merendeel werkzaam zijn aan een onderzoekinstituut of onderzoekschool,

    b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of

    c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 6. Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.

  • 7. De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem.

  • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent toelagen en tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.

Artikel 9.8. Taken en bevoegdheden raad van toezicht
  • 1. De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.

  • 2. De raad van toezicht is belast met:

    a. de goedkeuring van het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,

    b. de goedkeuring van het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

    c. de goedkeuring van de begroting, bedoeld in artikel 2.8,

    d. de goedkeuring van het verslag, bedoeld in artikel 2.9,

    e. de goedkeuring van het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,

    f. de goedkeuring van het besluit of de herroeping daarvan, bedoeld in artikel 9.30, en, in voorkomende gevallen, van de daarbij behorende medezeggenschapsregeling, en

    g. de goedkeuring van een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1.

Artikel 9.9. Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht
  • 1. De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister.

  • 2. De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

Artikel 9.10. College voor promoties
  • 1. Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.

  • 2. Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van het doctoraat honoris causa, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.

  • 3. In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening
Artikel 9.11. Faculteiten en opleidingen

In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld.

Artikel 9.12. Faculteit; decaan
  • 1. De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen.

  • 3. Indien een universiteit slechts een faculteit omvat:

    a. is de rector magnificus tevens decaan,

    b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur,

    c. wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit, en

    d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door het college van bestuur.

  • 4. Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die faculteit.

Artikel 9.13. Benoeming en ontslag decaan
  • 1. De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen termijn.

  • 2. Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 3. De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen.

  • 4. De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar.

  • 5. Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in artikel 9.12, tweede lid, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is.

Artikel 9.14. Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement
  • 1. De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening.

  • 2. De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting.

  • 3. Onverminderd artikel 9.5 stelt de decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vast.

  • 4. Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college van bestuur.

  • 5. Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast.

Artikel 9.15. Overige taken en bevoegdheden decaan
  • 1. De decaan is, onverminderd artikel 9.5, voorts belast met:

    a. het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan,

    b. het vaststellen van algemene richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening,

    c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit,

    d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur,

    e. het instellen van de examencommissies en de commissie, bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, alsmede de benoeming van de leden van die commissies,

    f. de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, eerste lid,

    g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen, en

    h. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten.

  • 2. De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, uit.

  • 3. In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder h.

Artikel 9.16. Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan

De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit.

Artikel 9.17. Bestuur opleidingen
  • 1. De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur.

  • 2. Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit.

  • 3. In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen.

  • 4. Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding.

Artikel 9.18. Opleidingscommissies
  • 1. Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:

    a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,

    b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

    c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.

  • 2. Op een advies als bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In het faculteitsreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.

  • 4. Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.

Artikel 9.19. Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
  • 1. Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.

  • 2. De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.

  • 3. Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.

  • 4. De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.20. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een faculteit
  • 1. In het faculteitsreglement kunnen binnen de faculteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld. De decaan regelt het bestuur en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

  • 2. In het faculteitsreglement worden regels gesteld omtrent het bestuur en beheer van onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

Artikel 9.21. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een universiteit
  • 1. In het bestuurs- en beheersreglement kunnen binnen de universiteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld waarop artikel 9.20 niet van toepassing is. Het college van bestuur regelt het bestuur, beheer en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

  • 2. In het bestuurs- en beheersreglement kan een faculteit worden aangewezen waarvan de decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of krachtens deze wet met betrekking tot een onderzoekinstituut of onderzoekschool aan het college van bestuur zijn toegekend.

Artikel 9.22. Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen
  • 1. In het faculteitsreglement kan worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.20 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast.

  • 2. In het bestuurs- en beheersreglement kan door het college van bestuur worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.21 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van het college van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de desbetreffende faculteiten.

  • 3. Indien het tweede lid toepassing heeft gevonden, stelt het college van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.

Artikel 9.23. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten
  • 1. Een onderzoekinstituut of onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten wordt in overeenstemming met de decanen van de betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met beheerstaken wordt belast.

  • 2. Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, stellen de colleges van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.

Paragraaf 4. Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit
Artikel 9.24. Schorsing en vernietiging besluiten decaan en examencommissies
  • 1. De besluiten van de decaan kunnen wegens strijd met het recht of het algemeen belang door het college van bestuur bij met redenen omkleed besluit geheel of gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd. Het college van bestuur bepaalt in geval van schorsing de duur hiervan met dien verstande dat schorsing niet langer kan duren dan vier maanden.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld in artikel 9.15, eerste lid onderdeel e.

  • 3. Het eerste lid is van toepassing op besluiten van een examencommissie met dien verstande dat gehele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging uitsluitend kan plaatsvinden, voorzover tegen de desbetreffende besluiten geen beroep krachtens deze wet openstaat of heeft opengestaan.

Artikel 9.25. Gevolgen schorsing en vernietiging
  • 1. Een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, kan niet worden geschorst of vernietigd.

  • 2. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van het geschorste besluit of een gedeelte daarvan.

  • 3. Een besluit of een gedeelte daarvan dat geschorst is geweest, kan niet opnieuw worden geschorst.

  • 4. Vernietiging brengt mede vernietiging van alle daarvoor vatbare gevolgen, voorzover in het besluit tot vernietiging niet anders is bepaald.

Artikel 9.26. Voorziening na schorsing of vernietiging; termijn

Het orgaan waarvan het besluit geheel of gedeeltelijk is geschorst of vernietigd, draagt er zorg voor dat aan artikel 9.25, tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 9.25, vierde lid, wordt voldaan en dat opnieuw in hetgeen het geschorste of vernietigde besluit of gedeelte daarvan regelde, voorzover nodig is, wordt voorzien. Het orgaan dat het desbetreffende besluit geheel of gedeeltelijk heeft geschorst of vernietigd, kan daarvoor een termijn stellen.

Artikel 9.27. Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan
  • 1. Ingeval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van een faculteit of een deel daarvan treft het college van bestuur, zo nodig met afwijking van de paragrafen 2 en 3 van deze titel en paragraaf 2 van titel 2, voor een door het college van bestuur te bepalen tijdvak van ten hoogste één jaar de voorzieningen die het noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan onverwijld mededeling aan de raad van toezicht.

  • 2. De voorzieningen vervallen, indien zij niet binnen drie weken na de ontvangst van de mededeling van het college van bestuur door de raad van toezicht zijn bekrachtigd.

Paragraaf 5. Klachtrecht studenten
Artikel 9.28. Collectief recht van beklag voor studenten
  • 1. Het faculteitsreglement bepaalt op welke wijze aan een groep van studenten de gelegenheid wordt geboden bij de decaan hun beklag te doen terzake van de naleving van verplichtingen van de universiteit jegens studenten, zomede binnen welke termijn de decaan voorzieningen treft in de gevallen waarin naar zijn oordeel het beklag gegrond is.

  • 2. Het beklag, bedoeld in het eerste lid, evenals de op grond daarvan door de decaan getroffen voorzieningen laten onverlet de rechten die een belanghebbende ingevolge de wet heeft.

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Artikel 9.29. Reikwijdte

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

Artikel 9.30. Keuze uit medezeggenschapsstelsels
  • 1. Het college van bestuur besluit:

    a. dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is op de universiteit, dan wel

    b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit.

  • 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.

  • 3. Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel buiten werking voor de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 van deze titel.

  • 4. Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, zijn de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van toepassing op de desbetreffende universiteit.

  • 5. In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid.

  • 6. De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het vijfde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.30a. Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten
  • 1. Indien een besluit als bedoeld in artikel 9.30, eerste lid onderdeel a, is genomen, is er aan een universiteit een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid tweede volzin.

  • 2. Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:

    a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

    b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin, en

    c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.

  • 3. Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f en g, is van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.

  • 4. De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het tweede of derde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit
Artikel 9.31. Universiteitsraad
  • 1. Aan een universiteit is een universiteitsraad verbonden.

  • 2. Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.

  • 3. De raad bestaat voor de helft uit leden die door en uit het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die door en uit de studenten worden gekozen.

  • 4. Zij die deel uitmaken van het college van bestuur of de raad van toezicht dan wel belast zijn met de functie van decaan van een faculteit, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.

  • 5. Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.

  • 6. De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.

  • 7. De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het college van bestuur beschikbaar gestelde middelen voor die raad en de eventuele faculteitsraden en commissies als bedoeld in artikel 9.47 worden verdeeld.

  • 8. De raad kiest al dan niet uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 9.32. Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en raadsleden
  • 1. Het college van bestuur stelt de universiteitsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de universiteit met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad, het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, of het deel van de raad dat uit en door de studenten is gekozen.

  • 2. De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit betreffende aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

  • 3. De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de universiteit.

  • 4. De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 9.34, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5. Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan. Voorts verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

  • 6. Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft.

  • 7. De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda's en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in artikel 9.47, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.

  • 8. Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.

  • 9. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.

Artikel 9.33. Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad

Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin,

c. het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,

d. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,

e. regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn,

f. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 9.30, eerste lid, en

g. de regeling, bedoeld in artikel 7.51, vierde lid.

Artikel 9.34. Reglement universiteitsraad
  • 1. Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een reglement voor de universiteitsraad vast.

  • 2. Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de raad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.

  • 3. In het reglement worden ten minste geregeld:

    a. de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd artikel 9.33, instemmingsrecht heeft,

    b. de aangelegenheden waarover de raad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen, alsmede inzake de begroting,

    c. het aantal leden van de raad,

    d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,

    e. de zittingsduur van de leden van de raad,

    f. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad,

    g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,

    h. de bevoegdheden die door de faculteitsraden worden uitgeoefend,

    i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de universiteit, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, krachtens welke de ondernemingsraad:

    1°. in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken dan wel te worden gehoord,

    2°. het recht heeft een verzoek om wetstoepassing te doen, of

    3°. het recht heeft een bezwaarschrift in te dienen,

    j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,

    k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de universiteit voorzover deze niet betreffen te nemen besluiten van het college van bestuur, bedoeld in artikel 9.33 onderdeel e, en

    l. welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.

  • 4. In het reglement kan, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze titel, worden bepaald dat een of meer groepen van personen die anders dan krachtens publiekrechtelijke aanstelling of op grond van een arbeidsovereenkomst dan wel anders dan op grond van een inschrijving als student of extraneus aan de universiteit zijn verbonden, worden aangemerkt als personeelsleden onderscheidenlijk studenten.

Artikel 9.35. Advies

Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:

a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,

b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,

c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en

d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.

Artikel 9.36. Bijzondere bevoegdheden
  • 1. Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de universiteit.

  • 2. Indien het college van bestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.

  • 3. Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend, voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.

Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit
Artikel 9.37. Faculteitsraad
  • 1. Indien een universiteit meer dan een faculteit omvat, is aan elke faculteit een faculteitsraad verbonden.

  • 2. De faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit het instemmingsrecht en het adviesrecht uit die toekomen aan de universiteitsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

  • 3. Artikel 9.31, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Indien een universiteit slechts een faculteit omvat, worden de taken en bevoegdheden van de faculteitsraad uitgeoefend door de universiteitsraad.

  • 5. De personeelsgeleding van de faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit de rechten uit, bedoeld in artikel 9.50, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

Artikel 9.38. Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad

De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en

b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g.

Artikel 9.38a. Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden

Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.38b. Faculteitsreglement

In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen, genoemd in artikel 9.34, derde lid onderdelen c, d en e.

Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap
Artikel 9.39. Commissie voor geschillen
  • 1. Er is een commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden.

  • 2. De commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de colleges van bestuur en een lid en een plaatsvervangend lid door de universiteitsraden. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger. De leden en plaatsvervangende leden worden gekozen voor een termijn van vier jaar en zijn een keer herkiesbaar.

  • 3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van een college van bestuur, een raad van toezicht, het bestuur van een faculteit, het bestuur van een opleiding, een universiteitsraad of een faculteitsraad.

Artikel 9.40. Competentie commissie voor geschillen
  • 1. De commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:

    a. op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 9.33 en 9.34, derde lid onderdeel a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven,

    b. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur ten aanzien van de inhoud van het reglement voorzover aangegeven in artikel 9.34, derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,

    c. op verzoek van de universiteitsraad, indien het college van bestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 9.34, derde lid onderdeel b, advies door de raad is uitgebracht, het college van bestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de universiteit of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en

    d. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

  • 2. De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het college van bestuur en de raad dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.41, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien er een geschil is tussen het college van bestuur en de universiteitsraad, meldt het college van bestuur dan wel de universiteitsraad dit geschil aan bij de raad van toezicht. Het college van bestuur dan wel de universiteitsraad legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij de raad van toezicht van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel het college van bestuur als de universiteitsraad mee instemt.

  • 4. Indien er een geschil is tussen de decaan en een faculteitsraad, meldt de decaan dan wel de faculteitsraad dit geschil aan bij het college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij het college van bestuur van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel de decaan als de faculteitsraad mee instemt.

  • 5. Een uitspraak van de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.41, wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep.

Artikel 9.41. Geschil instemmingsbevoegdheid
  • 1. Indien aan een te nemen besluit van het college van bestuur instemming, vereist ingevolge artikel 9.33 of het reglement, bedoeld in artikel 9.34, is onthouden, deelt het college van bestuur binnen drie maanden aan de universiteitsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Het college van bestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel a, onder overlegging van de door het college van bestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het college van bestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik- maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het college van bestuur en de raad.

Artikel 9.42. Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad
  • 1. Voorzover aan een voorstel van het college van bestuur tot vaststelling of wijziging van het reglement, bedoeld in artikel 9.34, wat onderwerpen betreft als bedoeld in het derde lid van dat artikel, de instemming die is vereist ingevolge het tweede lid van dat artikel is onthouden, deelt het college van bestuur aan de universiteitsraad dan wel de raad aan het college van bestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Indien het college van bestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, is artikel 9.41, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De commissie geeft, voorzover zij van oordeel is dat het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het college van bestuur het reglement, bedoeld in artikel 9.34, vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

Artikel 9.43. Geschil adviesbevoegdheid
  • 1. Indien het college van bestuur een besluit neemt waarbij het een advies van de universiteitsraad, vereist ingevolge artikel 9.34, derde lid onderdeel b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.

  • 2. De universiteitsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel c, binnen vier weken nadat het betrokken besluit door het college van bestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de universiteit of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie voor geschillen stelt het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad:

    a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze titel of het reglement, bedoeld in artikel 9.34,

    b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,

    c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of

    d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.

  • 4. De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.

Artikel 9.44. Geschil interpretatie

Op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d, doet de commissie voor geschillen de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, dient te worden gegeven.

Artikel 9.45. Nadere geschillen

Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de toepassing van het derde lid onderdeel l van dat artikel, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 9.46. Procesbevoegdheid universiteitsraad
  • 1. De universiteitsraad kan in rechte optreden, indien de vordering strekt tot naleving door het college van bestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.

  • 2. In afwijking van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

  • 3. De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 9.47 op, indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.

Artikel 9.47. Commissies
  • 1. Het college van bestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de universiteitsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

  • 2. Op verzoek van een commissie stelt de universiteitsraad het college van bestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.32, tweede lid derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.48. Voorzieningen en scholing
  • 1. Het college van bestuur staat de universiteitsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

  • 2. Het college van bestuur stelt de leden van de universiteitsraad in de gelegenheid om gedurende een door het college van bestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de universiteit wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.

  • 3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de faculteitsraden met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt van het college van bestuur.

Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.49. Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en onderzoekscholen

De paragrafen 1 tot en met 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan ingevolge artikel 9.23 het bestuur is belast met de beheerstaken.

Paragraaf 6. Medezeggenschap binnen centrale diensten
Artikel 9.50. Dienstraad t.b.v. centrale diensten
  • 1. Indien in het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald dat er bij een universiteit centrale diensten zijn, worden door het college van bestuur, met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een of meer dienstraden ingesteld ten behoeve van het personeel dat bij die diensten werkzaam is.

  • 2. Het college van bestuur voorziet er in dat een dienstraad tijdig in de gelegenheid wordt gesteld advies aan het hoofd van de desbetreffende dienst uit te brengen en overleg te voeren over voorgenomen maatregelen met betrekking tot:

    a. de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij een centrale dienst worden toegepast,

    b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij een centrale dienst wordt uitgevoerd,

    c. aangelegenheden op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid in een centrale dienst,

    d. de organisatie en werkwijze binnen een centrale dienst, en

    e. de technische en economische dienstuitvoering bij een centrale dienst.

  • 3. De dienstraad is bevoegd het hoofd van de desbetreffende dienst voorstellen te doen met betrekking tot de in het tweede lid genoemde aangelegenheden.

  • 4. Het hoofd van de desbetreffende dienst behoeft de voorafgaande instemming van de dienstraad voor elke maatregel die hij bevoegd is te treffen en waarover de dienstraad op grond van het tweede lid heeft geadviseerd.

  • 5. Het college van bestuur stelt, in overeenstemming met de dienstraad, een reglement vast in verband met de uitoefening van de rechten, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid. Het reglement bevat in elk geval een geschillenregeling.

Paragraaf 7. Afwijking van titel 1 of titel 2
Artikel 9.50a. Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2
  • 1. Op verzoek van de raad van toezicht kan Onze minister onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat, al dan niet voor een bepaald tijdvak, wordt afgeweken van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2. Het college van bestuur toont aan in geval van afwijking van titel 1 dat is voorzien in een doelmatige bestuursorganisatie, dan wel toont aan in geval van afwijking van titel 2 dat is voorzien in een doelmatige vorm van medezeggenschap voor personeel en studenten.

  • 2. Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de afwijkende regeling in het bestuurs- en beheersreglement opgenomen.

TITEL 3. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN EN DE MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE BIJZONDERE UNIVERSITEITEN

Artikel 9.51. Structuurregeling bijzondere universiteiten, inlichtingenplicht
  • 1. De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder b genoemde universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister te brengen.

  • 2. Onverminderd artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, stellen de in het eerste lid bedoelde besturen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister.

  • 3. De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder h, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.

  • 4. De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

  • 5. De besturen verstrekken aan Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit.

TITEL 4. BIJZONDER ONDERWIJS AAN OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren
Artikel 9.52. Kerkelijke hoogleraren
  • 1. De hoogleraren aan de bij het in werking treden van de wet van 28 april 1876 (Stb. 102) bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een na die inwerkingtreding vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel gevestigde leerstoel bekleden, hebben, voorzover die kweekscholen, seminaria of leerstoelen op 1 januari 1904 waren gevestigd in gemeenten waar een rijksuniversiteit is, tot het einde van de maand waarin zij de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens hebben bereikt, toegang met raadgevende stem in de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt. Bij de examens in die faculteit mogen zij examineren in de door hen onderwezen vakken. De hoogleraren aan de op 1 september 1986 te Amsterdam gevestigde kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een op dat tijdstip vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel te Amsterdam gevestigde leerstoel bekleden, hebben dezelfde rechten.

  • 2. De kerkelijke hoogleraren kunnen onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.

  • 3. Op de kerkelijke hoogleraren is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.

Paragraaf 2. De bijzondere leerstoelen
Artikel 9.53. Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel

Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van het college voor promoties, een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzondere hoogleraar onderwijs zal worden gegeven.

Artikel 9.54. Indiening verzoek bevoegdverklaring
  • 1. De bevoegdverklaring geschiedt op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald op welke wijze een verzoek dient te worden ingericht en welke bescheiden bij het verzoek dienen te worden overgelegd.

  • 2. Het in het voorgaande lid bedoelde bestuur geeft het college van bestuur de nodige inlichtingen omtrent de door het eerstbedoelde bestuur gevestigde leerstoel.

Artikel 9.55. Vereisten bijzonder hoogleraarschap
  • 1. Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt vereist het bezit van een doctoraat, verkregen aan een in artikel 1.2 onder a onderscheidenlijk b bedoelde universiteit of aan de Open Universiteit, dan wel van een bewijs, dat de aanstelling door het college van bestuur is bekrachtigd.

  • 2. De bekrachtiging wordt geacht te zijn verleend, indien binnen acht weken na de ontvangst der aanvraag daarop geen beslissing is genomen. Door het college van bestuur kan deze termijn tot ten hoogste vier maanden worden verlengd. De bekrachtiging kan slechts bij een met redenen omkleed besluit worden geweigerd.

  • 3. Het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid geeft van elke aanstelling van een hoogleraar binnen vier weken kennis aan het college van bestuur.

Artikel 9.56. Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar

Het onderwijs, gegeven door een bijzonder hoogleraar, is te allen tijde voor hen, die gerechtigd zijn het onderwijs aan de universiteiten bij te wonen, toegankelijk.

Artikel 9.57. Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar
  • 1. De bijzonder hoogleraar kan, onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden, gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.

  • 2. De bijzonder hoogleraar heeft toegang met raadgevende stem tot de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit waarbij hij is aangesteld.

  • 3. Met het einde van de maand, waarin een bijzonder hoogleraar de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

  • 4. Op de bijzonder hoogleraar is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.

Artikel 9.58. Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel

De in artikel 9.53 bedoelde bevoegdverklaring wordt door het college van bestuur, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, ingetrokken:

a. indien het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde niet langer wordt nagekomen;

b. indien de bijzonder hoogleraar het onderwijs veronachtzaamt dan wel zonder goede grond dit onderwijs gedurende een vol jaar heeft onderbroken;

c. indien het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich ten gevolge van wijzigingen in de omstandigheden met de bevoegdverklaring niet langer verdraagt.

Artikel 9.59. Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt

Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede lid, en 9.55 niet van toepassing.

HOOFDSTUK 10. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE HOGESCHOLEN

Artikel 10.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen.

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN HOGESCHOLEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool
Artikel 10.2. Centrale directie of college van bestuur
  • 1. Elke hogeschool, met uitzondering van de hogescholen met rechtspersoonlijkheid, heeft hetzij een centrale directie hetzij een college van bestuur. Een centrale directie dan wel een college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een door het instellingsbestuur wordt benoemd tot voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.

  • 2. Een lid van een centrale directie, onderscheidenlijk college van bestuur kan niet tezelfdertijd lid zijn van een centrale directie of college van bestuur van een tweede hogeschool.

  • 3. De centrale directie heeft onder verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de hogeschool alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en van het beheer van de hogeschool. Het college van bestuur is belast met de taken en bevoegdheden van de centrale directie alsmede met de door het instellingsbestuur aan het college overgedragen taken en bevoegdheden.

Artikel 10.3. Delegatie taken en bevoegdheden
  • 1. Het instellingsbestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in de plaats van de centrale directie in te stellen college van bestuur.

  • 2. Het college van bestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.

Artikel 10.3a. Faculteiten en andere organisatorische eenheden

Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.

Artikel 10.3b. Bestuursreglement
  • 1. Het instellingsbestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement wordt ten minste vastgesteld:

    a. de taken en bevoegdheden welke het instellingsbestuur overdraagt aan het college van bestuur, indien het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, eerste lid,

    b. de richtlijnen voor de uitoefening van de aan het college van bestuur overgedragen taken en bevoegdheden,

    c. nadere regels met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8, en

    d. indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat:

    1°. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, indien het college van bestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, tweede lid,

    2°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het instellingsbestuur, het college van bestuur of de centrale directie,

    3°. welke faculteiten of andere organisatorische eenheden de desbetreffende hogeschool omvat,

    4°. welke opleidingen in die faculteiten of organisatorische eenheden zijn ingesteld.

  • 2. Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, worden bij of krachtens het bestuursreglement de samenstelling en de werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid vastgesteld.

  • 3. Het instellingsbestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.

Artikel 10.3c. Opleidingscommissies
  • 1. Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:

    a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling alvorens het instellingsbestuur de regeling vaststelt,

    b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

    c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.

    De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad.

  • 2. Voorzover bij de vaststelling, nadere regeling of uitvoering van de onderwijs- en examenregeling het advies van de desbetreffende commissie niet wordt gevolgd, wordt het desbetreffende besluit met redenen omkleed.

  • 3. In het bestuursreglement wordt de wijze van benoemen en samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.

  • 4. Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.

Paragraaf 2. Geschillenregeling
Artikel 10.4

[vervallen]

Artikel 10.5. Geschillenregeling

Het instellingsbestuur van een hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.

Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een openbare hogeschool
Artikel 10.6. Inlichtingenplicht

Het instellingsbestuur van een openbare hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.

Artikel 10.7. Schorsing en ontslag personeelslid tevens gemeenteraadslid

In afwijking van het bepaalde krachtens artikel 4.5, vierde lid, zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een personeelslid van een gemeentelijke hogeschool dat tevens lid is van de raad van de gemeente die de hogeschool in stand houdt.

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een bijzondere hogeschool
Artikel 10.8. Bestuur bijzondere hogeschool
  • 1. Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

  • 2. Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere hogeschool uitgaat, bepalen dat het college van bestuur optreedt als instellingsbestuur, wordt in de statuten tevens voorzien in het toezicht op het beleid door een bestuursraad door middel van de uitoefening van goedkeuringsrecht.

  • 3. De bevoegdheden van de bestuursraad zijn ten minste:

    a. het vaststellen en wijzigen van de statuten van de rechtspersoon,

    b. de benoeming, de schorsing en het ontslag van de leden van de bestuursraad en van het college van bestuur.

  • 4. Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze minister. Het bestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool.

Artikel 10.8a. Afwijking bestuursreglement

Indien de statuten van een bijzondere hogeschool de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3b, eerste lid, tweede volzin, onder a en b, regelen, kan het instellingsbestuur besluiten deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.

TITEL 2. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN HOGESCHOLEN MET RECHTSPERSOONLIJKHEID

Artikel 10.9. Bestuursorganen
  • 1. De bestuursorganen van een hogeschool met rechtspersoonlijkheid zijn het college van bestuur en de bestuursraad.

  • 2. Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, alsmede de in artikel 10.2, derde lid, tweede volzin, bedoelde taken en bevoegdheden van de centrale directie.

Artikel 10.10. College van bestuur
  • 1. Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een wordt benoemd tot voorzitter. De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen, de bestuursraad gehoord. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De voorzitter en de andere leden zijn opnieuw benoembaar.

  • 2. De voorzitter en de andere leden kunnen tussentijds worden ontslagen. Dat ontslag geschiedt niet dan nadat Onze minister de bestuursraad en het college van bestuur heeft gehoord. Met het einde van de maand waarin betrokkene de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem, behoudens in zeer bijzondere gevallen, eervol ontslag verleend.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

  • 4. De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de hogeschool in en buiten rechte.

  • 5. Het college van bestuur verstrekt de bestuursraad de gevraagde inlichtingen omtrent zijn handelingen. Het verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.

Artikel 10.11. Bestuursraad
  • 1. De bestuursraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere leden. Bij koninklijk besluit worden regels vastgesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter en de andere leden van de bestuursraad alsmede omtrent de duur van hun benoeming, met dien verstande dat bij de benoeming zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.

  • 2. De bestuursraad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het college van bestuur. Hij staat het college van bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de bestuursraad zich naar het belang van de hogeschool.

Artikel 10.12. Bestuursreglement
  • 1. Het college van bestuur stelt onder voorafgaande goedkeuring van de bestuursraad ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de hogeschool het bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden tevens regels vastgesteld omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de vergaderstukken van het college van bestuur en de bestuursraad. In het bestuursreglement worden nadere regels gesteld met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8.

  • 2. Het bestuursreglement of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister.

  • 3. Het college van bestuur zendt een besluit als bedoeld in het tweede lid, binnen dertig dagen aan Onze minister. Onze minister beslist omtrent de goedkeuring van dit besluit binnen drie maanden na de dag waarop dit is ontvangen. De goedkeuring wordt verleend of onthouden met betrekking tot een besluit in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen daarvan. De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend indien Onze minister daaromtrent niet heeft beslist binnen de in de tweede volzin genoemde termijn. Onze minister kan deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste drie maanden.

Artikel 10.13. Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling

De artikelen 10.3a, 10.3b, 10.3c en 10.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.

Artikel 10.14. Schorsing en vernietiging besluiten van bestuursorganen
  • 1. De besluiten van het college van bestuur en van de bestuursraad kunnen wegens strijd met het recht of het algemeen belang bij met redenen omkleed koninklijk besluit geheel of gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd. In geval van schorsing wordt bij koninklijk besluit de duur hiervan bepaald, met dien verstande dat schorsing niet langer kan duren dan een jaar.

  • 2. Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.

  • 3. Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden geschorst of vernietigd.

  • 4. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van de geschorste bepalingen.

  • 5. Bepalingen die geschorst zijn geweest, kunnen niet opnieuw worden geschorst.

  • 6. Vernietiging brengt mede vernietiging van alle daarvoor vatbare gevolgen, voorzover in het besluit tot vernietiging niet anders is bepaald.

Artikel 10.15. Voorzieningen na schorsing en vernietiging

Het orgaan waarvan het besluit geheel of gedeeltelijk is geschorst of vernietigd, draagt zorg dat aan artikel 10.14, vierde lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 10.14, zesde lid, wordt voldaan en dat opnieuw in hetgeen de geschorste of vernietigde bepalingen regelden, voorzover nodig is, wordt voorzien. Bij het besluit tot schorsing of vernietiging kan daarvoor een termijn worden gesteld.

Artikel 10.16. Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur

In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van de hogeschool kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig met afwijking van de artikelen 10.9 en 10.11, in dat bestuur worden voorzien.

TITEL 3. MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 10.17. Medezeggenschapsraad
  • 1. Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.

  • 2. Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden.

  • 3. De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door de studenten worden gekozen.

  • 4. Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van bestuur, de bestuursraad, de centrale directie dan wel het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.

  • 5. Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.

  • 6. De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.

  • 7. De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur beschikbaar gestelde middelen voor de raad en de eventuele deelraden en commissies als bedoeld in artikel 10.34, worden verdeeld.

Artikel 10.18. Voorzitter medezeggenschapsraad

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 10.19. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden
  • 1. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.

  • 2. De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

  • 3. De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.

  • 4. De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5. Het instellingsbestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen instellingsbestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het instellingsbestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in artikel 10.20, onder a. Voorts verschaft het instellingsbestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

  • 6. Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.

  • 7. De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda's en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het instellingsbestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.

  • 8. Het instellingsbestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.

  • 9. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.

Artikel 10.20. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door het instellingsbestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het instellingsplan,

b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,

c. het studentenstatuut,

d. het bestuursreglement, alsmede indien artikel 10.8a van toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten,

e. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g,

f. regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn, en

g. de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.51, vierde lid, en 7.51a, derde lid.

Artikel 10.21. Medezeggenschapsreglement
  • 1. Het instellingsbestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast.

  • 2. Het instellingsbestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.

Artikel 10.22. Inhoud medezeggenschapsreglement

In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld:

a. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20, instemmingsrecht heeft,

b. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, de begroting, alsmede de keuze voor de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten,

c. het aantal leden van de medezeggenschapsraad,

d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,

e. de zittingsduur van de leden van de raad,

f. de wijze waarop het instellingsbestuur informatie verschaft aan de raad,

g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,

h. de bevoegdheden die door de deelraden worden uitgeoefend,

i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de hogeschool, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, krachtens welke de ondernemingsraad:

1°. in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken dan wel te worden gehoord,

2°. het recht heeft een verzoek om wetstoepassing te doen, of

3°. het recht heeft een bezwaarschrift in te dienen,

j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,

k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de hogeschool voorzover deze niet betreffen te nemen besluiten van het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 10.20, onder f, en

l. welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.

Artikel 10.23. Advies

Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 10.22, onder b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,

b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,

c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en

d. de raad, indien het instellingsbestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.

Artikel 10.24. Bijzondere bevoegdheden
  • 1. Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het instellingsbestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool.

  • 2. Indien het instellingsbestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.

  • 3. Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 10.25. Deelraden
  • 1. Een deelraad oefent tegenover het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid het instemmingsrecht en het adviesrecht uit dat toekomt aan de medezeggenschapsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die het desbetreffende deel van de hogeschool in het bijzonder aangaan, en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan het bestuur van die faculteit of andere organisatorische eenheid zijn toegekend.

  • 2. Artikel 10.17, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.26. Commissie voor geschillen
  • 1. Elke hogeschool is aangesloten bij een commissie voor geschillen. Een commissie als bedoeld in de vorige volzin, strekt haar werkkring uit over ten minste twintig hogescholen. Onze minister kan het in de vorige volzin bedoelde aantal hogescholen lager stellen.

  • 2. Een commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de instellingsbesturen en een lid en een plaatsvervangend lid door de medezeggenschapsraden van de in het eerste lid bedoelde hogescholen. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.

  • 3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad van een hogeschool waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.

Artikel 10.27. Competentie commissie voor geschillen
  • 1. Een commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:

    a. op verzoek van het instellingsbestuur, indien het instellingsbestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 10.20 en 10.22, onder a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het instellingsbestuur zijn voorstel wenst te handhaven,

    b. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsreglement voorzover aangegeven in artikel 10.22, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,

    c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder b, advies door de raad is uitgebracht, het instellingsbestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de hogeschool of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en

    d. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

  • 2. De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.28, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien er een geschil is tussen het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid en een deelraad, meldt het bestuur dan wel de deelraad dit geschil aan bij het instellingsbestuur dan wel bij de medezeggenschapsraad van de hogeschool. Het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad legt het geschil voor aan de commissie voor de geschillen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad van mening is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de geschillencommissie.

  • 4. Een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare hogescholen wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep.

Artikel 10.28. Geschil instemmingsbevoegdheid
  • 1. Indien aan een te nemen besluit van het instellingsbestuur instemming, vereist ingevolge artikel 10.20 of het medezeggenschapsreglement, is onthouden, deelt het instellingsbestuur binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Het instellingsbestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder a, onder overlegging van de door het instellingsbestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het instellingsbestuur en de raad.

Artikel 10.29. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement
  • 1. Voorzover aan een voorstel van het instellingsbestuur tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, wat betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 10.22, de instemming die is vereist ingevolge artikel 10.21, tweede lid, is onthouden, deelt het instellingsbestuur aan de medezeggenschapsraad dan wel de raad aan het instellingsbestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Indien het instellingsbestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, is artikel 10.28, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel had kunnen komen. De commissie geeft, voorzover zij van oordeel is dat het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het instellingsbestuur het medezeggenschapsreglement vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

Artikel 10.30. Geschil adviesbevoegdheid
  • 1. Indien het instellingsbestuur een besluit neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 10.22, onder b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.

  • 2. De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder c, binnen vier weken nadat het betrokken besluit door het instellingsbestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de instelling of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad

    a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze titel of het medezeggenschapsreglement,

    b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,

    c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of

    d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit had kunnen komen.

  • 4. De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.

Artikel 10.31. Geschil interpretatie

Op een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder d, doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.

Artikel 10.32. Nadere geschillen

Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder l, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

Artikel 10.33. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad
  • 1. De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het instellingsbestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.

  • 2. Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de kantonrechter kennis van de vordering.

  • 3. In afwijking van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

  • 4. De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 10.34, op indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.

Artikel 10.34. Commissies
  • 1. Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

  • 2. Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.35. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
  • 1. Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid meerdere hogescholen in stand houdt, stelt het instellingsbestuur een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor alle of een aantal van deze hogescholen.

  • 2. De leden van de gemeenschappelijke raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zodanig dat de aantallen leden, gekozen uit het personeel onderscheidenlijk uit de studenten, elk de helft van het aantal leden van de raad bedragen. Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.

  • 3. Het instellingsbestuur stelt voor elke gemeenschappelijke raad een reglement vast. In het reglement wordt ten minste geregeld uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat, de wijze waarop de verkiezing door de betrokken medezeggenschapsraden geschiedt, en de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.22, onder d tot en met g.

  • 4. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing. In het reglement wordt vastgelegd met betrekking tot welke in dat artikel geregelde onderwerpen de instemming van de gemeenschappelijke raad is vereist.

  • 5. Artikel 10.21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het reglement behalve voor wat betreft de bevoegdheden die ingevolge het vierde lid zijn overgedragen.

  • 6. De artikelen 10.17 en 10.27 tot en met 10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.36. Gemeenschappelijke commissies

Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid meerdere hogescholen in stand houdt, geeft het instellingsbestuur gelegenheid tot het instellen van een gemeenschappelijke commissie als bedoeld in artikel 10.34. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de desbetreffende hogescholen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn en de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

Artikel 10.37. Afwijking bij bijzondere omstandigheden

Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door dezelfde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze minister op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel.

Artikel 10.38. Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging
  • 1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze minister op verzoek van het instellingsbestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het instellingsbestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.

  • 2. Onze minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.

  • 3. Het instellingsbestuur doet elke vijf jaren aan Onze minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.

Artikel 10.39. Voorzieningen en scholing
  • 1. Het instellingsbestuur staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid zoveel mogelijk tijdens werktijd te vergaderen.

  • 2. Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad in de gelegenheid om gedurende een door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de raden, bedoeld in artikel 10.35.

HOOFDSTUK 11. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPEN UNIVERSITEIT

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Artikel 11.1. Algemene bevoegdheden van het college van bestuur
  • 1. Het college van bestuur van de Open Universiteit is belast met het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.

  • 2. Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 3. De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte.

  • 4. In dit hoofdstuk worden onder «het college van bestuur» en «de raad van toezicht» onderscheidenlijk verstaan: het college van bestuur van de Open Universiteit en de raad van toezicht van de Open Universiteit.

Artikel 11.2. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
  • 1. Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter.

  • 2. De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid van het college van bestuur de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

  • 3. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de ondernemingsraad van de Open Universiteit en de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4. Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 5. Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.

  • 6. Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn van een ander bestuursorgaan van de Open Universiteit, noch lid zijn van een bestuursorgaan van een andere in de bijlage van deze wet opgenomen instelling.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

Artikel 11.3. Bestuurs- en beheersreglement; onderwijs- en examenregeling
  • 1. Het college van bestuur stelt het bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de Open Universiteit vast.

  • 2. In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval:

    a. de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt, en

    b. het instemmingsrecht van studenten ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de onderwijs- en examenregeling met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.13, tweede lid, onder a tot en met g.

Artikel 11.4. Verantwoordings- en inlichtingenplicht van het college van bestuur
  • 1. Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.

  • 2. Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en handelingen.

  • 3. Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de Open Universiteit.

Artikel 11.5. Samenstelling raad van toezicht; financiële regeling leden
  • 1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

  • 2. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad van de Open Universiteit en de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

  • 3. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de ondernemingsraad en de studentenraad vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

  • 4. Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

  • 5. Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:

    a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling,

    b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of

    c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 6. Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.

  • 7. Het college van bestuur woont de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Het college van bestuur heeft daarin een adviserende stem.

  • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent toelagen en tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.

Artikel 11.6. Taken en bevoegdheden van de raad van toezicht
  • 1. De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de Open Universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.

  • 2. De raad van toezicht is belast met:

    a. de goedkeuring van het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 11.3,

    b. de goedkeuring van het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

    c. de goedkeuring van de begroting, bedoeld in artikel 2.8,

    d. de goedkeuring van het verslag, bedoeld in artikel 2.9,

    e. de goedkeuring van het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,

    f. de goedkeuring van een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1,

    g. de goedkeuring van de instelling of opheffing van regionale studiecentra, en

    h. de goedkeuring van het reglement voor de studentenraad, bedoeld in artikel 11.14.

Artikel 11.7. Verantwoordings- en inlichtingenplicht van de raad van toezicht
  • 1. De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister.

  • 2. De raad van toezicht verschaft Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

Paragraaf 2. Onderwijs

Artikel 11.8. Opleidingen Open Universiteit

In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Open Universiteit worden verzorgd.

Artikel 11.9. Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
  • 1. Tot het personeel van de Open Universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.

  • 2. De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het college van bestuur terzake van de onderwijs- en examenregeling.

  • 3. Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.

  • 4. De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.

Artikel 11.10. College voor promoties
  • 1. Aan de Open Universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.

  • 2. Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van het doctoraat honoris causa, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.

  • 3. In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.

Artikel 11.11. Opleidingscommissies
  • 1. Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:

    a. advies uit te brengen aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,

    b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

    c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen.

  • 2. Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In het bestuurs- en beheersreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het aantal leden van de commissie voortkomt uit studenten die aan de Open Universiteit zijn ingeschreven.

Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten

Artikel 11.12. Schorsing en vernietiging van besluiten examencommissies
  • 1. De besluiten van een examencommissie kunnen wegens strijd met het recht of het algemeen belang door het college van bestuur bij met redenen omkleed besluit geheel of gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd, voorzover tegen die besluiten geen beroep krachtens deze wet openstaat of heeft opengestaan. Het college van bestuur bepaalt in geval van schorsing de duur hiervan met dien verstande dat schorsing niet langer kan duren dan vier maanden.

  • 2. De artikelen 9.25 en 9.26 zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4. Medezeggenschap studenten

Artikel 11.13. Studentenraad
  • 1. Bij de Open Universiteit is een studentenraad. Het aantal leden bedraagt ten hoogste negen.

  • 2. De leden worden voor een periode van twee jaren bij geheime schriftelijke stemming gekozen door en uit de studenten.

  • 3. Het college van bestuur stelt, overeenkomstig regels neergelegd in het reglement voor de studentenraad, de kandidaat-leden voor de studentenraad in de gelegenheid zich tijdig voor de verkiezing aan de studenten voor te stellen.

  • 4. De vergaderingen van de studentenraad zijn openbaar, behoudens voorzover het reglement voor de studentenraad anders bepaalt of de raad anders beslist. De leden stemmen zonder last.

  • 5. Het college van bestuur stelt de studentenraad en de leden daarvan in de gelegenheid de in deze wet bedoelde taken naar behoren te verrichten binnen het kader van de toegekende middelen en voorzieningen.

  • 6. Het college van bestuur draagt er zorg voor dat de leden van de studentenraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van die raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de Open Universiteit.

Artikel 11.14. Reglement voor de studentenraad
  • 1. Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij deze paragraaf, een reglement voor de studentenraad vast. De vaststelling van het reglement alsmede elke wijziging daarvan behoeft de voorafgaande instemming van de studentenraad.

  • 2. Het reglement voor de studentenraad bevat in elk geval:

    a. regels omtrent de verkiezing van de leden van de raad,

    b. regels omtrent aanvang en einde van het lidmaatschap van de raad,

    c. regels omtrent de werkwijze van de raad,

    d. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad, en

    e. regels omtrent geheimhouding van zaken de Open Universiteit betreffende.

Artikel 11.15. Adviesbevoegdheid
  • 1. De studentenraad wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen, alvorens het college van bestuur een besluit neemt ten aanzien van:

    a. de opleidingen die tot ontwikkeling zullen worden gebracht,

    b. het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van studenten,

    c. het beleid met betrekking tot verwijdering van studenten van de Open Universiteit,

    d. de studiebegeleiding van studenten, en

    e. de beperking van de inschrijving, bedoeld in artikel 7.55.

    Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op een besluit van de raad van toezicht tot goedkeuring van een besluit van het college van bestuur tot instelling of opheffing van regionale studiecentra.

  • 2. De studentenraad kan het college van bestuur of de raad van toezicht ongevraagd advies uitbrengen ten aanzien van aangelegenheden de Open Universiteit betreffende die in het bijzonder de studenten aangaan.

  • 3. Indien het college van bestuur of de raad van toezicht het ingevolge het eerste lid vereiste advies van de studentenraad niet of niet geheel opvolgt, worden de redenen daartoe schriftelijk aan de studentenraad meegedeeld.

Artikel 11.16. Geschil instemmingsbevoegdheid
  • 1. Indien het college van bestuur de met betrekking tot het reglement voor de studentenraad vereiste instemming niet verwerft en zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt hij het voorgenomen besluit voor aan de raad van toezicht. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een geschil over de instemmingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid tweede volzin.

  • 2. De raad van toezicht is bevoegd een bemiddelingsvoorstel voor te leggen. Indien de raad van toezicht van deze bevoegdheid geen gebruik- maakt of indien zijn voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en de studentenraad, beoordeelt de raad of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorgenomen besluit heeft kunnen komen. De raad van toezicht neemt in elk geval een besluit dat bindend is voor het college van bestuur en de studentenraad.

HOOFDSTUK 12. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE ACADEMISCHE ZIEKENHUIZEN

Artikel 12.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 12.18, van toepassing op de academische ziekenhuizen bij openbare universiteiten en wat betreft de artikelen 12.2 en 12.18 op de academische ziekenhuizen bij bijzondere universiteiten.

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE ACADEMISCHE ZIEKENHUIZEN

Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 12.2. Algemene bepalingen
  • 1. Bij het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt voorzover de belangen van de patiënten dat toelaten, rekening gehouden met de belangen van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek bij de universiteit.

  • 2. In het bijzonder worden hoogleraren van de faculteit der geneeskunde, wier vakgebied hen daarvoor in aanmerking doet komen, alsmede de andere leden van het wetenschappelijk personeel die op het desbetreffende vakgebied werkzaam zijn, in de gelegenheid gesteld tot het geven van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en het doen van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek.

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen
Artikel 12.3. Bestuursorganen academisch ziekenhuis, afbakening bevoegdheden raad van bestuur en raad van toezicht
  • 1. De bestuursorganen van het academisch ziekenhuis zijn de raad van bestuur en de raad van toezicht.

  • 2. Aan de raad van bestuur behoort de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel, voorzover deze niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht is opgedragen.

  • 3. De raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 4. Tegen een beslissing op grond van artikel 1.14, eerste lid, houdende vaststelling van het deel van de rijksbijdrage voor de universiteit waarop het academisch ziekenhuis aanspraak heeft, kan beroep worden ingesteld door het college van bestuur van de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden in overeenstemming met de raad van bestuur.

Artikel 12.4. Raad van bestuur, omvang, samenstelling, benoeming en ontslag leden
  • 1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. In bijzondere gevallen kan Onze minister bepalen dat de raad van bestuur uit een voorzitter en drie andere leden bestaat. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de tweede volzin, geeft de stem van de voorzitter de doorslag indien in de raad van bestuur de stemmen staken.

  • 2. De voorzitter en de andere leden worden door de raad van toezicht benoemd en ontslagen.

Artikel 12.5. Rechtspositie leden raad van bestuur

De leden van de raad van bestuur genieten een bezoldiging dan wel een toelage. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld omtrent de rechtspositie van de leden van de raad van bestuur.

Artikel 12.6. Taken raad van bestuur
  • 1. Onverminderd hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, is de raad van bestuur belast met:

    a. het vaststellen van het bestuursreglement, bedoeld in artikel 12.7,

    b. het vaststellen van de begroting,

    c. het vaststellen van het jaarverslag, en

    d. het vaststellen van de jaarrekening.

  • 2. De raad van bestuur doet ten behoeve van het academisch ziekenhuis de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.

Artikel 12.7. Bestuursreglement

Het bestuursreglement bevat een nadere regeling van het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis.

Artikel 12.8. Verantwoordingsplicht raad van bestuur

De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende het academisch ziekenhuis.

Artikel 12.9. Vertegenwoordiging academisch ziekenhuis
  • 1. De voorzitter van de raad van bestuur vertegenwoordigt het academisch ziekenhuis in en buiten rechte.

  • 2. De raad van bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.

Artikel 12.10. Raad van toezicht, omvang en samenstelling, benoeming en ontslag, financiële regeling leden
  • 1. De raad van toezicht bestaat uit vijf of zeven leden. Het aantal leden wordt door Onze minister na overleg met de raad van toezicht bepaald.

  • 2. De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste vier jaren, de raad van toezicht gehoord.

  • 3. Degene die een tussentijds opengevallen plaats vervult, wordt benoemd voor de duur van de voor degene in wiens plaats hij is benoemd, nog resterende benoemingstermijn.

  • 4. De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord.

  • 5. Onze minister kan een of meer leden van de raad van toezicht een tegemoetkoming toekennen. Onze minister kent de voorzitter een bezoldiging, toelage of tegemoetkoming toe. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter.

  • 6. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.

Artikel 12.11. Deelneming aan vergaderingen raad van toezicht

De raad van toezicht nodigt de raad van bestuur uit om de vergadering van de raad van toezicht geheel of gedeeltelijk bij te wonen, tenzij de raad van toezicht in een bepaald geval bij met redenen omkleed besluit anders beslist.

Artikel 12.12. Taken raad van toezicht
  • 1. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is de raad van toezicht belast met het houden van een voortdurend toezicht op al wat het academisch ziekenhuis aangaat, daaronder begrepen het toezicht op de naleving van de op het academisch ziekenhuis betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen.

  • 2. Het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht. De goedkeuring wordt verleend of onthouden in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen. Indien binnen vier weken na ontvangst van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door de raad van toezicht niet anders is beslist is het besluit goedgekeurd. De raad van toezicht kan deze termijn verlengen tot ten hoogste acht weken.

  • 3. Indien binnen een door de raad van toezicht te bepalen termijn het bestuursreglement niet of niet volledig is vastgesteld, kan de raad van toezicht het bestuursreglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

Artikel 12.13. Verantwoordingsplicht raad van toezicht

De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister. Hij verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen.

Artikel 12.14.

[vervallen]

Artikel 12.15. Afdelingen en andere onderdelen

Met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen (Stb. 1971, 268) beslist de raad van bestuur, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.

Artikel 12.16. Afdelingshoofden, hoogleraren en ander wetenschappelijk personeel
  • 1. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur berust de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige behandeling en verzorging der patiënten bij de hoofden van de desbetreffende afdelingen. Zij nemen daarbij de organisatorische en financiële kaders als aangegeven door de raad van bestuur in acht.

  • 2. De afdelingshoofden worden als zodanig benoemd en ontslagen door de raad van bestuur. Tot afdelingshoofd wordt, in het algemeen, slechts benoemd een hoogleraar van de faculteit der geneeskunde, wiens vakgebied hem daarvoor in aanmerking doet komen.

  • 3. De in artikel 12.2, tweede lid, bedoelde hoogleraren, niet zijnde afdelingshoofd, en andere leden van het wetenschappelijk personeel waarvan de functie meebrengt dat zij mede worden belast met patiëntenzorg behoeven tevens een aanstelling bij het academisch ziekenhuis.

  • 4. De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan de universiteit behoeven de instemming van de raad van bestuur. De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan het academisch ziekenhuis behoeven de instemming van het college van bestuur.

  • 5. De raad van bestuur stelt in overeenstemming met het college van bestuur voor de in het tweede en derde lid bedoelde personen een instructie vast. In de instructie, bedoeld in de eerste volzin, wordt ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde personen, in ieder geval bepaald:

    a. de wijze waarop de wederzijdse bevoegdheden van de raad van bestuur en het college van bestuur ten aanzien van die personen worden uitgeoefend;

    b. of het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van de universiteit dan wel het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van het academisch ziekenhuis van toepassing is.

Artikel 12.17. Stafconvent, taak en samenstelling
  • 1. Er is een stafconvent, dat overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen medewerkt aan het bestuur van het academisch ziekenhuis.

  • 2. De samenstelling van het stafconvent wordt vastgesteld in het bestuursreglement met dien verstande, dat de afdelingshoofden in elk geval zitting hebben in dit convent.

  • 3. De leden van het stafconvent kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen.

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten
Artikel 12.18. Structuurregeling, inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis
  • 1. De besturen van de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden uitgaan, stellen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van hun academisch ziekenhuis. Bij de vaststelling van de regelen inzake het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt paragraaf 2 in acht genomen voorzover de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister.

  • 2. De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in artikel 1.14, tweede lid, onder c, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het bestuur gericht aangetekend schrijven heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten paragraaf 2 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde besturen geven aan Onze minister de nodige inlichtingen omtrent het academisch ziekenhuis.

  • 4. De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

TITEL 2. HET GEMEENSCHAPPELIJK BELEIDSORGAAN

Artikel 12.19. Oprichting en taak gemeenschappelijk beleidsorgaan
  • 1. De universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis richten gezamenlijk een gemeenschappelijk beleidsorgaan op.

  • 2. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan heeft tot taak een doelmatige samenwerking op het terrein van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen de universiteit en het academisch ziekenhuis te bevorderen.

Artikel 12.20. Gemeenschappelijke regeling
  • 1. De oprichting van een gemeenschappelijk beleidsorgaan geschiedt bij een gemeenschappelijke regeling, die wordt getroffen door het college van bestuur en de raad van bestuur, na overleg met de universiteitsraad of ondernemingsraad, onderscheidenlijk de raad van toezicht. De gemeenschappelijke regeling wordt door het college van bestuur en de raad van toezicht gezamenlijk aan Onze minister gezonden.

  • 2. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt mede verstaan het wijzigen van die regeling.

  • 3. De gemeenschappelijke regeling voorziet in de samenstelling, de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van het gemeenschappelijk beleidsorgaan met inachtneming van het in deze wet bepaalde.

  • 4. In de gemeenschappelijke regeling wordt bepaald op welke wijze geschillen omtrent de uitvoering of toepassing daarvan worden beslist.

Artikel 12.21. Bijzondere taak gemeenschappelijk beleidsorgaan

Een universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis voeren overleg over de onderlinge afstemming van hun werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan stelt het document vast, waarin de resultaten van dit overleg zijn vastgelegd. Voorzover de universiteit en het academisch ziekenhuis niet binnen redelijke tijd tot overeenstemming hebben kunnen komen, stelt het gemeenschappelijk beleidsorgaan zelf de onderlinge afstemming van werkzaamheden, bedoeld in de eerste volzin, vast.

TITEL 3. HET GEMEENSCHAPPELIJK UITVOERINGSORGAAN

Artikel 12.22. Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan

Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in artikel 12.21. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. Op de besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid zijn de artikelen 10.14 en 10.15 van overeenkomstige toepassing.

TITEL 4. OVERLEG BESTUUR FACULTEIT DER GENEESKUNDE EN RAAD VAN BESTUUR

Artikel 12.23. Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur

Het bestuur van de faculteit der geneeskunde en de raad van bestuur stellen bij gezamenlijk besluit vast op welke wijze zij periodiek overleg voeren over aangelegenheden betreffende het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het in de eerste volzin bedoelde besluit regelt de samenstelling en de inrichting van het overleg.

HOOFDSTUK 13. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE INSTELLINGEN VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE KONINKLIJKE NEDERLANDSE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN

Artikel 13.1. Het algemeen bestuur en de algemene vergadering
  • 1. De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen berust bij het algemeen bestuur, voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan andere organen van de academie is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 2. De leden van de academie vormen de algemene vergadering. De wijze waarop de leden van de academie worden benoemd, wordt geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 13.2.

  • 3. De leden van het algemeen bestuur worden gekozen door en uit de algemene vergadering.

  • 4. Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de algemene vergadering. Het verstrekt de algemene vergadering en Onze minister de gevraagde inlichtingen.

  • 5. Onze minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.

  • 6. De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de academie in en buiten rechte.

Artikel 13.2. Het reglement
  • 1. Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen stelt de algemene vergadering met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.

  • 2. Het reglement regelt in elk geval de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het algemeen bestuur alsmede hun vervanging bij afwezigheid of ontstentenis.

  • 3. Het algemeen bestuur zendt het reglement en elke wijziging daarvan ter kennis aan Onze minister.

TITEL 2. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

Artikel 13.3. Het algemeen bestuur
  • 1. De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Bibliotheek berust bij het algemeen bestuur voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan de bibliothecaris is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

  • 2. Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste vier andere leden. Het aantal leden wordt door Onze minister bepaald.

  • 3. De leden van het algemeen bestuur worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een bij koninklijk besluit te bepalen termijn.

  • 4. De leden van het algemeen bestuur kunnen door Onze minister, de overige leden van het algemeen bestuur gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen.

  • 5. Onze minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffen de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.

  • 6. De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de bibliotheek in en buiten rechte.

Artikel 13.4. Verantwoordingsplicht algemeen bestuur

Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan Onze minister. Het verstrekt hem de gevraagde inlichtingen.

Artikel 13.5. Bibliothecaris
  • 1. Binnen het kader van het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid berust de leiding van de Koninklijke Bibliotheek bij de bibliothecaris.

  • 2. De bibliothecaris heeft tot taak het beleid van het algemeen bestuur voor te bereiden en ten uitvoer te leggen.

Artikel 13.6. Reglement
  • 1. Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek stelt het algemeen bestuur met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.

  • 2. Het reglement regelt in elk geval de vervanging van de leden van het algemeen bestuur bij afwezigheid of ontstentenis.

  • 3. Het algemeen bestuur zendt het reglement en elke wijziging daarvan ter kennis aan Onze minister.

TITEL 3. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 13.7.

[vervallen]

Artikel 13.8. Openbaarheid
  • 1. Het algemeen bestuur verschaft desgevraagd alsmede uit eigen beweging informatie over de instelling aan belanghebbenden en belangstellenden. Het reglement regelt in welke gevallen het verschaffen van informatie achterwege blijft.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt regels vast voor het berekenen van tarieven bij het op verzoek verschaffen van informatie.

Artikel 13.9. Schorsing en vernietiging van besluiten
  • 1. De besluiten van het algemeen bestuur kunnen wegens strijd met het recht of het algemeen belang bij met redenen omkleed koninklijk besluit geheel of gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd. Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het besluit van de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot vaststelling of wijziging van het in artikel 13.2 bedoelde reglement.

  • 2. In geval van schorsing wordt de duur hiervan bij koninklijk besluit bepaald met dien verstande, dat schorsing niet langer kan duren dan een jaar.

  • 3. Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 13.10. Gevolgen schorsing en vernietiging
  • 1. Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden geschorst of vernietigd.

  • 2. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van de geschorste bepalingen. Bepalingen die geschorst zijn geweest, kunnen niet opnieuw worden geschorst.

  • 3. Vernietiging brengt mede vernietiging van alle daarvoor vatbare gevolgen, voorzover in het besluit tot vernietiging niet anders is bepaald.

Artikel 13.11. Voorziening na schorsing en vernietiging

Het orgaan waarvan het besluit geheel of gedeeltelijk is geschorst of vernietigd, draagt zorg dat aan artikel 13.10, tweede en derde lid, wordt voldaan en dat opnieuw in hetgeen de geschorste of vernietigde bepalingen regelden, voorzover nodig is, wordt voorzien. Bij het besluit tot schorsing of vernietiging kan daarvoor een termijn worden gesteld.

HOOFDSTUK 14. BEROEP OP DE ADMINISTRATIEVE RECHTER

Artikel 14.1. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

  • 1. Tegen een besluit van Onze minister jegens een bepaalde instelling op grond van de in het tweede lid genoemde artikelen kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • 2. Het eerste lid heeft betrekking op:

    a. artikel 1.9, zesde lid,

    b. artikel 2.9, vierde lid,

    c. artikel 6.4,

    d. artikel 6.5,

    e. artikel 6.8,

    f. artikel 6.16, en

    g. artikel 15.1, eerste lid.

Artikel 14.2. Intreden gevolgen van toekenning van rechten na beroep

  • 1. Indien de uitspraak op een beroep tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 6.4, 6.8, 6.11, 6.14, vierde lid, tweede volzin, en 7.17, strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de rechten genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, aanwijzing, registratie of goedkeuring, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het kalenderjaar waarin de uitspraak is gedaan.

  • 2. Indien tegen de uitspraak hoger beroep openstaat, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.

HOOFDSTUK 15. INHOUDING BEKOSTIGING, SCHADEVERGOEDING EN STRAFBEPALINGEN

Artikel 15.1. Inhouding bekostiging

  • 1. Indien een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, c of d, in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel wordt opgeschort.

  • 2. Onze minister kent de rijksbijdrage wederom toe indien hem blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.

Artikel 15.2. Schadevergoeding niet-gerechtigde deelname onderwijs

Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:

a. met toepassing van artikel 7.43, derde en vierde lid, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft,

b. met toepassing van artikel 7.44, eerste en tweede lid, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft, of

c. met toepassing van artikel 7.50, eerste en tweede lid, indien het deelname aan een opleiding aan de Open Universiteit betreft.

Artikel 15.3. Geldboete niet-gerechtigde deelname onderwijs

Degene die niet is ingeschreven en gebruiktmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Artikel 15.4. Geldboete niet-nakoming identificatieplicht

  • 1. Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven.

  • 2. Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 15.5. Geldboete ten onrechte afgegeven getuigschriften

Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling medewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen met goed gevolg heeft afgelegd, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

Artikel 15.6. Geldboete niet-gerechtigde verlening titels

  • 1. Het is verboden titels, genoemd in artikel 7.20 of 7.22, te verlenen.

  • 2. Degene die handelt in strijd met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 15.7. Karakter strafbare feiten

De in de artikelen 15.3, 15.4, 15.5 en 15.6 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

HOOFDSTUK 16. OVERGANGS-, INVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN

TITEL 1. INTREKKING WETTEN EN BESLUITEN

Artikel 16.1. Intrekking wetten en besluiten
  • 1. Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, worden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingetrokken:

    a. de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1986, 414),

    b. de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289),

    c. de Wet op de Open Universiteit (Stb. 1984, 573),

    d. de Invoeringswet W.W.O. (Stb. 1986, 426), met uitzondering van artikel C.2 onder a en b,

    e. de Invoeringswet W.H.B.O. (Stb. 1986, 290), met uitzondering van de artikelen E.9, E.45, E.48 en E.65,

    f. de Machtigingswet inschrijving studenten (Stb. 1985, 59),

    g. de Machtigingswet beperking inschrijving h.b.o. (Stb. 1984, 693),

    h. het Koninklijk besluit van 26 October 1851, no. 3, en het besluit van 5 januari 1938 (Stb. 390), houdende wijziging van de naam der Koninklijke Akademie van Wetenschappen en vaststelling van een reglement,

    i. het besluit van 7 september 1982 (Stb. 518) houdende de regeling inzake de Koninklijke Bibliotheek als nationale bibliotheek, en

    j. de ter uitvoering van de onder a tot en met i genoemde wetten en besluiten gegeven voorschriften, met uitzondering van

    1°. de artikelen 335 en 337 van het Academisch Statuut (Stb. 1988, 315), welke artikelen worden ingetrokken met ingang van het in die artikelen genoemde tijdstip, en

    2°. artikel 336 van het Academisch Statuut.

  • 2. De op grond van de titels 1 tot en met 3 en 4, eerste en tweede paragraaf, van dit hoofdstuk gehandhaafde bepalingen van de bij of krachtens de in het eerste lid genoemde wetten en besluiten vastgestelde regelingen kunnen worden gewijzigd.

TITEL 2. VOORZIENINGEN VOOR ONBEPAALDE TIJD

Artikel 16.2. Getuigschriften, titulatuur
  • 1. Zij die een getuigschrift hebben verkregen van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, afsluitend examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs of examen van een diplomaprogramma als bedoeld in de Wet op de Open Universiteit, worden geacht dat getuigschrift te hebben verkregen op grond van deze wet.

  • 2. Zij die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs, de Invoeringswet W.H.B.O., dan wel de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn een of meer van de in die wetten geregelde titels te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van de artikelen 7.20 tot en met 7.22 van deze wet.

Artikel 16.3. Handhaving voorschriften oude stijl
  • 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende algemene maatregelen van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 38, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, artikel 43a, tweede lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, en artikel 19a, tweede lid, van de Wet op de Open Universiteit, berusten vanaf dat tijdstip op de artikelen 7.9, vijfde lid, en 7.51, derde lid, van deze wet.

  • 2. In afwijking van artikel 7.24, tweede lid, gelden de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijnde, afwijkende vooropleidingseisen ten aanzien van de tot opleidingen omgezette studierichtingen, bedoeld in bijlage 1, onderdeel F, nummers 17 en 18, en onderdeel H.3, nummer 15, van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen.

Artikel 16.4. Aanspraken gewezen personeel instellingen hoger onderwijs

Personeelsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet in dienst zijn van een instelling voor hoger onderwijs en die voor deze datum ten laste van het Rijk waren verbonden aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, en die op dat tijdstip aan bij of krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde, op die instellingen betrekking hebbende wetten aanspraken, rechten en verplichtingen ontlenen of kunnen ontlenen, worden geacht deze vanaf dat tijdstip te ontlenen of te kunnen ontlenen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 4.5.

Artikel 16.5.

[vervallen]

Artikel 16.6. Overgangsbepaling Abp-wet

Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen bijzondere instellingen voor hoger beroepsonderwijs dat op grond van artikel B2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status.

Artikel 16.6a. Overgangsrecht studieadvies en verwijzing in postpropedeutische fase
  • 1. Met ingang van het studiejaar 1998–1999 kan het instellingsbestuur de student die vóór dat studiejaar was ingeschreven voor een opleiding in het hoger onderwijs, en die met studieonderbreking voor een tweede of volgende studiejaar aan een instelling is ingeschreven voor de propedeutische fase van dezelfde opleiding en het propedeutisch examen niet, dan wel zonder goed gevolg aflegt, met inachtneming van artikel 7.8b, derde tot en met vijfde lid, een afwijzing geven.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de student jegens wie het instellingsbestuur in een eerder studiejaar in de gelegenheid is geweest een afwijzing als bedoeld in dat lid of in artikel 7.9, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, met betrekking tot de desbetreffende opleiding te geven, doch dit heeft nagelaten.

  • 3. In afwijking van artikel 7.9, vierde lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, is het instellingsbestuur bevoegd aan een voormalig student die vóór 1 september 1998 een afwijzing heeft ontvangen, op diens verzoek als student of extraneus in te schrijven voor de opleiding of voor een van de opleidingen waarvoor de afwijzing van kracht was. Artikel 7.8b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Artikel 7.9, eerste lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 1998 wordt niet toegepast met betrekking tot een opleiding waarvoor de student vóór het studiejaar 1998–1999 was ingeschreven.

Artikel 16.7. Voorbereidende perioden kuo
  • 1. Het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bepaalde bij of krachtens de artikelen 101, 133, 134, 135, 165 en 169 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs en artikel D.14 van de Invoeringswet W.H.B.O. blijft van toepassing op hogescholen met opleidingen die voortkomen uit studierichtingen dan wel samengestelde studierichtingen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

  • 2. Het in deze wet bepaalde met betrekking tot planning en bekostiging is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16.8. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën
  • 1. Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te 's-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding als bedoeld in het derde lid, dan wel aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 met een studielast van ten minste 168 punten heeft afgelegd, onverminderd het tweede lid.

  • 2. De artikelen 1.12, vierde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a en b genoemde universiteit deel uitmaken.

  • 3. Onze minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.

  • 4. Onze minister kan een besluit als bedoeld in het derde lid intrekken indien gebleken is dat de kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, dan wel niet of niet meer voldaan wordt aan het tweede lid.

  • 5. Indien Onze minister voornemens is toepassing te geven aan het vierde lid geeft hij een waarschuwing aan het instellingsbestuur, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande kan plaatsvinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. Bij zijn besluit tot intrekking bepaalt Onze minister het tijdstip waarop die intrekking van kracht wordt zodanig dat degenen die de voorbereiding van de promotie reeds ter hand hebben genomen, binnen redelijke tijd het doctoraat kunnen verkrijgen.

  • 6. De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het vierde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

TITEL 3. TIJDELIJKE HANDHAVING VOORSCHRIFTEN OUDE STIJL

Artikel 16.9. Afwijkende vooropleidingseisen
  • 1. Onverminderd artikel 16.3, tweede lid, blijft het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. met betrekking tot afwijkende vooropleidingseisen bepaalde van toepassing tot uiterlijk het derde studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Voorzover de in het eerste lid bedoelde vooropleidingseisen betrekking hebben op een verklaring van een middelbare technische school dat met goed gevolg eindexamen is afgelegd, zonder dat het praktijkjaar is doorlopen, blijft, in afwijking van het eerste lid, het krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. bepaalde van toepassing tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Onder een verklaring van een middelbare technische school wordt tevens verstaan een verklaring van een school of instelling die een opleiding middelbaar beroepsonderwijs of een opleiding deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de sector techniek in stand houdt, voorzover deze opleidingen uitsluitend of mede gericht zijn op doorstroming naar het hoger beroepsonderwijs.

  • 3. Voor de inschrijving op grond van het eerste en tweede lid geldt als eis het bezit van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs van toelating.

Artikel 16.9a. Overgangsrecht selectieprocedure bij opleidingen met een toelatingsbeperking
  • 1. Indien na toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, derde lid hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.

  • 2. Artikel 7.57e wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 2000–2001.

  • 3. Artikel 7.57f, eerste lid, wordt jegens degene die niet eerder aan de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid onder a, of in artikel 7.53, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, heeft deelgenomen, en die in een van de kalenderjaren 1997 tot en met 1999 een opleiding in het voortgezet onderwijs, een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs, dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die toelaatbaarheid tot het hoger onderwijs met zich meebrengt, met goed gevolg heeft afgerond, niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 1999–2000.

  • 4. Artikel 7.57f, tweede lid, wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 2000–2001, met dien verstande dat:

    a. degenen die met betrekking tot het studiejaar 1999–2000 voor de eerste maal hebben deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een opleiding, nadien nog ten hoogste drie maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde opleiding kunnen deelnemen,

    b. deelname aan de loting voor een opleiding in 1998 of eerdere jaren niet meetelt bij de toepassing van dit artikellid voor dezelfde opleiding.

Artikel 16.10. Tijdelijke regeling lerarenopleidingen en bevoegdheden van docenten
  • 1. Ten aanzien van het onderwijs bedoeld in artikel 102 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zoals dit artikel luidt bij inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen tot stand gekomen besluiten en regelen van kracht:

    a. de artikelen 103, 105 en 107, tweede lid, en 110 en 110a, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs met dien verstande dat in artikel 110a, eerste lid, het gestelde onder a komt te vervallen en na onderdeel c, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een nieuw onderdeel d wordt toegevoegd, luidende:

    d. in plaats van een bewijs van bekwaamheid of een verklaring als bedoeld onder b en een bewijs van voldoende didactische voorbereiding of een verklaring als bedoeld onder c gezamenlijk, een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, en

    b. de artikelen E.18, E.20 voor wat betreft de vooropleidings- en toelatingseisen en de daarmee verband houdende aanvullende voorschriften, E.21 tot en met E.26 en E.28, tweede en derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O.

  • 2. Ten aanzien van de universitaire lerarenopleidingen blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de artikelen 67, 68, 69 en 71 van het Academisch Statuut van kracht.

  • 3. Ten aanzien van de hogescholen blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen tot stand gekomen besluiten en regelen van kracht:

    a. artikel 54 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, met dien verstande dat het gestelde in het eerste lid, onder a, komt te vervallen en na onderdeel c, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een nieuw onderdeel d wordt toegevoegd, luidende:

    d. in plaats van een getuigschrift of een verklaring als bedoeld onder b en een bewijs of een verklaring als bedoeld onder c gezamenlijk, een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen en

    b. de artikelen D.4, D.6, D.9 en D.10 van de Invoeringswet W.H.B.O.

  • 4. Ten aanzien van de niet uit de openbare kas bekostigde lerarenopleidingen waarop een aanwijzing ingevolge artikel 6.9 van toepassing is, geldt in afwijking van artikel 1.12, tweede lid, als voorwaarde dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens de in het eerste en derde lid gehandhaafde artikelen is bepaald alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de beperking van de inschrijving op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt.

  • 5. Ten aanzien van de universitaire lerarenopleidingen waarop een aanwijzing ingevolge artikel 6.9 van toepassing is, is in aanvulling op artikel 1.12, tweede lid, tevens voorwaarde dat de instelling in acht neemt hetgeen in de krachtens het tweede lid gehandhaafde artikelen is bepaald.

  • 6. Ten aanzien van de deeltijdse hogere kaderopleiding pedagogiek, genoemd in de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen, bijlage 1, onderdeel F, nr. 21a, zoals luidend bij inwerkingtreding van deze wet, blijft het bepaalde bij of krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. wat betreft de vooropleidingseisen en toelatingseisen van toepassing.

Artikel 16.10a. Tijdelijke garanties voor door academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening over te nemen personeel

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum blijven voor het personeel, bedoeld in artikel 2.18, derde lid, in de nieuwe functie de regelingen met betrekking tot de rechtspositie zoals die op 31 juli 1999 voor dat personeel golden van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die zien op de inhoud van de functie die zij op die datum bekleedden, met dien verstande dat die overeenkomstige toepassing in elk geval eindigt op de datum waarop door de educatieve voorziening en de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties anders is overeengekomen. In de nieuwe functie geldt een carrièrepatroon en een maximumsalaris dat ten minste gelijk is aan het carrièrepatroon en het maximumsalaris dat behoorde bij de functie die het personeelslid op 31 juli 1999 bekleedde aan de in artikel 2.18, derde lid, bedoelde school.

TITEL 4. VOORSCHRIFTEN I.V.M. INVOERING WET

Paragraaf 1. Voorschriften betreffende de instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 16.11. Overgangsrecht hogescholen
  • 1. Op de in de bijlage van deze wet onder c tot en met g genoemde instellingen blijven de artikelen 14, derde en vierde lid, 62, aanhef en onder c, d en n, 73, 75, 90, 128 en 166 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 17, eerste lid, laatste volzin, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zoals dat artikel luidde op 30 juli 1993, alsmede artikel E.3 van de Invoeringswet W.H.B.O. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing. Op beslissingen van Onze minister, genomen op grond van de artikelen 128 en 166 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs blijven onderscheidenlijk de artikelen 134 en 169 van die wet van toepassing.

    1a. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de hogeschool in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de hogeschool overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 90 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. In geval van omzetting, splitsing of verplaatsing van een instelling, in overeenstemming met het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 128, dan wel in geval van samenvoeging van twee of meer van de in dat lid bedoelde instellingen, worden de daaruit voortkomende instellingen geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en worden de instellingen waaruit zij voortkomen, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.

  • 3. Ingeval van opheffing van een openbare instelling onderscheidenlijk verlies van de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een bijzondere instelling, als bedoeld in het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 166, wordt deze instelling geacht met onmiddellijke ingang niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.

  • 4. Ingeval van bestuursoverdracht van een instelling als bedoeld in de op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikelen 75 en 90, worden het lichaam dat of de rechtspersoon die deze instelling na de bestuursoverdracht in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt het lichaam of de rechtspersoon waardoor de bestuursoverdracht is verricht, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen. Ingeval van splitsing van een rechtspersoon en overgang van de instandhouding van een instelling als bedoeld in lid 1a, wordt de rechtspersoon die de instelling na de splitsing in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt de rechtspersoon die de instelling voor de splitsing in stand hield, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.

  • 5. In afwijking van artikel 7.17 kunnen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip instellingen die met toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, of artikel E.66, eerste lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs hebben gegeven buiten de gemeente van vestiging, dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de genoemde artikelen.

  • 6. In afwijking van artikel 7.17 kunnen instellingen die met toepassing van artikel E.66, tweede lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs hebben gegeven buiten de gemeente van vestiging, dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven.

  • 7. In afwijking van artikel 7.17 blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip het bepaalde bij of krachtens artikel 14, zesde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van toepassing op de in het eerste lid bedoelde instellingen waaraan een lerarenopleiding is verbonden.

  • 8. In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder e, is de titel baccalaureus tevens verbonden aan het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd examen van opleidingen die de voortzetting zijn van de opleidingen genoemd in artikel 191, tweede lid, onder c, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 16.12. Overgangsrecht met betrekking tot gemeente van vestiging universiteiten

Universiteiten die in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs buiten de gemeente van vestiging hebben gegeven kunnen tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven. Indien het instellingsbestuur voor afloop van deze termijn een verzoek om goedkeuring als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, bij Onze minister heeft ingediend en Onze minister daarop nog niet heeft beslist, kan het onderwijs buiten de gemeente van vestiging worden gegeven tot het tijdstip dat Onze minister de beslissing op het verzoek aan het instellingsbestuur heeft bekendgemaakt.

Artikel 16.13. Tijdelijke handhaving erkenningen WEO

Erkenningen verleend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen voor hoger beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger beroepsonderwijs dan wel voor wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs vervallen een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Indien voor afloop van deze termijn een verzoek om aanwijzing als bedoeld in artikel 6.9 is gedaan, blijft de erkenning van kracht totdat definitief op het verzoek is beslist. Zolang de erkenning van kracht is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Wet op de erkende onderwijsinstellingen van toepassing.

Artikel 16.14. Overgangsrecht aangewezen onderwijs

Een aanwijzing krachtens artikel 218 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs dan wel artikel 171 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs geldt als een aanwijzing ingevolge artikel 6.9.

Artikel 16.15. Indeling bestaand onderwijs in Centraal register opleidingen hoger onderwijs; handhaving vooropleidingseisen
  • 1. Uiterlijk drie maanden voor de aanvang van het studiejaar ten aanzien waarvan deze wet voor het eerst toepassing vindt, stelt Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, met betrekking tot alle op dat tijdstip uit 's Rijks kas bekostigde dan wel aangewezen studierichtingen en diplomaprogramma's voor dat studiejaar het Centraal register opleidingen hoger onderwijs vast. In afwijking van artikel 6.13, vierde lid, bevat dit register de volgende gegevens:

    a. de naam van de opleiding en, voorzover deze afwijkt van de studierichting of het diplomaprogramma waarvan de opleiding de voortzetting vormt, de naam van die studierichting onderscheidenlijk dat diplomaprogramma alsmede de instelling die de opleiding verzorgt,

    b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

    c. de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,

    d. het voltijdse dan wel deeltijdse karakter, en

    e. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld.

  • 2. De naam van de opleiding wijkt niet af van de naam van de studierichting, onderscheidenlijk het diplomaprogramma, waarvan de opleiding de voortzetting is, tenzij alle instellingen die de opleiding verzorgen anders overeenkomen.

  • 3. Tot de onderscheiden onderdelen van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs behoren in elk geval de volgende studierichtingen en diplomaprogramma's: de studierichtingen, genoemd in de artikelen 82 tot en met 95 van het Academisch Statuut en de diplomaprogramma's, genoemd in de artikelen 19 en 20 van het OU-statuut (Stb. 1988, 466) behoren tot het onderdeel recht, de studierichtingen, genoemd in de artikelen 244 tot en met 291 van het Academisch Statuut, de studierichtingen, genoemd in bijlage I onderdeel C van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen (Stcrt. 1986, 127) en de diplomaprogramma's, genoemd in de artikelen 30 tot en met 34 van het OU-statuut behoren tot het onderdeel techniek, de studierichtingen, genoemd in de artikelen 292 tot en met 313 van het Academisch Statuut en de studierichtingen genoemd in bijlage I, onderdeel B, van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen behoren tot het onderdeel landbouw en natuurlijke omgeving.

  • 4. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling bedoeld in artikel 7.25 onderscheidenlijk 7.26, blijft ten aanzien van de eisen van het vakkenpakket onderscheidenlijk de eisen ten aanzien van kennis en vaardigheden die in aanvulling op de vooropleidingseisen gesteld worden wat betreft de opleidingen die een voortzetting vormen van studierichtingen, bedoeld in het eerste lid, het bepaalde bij of krachtens het Academisch Statuut dan wel de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen van toepassing. Wat betreft de eisen ten aanzien van de eigenschappen van de student blijft tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.26, artikel E.33 van de Invoeringswet W.H.B.O. van toepassing op de opleidingen, bedoeld in de eerste volzin.

  • 5. In afwijking van artikel 6.14, en met inachtneming van het vierde lid, verstrekken de instellingsbesturen binnen drie maanden na inwerkingtreding van de wet de gegevens voor het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het tweede studiejaar dat aanvangt na inwerkingtreding, doch niet later dan 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan dat studiejaar. Het register wordt voor 1 februari daaropvolgend bekendgemaakt.

  • 6. Van een besluit van Onze minister als bedoeld in het eerste lid, kan het instellingsbestuur binnen dertig dagen nadat dit besluit hem ter kennis is gebracht, bij de Kroon beroep instellen.

Artikel 16.15a. Tijdelijke handhaving titel drs. bij opleidingen op het gebied van het recht

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder c, is degene die in het studiejaar 1992–1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiek-wetenschappelijke studierichting, en die in het studiejaar 1993–1994 of 1994–1995 die opleiding afrondt door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de titel doctorandus, afgekort drs., mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift daarvan een aantekening plaatst.

Artikel 16.16. Overgangsvoorziening opleiding tweede fase
  • 1. Tot uiterlijk vier jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet kunnen als aparte opleidingen worden verzorgd de in artikel 18, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs genoemde opleidingen van de tweede fase, de in artikel 330 van het Academisch Statuut bedoelde opleiding tot wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied en de in artikel E.17, derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. genoemde opleidingen. Op deze opleidingen blijven alsdan de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing, met dien verstande dat met het oog op de toelating tot de tweede fase met het doctoraalexamen gelijk kan worden gesteld een met goed gevolg afgelegd, overeenkomstig examen als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid.

  • 2. Indien geen toepassing is gegeven aan het eerste lid, voorziet de onderwijs- en examenregeling in een overgangsregeling tot uiterlijk twee jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, ten behoeve van studenten die op dat tijdstip bezig zijn met een opleiding als bedoeld in dat lid. Op deze studenten blijven de in de tweede volzin van het eerste lid bedoelde voorschriften van toepassing.

  • 3. In afwijking van artikel 7.38, tweede lid, bedraagt de inschrijvingsduur van studenten op wie het bepaalde in het eerste en het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is, indien zij op 31 augustus 1993 waren ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van tandarts of wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied, in totaal zeven en een half jaar en indien zij toen waren ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van arts, dierenarts of apotheker, in totaal acht en een half jaar.

  • 4. Op de in het eerste en tweede lid bedoelde studenten, met uitzondering van de studenten die een opleiding als bedoeld in artikel E.17, derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. volgen, blijven van toepassing de artikelen 8, derde lid, 9, zesde lid, en 17a, derde lid, onder b en vijfde lid, van de Wet op de studiefinanciering (Stb. 1991, 112), zoals zij golden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. In afwijking van artikel 9, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet op de studiefinanciering zoals dat voor de betrokkene gold op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voldoet de studerende, bedoeld in het derde lid, niet aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, indien hij in totaal zeven en een half, onderscheidenlijk acht en een half jaar als studerende in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs studiefinanciering op grond van dat hoofdstuk heeft genoten.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kunnen de opleidingen, bedoeld in artikel E.17, derde lid, onderdelen i en j, van de Invoeringswet W.H.B.O. als aparte opleidingen worden verzorgd tot uiterlijk 31 augustus 1998.

Artikel 16.17. Eerste onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar ten aanzien waarvan deze wet voor de eerste maal toepassing vindt, de in artikel 7.13 bedoelde onderwijs- en examenregeling vast en geeft tijdig voorafgaand aan dat studiejaar eveneens toepassing aan artikel 7.15.

Artikel 16.18. Staatsexamens
  • 1. Staatsexamens als bedoeld in artikel E.11 van de Invoeringswet W.H.B.O. en hoofdstuk VI van de Wet op het hoger beroepsonderwijs kunnen tot het vijfde kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet worden afgenomen, met dien verstande dat zij die in het laatste jaar waarin op grond van het vorenstaande het examen kon worden afgenomen het examen hebben afgelegd en zijn afgewezen in het daaropvolgende jaar voor de laatste maal gelegenheid krijgen dit examen af te leggen.

  • 2. Artikel 176 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs blijft van toepassing, met dien verstande dat voor «het College van beroep voor het hoger beroepsonderwijs» wordt gelezen «het in artikel 7.64, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde college van beroep voor het hoger onderwijs».

  • 3. De besluiten ten aanzien van staatsexamens als bedoeld in het eerste lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

Artikel 16.19. Omzetting eerder afgelegde examenonderdelen in studiepunten

Van degene die in enig studiejaar als student of extraneus wordt ingeschreven voor een opleiding waarvoor hij voor de inwerkingtreding van deze wet ook als student of extraneus was ingeschreven, worden de voor dat tijdstip met goed gevolg afgelegde examenonderdelen alsmede de examenonderdelen waarvoor geheel of gedeeltelijk vrijstelling is verleend, door de desbetreffende examencommissie uitgedrukt in studiepunten.

Artikel 16.20. Overgangsrecht aanvang studiejaar hoger beroepsonderwijs
  • 1. Wat het hoger beroepsonderwijs betreft, vangt het eerste studiejaar na inwerkingtreding van deze wet, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder k, aan op 1 augustus en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.

  • 2. Artikel 7.37, derde lid, vindt ten aanzien van het hoger beroepsonderwijs voor het eerst toepassing met betrekking tot de inschrijving voor het tweede studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. In het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 12, eerste lid, onder c, van de Wet op de studiefinanciering (Stb. 1991, 112) in de laatste maand van dat studiejaar geen tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage uitgekeerd aan studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs.

  • 4. In afwijking van artikel 7.42, zesde lid, vindt in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, beëindiging van de inschrijvingsduur op grond van artikel 7.42, vierde lid, niet plaats in de maanden juni, juli en augustus.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 7.43, tweede lid, blijft de laatste maand van het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing.

  • 6. Voor de toepassing van artikel 7.49, eerste lid, eerste volzin, blijven in afwijking van het gestelde in de tweede volzin van dat artikellid, in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, de laatste drie maanden buiten beschouwing.

  • 7. Studenten die in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, zijn ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, verbruiken in genoemd studiejaar in verband met het volgen van die opleiding, ten hoogste twaalf maanden inschrijvingsduur indien het een voltijdse opleiding betreft en ten hoogste acht maanden indien het een deeltijdse opleiding betreft.

Artikel 16.21. Eerste toepassing capaciteitsbeperking
  • 1. De artikelen 7.53 en 7.54 kunnen voor de eerste maal toepassing vinden met betrekking tot de inschrijving voor het tweede studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet inschrijving studenten met betrekking tot de beperking van de inschrijving op grond van de beschikbare onderwijscapaciteit is wat universiteiten betreft van toepassing op het eerste studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. Op de inschrijving aan hogescholen voor het eerste studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is artikel E.33 van de Invoeringswet W.H.B.O. van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16.22. Tijdelijke regeling arbeidsmarktfixus

Met betrekking tot het studiejaar 1993–1994 blijft het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet inschrijving studenten, voorzover het betreft beperking van de inschrijving op grond van de behoefte op de arbeidsmarkt, onderscheidenlijk het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet beperking inschrijving h.b.o. van toepassing.

Artikel 16.23. Tijdelijke handhaving regeling overleg en rechtspositieregelingen
  • 1. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het overleg over aangelegenheden als bedoeld in dat artikel, van toepassing.

  • 2. Ten aanzien van het personeel van de hogescholen, de universiteiten, de Open Universiteit, de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, blijven in afwijking van artikel 4.5, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, welke tijdstippen voor de onderscheiden instellingen verschillend kunnen liggen, de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het desbetreffende personeel van toepassing.

  • 3. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 9.3, 10.10, 11.2, 12.5, 12.10, 13.1 en 13.3, onderscheidenlijk het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 10.11, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing.

  • 4. De regels die ingevolge dit artikel van toepassing blijven kunnen overeenkomstig de voor inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften worden gewijzigd met dien verstande dat voorzover de regels betrekking hebben op het personeel van de Universiteit van Amsterdam of van het academisch ziekenhuis bij die universiteit, het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van bestuur in de plaats treedt van het gemeentebestuur van Amsterdam en dat bij algemene maatregel van bestuur op dat personeel van toepassing kunnen worden verklaard regels die van toepassing zijn op het personeel van de overige openbare universiteiten, onderscheidenlijk academische ziekenhuizen.

Artikel 16.24. Opleidingen godgeleerdheid, opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt

Ten aanzien van het in artikel 1.9, vierde lid, genoemde onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek wordt uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitvoering gegeven aan het bij of krachtens artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, bepaalde.

Artikel 16.25. Start HOOP-cyclus

Aan artikel 2.4 wordt voor de eerste maal toepassing gegeven twee jaren na de gezamenlijke vaststelling van het laatste overheidsplan voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 176 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, en het laatste HBO-plan, bedoeld in artikel 115 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 16.26. Eerste toepassing bekostigingsbepalingen; afwijkende bekostiging
  • 1. Titel 2 van hoofdstuk 2 vindt voor de eerste maal toepassing ten aanzien van het eerste volle kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Voor het begrotingsjaar voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar blijven de op de datum voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van kracht met betrekking tot de berekening en vaststelling van de rijksbijdrage alsmede ten aanzien van het afleggen van rekening en verantwoording.

  • 3. In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, worden tot en met het begrotingsjaar 2002 de opleidingen op het gebied van de kunst, de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, bedoeld in de artikel 7.4, vijfde lid, eerste en derde volzin, in verband met de aard van deze onderwijsvoorzieningen bekostigd op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. De eerste volzin is niet van toepassing op de opleiding expressie door woord en gebaar en op de opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen.

  • 4. In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, wordt de rijksbijdrage ten behoeve van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip berekend op een door Onze minister te bepalen wijze.

Artikel 16.27. Opheffing PAO-organen
  • 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande organen voor postacademisch onderwijs, bedoeld in artikel 146 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, worden voor 1 september van het daaropvolgende jaar opgeheven. Onze minister kan terzake nadere regels geven.

  • 2. Tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip blijft ten aanzien van de bestaande organen voor postacademisch onderwijs van kracht de Regeling post-academisch onderwijs (Stb. 1977, 525).

Artikel 16.28. Overgangssamenstelling college van beroep voor het hoger onderwijs

Het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs wordt in afwijking van het bepaalde bij artikel 7.65, eerste en tweede lid, voor de eerste maal gevormd door degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in het college van beroep voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 136 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, tezamen met degenen die op dat tijdstip zitting hebben in het college van beroep voor het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 177 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 16.29. Tijdelijke voorziening reglement van orde
  • 1. Voor zolang het in artikel 7.62, eerste lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is het bepaalde bij en krachtens artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, bij en krachtens de artikelen 47 tot en met 50 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor zolang het in artikel 7.66, vierde lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is op beroepen ingesteld bij het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs, het bepaalde bij en krachtens de artikelen 136 en 139 tot en met 142 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens de artikelen 177 en 180 tot en met 185 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de overige in het reglement van orde te regelen onderwerpen voorziet de voorzitter van het in de eerste volzin bedoelde college in een voorlopig reglement, dat voorzover noodzakelijk uitvoering geeft aan het bepaalde bij artikel 7.66, vierde lid.

Artikel 16.30. Tijdelijke handhaving procesrecht colleges van beroep

De artikelen 42 tot en met 56, onderscheidenlijk de artikelen 59 tot en met 73, van het Uitvoeringsbesluit W.W.O. (Stb. 1986, 472) zijn tot bij koninklijk besluit te bepalen datum van toepassing op het in artikel 7.60 genoemde college van beroep voor de examens, onderscheidenlijk het in artikel 7.64 genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs.

Artikel 16.31. Verhoging college- en examengeld
  • 1. In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder a bedraagt het collegegeld:

    a. f 2 050 wat het studiejaar 1993–1994 betreft;

    b. f 2 150 wat het studiejaar 1994–1995 betreft.

  • 2. In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder b, bedraagt het collegegeld:

    a. f 1 550 wat het studiejaar 1993–1994 betreft;

    b. f 1 625 wat het studiejaar 1994–1995 betreft.

  • 3. In afwijking van artikel 7.44, eerste lid, bedraagt het collegegeld:

    a. f 2 870 wat het studiejaar 1993–1994 betreft;

    b. f 3 010 wat het studiejaar 1994–1995 betreft.

  • 4. In afwijking van artikel 7.45 bedraagt het examengeld:

    a. f 1 180 wat het studiejaar 1993–1994 betreft;

    b. f 1 240 wat het studiejaar 1994–1995 betreft.

Artikel 16.32. Extraneusinschrijving bij lerarenopleidingen

In afwijking van artikel 7.32, tweede lid, is inschrijving voor de in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, bedoelde opleidingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip tevens mogelijk als extraneus.

Artikel 16.33. Tijdelijke handhaving Reglement CRIHO

Het Reglement CRIHO, vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 21 juli 1993 en gepubliceerd in Uitleg O en W-regelingen van 28 juli 1993, nr. 18a, blijft van kracht tot het tijdstip waarop het met inachtneming van artikel 7.52 door een of meer andere regelingen is vervangen.

Artikel 16.34.

[vervallen]

Artikel 16.35.

[vervallen]

Artikel 16.36.

[vervallen]

Artikel 16.37.

[vervallen]

Paragraaf 2. Voorschriften betreffende de onderzoekinstellingen
Artikel 16.38. Voortbestaan rechtspersoon KNAW

De rechtspersoonlijkheid bezittende Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.16, is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, geregeld in de koninklijke besluiten van 26 oktober 1851, no. 3 en 5 januari 1938, Stb. 390.

Artikel 16.39. Tijdelijke handhaving reglement KNAW

Het reglement van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 januari 1938, Stb. 390, is van overeenkomstige toepassing totdat het door het reglement, bedoeld in artikel 13.2, is vervangen.

Artikel 16.40. Voorziening in reglement KNAW door minister

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bedoeld in artikel 13.2, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

Artikel 16.41. Overgangssamenstelling bestuur KNAW
  • 1. In afwijking van artikel 13.1, tweede lid, wordt de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot de verenigde vergadering.

  • 2. In afwijking van artikel 13.1, derde lid, wordt het algemeen bestuur voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd.

  • 3. Als voorzitter van het algemeen bestuur wordt voor de eerste keer aangemerkt degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is.

Artikel 16.42. Overgangsvoorziening besluiten KNAW

De besluiten die op grond van het in artikel 16.39 genoemde reglement voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk de verenigde vergadering, het algemeen bestuur en de president van het algemeen bestuur, en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk de algemene vergadering, het algemeen bestuur en de voorzitter van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.1.

Artikel 16.42a. Overgangsregeling registergoederen KNAW
  • 1. De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

  • 2. Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste lid bedoelde registergoederen worden tegen of door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze goederen op deze instelling overgaan.

Artikel 16.42b. Vrijstelling overdrachtsbelasting KNAW

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op registergoederen welke nodig zijn voor de uitoefening van zijn taak, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 16.43. Omzetting dienstcommissies KNAW en KB

De dienstcommissies die zijn ingesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten behoeve van het personeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het personeel van de Koninklijke Bibliotheek worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de dienstcommissies, bedoeld in artikel 13.7, onverminderd artikel 16.23, eerste lid.

Artikel 16.44. Tijdelijke voorziening in reglement KB

Het bepaalde bij of krachtens het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek totdat het reglement, bedoeld in artikel 13.6, tot stand is gekomen.

Artikel 16.45. Voorziening in reglement KB door minister

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement, bedoeld in artikel 13.6, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

Artikel 16.46. Overgangssamenstelling bestuur KB

In afwijking van artikel 13.3, derde lid, wordt het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek voor de eerste keer gevormd door degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het algemeen bestuurscollege, benoemd op grond van het in artikel 16.1, eerste lid, onder i, genoemde besluit.

Artikel 16.47. Overgangsvoorziening besluiten KB

De besluiten die op grond van het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuurscollege en de bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.3 en de bibliothecaris, bedoeld in artikel 13.5.

Artikel 16.48. Overgangsregeling zittend personeel KB

Het personeel dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek als rijksambtenaar is aangesteld dan wel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de rijksoverheid in dienst is genomen, wordt geacht met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gelijk dienstverband met dezelfde rang en salarisanciënniteit te zijn aangesteld onderscheidenlijk op dezelfde voet op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te zijn genomen bij de Koninklijke Bibliotheek.

Artikel 16.49. Overgangsregeling lasten, plichten, rechten, goederen KB
  • 1. Bij de inwerkingtreding van dit artikel gaan alle lasten, verplichtingen, rechten en goederen, met uitzondering van registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn aangegaan onderscheidenlijk verworven, over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte of betekening wordt gevorderd.

  • 2. De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

  • 3. Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste en tweede lid bedoelde lasten, verplichtingen en goederen worden tegen of door de Koninklijke Bibliotheek voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze lasten, verplichtingen en goederen op deze instelling overgaan.

Artikel 16.50. Vrijstelling overdrachtsbelasting KB

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Bibliotheek van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op de bibliotheek, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Paragraaf 3. Aanhangige beroepen
Artikel 16.51. Aanhangige beroepen
  • 1. Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde wetten en besluiten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.

  • 2. Onverminderd het eerste lid worden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingestelde beroepen bij het college van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit, en bij de commissie van beroep studenten en extraneï, bedoeld in artikel 48 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn ingesteld bij het desbetreffende in artikel 7.60 bedoelde college van beroep voor de examens.

TITEL 5.

[VERVALLEN]

TITEL 6. EVALUATIE, INWERKINGTREDING, CITEERTITEL

Artikel 16.84. Evaluatie

Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 16.85. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 16.86. Citeertitel

Deze wet kan worden aangehaald als «Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek».

BIJLAGE behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 31 juli 1993 wat betreft het hoger beroepsonderwijs en 31 augustus 1993 wat betreft de overige.1

a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.

b. De bijzondere universiteit te:

– Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;

– Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;

– Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.

c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.

d. (vacant)

e. (vacant)

f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.

g. De bijzondere hogeschool te:

– Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;

– Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;

– Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;

– Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;

– Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;

– Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;

– Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;

– Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;

– Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;

– Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;

– Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;

– Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;

– Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;

– Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;

– Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool «de Horst»;

– Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;

– Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;

– Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;

– Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;

– Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag «De Driestar»;

– 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;

– 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;

– 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;

– Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;

– Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;

– Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;

– Helmond, uitgaande van de Stichting «De Kempel»;

– Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;

– 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;

– 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;

– 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;

– Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;

– Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;

– Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;

– Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;

– Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam;

– Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;

– Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;

– Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;

– Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;

– Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;

– Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten;

– Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;

– Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;

– Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;

– Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;

– Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;

– Wageningen, uitgaande van de Stichting «STOAS»;

– Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;

– Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;

– Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;

– Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.

h. De Open Universiteit te Heerlen.

i.1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:

– Leiden,

– Groningen,

– Amsterdam,

– Utrecht,

– Rotterdam,

– Maastricht.

2. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.


XNoot
1

Ten behoeve van deze tekstplaatsing is de bijlage bijgewerkt naar de toestand op 31 december 1999.