Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 1999, 556Wet

Wet van 16 december 1999, houdende wijziging van enkele belastingwetten (technische aanpassingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten wijzigingen van redactionele aard aan te brengen alsmede enkele technische reparatiemaatregelen en maatregelen ter voorkoming van anticipatie-gedrag op het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 te treffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de inkomstenbelasting 19641 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het elfde tot en met dertiende lid in respectievelijk twaalfde tot en met veertiende lid, wordt na het tiende lid een nieuw elfde lid ingevoegd:

  • 11. Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden op verzoek tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

2. In het tot dertiende lid vernummerde twaalfde lid wordt in onderdeel b «elfde lid» vervangen door: twaalfde lid.

B. In artikel 25, tiende lid, wordt «artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder 5°» vervangen door: artikel 49, eerste lid, onderdeel c, onder 5°.

C. In artikel 37, tweede lid, wordt «Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

D. In artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 6, wordt «of ongeval.» vervangen door: of ongeval;.

E. In artikel 45b, eerste lid, onderdeel b, wordt «in het zesde lid van dat artikel» vervangen door: in het achtste lid van dat artikel.

F. Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, onder 1, wordt na «Algemene Kinderbijslagwet heeft» ingevoegd: en dat recht niet is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen,.

2. In het dertiende lid, onderdeel a, wordt «Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

G. In artikel 68a, vijfde lid, laatste volzin, wordt «vennootschap» vervangen door: rechtspersoon.

H. In artikel 68aa, zesde lid, eerste volzin, wordt «ingevolge van» vervangen door: ingevolge.

I. Artikel 69, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Artikel 5, twaalfde lid, is niet van toepassing met betrekking tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen die voortvloeien uit een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop op enig moment de wettelijke bepalingen zoals die golden op 31 december 1991 van toepassing zijn geweest.

J. In artikel 75, eerste lid, onderdeel b, wordt «beleningen en verpandingen.» vervangen door: beleningen en verpandingen;.

ARTIKEL II

De Wet op de loonbelasting 19642 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 17, tweede lid, wordt «Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B. In artikel 20, achtste lid, wordt in de eerste volzin «De aanvullende ouderenaftrek» vervangen door: De aanvullende ouderenaftrek over een loontijdvak van een jaar.

ARTIKEL III

Artikel 1, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen3 komt te luiden:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt:

    a. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen behoudens uitkeringen in verband met bevalling, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, niet aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking;

    b. voorzover ingevolge artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, in afwijking van artikel 13a, derde lid, van die wet het meerdere geacht te zijn genoten gedurende het gehele kalenderjaar, waarbij aan elke maand een twaalfde deel van het meerdere wordt toegerekend.

ARTIKEL IV

Na artikel 71b van de Wet op de accijns4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71c.

  • 1. Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor vloeibaar gemaakt petroleumgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel d, indien dat petroleumgas is afgeleverd in de brandstoftanks van en is gebruikt voor het aandrijven op de weg van motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen, kolkenzuiger of straatveegwagen.

  • 2. De teruggaaf bedraagt f 103,10 per 1 000 kg.

  • 3. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het voor de vuilniswagen, kolkenzuiger of straatveegwagen opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994, op het tijdstip waarop het vloeibaar gemaakt petroleumgas is afgeleverd in de brandstoftank van de in het eerste lid bedoelde motorrijtuigen.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld ter uitvoering van de teruggaaf.

ARTIKEL V

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 19945 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11, derde lid, vervalt.

B. Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Teruggaaf van belasting wordt verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak alsmede over de nog niet aangevangen tijdvakken op het tijdstip waarop het motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot tweede tot en met zesde lid.

4. Het tot zesde lid vernummerde zevende lid komt te luiden:

  • 6. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt een maand gesteld op dertig dagen.

C. In artikel 20, derde lid, wordt «artikel 18, vijfde, zesde en zevende lid» vervangen door: artikel 18, vierde, vijfde en zesde lid.

D. In artikel 66, tweede lid, wordt «artikel 18, vijfde, zesde en zevende lid» vervangen door: artikel 18, vierde, vijfde en zesde lid.

ARTIKEL VI

De Algemene wet inzake rijksbelastingen6 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 37 wordt «of van een andere Mogendheid» vervangen door: , van een andere Mogendheid of van een bestuurlijke eenheid.

B. Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «een andere Mogendheid» ingevoegd: , een bestuurlijke eenheid.

2. Het tweede lid, eerste volzin, komt te luiden:

Zuivere inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn onderworpen aan een belasting die vanwege een andere Mogendheid of een bestuurlijke eenheid wordt geheven, indien zij worden genoten uit privaatrechtelijke dienstbetrekking tot een binnen het Rijk gevestigde werkgever, voorzover die inkomsten betrekking hebben op arbeid welke gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht binnen het gebied van een Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en met betrekking waartoe geen regelen zijn gesteld op grond van artikel 37 of binnen het gebied van een bestuurlijke eenheid met betrekking waartoe geen regelen zijn gesteld op grond van artikel 37.

ARTIKEL VII

De Invorderingswet 19907 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 24, achtste lid, wordt «26, negende lid» vervangen door: 26, tiende lid.

B. Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. indien het een verkrijging als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, betreft:

1°. de waarde van quota, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard, voorzover die waarde is begrepen in de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen;

2°. het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van gronden en de waarde van die gronden in verpachte staat, ingeval de eerstgenoemde waarde uitgaat boven de laatstgenoemde waarde en voorzover het waardeverschil is begrepen in de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen nadat die waarde is verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met hetgeen daarin is begrepen aan waarde als bedoeld onder 1°;

3°. 25 percent van de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen nadat die waarde is verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met hetgeen daarin is begrepen aan waarde als bedoeld onder 1° en 2°;.

2. Onder vernummering van het vijfde tot en met negende lid tot zesde tot en met tiende lid, wordt na het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Een verkrijging als bedoeld in het vierde lid en het daarover verschuldigde recht wordt geacht betrekking te hebben op, in de eerste plaats: het ondernemingsvermogen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, onder 1°, in de tweede plaats: het ondernemingsvermogen, bedoeld in dat onderdeel, onder 2°, en voor het overige: het in dat onderdeel, onder 3°, bedoelde overige ondernemingsvermogen. Ingeval de belastingschuldige het ondernemingsvermogen heeft verkregen tegen een tegenprestatie of onder een last wordt voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, onder 3°, de waarde van die tegenprestatie of die last niet in mindering gebracht op het verkregen ondernemingsvermogen.

3. In het tot negende lid vernummerde achtste lid wordt «zevende lid» vervangen door: «achtste lid» en «zesde lid» tot «zevende lid».

C. In artikel 28, tweede lid, wordt «26, negende lid» vervangen door: 26, tiende lid.

ARTIKEL VIII

  • 1. Bij de omrekening van het bedrag in guldens van de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van de onroerende zaak met toepassing van de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1103/97 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PbEG L 162), wordt, in afwijking in zoverre van artikel 5, eerste lid, van de Wet overgang belastingheffing in euro's, het bedrag naar beneden afgerond op gehele euro's.

  • 2. In een beschikking met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak die voor 1 januari 2002 op de voet van de Wet waardering onroerende zaken wordt genomen voor het tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2001, wordt het bedrag van de waarde van de onroerende zaak tevens in euro's vermeld.

  • 3. De rechtsgeldigheid van een beschikking met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak op de voet van de Wet waardering onroerende zaken wordt niet aangetast door het vermeld zijn in die beschikking van het bedrag van de waarde van de onroerende zaak in euro's, alsmede voorzover het een beschikking als bedoeld in het tweede lid betreft door het niet vermeld zijn in die beschikking van het bedrag van de waarde van de onroerende zaak in euro's.

ARTIKEL IX

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel IV in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel V in werking met ingang van 1 mei 2000.

  • 4. In afwijking van het eerste lid werkt artikel VII terug tot en met 1 januari 1997 en vinden de ingevolge dat artikel gewijzigde bepalingen van de Invorderingswet 1990 wat betreft belastingaanslagen in de rechten van successie of schenking voor het eerst toepassing op aanslagen die verschuldigd zijn ter zake van belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 welke hebben plaatsgevonden op of na 1 januari 1997.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 16 december 1999

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de drieëntwintigste december 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 461.

XNoot
2

Stb. 1990, 104, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 april 1999, Stb. 211.

XNoot
3

Stb. 1995, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 september 1999, Stb. 406.

XNoot
4

Stb. 1991, 561, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1998, Stb. 725.

XNoot
5

Stb. 1994, 17, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1998, Stb. 723.

XNoot
6

Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 september 1999, Stb. 406.

XNoot
7

Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 april 1999, Stb. 211.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 26 852.

Handelingen II 1999/2000, blz. 1907–1936; 1965–1981; 1995–2019; 2058.

Kamerstukken I 1999/2000, 26 852 (91, 91a).

Handelingen I 1999/2000, zie vergadering d.d. 14 december 1999.