Besluit van 15 december 1999, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 126g, negende lid, 126h, vierde lid, 126i, vierde lid, 126j, vierde lid, 126o, zesde lid, 126p, vierde lid, 126q, vierde lid, en 126qa, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 september 1999, nr. 777191/99/6;

Gelet op de artikelen 126g, negende lid, 126h, vierde lid, 126i, vierde lid, 126j, vierde lid, 126o, zesde lid, 126p, vierde lid, 126q, vierde lid, en 126qa, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 89 van de Grondwet;

De Raad van State gehoord (advies van 30 november 1999, nr. WO3.99.0485/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 december 1999, nr. 770088/99/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. bevel tot observatie: een bevel als bedoeld in artikel 126g, eerste lid, of artikel 126o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

b. bevel tot infiltratie: een bevel als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, of artikel 126p, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

c. bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening: een bevel als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, en artikel 126q, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

d. bevel tot stelselmatige inwinning van informatie: een bevel als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, en artikel 126qa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

e. infiltratieteam: een eenheid als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen dan wel het ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Politiewet 1993, door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in te stellen landelijk infiltratieteam;

f. beheerskorps: het regionaal politiekorps onderscheidenlijk het Korps landelijke politiediensten waarbij het personeel, het materieel en de middelen van het infiltratieteam zijn ondergebracht.

Artikel 2

  • 1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering kan worden belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij lid is van een infiltratieteam.

  • 2. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid kan als lid worden geplaatst bij een infiltratieteam, indien:

    a. hij heeft voldaan aan de eindtermen van de door Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie aangewezen vervolgopleidingen, en

    b. Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid hij is aangesteld toestemming heeft gegeven voor de plaatsing.

  • 3. De korpsbeheerder van het beheerskorps en Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid de opsporingsambtenaar is aangesteld maken afspraken omtrent de plaatsing en de uit te voeren werkzaamheden.

Artikel 3

  • 1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering die geen lid is van een infiltratieteam kan worden belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij beschikt over de specifieke kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van het bevel.

  • 2. De ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Politiewet, door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in te stellen eenheid bij het Korps landelijke politiediensten ter ondersteuning van infiltratieteams, beoordeelt of een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid beschikt over de specifieke kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van het bevel, en adviseert de officier van justitie terzake.

  • 3. Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, wordt hij, gedurende de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel, begeleid door een begeleider van een infiltratieteam. Hij wordt niet belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie dan na toestemming van Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid hij is aangesteld.

  • 4. Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt belast met de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie, kan hij, gedurende de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel, worden begeleid door een begeleider van een infiltratieteam. De officier van justitie beslist terzake.

Artikel 4

  • 1. Onze Ministers van Justitie en van Defensie kunnen gezamenlijk besluiten tot het oprichten van een eenheid bij de Koninklijke marechaussee voor de uitvoering van bevelen tot infiltratie.

  • 2. De eenheid van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, adviseert Onze Ministers omtrent het besluit, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De eenheid, bedoeld in het eerste lid, werkt samen met de eenheid van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, en de infiltratieteams. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, kunnen Onze Ministers van Justitie en van Defensie gezamenlijk hierover voorschriften opnemen. De ingevolge artikel 5, vijfde lid en artikel 12, eerste lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen door Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie te stellen regels terzake van infiltratieteams zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

  • 1. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat kan worden belast met de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij

    a. in die vreemde staat beschikt over de bevoegdheid tot opsporing van strafbare feiten, en

    b. beschikt over de kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van het bevel.

  • 2. Indien de persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie beoordeelt de eenheid van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, of voldaan wordt aan het vereiste in het eerste lid, onderdeel b, en adviseert de officier van justitie terzake.

  • 3. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt niet belast met de uitvoering van een bevel als bedoeld in het eerste lid, indien de officier van justitie tot het oordeel komt dat de ambtsinstructie waaraan die persoon gebonden is, terzake van die uitvoering niet verenigbaar is met het in Nederland geldende recht.

Artikel 6

  • 1. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat kan worden belast met de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij zich vooraf heeft verbonden aan de volgende voorwaarden:

    a. gedurende zijn optreden op Nederlands grondgebied is hij gebonden aan het in Nederland geldende recht;

    b. hij is verplicht te getuigen, indien hij hiertoe door de Nederlandse autoriteiten wordt opgeroepen;

    c. gedurende de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel is hij gehouden de aanwijzingen van de Nederlandse opsporingsautoriteiten op te volgen;

    d. hij doet verslag aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten van zijn optreden op Nederlands grondgebied;

    e. hij is op Nederlands grondgebied niet bevoegd dwangmiddelen of andere bijzondere opsporingsbevoegdheden toe te passen dan genoemd in het bevel.

  • 2. Indien de persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, wordt hij, gedurende de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel, begeleid door een begeleider van een infiltratieteam.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 8

Dit besluit wordt aangehaald als: Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 december 1999

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de drieëntwintigste december 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

In de wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden) (Stb. 245) wordt een aantal opsporingsmethoden van een wettelijke basis voorzien. Ten aanzien van infiltratie (artikelen 126h en 126p Wetboek van Strafvordering) en stelselmatige inwinning van informatie (artikelen 126j en 126qa Wetboek van Strafvordering) bepaalt de wet dat een bevel tot uitvoering van deze bevoegdheden alleen aan opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee of van bijzondere opsporingsdiensten kan worden gegeven indien zij voldoen aan de eisen terzake van samenwerking met de politie en opleiding, die bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld. Het onderhavige besluit voorziet in deze eisen. De opleidingseisen voor ambtenaren van politie op het gebied van infiltratie en regels inzake de organisatie van infiltratieteams zijn neergelegd in de (ministeriële) Regeling infiltratieteams, die gelijktijdig met dit besluit in werking zal treden.

Voorts bepaalt de wet dat de uitvoering van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden ook kan worden opgedragen aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Dit zijn de bevoegdheden tot stelselmatige observatie (artikel 126g en artikel 126o Wetboek van Strafvordering), tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening (artikel 126i en artikel 126q Wetboek van Strafvordering) en tot stelselmatige inwinning van informatie. Ten aanzien van de laatste drie genoemde bevoegdheden bepaalt de wet dat een dergelijk bevel uitsluitend kan worden gegeven indien de buitenlandse opsporingsambtenaar voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Deze eisen zijn neergelegd in het onderhavige besluit. Ten aanzien van stelselmatige observatie bepaalt de wet dat bij algemene maatregel van bestuur eisen terzake kùnnen worden gesteld. Hoewel de Nederlandse praktijk met betrekking tot grensoverschrijdende observatie (artikel 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen) eruit bestaat dat de observatie aan de Nederlandse grens steeds wordt overgenomen door een Nederlands observatieteam en in dat geval geen sprake zal zijn van een bevel tot observatie dat is gericht aan een buitenlandse opsporingsambtenaar, is er toch voor gekozen in dit besluit ook eisen terzake van observatie door een buitenlandse opsporingsambtenaar op te nemen. Er zijn immers andere situaties dan de grensoverschrijdende observatie denkbaar waarin het wenselijk kan zijn een buitenlandse opsporingsambtenaar te belasten met een bevel tot observatie. Gedacht kan worden aan een gecombineerd Nederlands-buitenlands opsporingsonderzoek dat in de grensstreek plaatsvindt en waarbij de te observeren persoon regelmatig de grens passeert.

Het onderhavige besluit heeft dus betrekking op de inzet van opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en van bijzondere opsporingsdiensten bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie of tot stelselmatige inwinning van informatie. Voorts ziet het besluit op de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied bij de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie.

2. Infiltratie en stelselmatige inwinning van informatie door opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten

Infiltratie is een ingrijpende en soms risicovolle bevoegdheid. Daarom is de uitvoering van een bevel tot infiltratie in beginsel voorbehouden aan speciaal daartoe opgeleide ambtenaren van politie die deel uitmaken van een van de daartoe opgerichte infiltratieteams (kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, blz. 31). Deze teams – in de meeste gevallen samenwerkingsverbanden tussen een aantal regionale politiekorpsen – zijn professionele eenheden die bestaan uit infiltranten en begeleiders. De kwaliteit van deze teams wordt onder andere gewaarborgd door opleidingseisen, het voortdurend in praktijk brengen van de kennis en vaardigheden, de fysieke en psychologische begeleiding, de mogelijkheden tot her- en bijscholing en de onderlinge afstemming van infiltratieacties. In beginsel voeren deze infiltratieteams infiltratieacties uit zowel ten behoeve van de politiekorpsen, als ten behoeve van de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten. De wet bijzondere opsporingsbevoegdheden geeft evenwel ook de mogelijkheid een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee en van bijzondere opsporingsdiensten in te zetten ten behoeve van een infiltratieactie. In beginsel zal hiervan sprake zijn, wanneer voor de uitvoering van het bevel tot infiltratie een bepaalde deskundigheid nodig is waarover de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst beschikt (bijv. accountancy), en die niet binnen een van de infiltratieteams beschikbaar is. Ook kan hiervan sprake zijn wanneer de opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst een bijzondere positie inneemt waardoor het de voorkeur geniet deze persoon als infiltrant in te zetten. In dergelijke gevallen kan de officier van justitie besluiten een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering te belasten met de uitvoering van het bevel tot infiltratie.

Ten aanzien van infiltratie op Schiphol kan een ander uitgangspunt gelden. Op Schiphol voert de Koninklijke marechaussee zelfstandig de politietaak uit. Hieronder valt mede de recherche- en opsporingsfunctie. Dit brengt met zich dat ook de bevoegdheid tot infiltratie op Schiphol – zo deze aan de orde komt – in beginsel steeds door opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee moet kunnen worden uitgevoerd. In een dergelijk geval kan de officier van justitie ten aanzien van Schiphol reeds op voorhand bepalen dat een bevel tot infiltratie wordt uitgevoerd door een daartoe opgeleide infiltrant en begeleider van de Koninklijke marechaussee. Voorwaarde is dan dat deze opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee deel uitmaken van een van de eerder genoemde infiltratieteams. Door de inbedding in de structuur van een van deze infiltratieteams kunnen de desbetreffende opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee meedraaien in het systeem van kwaliteitswaarborging voor infiltratie (fysieke en psychologische begeleiding van de infiltranten, de her- en bijscholing, de onderlinge afstemming e.d.). Ten behoeve van deze taak kan op basis van artikel 2 van dit besluit de Koninklijke marechaussee desgewenst tot een structureel samenwerkingsverband komen met een van de infiltratieteams. Aldus kan de Koninklijke marechaussee, net zoals de regionale politiekorpsen, samenwerken met andere korpsen in een van de infiltratieteams. Voorwaarden hiervoor zijn dat de desbetreffende opsporingsambtenaren hebben voldaan aan de eindtermen van de infiltratieopleidingen, zoals die ook gelden voor de politieambtenaren, en dat de Minister van Defensie toestemming heeft gegeven voor deelname aan een infiltratieteam. De Koninklijke marechaussee kan zowel met infiltranten als met begeleiders deelnemen aan een infiltratieteam.

Indien het aantal bevelen tot infiltratie die voor uitvoering door opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee in aanmerking komen zodanig toeneemt dat met inachtneming van de kwaliteitseisen de oprichting van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee haalbaar is, kunnen de Ministers van Justitie en van Defensie gezamenlijk, op basis van artikel 4, hiertoe besluiten. De Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie (ANCPI), ondergebracht bij het Korps landelijke politiediensten (KLPD), zal de ministers adviseren over het voornemen van een dergelijk besluit. Indien wordt besloten tot het oprichten van een team bij de Koninklijke marechaussee, zal dit team aan dezelfde kwaliteitseisen moeten voldoen als de politiële infiltratieteams. Deze eisen zijn neergelegd in de Regeling infiltratieteams.

Aangezien – met uitzondering van Schiphol – een bevel tot infiltratie in beginsel dus steeds door politieambtenaren die deel uitmaken van een infiltratieteam zal worden uitgevoerd, zal het aantal bevelen tot infiltratie, gericht aan opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee of aan buitengewoon opsporingsambtenaren, naar het zich laat aanzien, gering zijn. Dit betekent dat fulltime deelname aan een infiltratieteam van een of meer opsporingsambtenaren uit deze specifieke groepen in verband met het beperkte aantal inzetten vaak niet haalbaar en zinvol zal zijn. Zoals gezegd kan dit anders zijn ten aanzien van de Koninklijke marechaussee op Schiphol. Het besluit gaat er dan ook voor het overige van uit dat in die gevallen waarin de inzet van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een buitengewoon opsporingsambtenaar gewenst is, dit op ad-hocbasis gebeurt, onder de voorwaarden genoemd in artikel 3.

Wanneer de inzet van opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie op ad-hocbasis geschiedt, kan het voltooien van de huidige infiltratieopleiding niet als voorwaarde voor de inzet gelden. Deze opleiding is namelijk langdurig en intensief, en richt zich op volledige deelname aan een infiltratieteam. De vorming van een hecht team gedurende de opleiding speelt daarbij een belangrijke rol.

Wel zal als voorwaarde steeds gelden dat de desbetreffende opsporingsambtenaar beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitvoering van het bevel. Of de betreffende opsporingsambtenaar in het specifieke geval beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden zal worden beoordeeld door de ANCPI. Dit komt tot uitdrukking in artikel 3. Deze voorwaarde brengt onder andere met zich dat iedere inzet van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie wordt gemeld bij deze eenheid. Deze meldingsplicht geldt ook voor de politie en is neergelegd in de eerdergenoemde Regeling infiltratieteams. De ANCPI behoudt zo het overzicht over alle infiltratieacties die in Nederland lopen. Aldus kan worden nagegaan of de betreffende actie niet zal interfereren met een elders lopend onderzoek. De ANCPI is onder andere belast met de selectie en opleiding van politie-infiltranten en beschikt dus over een ruime mate van expertise om zich een oordeel te kunnen vormen over de bij de desbetreffende persoon aanwezige kennis en vaardigheden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de beoordeling of die persoon in staat is om met een aan te nemen identiteit binnen een criminele groepering te opereren en bestand is tegen de psychische druk die een dergelijke actie met zich kan brengen. De ANCPI adviseert hierover de officier van justitie.

Voorts geldt als voorwaarde voor de inzet van de genoemde opsporingsambtenaren bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie dat de betrokken minister hiervoor toestemming heeft gegeven (kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, blz. 76). Tenslotte geldt als belangrijke voorwaarde dat de opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst, belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, gedurende de infiltratieactie wordt begeleid door een begeleider van een infiltratieteam. Bij infiltratie is immers sprake van het binnendringen in een criminele groepering, door de opsporingsambtenaar kunnen strafbare feiten worden gepleegd, en in de meeste gevallen is sprake van een tijdelijke valse identiteit. Deze elementen kunnen risico's met zich brengen voor de veiligheid en integriteit van de opsporingsambtenaar, waardoor begeleiding, door een daartoe opgeleide begeleider van een infiltratieteam, noodzakelijk is.

Zoals gezegd zal in zijn algemeenheid de inzet van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie of tot stelselmatige inwinning van informatie in beginsel steeds op ad-hocbasis, conform de voorwaarden neergelegd in artikel 3, geschieden. De structurele inzet van de Koninklijke marechaussee op Schiphol kan plaatsvinden op basis van artikel 2 of mogelijk in de toekomst op basis van artikel 4. Omdat echter niet valt uit te sluiten dat in bepaalde gevallen ook volledige deelname van een opsporingsambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst aan een infiltratieteam gewenst is, zijn de voorwaarden opgenomen in artikel 2 ook van toepassing op opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten. Indien een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering structureel deelneemt aan een infiltratieteam zal steeds sprake zijn van detachering bij het politiekorps waar het desbetreffende infiltratieteam is ondergebracht. Zou deze persoon in dienst treden van het regiokorps, dan wordt hij daarmee formeel een ambtenaar van politie en is hij niet meer aan te merken als een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering. De korpsbeheerder van het politiekorps waar de opsporingsambtenaar wordt gedetacheerd en de betrokken minister zullen afspraken maken onder andere ten aanzien van rechtspositionele aspecten.

Ook de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie is in beginsel opgedragen aan ambtenaren van politie. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de officier van justitie besluiten een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering te belasten met de uitvoering van het bevel tot stelselmatige inwinning van informatie. Dit kan indien de betreffende ambtenaar lid is van een infiltratieteam, maar kan ook indien deze opsporingsambtenaar over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt. Aangezien stelselmatige inwinning van informatie geschiedt zonder dat kenbaar is dat de opsporingsambtenaar als zodanig optreedt, zal hij in ieder geval in staat moeten zijn om op te treden zonder dat zijn ware aard direct bekend wordt. Of dit het geval is zal worden beoordeeld door ANCPI. Deze adviseert de officier van justitie terzake.

Bij de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie is de begeleiding door een begeleider van een infiltratieteam niet steeds verplicht gesteld. De reden hiervoor is dat de desbetreffende opsporingsambtenaar in het geval van stelselmatige inwinning van informatie niet binnendringt in een criminele groepering en derhalve niet genoodzaakt zal zijn handelingen te verrichten die als strafbare feiten zijn aan te merken. De mogelijkheid tot begeleiding door een infiltratieteam bestaat echter wel. Deze mogelijkheid is geschapen omdat zich gevallen kunnen voordoen, waarbij de begeleiding wel is gewenst. Gedacht kan worden aan een situatie waarin een opsporingsambtenaar gedurende een langere periode actief in de buurt van een verdachte opereert, die (zonder dat sprake is van een criminele groepering) zich frequent begeeft in het criminele milieu, en de opsporingsambtenaar daarbij optreedt onder een aangenomen identiteit. Overigens kunnen dergelijke gevallen zich ook voordoen bij de uitvoering van een bevel tot pseudokoop of -dienstverlening. De officier van justitie bepaalt in het voorkomende geval of de opsporingsambtenaar bij de uitvoering van een dergelijk bevel wordt begeleid door een infiltratieteam. Hij kan zich daarbij laten adviseren door ANCPI.

3. Toepassing bijzondere opsporingsbevoegdheden door buitenlandse opsporingsambtenaren

De wet bijzondere opsporingsbevoegdheden geeft de mogelijkheid een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat te belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie. In beginsel dient hiermee terughoudend te worden omgegaan. Uitgangspunt is dat opsporing op Nederlands grondgebied plaatsvindt door Nederlandse opsporingsambtenaren. Niettemin kunnen zich situaties voordoen waarin het wenselijk is een buitenlandse opsporingsambtenaar te belasten met de uitvoering van een van de eerdergenoemde bijzondere opsporingsbevoegdheden. Dit kan zijn op verzoek van het buitenland ten behoeve van een buitenlands opsporingsonderzoek of ten behoeve van een Nederlands of gecombineerd Nederlands-buitenlands onderzoek. In beide gevallen dienen de eisen gesteld in dit besluit in acht te worden genomen. Ten aanzien van de uitvoering van een bevel tot observatie dient hierbij de volgende kanttekening te worden gemaakt. De huidige praktijk met betrekking tot grensoverschrijdende observatie als bedoeld artikel 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen is dat deze observatie aan de Nederlandse grens wordt overgenomen door een Nederlands observatieteam. Dit besluit heeft niet het oogmerk deze praktijk thans te wijzigen. Er zijn echter andere situaties denkbaar waarbij het wenselijk kan zijn een buitenlandse opsporingsambtenaar te belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie. Gedacht kan worden aan een gecombineerd Nederlands-buitenlands opsporingsonderzoek dat plaatsvindt in de grensstreek. Wanneer in het kader van dat onderzoek frequent wordt geobserveerd en de te observeren persoon bevindt zich nu weer op Nederlands grondgebied en dan weer op bijvoorbeeld Duits grondgebied, zou het de voortgang van het onderzoek ernstig kunnen belemmeren indien steeds wanneer de te observeren persoon de grens passeert de observatie moet worden overgenomen door een ander observatieteam.

Artikel 5 behelst de eisen die aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat worden gesteld, indien de officier van justitie hem wil belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie, infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening of stelselmatige inwinning van informatie. Deze persoon dient in zijn eigen land bevoegd te zijn tot het opsporen van strafbare feiten. Daarnaast moet hij beschikken over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Wanneer het gaat om een bevel tot observatie ligt het voor de hand dat de buitenlandse opsporingsambtenaar in eigen land deel uitmaakt van een observatieteam en derhalve beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden. Wanneer het gaat om een bevel tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie, beoordeelt de ANCPI of de buitenlandse opsporingsambtenaar beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitvoering van een van deze bevelen (artikel 5, tweede lid). Evenals in paragraaf 2 van deze toelichting is aangegeven ten aanzien van de inzet van opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en van bijzondere opsporingsdiensten, impliceert ook hier de betrokkenheid van ANCPI dat de voorgenomen inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie wordt gemeld bij deze eenheid. Op deze wijze ontstaat op een centraal punt een volledig overzicht van alle infiltratieacties die zich in Nederland afspelen.

Voorts kan met de uitvoering van een van de vier genoemde opsporingsbevoegdheden uitsluitend worden belast een buitenlandse opsporingsambtenaar die zich heeft verbonden aan een aantal nader genoemde voorwaarden. Zo dient de opsporingsambtenaar te hebben ingestemd met de voorwaarde dat hij op Nederlands grondgebied is gebonden aan het in Nederland geldende recht. Hij dient de aanwijzingen die worden gegeven door de Nederlandse autoriteiten terzake van de uitvoering van het bevel op te volgen. Er mag geen misverstand bestaan over het feit dat de Nederlandse officier van justitie primair de zeggenschap heeft over het optreden van de buitenlandse opsporingsambtenaar op Nederland grondgebied (kamerstukken II 1996–1997, 25 403, nr. 3, blz. 75). Betreft het een bevel tot infiltratie dan geldt tevens de verplichting dat de buitenlandse opsporingsambtenaar op Nederlands grondgebied wordt begeleid door een daartoe opgeleide begeleider van een Nederlands infiltratieteam. Ook dient hij verslag te doen aan de Nederlandse autoriteiten van de activiteiten die hij op Nederlands grondgebied heeft verricht. Daarnaast is hij niet bevoegd op Nederlands grondgebied dwangmiddelen of andere bijzondere opsporingsbevoegdheden dan genoemd in het bevel toe te passen. Voorts geldt als belangrijke voorwaarde dat de buitenlandse opsporingsambtenaar zich heeft verbonden aan de verplichting in Nederland te getuigen ten aanzien van de door hem verrichtte opsporingshandelingen, indien hij daartoe door de Nederlandse autoriteiten wordt opgeroepen. Met name wanneer de buitenlandse ambtenaar optreedt ten behoeve van een Nederlands onderzoek is dit van belang. Dat onderzoek zal immers in beginsel steeds dienen te leiden tot een vervolging in Nederland en een beoordeling door de Nederlandse rechter. Die rechter kan het nodig achten de opsporingsambtenaar die in het desbetreffende Nederlandse onderzoek opsporingshandelingen heeft verricht – ook indien het een buitenlandse opsporingsambtenaar betreft – op te roepen terzake te getuigen. Daarnaast wordt deze eis echter ook gesteld indien de buitenlandse ambtenaar optreedt ten behoeve van een buitenlands onderzoek. Zijn optreden op Nederlands grondgebied kan immers (al dan niet in een later stadium) alsnog leiden tot een Nederlands opsporingsonderzoek. Deze voorwaarde wordt thans reeds in de praktijk gehanteerd.

4. De adviezen over het ontwerpbesluit

Adviezen over het ontwerpbesluit zijn uitgebracht door het openbaar ministerie, het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen, het Platform bijzondere opsporingsdiensten, de Raad voor het Korps landelijke politiediensten en het ministerie van Defensie.

Het openbaar ministerie lijkt er in zijn advies ten onrechte van uitgegaan te zijn dat de definities uit het besluit niet aansluiten bij de definities die worden gehanteerd in het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden. Voorts geeft het openbaar ministerie aan een begrippenkader te hebben geformuleerd dat nadere invulling geeft aan de begrippen uit genoemd wetsvoorstel. In het advies wordt gesteld dat onderhavig besluit moet worden aangepast aan dit begrippenkader. Het onderhavige besluit gaat echter uit van de definities uit het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden. Een nadere invulling van de begrippen vindt in dit besluit niet plaats.

Wel heeft het advies van het openbaar ministerie geleid tot aanpassing van het besluit op het punt van de stelselmatige inwinning van informatie door een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst. Anders dan in het voor advies voorgelegde ontwerpbesluit, is thans afgezien van de verplichte begeleiding door een begeleider van een infiltratieteam bij de uitvoering van genoemde bevoegdheid. De mogelijkheid daartoe blijft echter wel bestaan (artikel 3, vierde lid). Dit hangt samen met de gedachte dat onder omstandigheden de inzet van een begeleider van een infiltratieteam bij de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie geboden kan zijn, doch dat dit niet steeds het geval hoeft te zijn. Ditzelfde geldt overigens ook voor de pseudo-koop en -dienstverlening.

Het Platform bijzondere opsporingsdiensten heeft in zijn advies gepleit voor een meer zelfstandige bevoegdheid van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie, dan wel stelselmatige inwinning van informatie. De wet bijzondere opsporingsdiensten schrijft echter de samenwerking met de politie bij de uitvoering van deze twee bevoegdheden dwingend voor. Niettemin heeft de aanpassing naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie op het punt van de stelselmatige inwinning van informatie, – zoals hiervoor tot uitdrukking kwam – geleid tot een andere regeling ten aanzien van de begeleiding. Hiermee wordt tevens gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de wens van het Platform bijzondere opsporingsdiensten.

Het advies van het ministerie van Defensie heeft geleid tot een aangepast uitgangspunt ten aanzien van de inzet van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie op Schiphol. Op Schiphol voert de Koninklijke marechaussee zelfstandig de politietaak uit. Dat brengt de wens met zich mee reeds op voorhand opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee in te kunnen zetten bij de uitvoering van een bevel tot infiltratie op Schiphol. In paragraaf 2 van deze toelichting zijn deze mogelijkheid en de voorwaarden die hiervoor gelden omschreven. Ook heeft het advies van het ministerie van Defensie geleid tot het opnemen van artikel 4 in het besluit, waarin de ministers van Justitie en van Defensie gezamenlijk kunnen besluiten tot het oprichten van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee. Het ministerie van Defensie gaf aan te hechten aan de mogelijkheid van een eigen infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee, gelet op het feit dat de Koninklijke marechaussee op Schiphol belast is met de zelfstandige uitvoering van de politietaak.

5. Artikelsgewijs

Artikel 1

Dit artikel bevat de definities van enkele begrippen die in het besluit worden gebruikt.

Onderdeel e

Het landelijk infiltratieteam wordt – analoog aan de regeling voor het landelijk rechercheteam – formeel ingesteld bij ministeriële regeling op grond van artikel 48, eerste lid, van de Politiewet 1993. Dit is de Regeling infiltratieteams. Bij deze regeling wordt ook de bij het Korps landelijke politiediensten ondergebrachte ondersteunende eenheid voor infiltratieteams, de ANCPI, ingesteld. Naast het genoemde artikel stoelt deze regeling ook op artikel 5, vijfde lid, en artikel 12 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen. Op basis van deze artikelen zijn in de regeling regels opgenomen ten aanzien van de organisatie van infiltratieteams en de opleiding van leden van een infiltratieteam. De Regeling infiltratieteams zal gelijktijdig met het onderhavige besluit in werking treden.

Onderdeel f

Het beheerskorps is een van de regionale politiekorpsen wanneer het gaat om een regionaal infiltratieteam. Ten aanzien van het landelijk infiltratieteam is het beheerskorps het Korps landelijke politiediensten.

Artikel 2

Het algemeen uitgangspunt, verwoord in paragraaf 2 van de toelichting, brengt met zich dat de uitvoering van een bevel tot infiltratie in beginsel steeds door een van de politiële infiltratieteams zal worden uitgeoefend. Indien de inzet van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, gelet op zijn bijzondere deskundigheid of positie, geboden is zal dit in beginsel geschieden op ad hocbasis, met inachtneming van de voorwaarden in artikel 3 van dit besluit.

Zoals gezegd kan voor Schiphol een andere regeling gelden, waarbij op voorhand ambtenaren van de Koninklijke marechaussee kunnen worden ingezet ten behoeve van een infiltratieactie. Voor deze situatie kan de Koninklijke marechaussee op basis van het onderhavige artikel tot een samenwerkingsverband komen met een van de bestaande infiltratieteams.

Mocht zich in de toekomst de situatie voordoen dat het gewenst is ook een opsporingsambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst full time deel te laten nemen aan een infiltratieteam, dan kan dat ook op basis van dit artikel.

De voorwaarden voor deelname aan een infiltratieteam zijn de volgende. De desbetreffende opsporingsambtenaar moet hebben voldaan aan de vervolgopleidingen voor infiltratie zoals die gelden voor de ambtenaren van politie. Deze zijn neergelegd in de eerdergenoemde Regeling infiltratieteams. Daarnaast is de toestemming van de betrokken minister nodig en zullen met hem afspraken moeten worden gemaakt omtrent de plaatsing en de werkzaamheden. Gedacht kan worden aan de duur van de plaatsing, de terugkeer na plaatsing, aspecten omtrent de rechtspositie en afspraken inzake rapportage aan de minister. Deze afspraken kunnen worden neergelegd in een convenant.

Artikel 3

Dit artikel regelt de voorwaarde waaronder een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst kan worden belast met een bevel tot infiltratie dan wel een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie. In beginsel zal de inzet steeds op ad-hocbasis zijn en gelden de voorwaarden gesteld in dit artikel.

Eerste lid

Het begrip «specifieke kennis en vaardigheden» omvat een tweetal aspecten. Met «specifiek» wordt aangegeven dat de betreffende opsporingsambtenaar beschikt over kennis en vaardigheden die niet binnen het bestaande politie-infiltrantenbestand beschikbaar is. Ware dit wel het geval dan zou immers voor de inzet van een politie-infiltrant moeten worden gekozen. Uitzondering op dit beginsel vormt de uitvoering van een bevel tot infiltratie op Schiphol. Zoals gezegd behoeft in dat geval niet eerst bezien te worden of een politie-infiltrant in dat geval ook kan worden ingezet, maar kan op voorhand worden besloten een opgeleide ambtenaar van de Koninklijke marechaussee hiermee te belasten. De desbetreffende opsporingsambtenaar kan beschikken over de vereiste specifieke kennis en vaardigheden door de bijzondere positie die hij inneemt. Zo zal een opsporingsambtenaar van de Algemene inspectiedienst beter de gewoonten en gebruiken binnen bijvoorbeeld de landbouw- of visserijsector kennen dan een politieambtenaar. Deze specifieke kennis over de sector kan tot gevolg hebben dat hij in een concreet geval meer geschikt is te infiltreren dan een politieambtenaar.

Daarnaast wordt gedoeld op kennis en vaardigheden om, vaak onder een aangenomen identiteit, als infiltrant op te treden in een criminele groepering. Zo zal de infiltrant moeten beschikken over het vermogen zich voor het oog aan een criminele omgeving aan te passen. Het ligt voor de hand dat niet iedere opsporingsambtenaar over de voor infiltratie benodigde capaciteiten beschikt. De eenheid bij het KLPD, die ook de selectie van politie-infiltranten verzorgt, beoordeelt of dit het geval is (zie het tweede lid).

Tweede lid

De ANCPI, die bij de Regeling infiltratieteam (zie toelichting bij artikel 1, onderdeel e) formeel wordt ingesteld, verricht ondersteunende taken op het gebied van infiltratie. Deze eenheid is onder andere belast met de selectie en opleiding van politie-infiltranten. De vraag of de desbetreffende opsporingsambtenaar beschikt over de voor de uitvoering van het bevel benodigde kennis en vaardigheden zal worden beoordeeld door deze eenheid. Deze eenheid zal vervolgens de betrokken officier van justitie adviseren over de mate van geschiktheid van de persoon om te worden belast met een bevel tot infiltratie of stelselmatige inwinning van informatie.

De beoordeling houdt onder andere in dat iedere inzet van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of van een bijzondere opsporingsdienst bij ANCPI wordt gemeld. Aldus bestaat centraal een overzicht over de infiltratieacties die in Nederland plaatsvinden. Hiermee kan worden voorkomen dat mogelijk infiltratieacties van verschillende opsporingsinstanties elkaar in de wielen zouden rijden.

Derde lid

In deze bepaling komt onder andere de samenwerking tussen politie en de opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee of bijzondere opsporingsdienst tot uitdrukking. Bij iedere infiltratieactie zal de desbetreffende infiltrant worden begeleid door een begeleider van een politieel infiltratieteam. De begeleiding geschiedt op dezelfde wijze als bij politie-infiltranten. De infiltrant is gehouden de aanwijzingen van de begeleider op te volgen. De begeleider voert daartoe het nodige overleg.

Daarnaast is toestemming van de desbetreffende minister vereist. Deze blijft immers medeverantwoordelijk voor het optreden van de desbetreffende opsporingsambtenaar alsmede voor zijn veiligheid en integriteit.

Vierde lid

Zoals in het algemene deel van de toelichting al is gesteld behoeft de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie niet steeds onder zodanige omstandigheden plaats te vinden dat begeleiding door een infiltratieteam is geboden. De mogelijkheid daartoe is echter wel aanwezig. De officier van justitie beslist of de opsporingsambtenaar bij de uitvoering van het bevel tot stelselmatige inwinning van informatie al dan niet zal worden begeleid door een infiltratieteam. Hij kan zich hierbij laten adviseren door ANCPI.

Artikel 4

Het onderhavige besluit en de Regeling infiltratieteams voorzien niet in de instelling van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee. De reden hiervoor is dat het aantal infiltratieacties waarvoor de inzet van een ambtenaar van de Koninklijke marechaussee is vereist tot nu toe bijzonder gering is geweest en niet verwacht wordt dat dit aantal in de nabije toekomst zal stijgen. Mochten de omstandigheden zich wijzigen, dan kan het evenwel gewenst zijn dat de Minister van Justitie en de Minister van Defensie gezamenlijk, wanneer zij dit nodig achten, kunnen besluiten tot de oprichting van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee. Artikel 4 voorziet hierin. Dit zal het geval kunnen zijn wanneer de behoefte om de uitvoering van bevelen tot infiltratie op te dragen aan een opsporingsambtenaar van de Koninklijke marechaussee zodanig toeneemt dat het haalbaar en gewenst is om bij de marechaussee een infiltratieteam in te richten en te laten functioneren op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor een professioneel infiltratieteam, zoals neergelegd in de Regeling infiltratieteams. Deze kwaliteitseisen betreffen bijvoorbeeld de minimale samenstelling van een team (ten minste vier opgeleide infiltranten en vier opgeleide begeleiders), de fysieke en psychologische begeleiding, de mogelijkheden tot her- en bijscholing, onderlinge afstemming van infiltratieacties en de full time-aanstelling van infiltrant en begeleider waardoor het regelmatig in praktijk brengen van kennis en vaardigheden wordt gewaarborgd. Deze eisen zijn gericht op het optimaal functioneren van een infiltratieteam opdat veiligheid en integriteit zijn gewaarborgd.

Wanneer de ministers voornemens zijn een dergelijk besluit te nemen zal de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie van het KLPD hierover advies uitbrengen. Deze eenheid bij het KLPD heeft namelijk een landelijk overzicht over het aantal infiltratieacties en de benodigde infiltratiecapaciteit. Indien wordt besloten tot de oprichting van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee, zal dit team aan dezelfde eisen moeten voldoen als een politieel infiltratieteam, daarom is de Regeling infiltratieteams van overeenkomstige toepassing. Evenals de politiële infiltratieteams moet een dergelijke eenheid bij de Koninklijke marechaussee samenwerken met ANCPI en de overige infiltratieteams. De ministers kunnen in het oprichtingsbesluit hierover nog nadere voorschriften opnemen. Naar het zich laat aanzien zal de vaststelling of sprake is van een zodanige toename van infiltratieacties door de Koninklijke marechaussee dat de oprichting van een eigen team haalbaar is, eerst na de evaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden aan de orde zijn.

De eventuele oprichting van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee laat onverlet dat de officier van justitie, verantwoordelijk voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, beslist of in het concrete geval een politieel infiltratieteam dan wel het team van de Koninklijke marechaussee wordt belast met de uitvoering van het bevel tot infiltratie. Met het oog hierop ligt het voor de hand dat ook het openbaar ministerie om advies zal worden gevraagd, alvorens tot de oprichting van een infiltratieteam bij de Koninklijke marechaussee wordt besloten.

Artikel 5

Eerste lid

Dit artikellid bepaalt de eisen waaraan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat dient te voldoen, indien de officier van justitie hem wil belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie. Evenals bij de inzet van opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en buitengewoon opsporingsambtenaren beslist de officier van justitie of de desbetreffende ambtenaar al dan niet wordt ingezet voor de uitvoering van een bevel. Hij laat zich daarbij adviseren door de ANCPI, voorzover het een bevel betreft tot infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie. Deze afdeling beoordeelt of de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden. Gaat het om een bevel tot observatie dan zal de officier van justitie moeten (laten) nagaan of de buitenlandse opsporingsambtenaar over de benodigde kennis en vaardigheden beschikt. Dit zal het geval zijn wanneer de buitenlandse opsporingsambtenaar in zijn eigen land deel uitmaakt van een observatieteam.

Niet iedere persoon in de openbare dienst van een vreemde staat zal in aanmerking kunnen komen om te infiltreren. Bepaalde capaciteiten zijn hiervoor vereist. Er bestaat een internationale werkgroep op het gebied van undercover politieactiviteiten. Binnen deze werkgroep wordt onder andere informatie uitgewisseld over de in de deelnemende landen geldende regelgeving op het gebied van infiltratie en pseudo-koop en het aldaar vereiste opleidingsniveau. Voor veruit de meeste landen die aan deze werkgroep deelnemen geldt dat min of meer vergelijkbare opleidingseisen worden gesteld aan politie-infiltranten. Dit vergemakkelijkt de samenwerking tussen de betrokken landen en de beoordeling door ANCPI van het niveau van kennis en vaardigheden. Buitenlandse opsporingsambtenaren die op Nederlands grondgebied worden ingezet voor een infiltratieactie zijn in de praktijk in de meeste gevallen afkomstig uit één van de aan de werkgroep deelnemende landen.

Tweede lid

De ANCPI heeft, naast de selectie en opleiding van infiltranten, als taak de coördinatie van buitenlandse rechtshulpverzoeken tot infiltratie. Indien de buitenlandse opsporingsambtenaar afkomstig is uit een land dat deelneemt aan de eerdergenoemde internationale werkgroep op het gebied van under cover politieactiviteiten is de beoordeling van het niveau van kennis en vaardigheden betrekkelijk eenvoudig. Op voorhand is immers informatie beschikbaar over het opleidingsniveau van de infiltranten in de desbetreffende vreemde staat. Wanneer dat niveau vergelijkbaar is met het opleidingsniveau in Nederland en de desbetreffende persoon die opleiding heeft voltooid, kan ANCPI ervan uitgaan dat de benodigde kennis en vaardigheden aanwezig zijn.

Wanneer echter geen informatie beschikbaar is over de infiltratieopleidingen in het betreffende land, zal op basis van gesprekken met de potentiële buitenlandse politie-infiltrant of pseudo-koper of -dienstverlener ANCPI de officier van justitie kunnen adviseren omtrent het aanwezige niveau van kennis en vaardigheden.

Derde lid

In bepaalde gevallen is de buitenlandse opsporingsambtenaar, ook indien hij optreedt op Nederlands grondgebied, gebonden aan een ambtsinstructie van de buitenlandse autoriteiten. Alvorens de officier van justitie besluit deze buitenlandse opsporingsambtenaar te belasten met een bevel tot observatie, infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening dan wel stelselmatige inwinning van informatie, zal hij zich ervan moeten vergewissen dat deze ambtsinstructie verenigbaar is met het Nederlandse recht. Hieronder moet mede worden verstaan dat de ambtsinstructie verenigbaar is met de eisen die ingevolge artikel 6 worden gesteld aan de buitenlandse opsporingsambtenaar. Als dit niet het geval is dient de officier van justitie af te zien van het bevel.

Artikel 6

In dit artikel worden nadere eisen gesteld waaraan de buitenlandse opsporingsambtenaar moet voldoen, indien de officier van justitie hem wil belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie, infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening of stelselmatige inwinning van informatie. Deze eisen gelden zowel indien het bevel wordt gegeven in het kader van een Nederlands opsporingsonderzoek, als wanneer het bevel wordt gegeven op verzoek van het buitenland ten behoeve van een buitenlands opsporingsonderzoek. De wijze waarop in het concrete geval invulling wordt gegeven aan de gestelde eisen kan echter in enige mate verschillen, afhankelijk van het feit of het optreden plaatsvindt in het kader van een Nederlands of een buitenlands onderzoek. Zie hiervoor de toelichting bij de verschillende onderdelen.

Onderdeel a

De buitenlandse opsporingsambtenaar zal zich gedurende zijn optreden op Nederlands grondgebied gebonden moeten weten aan het in Nederland geldende recht. Een belangrijk aspect hiervan is het volgende. De wetsartikelen betreffende infiltratie en pseudo-koop of -dienstverlening behelzen expliciet het zogeheten Tallon-criterium. Dat wil zeggen dat de opsporingsambtenaar bij de uitvoering van het bevel een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds was gericht. Ook de buitenlandse opsporingsambtenaar is hieraan gebonden.

Onderdeel b

Dit vereiste is van groot belang. De Nederlandse rechter zal in staat moeten zijn in beginsel alle bij een in Nederland dienende strafzaak betrokken opsporingsambtenaren te horen. Ook indien het een buitenlandse opsporingsambtenaar betreft. Indien de getuigenis ter zitting moet worden afgelegd en hiertoe redenen bestaan, kunnen in overleg beschermende maatregelen worden getroffen teneinde de identiteit van de infiltrant af te schermen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van vermommingen.

De Nederlandse officier van justitie dient zich in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek rekenschap te geven van deze verplichting tot het afleggen van een getuigenverklaring. Het kan namelijk voorkomen dat een buitenlandse opsporingsambtenaar met het afleggen van een dergelijke getuigenverklaring in strijd handelt met een nationaal wettelijk voorschift dat geldt in zijn land van herkomst. In dat geval zal de desbetreffende opsporingsambtenaar in beginsel niet kunnen worden belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, gegeven door de Nederlandse officier van justitie ten behoeve van een Nederlands onderzoek. De officier van justitie zal bij de inrichting van zijn onderzoek en de te hanteren opsporingstactieken hiermee rekening dienen te houden.

Onderdeel c

De in dit onderdeel bedoelde aanwijzingen zien onder andere op de aanwijzingen, gegeven door de officier van justitie, of aanwijzingen, gegeven door de politie. De Nederlandse officier van justitie heeft primair zeggenschap over het optreden van de buitenlandse opsporingsambtenaar op Nederlands grondgebied.

Onderdeel d

De buitenlandse opsporingsambtenaar is op basis van deze eis gehouden de Nederlandse autoriteiten in te lichten omtrent de werkzaamheden die hij heeft verricht en de informatie die hij daarbij heeft verzameld. Indien de buitenlandse opsporingsambtenaar wordt ingezet in het kader van een Nederlands onderzoek is het belang van deze voorwaarde evident. Hij zal dan uitgebreid en gedetailleerd verslag moeten doen van hetgeen hij heeft verricht en bevonden (kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, blz. 72 en 75). De buitenlandse opsporingsambtenaar zal immers geen proces-verbaal kunnen opmaken; dit dient de Nederlandse opsporingsambtenaar te doen die het relaas van de buitenlandse opsporingsambtenaar aanhoort. Wanneer de opsporingsambtenaar wordt ingezet ten behoeve van een buitenlands opsporingsonderzoek, op basis van een rechtshulpverzoek, ligt het voor de hand dat zijn verslag minder gedetailleerd zal zijn. Het gaat er dan om dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn optreden op Nederlands grondgebied. Details met betrekking tot het buitenlandse onderzoek ten behoeve waarvan hij in Nederland optrad, zijn in dat geval minder van belang.

Onderdeel e

De buitenlandse opsporingsambtenaar is niet bevoegd andere bijzondere opsporingsbevoegdheden uit te oefenen, dan vermeld in het bevel van de officier van justitie. Daarnaast mag hij evenmin dwangmiddelen op Nederlands grondgebied uitoefenen. Het is echter niet uitgesloten dat in sommige situaties de toepassing van dwangmiddelen wel nodig kan zijn. Hierbij valt te denken aan een geval van pseudo-koop of gecontroleerde aflevering waarbij wordt overgegaan tot aanhouding van verdachten en inbeslagneming van goederen. Het is van belang dat de buitenlandse opsporingsambtenaar op de hoogte is van het feit dat hij in dergelijke gevallen niet bevoegd is op Nederlands grondgebied over te gaan tot de toepassing van dwangmiddelen. Uitgangspunt is dat deze bevoegdheden op Nederlands grondgebied uitsluitend door de Nederlandse politie mogen worden toegepast. In bovengenoemde gevallen zal de Nederlandse politie bij de actie betrokken zijn.

Tweede lid

Evenals het geval bij een infiltratieactie door de politie, Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst, dient de buitenlandse opsporingsambtenaar, wanneer hij wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie op Nederlands grondgebied, te worden begeleid door een begeleider van een Nederlands infiltratieteam.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 januari 2000, nr. 7.

Naar boven