Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 1999, 491AMvB

Besluit van 13 november 1999 houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 juli 1999, nr. AD1999/U76877, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op:

– artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet,

– artikel 1, tweede lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen,

– artikel 6 van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) en

– artikel 1, derde lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman;

De Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 1999, no. W04.99.0424/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 november 1999, nr. AD1999/U90401, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 5, vierde lid, komt als volgt te luiden:

  • 4. Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie waaruit ontslag op grond van artikel 97, tweede of derde lid, kan worden verleend, van personen die onmiddellijk voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum van dat ontslag geen ononderbroken diensttijd van ten minste 5 jaar, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.

B.

In artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Artikel 6, tweede lid, onder a, komt als volgt te luiden:

a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

2. Het derde en vierde lid worden vervangen door:

  • 3. De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

    a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

3. Toegevoegd worden een nieuw vijfde en zesde lid, luidende:

  • 5. Het derde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.

  • 6. Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State dient in het derde en vierde lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.

C.

Na artikel 6a wordt een nieuw artikel 6b ingevoegd, luidende:

Artikel 6b

  • 1. De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren.

  • 2. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald.

  • 3. Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.

D.

Aan artikel 12 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond van artikel 6b, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld.

E.

In artikel 21a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het vijfde lid, wordt de zinsnede «op grond van dit artikel» vervangen door: op grond van dit artikel, verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in artikel 57b.

2. Onder vernummering van het zesde tot het zevende lid wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ook de inhouding, bedoeld in het vijfde lid, teruggebracht tot 80%.

F.

In artikel 33c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van het eerste lid.

G.

In artikel 33d wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige leden.

H.

Na artikel 57a wordt een nieuw artikel 57b ingevoegd, luidende:

Artikel 57b

  • 1. Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag een functie wordt opgedragen waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.

  • 2. De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.

  • 3. Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.

  • 4. In bijzondere gevallen kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.

I.

Artikel 97 komt als volgt te luiden:

Artikel 97

  • 1. Bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een in categorie A en B onderverdeelde lijst met functies vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden aangemerkt.

  • 2. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

  • 3. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie B van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.

  • 4. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het tweede en het derde lid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de Arbo-dienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder g, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen.

  • 5. Indien niet meer wordt voldaan aan een of meer van de in het vierde lid genoemde voorwaarden, vindt eervol ontslag plaats.

  • 6. Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of niet later dan drie maanden na de dag, waarop niet langer aan een of meer van de in het vierde lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

  • 7. De ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, derde of vijfde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.

  • 8. Het ontslag op grond van het tweede, derde of vijfde lid wordt geacht een ontslag te zijn als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt als volgt gewijzigd:

A.

1. Artikel 6, tweede lid, onder a, komt als volgt te luiden:

a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

2. Het derde en vierde lid worden vervangen door:

  • 3. De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

    a. door het tot aanstelling bevoegd gezag verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    b. meer dan drie door het tot aanstelling bevoegd gezag verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan zijn aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee aanstellingen in tijdelijke dienst binnen het gezagsbereik van het tot aanstellen bevoegd gezag op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

3. Toegevoegd wordt een nieuw vijfde lid, luidende:

  • 5. Het derde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.

B.

Na artikel 6a wordt een nieuw artikel 6b ingevoegd, luidende:

Artikel 6b

  • 1. De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren.

  • 2. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald.

  • 3. Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan het tot aanstelling bevoegd gezag regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.

C.

Aan artikel 12 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond van artikel 6b, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld.

D.

In artikel 34a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het vijfde lid, wordt de zinsnede «op grond van dit artikel» vervangen door: op grond van dit artikel, verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in artikel 92b.

2. Onder vernummering van het zesde tot het zevende lid wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 72, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ook de inhouding, bedoeld in het vijfde lid, teruggebracht tot 80%.

E.

In artikel 59 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Het tot aanstellen bevoegd gezag kan regels vaststellen in aanvulling op of in afwijking van het eerste lid.

F.

In artikel 60 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het tot aanstellen bevoegd gezag kan regels vaststellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige leden.

G.

Artikel 61, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Het tot aanstellen bevoegd gezag kan ter uitvoering van het eerste lid nadere regels stellen.

H.

Na artikel 92a wordt een nieuw artikel 92b ingevoegd, luidende:

Artikel 92b

  • 1. Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag een functie wordt opgedragen waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.

  • 2. De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.

  • 3. Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 72, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.

  • 4. In bijzondere gevallen kan het tot aanstellen bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.

ARTIKEL III

In het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken3 wordt een nieuw artikel 72 ingevoegd, luidende:

Artikel 72

Artikel 57b van het ARAR is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IV

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 19844 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het vijfde lid komt als volgt te luiden:

  • 5. Voor de ambtenaar kan uitsluitend in de navolgende gevallen een salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de voor hem geldende salarisschaal:

    a. bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in een soortgelijke regeling;

    b. indien bij het bepalen van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;

    c. indien hij in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris;

    d. indien hem op zijn aanvraag een andere functie wordt opgedragen waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris, tenzij er sprake is van de omstandigheid, bedoeld in artikel 57b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

2. Het zesde lid komt te vervallen.

B.

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, worden de bedragen f 15 156,00, f 15 485,00 en f 15 814,00 vervangen door onderscheidenlijk f 15 596,00, f 15 934,00 en f 16 273,00.

C.

Artikel 11, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Het salaris van de ambtenaar van wie de omvang van de arbeidsduur niet vast ligt, wordt, met inachtneming van artikel 5, tweede lid, vastgesteld op een bedrag, berekend op basis van het aantal uren dat daadwerkelijk dienst is verricht. Indien het aantal uren dat daadwerkelijk dienst is verricht minder is dan het voor de ambtenaar op grond van artikel 6b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vastgestelde aantal garantie-uren, geschiedt de berekening van het salaris op basis van dit laatstbedoelde aantal uren.

D.

Ingevoegd wordt een nieuw artikel 11a, luidende:

Artikel 11a

  • 1. Voor de ambtenaar die op oproep werkzaam is, dient bij de in artikel 11 geregelde vaststelling van het salaris tevens rekening te worden gehouden met het tweede lid van dit artikel.

  • 2. Indien de ambtenaar wordt opgeroepen om arbeid te verrichten voor een periode korter dan drie uur heeft hij recht op het salaris waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht indien:

    a. de arbeidsduur minder bedraagt dan gemiddeld 15 uur per week en tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd; of

    b. de arbeidsduur niet vastligt.

E.

In artikel 21, tweede lid, wordt het bedrag van f 258,90 vervangen door f 266,41.

F.

In de bijlage A wordt het bedrag van f 15 814,00 telkens vervangen door f 16 273,00.

G.

De bijlage B wordt vervangen door de bij dit besluit behorende gelijknamige bijlage.

ARTIKEL V

De Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen5 wordt als volgt gewijzigd:

De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, worden vervangen door onderscheidenlijk f 18 510,00 en f 17 355,00.

ARTIKEL VI

De Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer6 (Stb. 1993, 218), wordt als volgt gewijzigd:

A.

De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, worden vervangen door onderscheidenlijk f 18 510,00, f 17 355,00 en f 16 273,00.

B.

De bedragen, genoemd in artikel 4, eerste lid, worden vervangen door onderscheidenlijk f 18 510,00 en f 16 273,00.

ARTIKEL VII

De Wet bezoldiging Nationale ombudsman7 wordt als volgt gewijzigd:

De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, worden vervangen door onderscheidenlijk f 18 510,00 en f 16 273,00.

ARTIKEL VIII

Het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel8 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 4 komt als volgt te luiden:

Artikel 4

  • 1. De tegemoetkoming wordt gerelateerd aan:

    a. de omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden;

    b. de omslagbijdragen ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998;

    c. de component «polis» van de particuliere ziektekostenpremie voor een maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau in elk kalenderjaar wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan.

  • 2. Het bedrag van de tegemoetkoming is zodanig dat – na toekenning van de overhevelingstoeslag ingevolge de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies en na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel voor bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 – wordt uitbetaald:

    a. ten aanzien van de ambtenaar en ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°: de som van 50% van de door hen verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 50% van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag, maar niet minder dan f 143,82;

    b. ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°: de som van 50% van de door dit gezinslid verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag, maar niet minder dan f 71,91;

    c. ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 5°: de som van 50% van de door hem verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag, maar niet minder dan f 85,36.

  • 3. De in het tweede lid genoemde bedragen van f 143,82 respectievelijk van f 71,91 en f 85,36 worden voor hen die verzekerd of medeverzekerd zijn krachtens een overeenkomst voor standaardverzekering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 voor een persoon die de dag voor 1 april 1986 verzekerd of medeverzekerd was in de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, vermeerderd met f 5,00 respectievelijk f 2,50.

  • 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de ambtenaar en de gezinsleden in de leeftijdscategorieën van 16 tot en met 19 jaar en van 65 jaar en ouder wat betreft de tegemoetkoming in de verschuldigde omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 gelijkgesteld met degenen in de leeftijdscategorie van 20 tot en met 64 jaar.

B.

Artikel 10 vervalt.

ARTIKEL IX

De Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel9 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 6 komt als volgt te luiden:

Artikel 6

  • 1. Indien de inkomsten van betrokkene meer bedragen dan de helft van de totale inkomsten van alle leden van diens huishouden worden als medebetrokkene in de zin van dit besluit aangemerkt:

    a. een eigen kind, stiefkind, pleegkind of aanbehuwd kind dat behoort tot het huishouden van betrokkene;

    b. de overige leden van het huishouden van betrokkene.

  • 2. Als medebetrokkene wordt niet aangemerkt degene die:

    a. niet in voldoende mate verzekerd is tegen het risico van ziektekosten;

    b. zelfstandig verplicht verzekerd of medeverzekerd is in de zin van de Ziekenfondswet;

    c. zelfstandig aanspraak ontleent aan deze of een overeenkomstige regeling, dan wel direct deelneemt aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren.

B.

Artikel 7 komt als volgt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Voor het verlenen van een tegemoetkoming kunnen in aanmerking worden gebracht de in artikel 1 bedoelde kosten die betrokkene als zodanig heeft gemaakt en die betrekking hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden.

  • 2. Voor de betrokkene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en de medebetrokkene, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, komt voor tegemoetkoming in aanmerking het totaal van:

    a. het bedrag van de premie voor een ziektekostenverzekering, tot ten hoogste het bedrag van de premie voor een overeenkomst van standaardverzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998;

    b. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden;

    c. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998;

    d. de kosten van geneeskundige verzorging, welke in de overeenkomst van de ziektekostenverzekering volledig van vergoeding zijn uitgesloten, voor zover deze kosten worden vergoed door een overeenkomst van standaardverzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998.

  • 3. Voor de betrokkene jonger dan 65 jaar en de medebetrokkene, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, jonger dan 65 jaar komt voor tegemoetkoming in aanmerking het totaal van:

    a. het bedrag van de premie voor een ziektekostenverzekering, tot ten hoogste het bedrag van de component «polis» van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan;

    b. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden;

    c. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998;

    d. de kosten van geneeskundige verzorging, welke in de overeenkomst van de ziektekostenverzekering volledig van vergoeding zijn uitgesloten, voor zover deze kosten worden vergoed door een overeenkomst van standaardverzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998.

  • 4. Voor de medebetrokkene, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, komt voor tegemoetkoming in aanmerking het totaal van:

    a. het bedrag van de premie voor een ziektekostenverzekering, tot ten hoogste de helft van het bedrag van de component «polis» van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan;

    b. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden;

    c. de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998;

    d. de kosten van geneeskundige verzorging, welke in de overeenkomst van de ziektekostenverzekering volledig van vergoeding zijn uitgesloten, voor zover deze kosten worden vergoed door een overeenkomst van standaardverzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998.

  • 5. Indien de betrokkene voor zichzelf en zijn medebetrokkenen een ziektekostenverzekering heeft afgesloten waarvoor de premie bestaat uit een totaalbedrag voor alle verzekerden tezamen, waarbij de premie niet tot de individuele verzekerden herleid kan worden, worden de premies voor de betrokkene en diens medebetrokkenen bepaald door het totaalbedrag te vermenigvuldigen met een breuk.

  • 6. Bij de in het vijfde lid genoemde breuk is de noemer gelijk aan het aantal gezinsleden, met dien verstande dat de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, voor de helft meetellen.

  • 7. Bij de in het vijfde lid genoemde breuk is de teller voor de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, 0,5 en voor de betrokkene en de medebetrokkenen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, 1.

  • 8. Op het bedrag dat voor tegemoetkoming in aanmerking kan worden gebracht wordt in mindering gebracht een door het Rijk of door derden toegekende of toe te kennen tegemoetkoming in ziektekosten.

C.

In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. Voor de vraag of de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel d, derde lid, onderdeel d, en vierde lid, onderdeel d, betrekking hebben op het tijdvak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is bepalend of de datum van de nota in dat tijdvak is gelegen.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

D.

In artikel 10 wordt in het eerste en tweede lid de zinsnede «artikel 8, eerste lid» telkenmale vervangen door: artikel 7, eerste lid.

ARTIKEL X

Artikel 13 van het Rijkswachtgeldbesluit 195910 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de punt aan het einde van onderdeel d vervangen door een puntkomma.

2. Toegevoegd wordt een nieuw onderdeel e, luidende:

e. niet ernstig tracht werk te vinden.

ARTIKEL XI

Artikel 2 van de Tijdelijke regeling individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket sector Rijk11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op verzoek van Onze Minister en na overeenstemming met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel tevens bepalen dat bij een proef andere maxima zullen gelden dan de maxima, genoemd in artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid.

ARTIKEL XII

Artikel 1 van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend een inhouding werd toegepast op grond van artikel 21a, vijfde lid, dan wel artikel 57b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.

ARTIKEL XIII

Artikel 1 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een inhouding werd toegepast op grond van artikel 21a, vijfde lid, dan wel artikel 57b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt voor het dagloon bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.

ARTIKEL XIV

Artikel 6 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en artikel 6 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op een aanstelling in tijdelijke dienst, die op het moment van inwerkingtreding van het onderhavig besluit niet is beëindigd.

ARTIKEL XV

In afwijking van de artikelen 6, 7, 8 en 10 van de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel is, indien het tijdvak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met betrekking tot de periode van dat tijdvak liggende voor deze datum, de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

ARTIKEL XVI

A.1. Voor zover de onderdelen B, F en G van artikel IV aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.

2. Voor zover de onderdelen B, F en G van artikel IV aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B. In afwijking van artikel 20a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de eindejaarsuitkering in 1999 0,8% van het door de ambtenaar in 1999 genoten salaris.

ARTIKEL XVII

De in artikel IV, onderdelen B, F en G, aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.

ARTIKEL XVIII

De koninklijke besluiten van 9 november 1966, Stb. 497, houdende vaststelling leeftijdsgrens voor de vervulling van bepaalde functies (bij de BVD), van 27 november 1997, houdende vaststelling van een leeftijdsgrens voor (hoofd)keurmeesters bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, Stcrt. 238, van 23 april 1998, houdende vaststelling van leeftijdsgrenzen voor de vervulling van bepaalde functies als bedoeld in artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, Stcrt. 97 en de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag worden ingetrokken.

ARTIKEL XIX

  • 1. Artikel IV, onderdelen B, E, F en G, de artikelen V tot en met VII, artikel XVI, onderdeel A, en artikel XVII treden in werking op de tweede dag na plaatsing van dit besluit in het Staatsblad en werken terug tot en met 1 augustus 1999.

  • 2. Artikel XVI, onderdeel B, treedt in werking op de tweede dag na plaatsing van dit besluit in het Staatsblad en werkt terug tot en met 1 januari 1999.

  • 3. De artikelen I tot en met III, artikel IV, onderdelen A, C en D, de artikelen VIII tot en met XV en artikel XVIII treden in werking op 1 januari 2000.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 13 november 1999

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de tweede december 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

De op 2 juni 1999 door de eerste ondertekenaar van dit besluit met de centrales van overheidspersoneel gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000, heeft consequenties voor de rechtspositieregelingen van de medewerkers van de sector Rijk. In dit besluit worden deze consequenties in de diverse regelingen neergelegd. Het betreft hier het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG) en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ). Verder worden aangepast het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984), het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (Btzr), de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr), het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB'59), de Tijdelijke regeling individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket sector Rijk (IKAP), de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

Per 1 augustus 1999 krijgt het burgerlijk rijkspersoneel een structurele salarisverhoging van 2,9%. Met het onderhavige besluit vindt de formalisering daarvan plaats.

Daarnaast is in de bovengenoemde overeenkomst neergelegd dat de eindejaarsuitkering voor het jaar 1999 eenmalig wordt verhoogd met een half procentpunt. De eenmaligheid van deze verhoging impliceert dat met ingang van 1 januari 2000 de eindejaarsuitkering weer uitkomt op het structurele niveau van 0,3% van het salaris.

De volgorde in de behandeling van de onderwerpen in dit algemeen gedeelte is afgeleid van de volgorde in genoemde arbeidsvoorwaardenovereenkomst.

Waar in deze nota wordt gesproken over het ARAR betreft dit, waar relevant, tevens het ARSG en het RDBZ.

De kosten van het totale pakket aan maatregelen, neergelegd in meergenoemde overeenkomst, zijn gefinancierd uit het budget dat beschikbaar is voor de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden van het personeel voor de sector Rijk.

Met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is over dit besluit overeenstemming bereikt.

Salarisontwikkeling en eindejaarsuitkering (artikel IV, onderdelen B, E, F en G en de artikelen V, VI, VII, XVI, onderdeel B en XVII)

Per 1 augustus 1999 vindt een structurele salarisverhoging plaats van 2,9%.

In verband met het algemeen karakter van deze salarisverhoging vindt tevens aanpassing daaraan plaats van de bezoldigingsbedragen van enkele bij wet bezoldigde functionarissen. Deze doorwerking betreft de bezoldiging van de ministers en staatssecretarissen, van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer en van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman.

Deze salarisverhoging werkt ook door naar de wachtgelden e.d. en naar pensioenen.

De eindejaarsuitkering wordt voor het jaar 1999 verhoogd met een half procentpunt tot 0,8%. De eenmaligheid van deze verhoging impliceert dat met ingang van 1 januari 2000 de eindejaarsuitkering weer uitkomt op 0,3% van het salaris. De verhoging van de eindejaarsuitkering werkt in verband met de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1999 ook door in de berekeningsgrondslag voor het pensioen, het wachtgeld of overeenkomstige uitkeringen van ambtenaren die op of na 2 januari 1999 met pensioen, wachtgeld of een overeenkomstige uitkering zijn gegaan. Indien in de periode 2 januari 1999 tot en met 1 januari 2000 in de berekeningsbasis van het pensioen, wachtgeld of een overeenkomstige uitkering als eindejaarsuitkering 0,8% is opgenomen, blijft voor betrokkenen ook na 1999 in de berekeningsgrondslag de eindejaarsuitkering op 0,8% gehandhaafd.

Individuele arbeidsvoorwaarden (artikel XI)

De Tijdelijke regeling voor individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket sector Rijk maakt het ministeries mogelijk om door middel van pilots te experimenteren met het introduceren van keuzemogelijkheden in de arbeidsvoorwaarden. De regeling biedt onder andere de mogelijkheid dat een ambtenaar desgewenst in een bepaald jaar een beperkt aantal uren meer of minder werkt dan het aantal waarvoor hij is aangesteld. De artikelen 3 en 4 van genoemde regeling beperken deze mogelijkheid tot maximaal 80 uur per jaar.

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 is de afspraak opgenomen om met ingang van 1 januari 2000 deze mogelijkheid om meer of minder uren te werken te verruimen. Deze afspraak past in de trend tot verruiming van de mogelijkheden voor individualisering en flexibilisering en voorziet in een bij een aantal ministeries bestaande behoefte.

Over de feitelijke invulling van de verruiming zal per geval overeenstemming bereikt moeten worden met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel. In het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zullen vervolgens de overeengekomen nieuwe maxima worden vermeld.

Ziektekosten (artikelen VIII, IX en XV)

Om de Btzr in overeenstemming te brengen met de oorspronkelijke doelstelling zou de tegemoetkoming ten minste moeten worden teruggebracht naar netto 50% van de gemiddelde ziektekostenpremie. Een dergelijke tegemoetkoming sluit aan bij de oorspronkelijke doelstelling dat de ziektekosten net als bij de Ziekenfondswet voor de helft door de werkgever worden gedragen. De onderhavige wijziging van het besluit strekt ertoe dit doel te bereiken.

Daartoe wordt het bedrag van de tegemoetkoming in het vervolg mede afgeleid van de gemiddelde premie voor een particuliere ziektekostenverzekering voor een maatschappijpolis, zoals deze volgens de in 1999 gehanteerde systematiek door het Centraal Plan Bureau (CPB) wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan. Bij de tegemoetkoming voor volwassenen wordt uitgegaan van de helft van de door het CPB gehanteerde premie. Bij de tegemoetkoming voor kinderen wordt uitgegaan van de helft van de tegemoetkoming voor volwassenen. De gemiddelde premie voor een ziektekostenverzekering voor kinderen bedraagt immers de helft van die van een volwassene.

Teneinde inkomenseffecten te voorkomen, wordt het bedrag van de tegemoetkoming vanaf 1 januari 2000 ten minste gesteld op het niveau dat voor 1999 volgens de (oude) indexeringsmethodiek was berekend. Zodra het bedrag van de tegemoetkoming, berekend op basis van het «CPB-premiegemiddelde», hoger is dan het bedrag over 1999, zal deze bodem uit de regeling worden verwijderd.

Gebaseerd op het (oude) artikel 4, tweede lid, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beschikking van 11 augustus 1994, nr. AD94/U951 (Stcrt. 160; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 9 maart 1998 (Stcrt. 55)) betreffende de regeling inzake tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel getroffen. In deze regeling is bepaald dat voor de indexering van de tegemoetkoming op grond van de Btzr de premieontwikkeling van een aantal niet op winst gerichte ziektekostenverzekeraars wordt gehanteerd, voorzover hun gegevens op een zodanig tijdstip zijn aangeleverd dat de uitkomst van de berekening uiterlijk op 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar kan worden bekendgemaakt. Deze indexeringsmethodiek wordt met dit besluit niet langer gehanteerd. Omdat daarmee de basis voor genoemde beschikking uit de Btzr verdwijnt, is deze beschikking van rechtswege vervallen.

De Zvr voorziet erin dat (voormalige) rijksambtenaren, die voor zichzelf en hun gezinsleden in verhouding tot hun inkomen hoge ziektekosten maken daarin een tegemoetkoming kunnen ontvangen.

Naast de betaalde premie voor de ziektekostenverzekering en de wettelijke bijdragen op grond van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (MOOZ) en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 (WTZ) kunnen ook zelf te dragen kosten van geneeskundige verzorging voor een tegemoetkoming in aanmerking worden gebracht.

Het zelf moeten dragen van kosten vloeit voort uit de inhoud van de door de betrokkene afgesloten ziektekostenovereenkomst. Het individu heeft daarbij de vrijheid een verzekeringsovereenkomst af te sluiten met een eigen risico of eigen bijdragen. Op grond van die keuze kan een groot bedrag aan ziektekosten zelf gedragen moeten worden.

Het is niet gewenst dat de onverhoopt nadelige gevolgen van die keuze worden afgewenteld op anderen, door deze voor tegemoetkoming krachtens de regeling in aanmerking te brengen.

Het voorliggende besluit voorziet hierin door in de Zvr ten aanzien van de premie en de zelf te dragen kosten normeringen aan te brengen.

Ten overvloede zij opgemerkt dat indien een ambtenaar wordt geconfronteerd met excessieve, te zijnen laste blijvende, kosten verband houdende met ziekte, hij een verzoek kan doen aan het bevoegd gezag om hierin een tegemoetkoming te ontvangen krachtens artikel 47 van het ARAR.

Reïntegratie personen met wachtgeld (artikel X)

Reïntegratie van personen met een wachtgelduitkering is van belang voor zowel de wachtgelder als de werkgever. Daarnaast heeft het personeels- en lijnmanagement de taak te blijven streven naar het voorkòmen van de instroom in het wachtgeld.

Onlangs is met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel overeenstemming bereikt over handhavings- en sanctiebepalingen voor de UR'66. Het RWB'59 heeft nog geen adequaat handhavings- en sanctiebeleid. In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 zijn voor het RWB'59 handhavings- en sanctiebepalingen afgesproken die overeenkomen met de bepalingen voor de UR'66, waarbij de reïntegratie van personen met wachtgeld en uitkering overigens voorop staat.

Participatie ouderen (artikel I, onderdelen A, E, H en I, artikel IV, onderdeel A en de artikelen XII, XIII en XVIII)

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 zijn afspraken gemaakt over de inzetbaarheid van ouderen. Een van de manieren waarop deze inzetbaarheid kan worden bevorderd is door het faciliteren van de mogelijkheid voor ouderen om een minder belastende functie te gaan vervullen. Daartoe is afgesproken om het mogelijk te maken dat de oudere ambtenaar op zijn verzoek in een lagere functie kan worden geplaatst, onder toepassing van een inhouding op zijn salaris, maar met behoud van zijn aanspraken op sociale zekerheid en pensioenen. Daartoe is een nieuw artikel 57b in het ARAR opgenomen. Tevens is in dit kader artikel 5 van het BBRA 1984 gewijzigd.

Met het stellen van de leeftijd van 57 jaar wordt aangesloten bij de reeds bestaande regeling participatie senioren (PAS-regeling), die eveneens tot doel heeft de oudere ambtenaar langer aan het arbeidsproces te laten deelnemen.

Met het onderhavige besluit is uitvoering gegeven aan de inhoudelijke herijking van de voor FLO aangewezen functies volgens het criterium substantieel bezwarend, zoals overeengekomen met de centrales van overheidspersoneel in het kader van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997–1999.

Bij dit besluit is artikel 97 van het ARAR integraal gewijzigd. Op grond van het eerste lid wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een lijst met substantieel bezwarende functies vastgesteld. Daarnaast wordt een verplichting opgenomen voor dezelfde bewindspersoon om regels te stellen omtrent de uitkering van ambtenaren aan wie ontslag wordt verleend in verband met het bereiken van de vastgestelde uittreedleeftijd.

Tevens zal bij afzonderlijk besluit als overgangsrecht een Regeling overgangsrecht FLO-functies worden ingevoerd voor die FLO-functies, die als niet substantieel bezwarend zijn aangemerkt.

De vervanging van de huidige regelgeving door nieuwe regelgeving is een gevolg van de inhoudelijke herijking van de voor FLO aangewezen functies volgens het criterium substantieel bezwarend. Het criterium substantieel bezwarend verwijst naar een disbalans tussen de capaciteiten (de belastbaarheid) van functionarissen en de eisen die de functie aan hen stelt (de belasting).

Het predikaat substantieel bezwarend is gegeven op grond van een weging van de eisen die in deze functies worden gesteld aan fysieke inspanning, fysieke omstandigheden, psychische belasting en perceptief mentale belasting, rekening houdend met het al dan niet aanwezig zijn van aanpassingsmogelijkheden en de duur van de blootstelling.

Voor de functies die in het door de ArboManagementGroep in samenwerking met TNO Arbeid uitgebracht rapport Herijking FLO-functies Rijksoverheid als substantieel bezwarend zijn aangemerkt, is in artikel (nieuw) 97, eerste lid, van het ARAR de verplichting neergelegd om, afhankelijk van de substantieel bezwarende functie, de ambtenaar te ontslaan op de eerste dag van de maand dat hij de leeftijd van 60 dan wel van 55 jaar heeft bereikt. Wel kan het bevoegd gezag van het ontslag afzien gedurende telkens één jaar indien aan een aantal vereisten wordt voldaan. De ambtenaar die ontslag heeft gekregen op grond van artikel (nieuw) 97 ARAR, heeft aanspraak op een ontslaguitkering.

Met het vaststellen van de leeftijdsgrenzen van 60 respectievelijk 55 jaar wordt aangesloten bij de bestaande leeftijdsgrenzen voor de huidige FLO-functies. Dit aantal is op grond van het genoemde herijkingsonderzoek teruggebracht. Voorts zal het preventief beleid ten aanzien van de substantieel bezwarende functies verder worden ontwikkeld en toegepast teneinde het bezwarende karakter van deze functies te verminderen.

Voor de functies die in het bovengenoemde herijkingsonderzoek als niet substantieel bezwarend zijn aangewezen komt het FLO met de daarbij behorende uitkering te vervallen. Voor deze functies zal bij afzonderlijk besluit een overgangsrecht worden gecreëerd in de Regeling overgangsrecht FLO-functies.

Flexibiliteit en zekerheid (artikel I, onderdelen B, C en D, artikel IV, onderdelen C en D en artikel XIV)

Bij Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid, Stb. 1998, 300), is het zogenaamde Flex-akkoord van de Stichting van de Arbeid van 3 april 1996 in wetgeving vertaald. Deze wet is op 1 januari 1999 in werking getreden op grond van het koninklijk besluit van 2 juni 1998 (Stb. 332). Bij wet van 24 december 1998 (Stb. 741) is een aantal wijzigingen in de Wet van 14 mei 1998 doorgevoerd.

Naar aanleiding van deze wijzigingen in het rechtssysteem van de marktsector hebben sociale partners in de sector Rijk gesproken over het wegnemen van knelpunten door middel van een pakket van maatregelen, waarbij onder behoud van een adequaat beschermingsniveau de flexibiliteit in bedrijfsvoering binnen de sector Rijk wordt vergroot. Inhoudelijk zijn in dit kader de volgende afspraken gemaakt:

• de proeftijd wordt beperkt tot maximaal twee jaar en kan uitsluitend worden verlengd met die periode, welke de ambtenaar niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

• tijdelijke aanstellingen bij hetzelfde ministerie, die elkaar opvolgen met tussenpozen van niet meer dan drie maanden en een periode van 36 maanden hebben overschreden, worden van rechtswege omgezet in een aanstelling in vaste dienst;

• meer dan drie tijdelijke aanstellingen bij hetzelfde ministerie die elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, worden van rechtswege omgezet in een aanstelling in vaste dienst;

• «nulurenaanstellingen» zijn niet toegestaan. Een uitzondering hierop is alleen mogelijk na toestemming door het departementaal georganiseerd overleg;

• oproepkrachten hebben per oproep aanspraak op minimaal drie uur salaris, indien het gaat om een aanstelling waarvan de omvang niet vast staat of de omvang minder is dan 15 uur per week en de tijdstippen van de oproepen niet zijn vastgesteld.

Buitengewoon verlof van korte duur (artikel I, onderdelen F en G)

In de artikelen 33c en 33d van het ARAR zijn verlofaanspraken neergelegd voor met name enkele situaties waarin om privéredenen verlofverlening aan de orde kan komen. Het betreft hier dus rechtspositionele bepalingen die raken aan de mate van beschikbaarheid van arbeidscapaciteit en daarmee rechtstreeks van invloed is op de bedrijfsvoering. Al enkele jaren is een ontwikkeling in gang gezet om de afzonderlijke ministers meer vrijheden te verlenen met betrekking tot juist dit soort arbeidsvoorwaardelijke afspraken. Afgestemd op de specifieke situatie kunnen dan met de centrales van overheidspersoneel op bepaalde onderdelen van het gehele arbeidsvoorwaardenpakket meer specifieke maatregelen worden afgesproken. Hierbij is het van belang dat de afzonderlijke ministers de mogelijkheid hebben om te onderhandelen over een pakket van maatregelen zonder daarbij gebonden te zijn aan normeringen. In zo'n pakket kunnen dan voor het betrokken personeel zowel positieve als negatieve onderdelen worden opgenomen.

Ten aanzien van artikel 33e van het ARAR geldt het volgende.

Dit artikel regelt in het eerste lid de aanvullende bevoegdheid van de individuele minister om in individuele gevallen waarin het bevoegd gezag dit nodig oordeelt eveneens buitengewoon verlof te verlenen.

Op grond van het tweede lid is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd ter uitvoering zo nodig nadere regels te stellen.

Voor een aantal situaties is dit in het verleden gedaan. Daarvan is aan de ministeries melding gemaakt via rondzendbrieven. Het betreft hier:

1. de rondzendbrief van 5 oktober 1950 inzake buitengewoon verlof voor het bijwonen van kerkvergaderingen;

2. de rondzendbrief van 17 november 1953 inzake buitengewoon verlof voor rijkspersoneelsleden noodwachters i.v.m. opleiding en oefening;

3. de rondzendbrief van 2 februari 1960 inzake verloffaciliteiten voor rijkspersoneel dat een verbintenis heeft gesloten met het Nederlandse Rode Kruis;

4. de rondzendbrief van 4 juli 1977 inzake buitengewoon verlof ten behoeve van adoptie;

5. de circulaire van 10 maart 1982 inzake buitengewoon verlof ten behoeve van het jeugd- en jongerenwerk.

Het verwerken van de afspraak in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 op dit punt betekent dus niet een aanpassing van het ARAR, maar het opnemen van een passage in een rondzendbrief (de circulaire waarbij het bereikt hebben van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000, alsmede de gevolgen daarvan, bekend is gemaakt aan de ministeries). De inhoud van deze passage is dat, daar waar in de genoemde rondzendbrieven aanspraken zijn genormeerd (bijvoorbeeld in termen van aantal dagen toe te kennen verlof) van deze normen, in overleg met het departementaal georganiseerd overleg, kan worden afgeweken.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

De wijziging van artikel 5, vierde lid, betreft een technische aanpassing als gevolg van de wijziging van artikel 97 (zie onderdeel I).

B

Artikel 6, tweede lid, onder a

Met de wijziging van artikel 6, tweede lid, onder a, is het niet meer mogelijk dat de tijdelijke aanstelling voor een proeftijd na twee jaar met nog een periode van één jaar wordt verlengd op verzoek van de ambtenaar. De duur van een proeftijd is hierdoor maximaal twee jaar, tenzij het bevoegd gezag ambtshalve besluit de proeftijd te verlengen met de tijd dat de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht. Zo wordt zowel voor de werkgever als voor de ambtenaar meer duidelijkheid geschapen over de maximale duur van de proeftijd.

Artikel 6, derde en vierde lid

Het huidige artikel 7:668a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt beperkingen aan ten aanzien van het open systeem met betrekking tot het aangaan van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. De laatste, tijdelijke arbeidsovereenkomst wordt van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf de dag, dat:

• arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

• meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

De systematiek van deze conversie van een tijdelijke in een vaste arbeidsovereenkomst op basis van artikel 7:668a, eerste lid, van het BW is bij dit besluit overgenomen. Daarbij is rekening gehouden met de specifieke situatie van de sector Rijk. Zo wordt bijvoorbeeld de aanstelling en niet de arbeidsovereenkomst gebruikt als instrument om een dienstverband aan te gaan.

Artikel 6, derde lid, regelt van rechtswege wanneer de laatste, tijdelijke aanstelling wordt omgezet in een vaste aanstelling.

In artikel 6, derde lid, onder a, wordt geregeld, dat, indien in een keten van minimaal twee tijdelijke aanstellingen een periode van 36 maanden wordt overschreden, de laatste tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een vaste aanstelling op het moment van overschrijding van laatstgenoemde periode. Voorwaarde is dat de periode tussen twee aanstellingen drie maanden of minder bedraagt. Deze termijn wordt bovendien meegerekend in het bepalen van de termijn van 36 maanden.

Eveneens is vereist dat de aanstellingen door dezelfde minister zijn verleend. In dit verband heeft het feit dat een ambtenaar tijdelijk in algemene dienst van het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid, van het ARAR, geen betekenis. Er is derhalve geen sprake van een keten van tijdelijke aanstellingen, indien de aanstellingen verleend zijn door verschillende ministers, ook al is de betrokken ambtenaar in algemene dienst van het Rijk tijdelijk aangesteld.

Wel is sprake van een keten in de situatie dat een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd stilzwijgend wordt verlengd. Artikel 95, eerste lid, van het ARAR spreekt van een voortduring van het dienstverband en regelt dat een aanstelling in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd is verleend. In de keten is dit de tweede aanstelling. Vanaf de dag dat in deze keten de termijn van 36 maanden wordt overschreden, geldt er een aanstelling in vaste dienst ingevolge artikel 6, derde lid, onder a.

Artikel 6, derde lid, onder a, schrijft niet voor, dat een eerste tijdelijke aanstelling voor langer dan 36 maanden van rechtswege wordt omgezet in een vaste aanstelling. Wordt deze tijdelijke aanstelling van langer dan 36 maanden – stilzwijgend of uitdrukkelijk – gevolgd door een nieuwe tijdelijke aanstelling, dan wordt deze laatste aanstelling automatisch omgezet in een vaste aanstelling.

Artikel 6, derde lid, onder b, ziet op de situatie, dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van drie maanden of minder hebben opgevolgd. De vierde tijdelijke aanstelling wordt dan van rechtswege omgezet in een vaste aanstelling. Ook hier gelden de voorwaarden dat tussen twee aanstellingen een tijdspanne van maximaal drie maanden zit en dat de aanstellingen door dezelfde minister zijn verleend.

In de situatie dat een derde tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd stilzwijgend wordt verlengd, wordt het dienstverband ingevolge artikel 95, eerste lid, van het ARAR geacht te zijn een aanstelling in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd. Er is dan sprake van een keten van vier tijdelijke aanstellingen. Op grond van artikel 6, derde lid, onder b, wordt de laatste tijdelijke aanstelling geconverteerd in een aanstelling in vaste dienst.

Artikel 6, derde lid, kent geen uitzondering voor de situatie dat er identiteitsverschillen tussen de tijdelijke aanstellingen zijn, zoals bijvoorbeeld: verschil in werkzaamheden of verschil in uren, dat wordt gewerkt. Verschillen in werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden ten aanzien van opeenvolgende aanstellingen onderbreken derhalve de keten niet. De volgende voorbeelden verduidelijken deze situatie. Een ambtenaar wordt tijdelijk aangesteld als beleidsmedewerker. Na beëindiging van deze aanstelling door middel van het verstrijken van de termijn volgt een tijdelijke aanstelling als stafmedewerker. In dit verband is er geen onderbreking van de keten.

Er vindt ook geen onderbreking van de keten plaatst in geval een tijdelijke voltijdse aanstelling gevolgd wordt door een tijdelijke aanstelling in deeltijd.

Op dit punt is aansluiting gezocht bij de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:668a, eerste lid, van het BW (Bijlage bij de memorie van antwoord EK, 1997–1998, 25 263, nr 132b, p. 11).

Artikel 6, vierde lid

Artikel 6, vierde lid, regelt een verbod op de zogenaamde «draaideurconstructie». Het vierde lid ziet bijvoorbeeld op de situatie, dat tussen twee tijdelijke aanstellingen een ambtenaar via een uitzendbureau wordt ingehuurd om dezelfde werkzaamheden binnen dezelfde organisatie te verrichten. Ook valt hieronder de volgende detacheringsconstructie: na verloop van een tijdelijke aanstelling wordt een persoon aangesteld door een ander bevoegd gezag, dat deze persoon uitleent aan het oorspronkelijke bevoegd gezag.

Met deze bepaling wordt aansluiting gezocht bij artikel 7:668a, tweede lid, van het BW. Er is echter gekozen voor een andere redactie gelet op de specifieke omstandigheid, dat binnen de sector Rijk niet gewerkt wordt op basis van arbeidsovereenkomsten: indien voorafgaande aan een tijdelijke aanstelling dan wel tussen twee tijdelijke aanstellingen een persoon binnen de organisatie werkzaamheden verricht op een andere titel dan een aanstelling, is het derde lid van toepassing.

Specifieke onderdelen van artikel 6, vierde lid, in samenhang met het derde lid worden, voorzover deze hierboven niet reeds zijn uiteengezet, hier nader toegelicht:

• De zinsnede «voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst» slaat op de situatie dat voorafgaande aan een tijdelijke aanstelling een persoon reeds werkzaam was op het ministerie en dat binnen drie maanden volgend op deze werkzaamheden betrokkene een tijdelijk dienstverband krijgt.

• Onder de zinsnede «tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen» wordt verstaan dat minimaal twee aanstellingen in tijdelijke dienst door dezelfde minister aan dezelfde persoon zijn verleend.

• De zinsnede «het gezagsbereik van de Minister» slaat op het gehele ministerie, waarbij de betrokken medewerker is aangesteld.

• Met de zinsnede «dezelfde werkzaamheden» wordt een vertaling gegeven van het vereiste «ten aanzien van arbeid» in artikel 7:668a, tweede lid, van het BW. Als betrokkene dezelfde werkzaamheden eerst op basis van een uitleenconstructie en vervolgens op basis van een tijdelijke aanstelling verricht, is er geen onderbreking van de keten. Wil er derhalve sprake zijn van een niet onderbroken keten van aanstellingen, dan is voor toepassing van het vierde lid vereist – in tegenstelling tot het derde lid – dat het om dezelfde werkzaamheden gaat.

Het volgende voorbeeld verduidelijkt de samenhang van het derde en het vierde lid. Indien een persoon na beëindiging van een tijdelijke aanstelling binnen een periode van drie maanden wederom dezelfde werkzaamheden verricht via een uitzendbureau binnen hetzelfde ministerie, leidt dit niet tot een aanstelling in vaste dienst. Wordt betrokkene echter na deze periode opnieuw tijdelijk aangesteld voor dezelfde werkzaamheden en wordt hiermee de grens van 36 maanden, inclusief de termijn van de inhuur via het uitzendbureau, overschreden dan wordt de laatste tijdelijke aanstelling van rechtswege geconverteerd in een aanstelling in vaste dienst op basis van artikel 6, derde lid, onder a, juncto het vierde lid.

Is de laatste tijdelijke aanstelling, die volgt op de inhuur door een uitzendbureau voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden, voorafgegaan door twee andere tijdelijke aanstellingen, dan wordt de laatste aanstelling ook geconverteerd op basis van artikel 6, derde lid, onder b, juncto het vierde lid.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde, indien de betrokken persoon op een andere wijze, bijvoorbeeld via de detacheringsconstructie tussen twee aanstellingen dezelfde werkzaamheden verricht.

Indien tussen de inhuur en de nieuwe aanstelling een periode langer dan drie maanden zit, wordt de keten ingevolge het derde lid onderbroken. Er vindt dan geen conversie plaats.

Artikel 6, vijfde lid

Het vijfde lid zondert artikel 6, derde lid, onder a, uit in het geval dat een tijdelijke aanstelling van 36 maanden of langer onmiddellijk wordt gevolgd door een aanstelling van niet langer dan drie maanden. Deze tweede, tijdelijke aanstelling wordt dan niet geconverteerd in een vast dienstverband op grond van artikel 6, derde lid, onder a. Het vijfde lid ziet op de volgende situatie. Een ambtenaar wordt voor een periode van 36 maanden tijdelijk aangesteld voor tijdelijke werkzaamheden. Aan het einde van deze periode zijn deze tijdelijke werkzaamheden niet voltooid. Het kan dan van belang zijn, dat de betrokken ambtenaar in staat wordt gesteld om het project af te maken. Op grond van het vijfde lid is het éénmaal mogelijk opnieuw een tijdelijke aanstelling voor een periode van niet langer dan drie maanden te verlenen.

Voorwaarde voor de toepassing van het vijfde lid is, dat beide tijdelijke aanstellingen in tijdsbestek elkaar naadloos opvolgen. Zit tussen beide aanstellingen één dag, daaronder begrepen een zater-, zon-, of feestdag, dan geldt de uitzondering van het vijfde lid niet meer.

Met het vijfde lid van artikel 6 is aansluiting gezocht bij artikel 7:668a, derde lid, van het BW.

Artikel 6, zesde lid

Op grond van het zesde lid van artikel 6 zijn het derde en vierde lid ook van toepassing op aanstellingen die worden verleend door de bevoegde gezagsdragers van de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State.

C

Een van de onderdelen van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 betreft het verbod op nul-uren aanstellingen. Met dit verbod wordt beoogd meer zekerheid te verschaffen aan oproepkrachten. Gezocht is naar een binnen het ARAR passende vertaling van een dergelijk verbod. Gekozen is voor het invoegen van een nieuw artikel 6b waarbij geen verbod op nul-uren aanstellingen wordt ingevoerd maar de bepaling dat bij aanstellingen die geschieden voor een variabel aantal uren altijd een aantal garantie-uren bepaald dient te worden. Dit minimum aantal uren houdt de garantie in dat de ambtenaar minimaal voor dit aantal uren wordt opgeroepen of indien dat niet gebeurt in ieder geval recht heeft op salaris over dit minimum aantal uren. Hiertoe is ook artikel 11 van het BBRA 1984 aangepast (zie ook de toelichting bij artikel IV, onderdeel C).

De keuze voor het bepalen van het aantal garantie-uren is bij het bevoegd gezag gelegd. Er kan gekozen worden voor een vast aantal garantie-uren per week of per maand maar een minimum op jaarbasis is ook mogelijk.

In het derde lid is geregeld dat voor bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de verplichting om een minimum aantal garantie-uren op te nemen. Over de vast te stellen regels zal op grond van artikel 113 van het ARAR overeenstemming bereikt moeten worden met het departementaal georganiseerd overleg.

De motivering voor het geven van deze afwijkingsmogelijkheid is gelegen in het feit dat het opnemen van een aantal garantie-uren bij aanstellingen voor een variabel aantal uren wellicht voor bepaalde dienstonderdelen problemen kan opleveren. Zo zou er sprake kunnen zijn van een belemmering van de bedrijfsvoering. Zeker gelet op de voortschrijdende wensen op het terrein van flexibilisering kan een dergelijke bepaling problemen veroorzaken. Dergelijke problemen zijn op centraal niveau slecht te overzien. In een dergelijk geval is het wenselijk indien hierover op decentraal niveau overleg kan worden gevoerd en naar een passende oplossing kan worden gezocht. Het voorgestelde derde lid van artikel 6b beoogt daartoe de mogelijkheid te bieden. Het bevoegd gezag zal in een dergelijk geval moeten aantonen dat sprake is van strijd met het dienstbelang.

D

De invoering van artikel 6b heeft geleid tot aanpassing van artikel 12. In het nieuwe vierde lid is aangegeven dat bij een aanstelling waarbij de arbeidsduur niet vastligt, in de akte van aanstelling het aantal garantie-uren vermeld dient te worden.

E

Artikel 21a regelt de partiële arbeidsparticipatie van senioren (PAS). Indien een ambtenaar er voor kiest om zowel gebruik te maken van de PAS-regeling als van de mogelijkheid bedoeld in artikel 57b van het ARAR om een minder belastende functie te vervullen, zal hij te maken krijgen met twee inhoudingen op zijn salaris. In een dergelijk geval is het redelijk om de in het vijfde lid geregelde PAS-inhouding aan te passen, door deze niet te berekenen over het salaris van de ambtenaar maar over het salaris minus de inhouding, bedoeld in artikel 57b van het ARAR. Op deze wijze wordt de PAS-inhouding in feite toegepast op het salaris dat de ambtenaar zou ontvangen als hij daadwerkelijk zou zijn ingepast in de bij de minder belastende functie behorende salarisschaal.

Het nieuwe zesde lid strekt tot reparatie van een omissie. Bij invoering van de PAS-regeling is het uitgangspunt geweest dat bij ziekte van de ambtenaar de PAS-inhouding doorloopt. Bij nader inzien is het redelijk om bij langdurige ziekte de PAS-inhouding te verlagen naar 80% van de oorspronkelijke inhouding op het moment dat ook het inkomen van de ambtenaar daalt naar 80%.

F en G

Met het opnemen van een nieuw lid in de artikelen 33c en 33d van het ARAR wordt de mogelijkheid geschapen dat de in deze artikelen neergelegde aanspraken in overleg met het departementaal georganiseerd overleg per departement kunnen worden aangevuld danwel dat daarvan wordt afgeweken.

Over de vast te stellen regels zal op grond van artikel 113 van het ARAR overeenstemming bereikt moeten worden met het departementaal georganiseerd overleg.

H

Artikel 57b biedt de mogelijkheid om een oudere ambtenaar op zijn verzoek in een minder belastende functie te plaatsen. De ambtenaar behoudt daarbij het voor hem geldende salaris en de voor hem geldende salarisschaal maar op zijn salaris wordt een inhouding toegepast. In het tweede lid is aangegeven op welke wijze de inhouding wordt berekend. Indien een ambtenaar bijvoorbeeld wordt bezoldigd volgens schaal 12, salarisnummer 10, en zijn nieuwe functie is gewaardeerd in schaal 11, wordt bezien wat het salaris van de ambtenaar zou zijn bij inpassing in salarisschaal 11, salarisnummer 10. De inhouding wordt vervolgens berekend door het oorspronkelijke salaris van de ambtenaar te verminderen met dit fictieve salaris.

Door de inhouding op deze wijze vorm te geven blijft het salaris van de ambtenaar ongewijzigd. Dit betekent dat ook de aan het salaris c.q. de bezoldiging gerelateerde aanspraken zoals de eindejaarsuitkering en de vakantieuitkering geen wijziging ondervinden. Dit geldt ook voor pensioenaanspraken en voor aan de bezoldiging gerelateerde sociale zekerheidsaanspraken.

De laatste volzin van het tweede lid ziet met name op ambtenaren die zijn ingepast op het hoogste salarisnummer in salarisschaal 2 of 3. Aangezien deze salarisnummers niet voorkomen in de salarisschalen 1 en 2 dient inpassing op het naastlagere salarisnummer te geschieden.

Bij ziekte van de ambtenaar blijft de inhouding doorlopen. Indien echter bij langdurige ziekte het inkomen van de ambtenaar daalt naar 80% is in het derde lid geregeld dat de inhouding wordt opgeschort voor de duur van de ziekte.

I

Met artikel 97 wordt een nieuwe ontslaggrond geïntroduceerd: de ambtenaar, die een bij ministerieel besluit aangewezen functie met substantieel bezwarende werkzaamheden verricht, wordt in verband met het bereiken van de leeftijd van 60 dan wel 55 jaar ontslagen. Het eerste lid van artikel 97 schrijft voor, dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een lijst met substantieel bezwarende functies opstelt, die is onderverdeeld in twee categorieën: aan categorie A is een leeftijdsgrens van 60 en aan categorie B is een leeftijdsgrens van 55 jaar verbonden. In dit verband zij gewezen op het tweede en het derde lid van artikel 97. De lijst zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en bevat onder andere functies als rechercheur/opsporingsambtenaar Internationaal Economische Recherche, inrichtingswerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en testvlieger bij de afdeling Luchtwaardigheid.

Het bevoegd gezag wordt verplicht een ambtenaar, werkzaam op een substantieel bezwarende functie, eervol ontslag te verlenen bij het bereiken van de vereiste leeftijd. De ingang van het ontslag is de eerste dag van de maand, volgende op de maand waarin de betrokken ambtenaar 60 respectievelijk 55 jaar oud wordt. Ingevolge het vierde lid van artikel 97 kan het bevoegd gezag van het verlenen van dit ontslag afzien indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: het dienstbelang verzet zich niet tegen het niet verlenen van het ontslag, de ambtenaar heeft hierom verzocht dan wel heeft hiermee ingestemd en een door de Arbo-dienst verricht arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat er geen medische of psychische belemmeringen zijn voor het vervullen van de functie.

Het bevoegd gezag bepaalt gedurende welke periode hij van ontslagverlening afziet. Deze periode kan maximaal één jaar zijn en is «verlengbaar» indien aan de hierboven gestelde voorwaarden wordt voldaan. Dit betekent dat minimaal één keer per jaar de betrokken ambtenaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet ondergaan. Dit kan vaker zijn indien bijvoorbeeld het bevoegd gezag de periode op een half jaar bepaalt of indien de medische en/of psychische toestand van de betrokken ambtenaar daartoe aanleiding geeft.

Op enig moment kan het voorkomen dat niet meer wordt voldaan aan een of meer van de hierboven gestelde voorwaarden. De ambtenaar trekt zijn instemming in of uit onderzoek van de Arbo-dienst blijken opeens belemmeringen voor een goede functievervulling. In dat geval wordt de ambtenaar eervol ontslag verleend op grond van het vijfde lid van artikel 97. Ingevolge het zesde lid van dit artikel wordt bij dit ontslag een opzegtermijn in acht genomen van minimaal één maand en maximaal drie maanden. Het is aan het bevoegd gezag om de duur van de opzegtermijn te bepalen. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 94, tweede lid, van het ARAR.

Het zevende lid bepaalt dat de ambtenaar die wordt ontslagen op grond van artikel 97 recht heeft op een uitkering. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft nadere regels hieromtrent.

In het achtste lid wordt geregeld dat een ontslag op basis van artikel 97, geacht wordt te zijn een ontslag, waaraan een uitkering is verbonden krachtens de Regeling flexibel pensioen en uittreden en het Pensioenreglement. Wel dient dan aan alle voorwaarden voor een dergelijk ontslag te zijn voldaan. Zo moet de ambtenaar minimaal tien dienstjaren hebben, direct voorafgaande aan het tijdstip dat het ontslag ingaat. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel (oud) 97, vierde lid.

Artikel II

Dit artikel bevat, voorzover relevant, de wijzigingen in het ARSG op identieke voet als in artikel I vermeld.

Artikel III

De van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 57b van het ARAR (zie artikel I, onderdeel H) maakt het mogelijk om overplaatsbare ambtenaren die daarom nadrukkelijk hebben verzocht in een functie te plaatsen waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris. Toepassing van artikel 57b van het ARAR zal echter achterwege blijven, indien een ambtenaar in het kader van het overplaatsingsbeleid om redenen van dienstbelang in een lager gewaardeerde functie wordt geplaatst.

Artikel IV

A

In artikel 5 van het BBRA 1984 zijn het vijfde en zesde lid samengevoegd tot een nieuw vijfde lid. Inhoudelijk komt dit nieuwe vijfde lid grotendeels overeen met de oude leden vijf en zes. Het uitgangspunt dat voor een ambtenaar in beginsel geen lagere salarisschaal kan gaan gelden, is voorop gesteld. Vervolgens is limitatief opgesomd in welke gevallen van dit uitgangspunt kan worden afgeweken. Afwijken is onder andere mogelijk indien de ambtenaar op zijn aanvraag een lagere functie wordt opgedragen. Daarbij is aangegeven dat afwijken niet mogelijk is indien het gaat om een ambtenaar van 57 jaar en ouder die gebruik wil maken van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 57b van het ARAR.

B

Dit artikelonderdeel betreft een technische aanpassing van enkele bedragen naar aanleiding van de algemene salarisverhoging per 1 augustus 1999.

C

Artikel 11, tweede lid, van het BBRA 1984 regelt de vaststelling van het salaris voor de oproepkracht. De formulering is aangepast aan het nieuwe artikel 6b van het ARAR en er is een bepaling opgenomen die regelt dat aan de ambtenaar minimaal het aantal garantie-uren als bedoeld in dat artikel wordt uitbetaald. Indien bij de aanstelling is gekozen voor een aantal garantie-uren op jaarbasis zal pas in januari van het volgende kalenderjaar definitieve afrekening kunnen plaatsvinden.

D

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 is tevens overeengekomen om oproepkrachten in bepaalde situaties per oproep een minimale salarisaanspraak voor 3 uur te geven. Beoogd is aan te sluiten bij hetgeen in de marktsector geldt op grond van artikel 7:628a van het BW. Dit artikel regelt voor oproepkrachten een minimale salarisaanspraak in twee situaties. De situatie waarin de arbeidsduur minder bedraagt dan 15 uur per week en de tijdstippen waarop zal worden gewerkt niet zijn vastgelegd en de situatie waarin de arbeidsduur niet is vastgesteld.

In het BBRA 1984 is deze minimum aanspraak per oproep overgenomen door middel van het nieuwe artikel 11a.

In dit artikel is conform het BW een minimum aanspraak op 3 uur salaris geregeld voor twee categorieën oproepkrachten. De eerste categorie betreft de deeltijdwerker met een kleine deeltijdfunctie (minder dan 15 uur per week). Zijn arbeidsduur ligt vast maar de tijdstippen waarop hij moet werken niet. De tweede categorie is de oproepkracht voor wie de arbeidsduur niet vastligt. Voor beiden geldt dat bij een oproep die korter duurt dan 3 uur toch aanspraak bestaat op uitbetaling van 3 uur salaris.

Voor een oproepkracht die in deze tweede categorie valt, gelden dus twee verschillende garanties. Ten eerste de hier bedoelde garantie van uitbetaling van minimaal 3 uur salaris per oproep. Daarnaast geldt de garantie van artikel 6b van het ARAR in combinatie met artikel 11, tweede lid, van het BBRA 1984 dat minimaal het in de akte van aanstelling gegarandeerde aantal uren wordt uitbetaald.

E, F en G

Deze artikelonderdelen betreffen (technische) aanpassingen naar aanleiding van de algemene salarisverhoging per 1 augustus 1999.

Artikelen V, VI en VII

Bij deze artikelen worden de bezoldigingsbedragen van enkele bij wet bezoldigde functionarissen aangepast aan de algemene salarisverhoging voor het burgerlijk rijkspersoneel per 1 augustus 1999. Deze doorwerking betreft de bezoldiging van de ministers en staatssecretarissen, van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer en van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman.

Artikel VIII

A

Met dit artikel wordt in de Btzr de nieuwe systematiek van de berekening van de tegemoetkoming neergelegd. Daartoe wordt artikel 4 van genoemd besluit opnieuw vastgesteld.

B

Dit betreft een technische aanpassing aan de wijziging die bij het onderdeel A wordt aangegeven.

Artikel IX

In onderdeel B van dit artikel zijn de normeringen ten aanzien van de in aanmerking te nemen (maximale) ziektekosten neergelegd, via een wijziging van artikel 7 van de Zvr. Deze normeringen betreffen:

a. ten aanzien van de premie:

Voor personen van 65 jaar en ouder wordt het bedrag van de premie dat voor tegemoetkoming in aanmerking kan worden gebracht gemaximeerd op die van de Standaard Pakket Polis voor bejaarden zoals deze ieder jaar opnieuw wordt vastgesteld (voor 1999 bedraagt deze f 2809,20).

Voor personen jonger dan 65 jaar wordt het bedrag van de premie dat voor tegemoetkoming in aanmerking kan worden gebracht gemaximeerd op de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze ieder jaar wordt gehanteerd door het Centraal Plan Bureau ten behoeve van het Centraal Economisch Plan (voor 1999 bedraagt deze f 1852,00).

b. ten aanzien van de wettelijke bijdragen MOOZ en WTZ:

In aanmerking voor een tegemoetkoming kan worden gebracht de door de betrokkene en diens gezinsleden voor ieder van hen verschuldigde bijdrage.

Voor personen van 65 en ouder is de wettelijke bijdrage MOOZ in 1999 vastgesteld op f 190,08 per jaar, terwijl geen WTZ verschuldigd is.

Voor personen van 20 tot 65 jaar is de wettelijke bijdrage MOOZ in 1999 vastgesteld op f 237,60 per jaar en de wettelijke bijdrage WTZ op f 408,00 per jaar. Voor personen jonger dan 20 jaar geldt de helft van deze bedragen, te weten f 118,80 voor de MOOZ en f 204,00 voor de WTZ.

c. ten aanzien van de bedragen die de betrokkene zelf betaalt omdat in de polisvoorwaarden in het geheel niet is voorzien in een vergoeding:

Maximaal kunnen voor een tegemoetkoming in aanmerking worden gebracht de zelf betaalde kosten voor zover deze voor vergoeding in aanmerking zouden komen, indien de betrokkene verzekerd zou zijn volgens de Standaard Pakket Polis.

De wijzigingen in de overige onderdelen betreffen technische aanpassingen aan die van onderdeel B.

Artikel X

Met dit artikel wordt in het RWB'59 de basis neergelegd op grond waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op overeenkomstige wijze als ten aanzien van personen die een uitkering genieten op grond van de UR'66, een sanctieregeling arbeidsmarktgedrag kan vaststellen.

Artikel XI

Om de bij een IKAP-pilot te hanteren hogere maxima van een juridische grondslag te voorzien is in artikel 2 van de regeling een nieuw tweede lid opgenomen. Hierin is geregeld dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij het besluit waarbij wordt aangewezen bij welk ministerie of onderdeel daarvan een pilot kan plaatsvinden, tevens kan bepalen dat van de in artikel 3 en 4 van de regeling genoemde maxima mag worden afgeweken.

Artikelen XII en XIII

Zoals hiervoor aangegeven heeft een inhouding als bedoeld in artikel 57b van het ARAR geen consequenties voor aan de bezoldiging gekoppelde sociale zekerheid (zoals een wachtgeld op basis van het RWB'59 of een uitkering op basis van de UR'66). De uitkeringen op basis van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk zijn gebaseerd op het WAO-dagloon respectievelijk het WW-dagloon. In deze daglonen werkt de inhouding, bedoeld in artikel 57b van het ARAR, wel door. Om te voorkomen dat de gewezen ambtenaar hier nadeel van ondervindt, heeft in beide regelingen reparatie plaatsgevonden. Voor ambtenaren die gebruik maakten van de PAS-regeling heeft een overeenkomstige reparatie plaatsgevonden.

Artikel XIV

In dit artikel wordt geregeld dat artikel 6 van het ARAR, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, van toepassing blijft op tijdelijke aanstellingen die zijn verleend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die op die datum niet zijn geëxpireerd. Deze bepaling vloeit voort uit de opvatting, dat op het moment van het verlenen van een tijdelijke aanstelling partijen niet op de hoogte waren van het nieuwe recht en derhalve op het moment van inwerkingtreding «lopende» aanstellingen niet onder het nieuwe recht kunnen vallen. Met deze bepaling wordt aansluiting gezocht bij het overgangsrecht ten aanzien van artikel 7:668a van het BW, zoals dit in artikel XX van de Wet van 14 mei 1998 (Stb. 1998, 300) vorm heeft gekregen.

Op aanstellingen, die op het moment van inwerkingtreding niet zijn geëxpireerd, blijft artikel (oud) 6 van het ARAR van toepassing. Wordt echter na beëindiging van een tijdelijke aanstelling, verleend voor de datum van inwerkingtreding van onderhavig besluit, na laatstgenoemd tijdstip opnieuw een tijdelijke aanstelling verleend door dezelfde minister, dan is het huidige artikel 6 van het ARAR onverkort van toepassing.

Een voorbeeld moge het bovenstaande verduidelijken. Vóór het moment A, waarop artikel (nieuw) 6 van het ARAR in werking treedt, wordt een tijdelijke aanstelling voor de duur van één jaar voor de tweede achtereenvolgende keer verleend. Acht maanden na moment A expireert deze aanstelling van rechtswege. Het bevoegde gezag verleent vervolgens opnieuw een aanstelling voor de duur van 1 jaar.

Op het moment A is de tijdelijke aanstelling nog niet geëxpireerd. Derhalve blijft artikel (oud) 6 van het ARAR steeds van kracht. Nadat deze aanstelling is geëxpireerd en een nieuwe aanstelling is verleend, is het nieuwe recht van toepassing. Dan moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van conversie naar een vast dienstverband vanaf de dag, waarop de termijn van 36 maanden is overschreden – rekening houdend met tussenpozen van niet meer dan drie maanden – dan wel meer dan drie aanstellingen door een en dezelfde minister is verleend.

In het voorbeeld betreft het hier een derde aanstelling. Op grond hiervan vindt er geen conversie plaats. In totaal is de betreffende ambtenaar 36 maanden op tijdelijke basis werkzaam op grond van verschillende tijdelijke aanstellingen. De aanstellingen zijn niet onderbroken door enige periode. Een termijn van 36 maanden is derhalve niet overschreden, zodat er geen conversie plaatsvindt.

In het bovenstaande voorbeeld wordt na beëindiging van rechtswege van de tweede aanstelling de tijdelijke aanstelling stilzwijgend voortgezet. Ingevolge artikel 95, eerste lid, van het ARAR wordt de betreffende ambtenaar geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangesteld. Hierboven is uiteengezet dat dit als een nieuwe aanstelling moet worden beschouwd. Het gaat hier dan om een derde aanstelling; op deze grond vindt er dus geen conversie plaats. Wel vindt er een conversie plaats vanaf de dag waarop een termijn van 36 maanden is overschreden. Bij het berekenen van deze termijn moet de periode voor het moment A in ogenschouw worden genomen.

Artikel XV

Indien het tijdvak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Zvr aanvangt voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit is met betrekking tot de periode van dat tijdvak liggende voor deze datum, de Zvr, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

Artikel XVI

A

Dit artikelonderdeel regelt de doorwerking van de algemene salarisverhoging per 1 augustus 1999 naar toelagen toegekend op grond van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die krachtens overgangsrecht uit 1984 nog in stand zijn gebleven.

Dat geschiedt bij dit artikelonderdeel ook ten aanzien van bijzondere regelingen die op grond van artikel 26 van het BBRA 1984 zijn getroffen.

B

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de (eenmalige) verhoging van de eindejaarsuitkering voor het jaar 1999. Gelet op de inhoud van dit artikelonderdeel zal met ingang van 1 januari 2000 de eindejaarsuitkering op grond van artikel 20a van het BBRA 1984 weer 0,3% bedragen.

Artikel XVII

Op grond van dit artikel werkt de algemene salarisverhoging van het burgerlijk rijkspersoneel per 1 augustus 1999 door naar onder andere de bezoldiging van enkele functionarissen, wier bezoldiging bij wet is geregeld (zie de artikelen V, VI en VII), alsmede naar op 1 augustus 1999 reeds toegekende pensioenen, wachtgelden en ontslaguitkeringen.

Artikel XVIII

Uit het herijkingsonderzoek FLO-functies blijkt dat een aantal daarvan wordt aangemerkt als substantieel bezwarend. Deze zullen worden opgenomen op een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op te stellen lijst.

Dat betekent dat de bestaande besluiten waarop FLO-functies voorkomen kunnen vervallen. Het betreft hier de koninklijke besluiten van 9 november 1966, (Stb. 497), houdende vaststelling leeftijdsgrens voor de vervulling van bepaalde functies (bij de BVD), van 27 november 1997, houdende vaststelling van een leeftijdsgrens voor (hoofd)keurmeesters bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, (Stcrt. 238), en van 23 april 1998, houdende vaststelling van leeftijdsgrenzen voor de vervulling van bepaalde functies als bedoeld in artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, (Stcrt. 97).

Omdat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 97 van het ARAR een regeling vaststelt waarin de aanspraken worden neergelegd ingeval van ontslag uit een substantieel bezwarende functie is aan de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag geen behoefte meer. Deze regeling wordt daarom ingetrokken.

Artikel XIX

De wijzigingen treden, met uitzondering van de wijzigingen in de directe inkomenssfeer, in werking op 1 januari 2000. De wijzigingen die betrekking hebben op de algemene salarisverhoging van 2,9% dienen op 1 augustus 1999 in te gaan, terwijl de eenmalige verhoging van de eindejaarsuitkering 1 januari 1999 als ingangsdatum kent.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

Bijlage I

Deze bijlage behoort bij het besluit van 13 november 1999, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000.

Bijlage

Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren

HOOFDGROEP I
Niveaugroep IaNiveaugroep Ib Niveaugroep Ic
Schaal 1Schaal 2Schaal 3  
(maandbedragen in guldens)
    133 697
  123 389123 593
  113 285113 488
103 079103 182103 389
93 01193 07993 285
82 94483 01183 182
72 87872 94473 079
62 81362 87863 011
52 74852 81352 944
42 68542 74842 878
32 62032 68532 813
22 55922 62022 748
12 50512 55912 685
02 45002 50502 620
J 202 083J 202 129J 202 227
J 191 838J 191 879J 191 965
J 181 593J 181 628J 181 703
J 171 348J 171 378J 171 441
J 161 348J 161 378J 161 441
J 151 348J 151 378  
HOOFDGROEP II
Niveaugroep IIaNiveaugroep IIb Niveaugroep IIc  
Schaal 3Schaal 4Schaal 5  
(maandbedragen in guldens)
133 697    
123 593123 905124 113
113 488113 801114 009
103 389103 697103 905
93 28593 59393 801
83 18283 48883 697
73 07973 38973 593
63 01163 28563 488
52 94453 18253 389
42 87843 07943 285
32 81333 01133 182
22 74822 94423 079
12 68512 87813 011
02 62002 81302 944
J 202 227J 202 391J 202 502
J 191 965J 192 110J 192 208
J 181 703J 181 828J 181 914
J 171 441J 171 547J 171 619
J 161 441J 161 547  
HOOFDGROEP II
Niveaugroep IId  
Schaal 6  
(maandbedragen in guldens)
114 322    
104 218     
94 113     
84 009    
73 905     
63 801     
53 697    
43 593     
33 488     
23 389    
13 285     
03 182    
HOOFDGROEP III
Niveaugroep IIIaNiveaugroep IIIb Niveaugroep IIIc  
Schaal 5Schaal 6Schaal 7  
(maandbedragen in guldens)
124 113    
114 009114 322   
103 905104 218104 735
93 801 94 113 94 570
83 697 84 009 84 426
73 593 73 905 74 322
63 488 63 801 64 218
53 389 53 697 54 113
43 285 43 593 44 009
33 182 33 488 33 905
23 079 23 389 23 801
13 011 13 285 13 697
02 944 03 182 03 593
J 202 502     
J 192 208     
J 181 914    
J 171 619    
HOOFDGROEP III
Niveaugroep IIIdNiveaugroep IIIe   
Schaal 8Schaal 9  
(maandbedragen in guldens)
105 339106 031   
95 13095 800   
84 924 85 568   
74 735 75 339   
64 570 65 130  
54 426 54 924   
44 32244 735   
34 218 34 570   
24 113 24 426   
14 009 14 322  
03 905 04 218  
HOOFDGROEP IV
Niveaugroep IVaNiveaugroep IVb Niveaugroep IVc  
Schaal 8Schaal 9Schaal 10  
(maandbedragen in guldens)
105 339106 031106 715
95 130 95 800 96 483
84 924 85 568 86 252
74 73575 339 76 031
64 570 65 13065 800
54 426 54 924 55 568
44 322 44 735 45 339
34 218 34 570 34 924
24 11324 426 24 570
14 009 14 32214 322
03 905 04 218 04 113
HOOFDGROEP IV
Niveaugroep IVdNiveaugroep IVe   
Schaal 11Schaal 12  
(maandbedragen in guldens)
107 676108 741   
97 34798 384   
87 018 88 027   
76 715 77 676   
66 483 67 347  
56 252 57 018   
46 03146 715   
35 800 36 483   
25 568 26 252   
15 339 16 031  
04 924 05 800  
HOOFDGROEP V
Niveaugroep VaNiveaugroep Vb Niveaugroep Vc  
Schaal 10Schaal 11Schaal 12  
(maandbedragen in guldens)
106 715107 676108 741
96 483 97 347 98 384
86 252 87 018 88 027
76 03176 715 77 676
65 800 66 48367 347
55 568 56 252 57 018
45 339 46 031 46 715
34 924 35 800 36 483
24 57025 568 26 252
14 322 15 33916 031
04 113 04 924 05 800
HOOFDGROEP V
Niveaugroep VdNiveaugroep VeNiveaugroep Vf  
Schaal 13Schaal 14Schaal 15  
(maandbedragen in guldens)
109 8131010 8801011 950
99 456 910 523 911 592
89 098 810 166 811 234
78 741 7 9 813 710 880
68 384 6 9 456 610 523
58 027 5 9 098 510 166
47 676 4 8 741 4 9 813
37 347 3 8 384 3 9 456
27 018 2 8 027 2 9 098
16 715 1 7 676 1 8 741
06 483 0 7 347 0 8 384
HOOFDGROEP VI
Niveaugroep VIaNiveaugroep VIbNiveaugroep VIc  
Schaal 13Schaal 14Schaal 15  
(maandbedragen in guldens)
109 8131010 8801011 950
99 456 910 523 911 592
89 098 810 166 811 234
78 741 7 9 813 710 880
68 384 6 9 456 610 523
58 027 5 9 098 510 166
47 676 4 8 741 4 9 813
37 347 3 8 384 3 9 456
27 018 2 8 027 2 9 098
16 715 1 7 676 1 8 741
06 483 0 7 347 0 8 384
HOOFDGROEP VI
Niveaugroep VIdNiveaugroep VIeNiveaugroep VIf  
Schaal 16Schaal 17Schaal 18  
(maandbedragen in guldens)
1013 0171014 0891015 258
912 659 913 732 914 868
812 302 813 374 814 478
711 950 713 017 714 089
611 592 612 659 613 732
511 234 512 302 513 374
410 880 411 950 413 017
310 523 311 592 312 659
210 166 211 234 212 302
1 9 813 110 880 111 950
0 9 456 010 523 011 592

XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 september 1999, Stb. 435.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 september 1999, Stb. 435.

XNoot
3

Stb. 1986, 611, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 september 1999, Stb. 435.

XNoot
4

Stb. 1983, 571, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 1998, Stb. 598.

XNoot
5

Stb. 1993, 718, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 1997, Stb. 1998, 3.

XNoot
6

Stb. 1993, 218, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 1997, Stb. 1998, 3.

XNoot
7

Stb. 1981, 603, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 1997, Stb. 1998, 3.

XNoot
8

Stb. 1994, 608, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 juli 1999, Stb. 332.

XNoot
9

Stb. 1997, 357, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 1998, Stb. 679.

XNoot
10

Stb. 1991, 332, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 1998, Stb. 598.

XNoot
11

Stb. 1999, 18.

XNoot
12

Stb. 1996, 1, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 1998, Stb. 598.

XNoot
13

Stb. 1996, 532, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 december 1997, Stb. 352.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 januari 2000, nr. 7.