Besluit van 16 oktober 1999, houdende intrekking
van diverse koninklijke besluiten die op grond van artikel 21 van de Bankwet
1948 tot stand zijn gekomen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Centrale Directie
Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken van 12 oktober 1999, nr.
WJB 99/1093 M;
Gelet op de artikelen 9 en 31 van de Bankwet 1998;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De volgende koninklijke besluiten worden ingetrokken:
a. het koninklijk besluit van 14 mei 1930, houdende goedkeuring van uitbreiding
van den werkkring der Nederlandsche Bank met de bevoegdheid tot deelneming
in het kapitaal en aan de werkzaamheden der «Bank for International
Settlements» (Stb. 181);
b. het koninklijk besluit van 21 oktober 1952, houdende goedkeuring
van de deelneming door De Nederlandsche Bank N.V. in het kapitaal van de Maatschappij
tot Financiering van het Nationaal Herstel N.V. (Stb. 509);
c. het koninklijk besluit van 22 september 1954, houdende goedkeuring
van de bevoegdheid van De Nederlandsche Bank N.V. tot het kopen en verkopen
van schatkistcertificaten, uitgegeven krachtens de Leningwet 1954 Stb. 272
(Stb. 426);
d. het koninklijk besluit van 23 november 1961, houdende goedkeuring van
de uitbreiding van de werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. tot het
kopen en verkopen van schatkistcertificaten, uitgegeven krachtens de Leningwet
Schatkistcertificaten, Stb. 1961, 233 (Stb. 418);
e. het koninklijk besluit van 23 september 1968, houdende uitbreiding
van de werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. (Stb. 474);
f. het koninklijk besluit van 25 januari 1973, houdende goedkeuring van
uitbreiding der werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. (Stb. 30);
g. het koninklijk besluit van 17 januari 1974, houdende goedkeuring van
uitbreiding van werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. (Stb. 27);
h. het koninklijk besluit van 7 mei 1973, houdende goedkeuring van uitbreiding
van de werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. (Stb. 211);
i. het koninklijk besluit van 11 mei 1977, houdende goedkeuring van uitbreiding
van de werkzaamheden van de Nederlandsche Bank (Stb. 263);
j. het koninklijk besluit van 21 december 1978, houdende goedkeuring van
uitbreiding van werkzaamheden van de Nederlandsche Bank (Stb. 675);
k. het koninklijk besluit van 28 december 1981 tot uitvoering van artikel
21 van de Bankwet 1948 (Stb. 772);
l. het koninklijk besluit van 11 maart 1994 tot uitvoering van artikel
21 van de Bankwet 1948 (Stb. 201).
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 oktober 1999
Beatrix
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de vierde november 1999
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
NOTA VAN TOELICHTING
Het onderhavige koninklijk besluit regelt de intrekking van een aantal
koninklijke besluiten die op grond van artikel 21 van de Bankwet 1948 tot
stand waren gekomen en sinds de inwerkingtreding van de Bankwet 1998 berustten
op artikel 9 van de laatstgenoemde wet.
De totstandkoming van de Bankwet 1998 was aanleiding om te bezien of de
bestaande koninklijke besluiten nog relevant waren, mede in het licht van
de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken. Dit onderzoek heeft
geleid tot intrekking van de volgende koninklijke besluiten.
a. Besluit van 14 mei 1930 (Stb. 181).
Deelneming in internationale organisaties door de Nederlandsche Bank valt
onder de werking van artikel 6 van de ESCB-statuten en wordt daarmee bestreken
door de uitzondering in artikel 9, aanhef en onder b van de Bankwet 1998.
Het koninklijk besluit was daardoor overbodig geworden.
b. Besluit van 21 oktober 1952 (Stb. 509).
Er was geen noodzaak tot handhaving van dit koninklijk besluit; de deelneming
in de Maatschappij tot Financiering van het Nationale Herstel N.V., later
de Nationale Investeringsbank, is reeds in 1984 afgestoten.
c. en d. Besluiten van 22 september 1954 (Stb. 426) en 23 november 1961
(Stb. 418).
Deze koninklijke besluiten waren overbodig aangezien sinds de start van
de tweede fase van de Economische en Monetaire Unie de door de besluiten toegestane
activiteiten, het kopen en verkopen van schatkistpapier, niet meer door De
Nederlandsche Bank N.V. werden uitgevoerd.
e. en f. Besluiten van 23 september 1968 (Stb. 474) en 11 mei 1977 (Stb.
263).
Er was geen noodzaak tot handhaving aangezien deze koninklijke besluiten,
die betrekking hadden op steunregelingen ten behoeve van de Bank of England,
niet meer relevant waren.
g. Besluit van 25 januari 1973 (Stb. 30).
Er was geen noodzaak tot handhaving van dit koninklijk besluit omdat deelneming
in de Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunications («SWIFT»)
valt onder de werking van de artikelen 18 en 23 van de ESCB-statuten; daardoor
was geen machtiging ingevolge de Bankwet 1998 meer vereist.
h. Besluit van 7 mei 1973 (Stb. 211).
Aangezien het centrale banken op grond van artikel 3.1 jo. artikel 23
ESCB-statuten is toegestaan om IMF-reserveposities aan te houden, was dit
koninklijk besluit overbodig geworden.
i. Besluit van 17 januari 1974 (Stb. 27).
Er was geen noodzaak tot handhaving van dit koninklijk besluit, dat strekte
tot het goedkeuren van het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van
de Sanctiewet Rhodesië. Het was na het intrekken van die wet overbodig
geworden.
j. Besluit van 21 december 1978 (Stb. 675).
Aangezien het koninklijk besluit van 17 december 1998 (Stb. 719) thans
een grondslag biedt voor werkzaamheden in het kader van de collectieve garantieregeling
van kredietinstellingen, was het koninklijk besluit van 21 december 1978 overbodig
geworden.
k. Besluit van 28 december 1981 (Stb. 772).
Er bestond geen noodzaak meer tot handhaving van dit koninklijk besluit,
omdat artikel 17 van de ESCB-statuten het in onderpand nemen van activa toestaat.
l. Besluit van 11 maart 1994 (Stb. 201).
De artikelen 18 en 20 van de ESCB-statuten voorzien in de uitgifte van
schuldpapier door de nationale centrale banken. Daardoor was dit koninklijk
besluit overbodig geworden.
De Minister van Financiën,
G. Zalm