Besluit van 17 juli 1999 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 in verband met het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie voor de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 mei 1999, nr. EA99/U68935, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid;

Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;

De Raad van State gehoord (advies van 17 juni 1999, nr. WO4.99.0263/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 1999, nr. EA99/74118, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BESLUIT ALGEMENE RECHTSPOSITIE POLITIE

Het Besluit algemene rechtspositie politie1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onderdeel t, onder 1°, komt als volgt te luiden:

1°. indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een regionaal politiekorps: de desbetreffende regio, het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van die regio waarin de plaats van tewerkstelling van die ambtenaar is gelegen, dan wel een plaats van tewerkstelling waarover dit bevoegd gezag het medebeheer uitoefent, indien deze plaats van tewerkstelling is gelegen buiten de regio;.

B

In artikel 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het slot van het zesde lid, onderdeel a, wordt het woord «of» vervangen door een komma.

2. Aan het slot van het zesde lid, onderdeel b, wordt de punt vervangen door: , of.

3. Aan het zesde lid wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

c. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a.

4. In het zevende lid wordt na de zinsnede «het zesde lid,» ingevoegd: onderdelen a en b,.

C

In artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel d, vervalt het woord «of».

2. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel e, wordt de punt vervangen door: , of.

3. Aan het eerste lid wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

f. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a.

4. In het tweede lid wordt na de zinsnede «het eerste lid,» ingevoegd: onderdelen a tot en met e,.

D

Na artikel 4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. De ambtenaar die in vaste dienst is aangesteld, kan in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd worden aangesteld bij een ander regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij het LSOP, onder de voorwaarde dat na afloop van de aanstelling in tijdelijke dienst de ambtenaar hernieuwd wordt aangesteld in vaste dienst bij het regionale politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij het LSOP, waar hij was aangesteld direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. De artikelen 7, 8 en 8a, tweede lid, zijn niet van toepassing op de in de eerste volzin genoemde hernieuwde aanstelling in vaste dienst.

  • 2. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan slechts plaatsvinden ten behoeve van het LSOP of een bovenregionaal samenwerkingsverband waarvoor in overeenstemming met de Commissie Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken regels zijn gegeven.

  • 3. Het bevoegd gezag bij wie de ambtenaar in vaste dienst is aangesteld, het bevoegd gezag bij wie de ambtenaar in tijdelijke dienst wordt aangesteld, en de ambtenaar maken, voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde aanstelling in tijdelijke dienst, schriftelijke afspraken over de aanstelling in tijdelijke dienst en de terugkeer in vaste dienst.

  • 4. De in het derde lid bedoelde afspraken omvatten in ieder geval de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst, de voorwaarden waaronder de duur van de tijdelijke aanstelling kan worden verkort of verlengd, en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid bedoelde hernieuwde aanstelling in vaste dienst plaatsvindt.

  • 5. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de maximumduur van de tijdelijke aanstelling, bedoeld in het eerste lid, vaststellen, alsmede nadere richtlijnen voor de toepassing van het vierde lid.

  • 6. Bij een hernieuwde aanstelling in vaste dienst, bedoeld in het eerste lid, wordt er van uitgegaan dat het dienstverband niet onderbroken is geweest.

  • 7. Alleen indien de ambtenaar gedurende de aanstelling in tijdelijke dienst wordt ontslagen op grond van artikel 77, eerste lid, onderdeel j, kan de hernieuwde aanstelling in vaste dienst, bedoeld in het eerste lid, komen te vervallen.

E

Artikel 13a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Over de uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, wordt 50% ingehouden van het door de ambtenaar over die uren genoten salaris en 50% ingehouden van de door de ambtenaar over die uren genoten politie-flexibiliteitstoelage, bedoeld in artikel 16a van het Besluit bezoldiging politie.

F

Na artikel 19 wordt een nieuw artikel 20 ingevoegd, luidende:

Artikel 20

Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn ingevolge artikel 17 geldende aanspraak op vakantie verminderen, indien, in overeenstemming met het Regionaal Georganiseerd Overleg, een fiscale regeling wordt aangegaan tussen het bevoegd gezag en 's Rijks Belastingdienst. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verminderd, bedraagt ten hoogste 21,6 uur indien de ambtenaar een volledige betrekking heeft. Dit aantal uren wordt verminderd met een in evenredigheid lager aantal uren indien hij een deelbetrekking heeft.

G

Artikel 64 komt te luiden:

Artikel 64

Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

H

Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.

I

Na artikel 65 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 65a

Indien het belang van de dienst dit vordert, is de ambtenaar in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld personeels- en organisatiebeleid, verplicht zijn functie al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen, of al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, uit te oefenen.

J

In artikel 90 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het tweede tot en met achtste lid worden vernummerd tot derde tot en met negende lid.

2. Na het eerste lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd overeenkomstig artikel 3, zesde lid, onderdeel c, of artikel 4, eerste lid, onderdeel f.

3. In het vierde tot en met zevende lid wordt de zinsnede «tweede lid» telkens vervangen door: derde lid,.

4. In het negende lid wordt de zinsnede «tweede tot en met het zevende lid» vervangen door: derde tot en met achtste lid.

5. Na het negende lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Onverminderd artikel 4a, zevende lid, en artikel 87, kan aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd, mits de ambtenaar aansluitend hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld bij het regionaal politiekorps, het Korps landelijke politiediensten of het LSOP, waar hij was aangesteld direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. Het derde tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.

K

In artikel 98, eerste lid, wordt na «artikel 90» ingevoegd: , met uitzondering van het tweede lid,.

ARTIKEL II. WIJZIGING BESLUIT BEZOLDIGING POLITIE

Het Besluit bezoldiging politie2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De onderdelen s tot en met u worden verletterd tot de onderdelen t tot en met v.

2. Na onderdeel r wordt een nieuw onderdeel s ingevoegd, luidende:

s. politie-flexibiliteitstoelage per uur: 1/157e deel van de politie-flexibiliteitstoelage, bedoeld in artikel 16a, bij een volledige betrekking;

3. Aan het tot v verletterde onderdeel wordt toegevoegd: , alsmede de uitkering, bedoeld in artikel 25a, indien Onze Minister zulks bepaalt.

B

In artikel 4, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Na «16,» wordt ingevoegd: 16a,.

2. Na «17,» wordt ingevoegd: 17b,.

C

Aan artikel 6 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Voor de ambtenaar die in het kader van een detachering, bedoeld in artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie, tijdelijk een andere functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden, geldt deze hogere salarisschaal, tenzij artikel 17b van toepassing is.

D

Na artikel 6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. Indien voor de ambtenaar, bedoeld in artikel 4a van het Besluit algemene rechtspositie politie, gedurende langerdan vier jaren een hogere salarisschaal geldt dan de salarisschaal die voor hem gold gedurende de voorafgaande aanstelling in vaste dienst, dan geldt bij de hernieuwde aanstelling in vaste dienst, bedoeld in genoemd artikel 4a, ten minste die hogere salarisschaal.

  • 2. Indien voor de ambtenaar, bedoeld in artikel 4a van het Besluit algemene rechtspositie politie, gedurende vier jaren of korter een hogere salarisschaal geldt dan de salarisschaal die voor hem gold gedurende de voorgaande aanstelling in vaste dienst, dan geldt bij de hernieuwde aanstelling in vaste dienst, bedoeld in genoemd artikel 4a, ten minste de salarisschaal welke voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor hem gold, met dien verstande dat bij de indeling in de schaal wordt uitgegaan van ten minste die salarisregel die voor de ambtenaar zou hebben gegolden indien geen aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in genoemd artikel 4a, zou hebben plaatsgevonden.

E

In artikel 10 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het tweede lid wordt vernummerd tot derde lid.

2. Na het eerste lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de in het eerste lid omschreven vaststelling van de salarisverhoging zou betekenen dat de som van het salaris van de ambtenaar en het bedrag van de politie-flexibiliteitstoelage, bedoeld in artikel 16a, (dat dan voor de ambtenaar komt te gelden), minder zou bedragen dan de som van het salaris en de politie-flexibiliteitstoelage bij een periodieke verhoging in de oude schaal, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in de nieuwe salarisschaal.

F

Na artikel 16 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

  • 1. Aan de ambtenaar ingedeeld in schaal 7, salarisnummer 8 of hoger, of in schaal 8, salarisnummer 9 of hoger, wordt maandelijks een politie-flexibiliteitstoelage toegekend.

  • 2. De politie-flexibiliteitstoelage bedraagt per maand het bij het salarisnummer behorende bedrag, dat is opgenomen in bijlage I van dit besluit.

  • 3. De politie-flexibiliteitstoelage wordt ten aanzien van de ambtenaar die in een deeltijdbetrekking is aangesteld, naar evenredigheid vastgesteld.

G

In artikel 17, vierde lid, wordt na «15,» ingevoegd: 16a,.

H

Na artikel 17a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17b

  • 1. Aan de ambtenaar die ingevolge artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie is gedetacheerd en een functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden dan de voor de ambtenaar voordien geldende salarisschaal, wordt gedurende maximaal vier jaren een toelage toegekend. De toelage bedraagt het verschil tussen het salaris dat de gedetacheerde ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten, indien de in de eerste volzin bedoelde hogere salarisschaal zou hebben gegolden.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend met ingang van de dag waarop de detachering is begonnen.

I

Het opschrift van Hoofdstuk 7 komt te luiden: Hoofdstuk 7 Uitkeringen.

J

Voor artikel 26 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25a

  • 1. Aan de ambtenaar kan een eindejaarsuitkering of een eenmalige uitkering worden toegekend.

  • 2. Ten aanzien van de eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister nadere regels vast met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het tijdstip van uitbetaling, en bepaalt Onze Minister of de uitkering behoort tot de bezoldiging en het ambtelijk inkomen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

K

Na artikel 30 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 30a

  • 1. Aan de ambtenaar die op grond van artikel 65a van het Besluit algemene rechtspositie politie een andere plaats van tewerkstelling is aangewezen of een ander dan het hem aangewezen werkgebied, wordt extra reistijd boven een half uur per dienst in tijd vergoed.

  • 2. Indien twee jaren of langer na het aanwijzen van een plaats van tewerkstelling of werkgebied, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar opnieuw een andere plaats van tewerkstelling wordt aangewezen of een ander dan het hem aangewezen werkgebied, dient de extra reistijd boven een half uur per dienst te worden vastgesteld op basis van de reistijd die gold naar de eerstgenoemde plaats van tewerkstelling.

L

Na artikel 31 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden afgezien van artikel 16, eerste lid, artikel 25a mits op grond van artikel 25a, tweede lid, door Onze Minister is vastgesteld dat de uitkering niet behoort tot de bezoldiging of tot het ambtelijk inkomen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de artikelen 26, 27, 27a, 29 en 30 indien, in overeenstemming met het Regionaal Georganiseerd Overleg, een fiscale regeling wordt aangegaan tussen het bevoegd gezag en 's Rijks Belastingdienst.

M

In artikel 50a wordt «salarisbedragen» vervangen door: bedragen.

ARTIKEL III. WIJZIGING BESLUIT GENEESKUNDIGE VERZORGING POLITIE 1994

Het Besluit geneeskundige verzorging politie 19943 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2, eerste lid, worden, na wijziging van de punt achter onderdeel e in een puntkomma, twee nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:

f. degene die een WAO-uitkering ontvangt en ter benutting van zijn restverdiencapaciteit zijn dienstbetrekking, bedoeld onder a, gedeeltelijk voortzet of herplaatst is in een dienstbetrekking, bedoeld onder a;

g. degene die gedeeltelijk een betrekking als actief dienende vervult en voor het resterende deel een uitkering in de zin van het pensioenreglement, een WAO-uitkering of een suppletie-uitkering ontvangt.

B

In artikel 9 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het derde lid, tweede volzin, wordt «artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van toepassing is» vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel c of g, van toepassing is.

2. In het vierde lid wordt in onderdeel b «onderdeel c» vervangen door: onderdelen c, f en g.

3. In onderdeel e wordt «onder f en g» vervangen door: onderdeel e.

ARTIKEL IV. EXTRA PERIODIEKE VERHOGING

  • 1. Het salaris van de ambtenaar, die op 1 februari 1999 is ingedeeld in één van de salarisschalen van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie, wordt per 1 februari 1999 verhoogd tot het naast hogere bedrag in de schaal.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit bezoldiging politie.

ARTIKEL V. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel I, onderdelen E en F, artikel II, onderdelen A, onder 1 en 2, en B, onder 1, E tot en met G, I en J, L en M, artikel III en artikel IV terugwerken tot en met 1 februari 1999.

  • 2. Met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na inwerkingtreding van de artikelen en onderdelen, niet genoemd in het eerste lid, vervallen die artikelen en onderdelen.

  • 3. Met ingang van het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, komen de door de in dat lid bedoelde artikelen en onderdelen gewijzigde artikelen van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie te luiden zoals zij luidden op de dag voorafgaand aan de in het tweede lid bedoelde inwerkingtreding, onverminderd de wijzigingen die in die artikelen zijn aangebracht in de periode tussen die inwerkingtreding en het vervallen, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Een tijdens de periode, bedoeld in het derde lid, gegeven toepassing aan een of meer van de artikelen en onderdelen, niet genoemd in het eerste lid, behoudt haar geldigheid na het vervallen, bedoeld in het tweede lid.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 17 juli 1999

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

Uitgegeven de tweede september 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 12 maart 1999 is het akkoord Arbeidsvoorwaarden Sector Politie voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 (verder te noemen: akkoord) getekend. In dit akkoord is een aantal maatregelen overeengekomen dat leidt tot een aantal rechtspositionele wijzigingen van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP), het Besluit bezoldiging politie (BBP) en het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 (BGVP). Het onderhavige besluit strekt er onder meer toe de afgesproken wijzigingen in genoemde besluiten door te voeren.

Naast een extra periodieke verhoging, een eindejaarsuitkering, de invoering van een politie-flexibiliteitstoelage en een grondslag voor fiscale regelingen heeft het merendeel van de wijzigingen betrekking op het vergroten van de mogelijkheden tot flexibele en efficiënte bedrijfsvoering. Daarnaast biedt het de ambtenaar meer mogelijkheden om tijdelijk een functie in een ander korps of organisatie te vervullen waarbij de garantie is dat men terug kan keren naar het korps van oorsprong.

De belangrijkste maatregelen die daarover zijn afgesproken, zijn:

a) de mogelijkheid om een ambtenaar ten behoeve van een bovenregionaal samenwerkingsverband tijdelijk aan te stellen met een terugkeergarantie, inclusief de mogelijkheid van een «tijdelijke bevordering»;

b) de mogelijkheid van een detacheringstoelage in het geval de detachering plaatsvindt naar een functie waaraan een hogere bezoldiging is gekoppeld;

c) de mogelijkheid om een ambtenaar in het kader van een regionaal vast te stellen personeels- en organisatiebeleid verplicht te verplaatsen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I. Wijziging Besluit algemene rechtspositie politie

Onderdeel A (artikel 1 )

Deze wijziging behelst een verruiming van de definitie van «werkgebied».

Onder «werkgebied» kan thans tevens worden verstaan een plaats van tewerkstelling buiten de geografische grenzen van een regio, waarover het bevoegd gezag het medebeheer uitoefent. Hierdoor wordt de mogelijkheid geboden om een samenwerkingsverband aan te gaan met een of meer andere regio's om bepaalde voorzieningen gezamenlijk te beheren. Voorbeelden hiervan zijn een gemeenschappelijke meldkamer of centra voor integrale beroepsvaardighedentraining.

Bij een dergelijk samenwerkingsverband kan om organisatorische redenen worden besloten het beheer niet onder te brengen bij één korps, maar het beheer te laten bij het eigen bevoegd gezag. Dit geldt ook in rechtspositionele zin. De feitelijke locatie kan bij een dergelijk samenwerkingsverband liggen buiten de geografische grenzen van de regio. Van belang is dat het bevoegd gezag het medebeheer uitoefent.

Onderdelen B en C (artikelen 3 en 4)

Zoals reeds opgemerkt in het algemene deel van deze toelichting, worden bovenregionale samenwerkingsverbanden steeds belangrijker voor het uitvoeren van politietaken. Het gaat dan veelal om vraagstukken die direct het operationele politiewerk raken, zoals de aanpak van de georganiseerde criminaliteit.

De aanpak hiervan vindt meer en meer plaats in de vorm van bovenregionale en landelijke teams waarvoor politiefunctionarissen veelal slechts tijdelijk worden ingezet.

Bij een bovenregionaal samenwerkingsverband is veelal een groot aantal politiefunctionarissen werkzaam binnen één organisatorische eenheid. Teneinde de werkbaarheid van het samenwerkingsverband op het terrein van zowel het personeelsbeheer als op het gebied van de financiering te vergemakkelijken, kan het gewenst zijn om de bevoegdheden die ingevolge het BARP toekomen aan het bevoegd gezag, in handen te leggen van één korpsbeheerder. Dat betekent dat het wenselijk is dat politiefunctionarissen in tijdelijke dienst treden bij het korps dat het bovenregionale samenwerkingsverband beheert.

Om deze tijdelijke aanstelling mogelijk maken, wordt in de artikelen 3 en 4 van het BARP een nieuwe grond voor een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd opgenomen. Voor deze grond kan alleen worden gekozen indien voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd, duidelijk is dat na afloop ervan de ambtenaar weer in vaste dienst treedt van het korps of de organisatie waar hij direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling werkzaam was.

Deze tijdelijke aanstelling met terugkeergarantie is opgenomen in het nieuwe artikel 4a van het BARP; verwezen kan worden naar de toelichting bij dat artikel (onderdeel D).

Onderdeel D (artikel 4a)

De toepassing van dit nieuwe artikel beperkt zich tot de tijdelijke aanstelling bij het LSOP of bovenregionale samenwerkingsverbanden, ten behoeve waarvan in overeenstemming met de Commissie Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken regels en voorschriften zijn vastgesteld.

De hernieuwde aanstelling in vaste dienst kan komen te vervallen, indien de ambtenaar tijdens de aanstelling in tijdelijke dienst als disciplinaire maatregel wordt ontslagen (zevende lid).

Daarnaast kan de ambtenaar ervoor kiezen dat van de hernieuwde vaste aanstelling wordt afgeweken. Hiervan kan sprake zijn als hij verzoekt om ontslag om vervolgens elders te gaan werken dan in het korps waarin hij direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling in vaste dienst werkzaam is geweest.

Omdat sprake is van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd, waarbij tevens sprake is van een terugkeergarantie naar het korps van herkomst, is in het derde lid expliciet bepaald dat het noodzakelijk is dat voorafgaande aan de aanstelling, schriftelijk nadere afspraken worden gemaakt tussen alle betrokken partijen. Zonder voorafgaande afspraken kan geen sprake zijn van deze tijdelijke aanstelling. De afspraken dienen in ieder geval de duur van de tijdelijke aanstelling te omvatten, de voorwaarden waaronder de terugkeer in vaste dienst bij het korps van herkomst weer zal plaatsvinden – zoals de passendheid van de functie bij terugkeer – en de voorwaarden waaronder de duur van de tijdelijke aanstelling kan worden verkort of verlengd (zie het vierde lid). Als het bevoegd gezag van het korps waar de ambtenaar tijdelijk is aangesteld deze tijdelijke aanstelling vroegtijdig wil beëindigen, kan dat alleen als over deze mogelijkheid voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling tussen alle betrokken partijen afspraken zijn gemaakt. Uitgangspunt is dat de ambtenaar bij tussentijds ontslag terugkeert naar het korps waar hij direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst werkzaam is geweest, tenzij sprake is van een strafontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onderdeel j, van het BARP.

Een verlenging van de duur van de tijdelijke aanstelling is ook mogelijk. Het is van belang dat voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst eveneens afspraken worden gemaakt over de condities waaronder deze verlenging kan plaatsvinden, bijvoorbeeld het vroegtijdig bekendmaken en de vereiste instemming van alle betrokken partijen.

Voor de hernieuwde aanstelling in vaste dienst bij het vorige korps, behoeven voor de betrokken ambtenaar niet opnieuw de aanstellings-, bekwaamheids- en geschiktheidseisen (keuringen en dergelijke) te worden doorlopen. De artikelen 7, 8 en 8a van het BARP zijn derhalve niet op deze terugkeer van toepassing.

Bij een hernieuwde aanstelling in vaste dienst wordt er, aldus het zesde lid, van uitgegaan dat het dienstverband dat betrokkene heeft gehad direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd, niet onderbroken is geweest.

Tenslotte kan het van belang zijn dat betrokken partijen afspraken maken met een rechtspositioneel karakter, uiteraard voor zover die passen binnen het geldende rechtspositionele regiem. Daarbij moet tevens worden gedacht aan de gevolgen van een tijdelijke aanstelling voor korpsspecifieke arbeidsvoorwaarden, zoals deelname aan een pc-privé project of een spaarregeling.

Ook is het zinvol om procedureafspraken in geval van arbeidsongeschiktheid te maken. Dit laat onverlet de wettelijke taken van de werkgever in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid. In concreto zal bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid ten tijde van de tijdelijke aanstelling de eventuele herplaatsing plaatsvinden bij het korps waarvoor de garantie op een hernieuwde aanstelling is gegeven. Indien sprake is van een dienstongeval gedurende de tijdelijke aanstelling dient het bevoegd gezag waar de ambtenaar tijdelijk is aangesteld, zorg te dragen voor de eventuele aanvulling op de bezoldiging, ook nog eventueel in het geval van herplaatsing bij het korps van de hernieuwde aanstelling.

Indien volledige arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de in artikel 94, derde lid, van het BARP genoemde periode leidt tot ontslag bij het korps waar de ambtenaar in tijdelijke dienst was aangesteld, vervalt bij het korps waar de hernieuwde aanstelling zou moeten plaatsvinden, de terugkeergarantie.

Onderdeel E (artikel 13a)

Met betrekking tot de politie-flexibiliteitstoelage is overeengekomen dat deze toelage in geval van kortingen op het salaris overeenkomstig wordt gekort. Met deze wijziging wordt een korting van deze toelage in verband met het terugbrengen van de arbeidstijd op grond van de Regeling partieel uittreden (RPU) mogelijk gemaakt.

Onderdeel F (artikel 20)

Met het nieuwe artikel 20 wordt het mogelijk om op korpsniveau afspraken te maken over het afzien van maximaal 21,6 uur verlof per kalenderjaar ten behoeve van bij voorbeeld pc-privé projecten of fietsplannen, waarbij van een fiscale regeling gebruik kan worden gemaakt. Het afzien van het verlof is alleen mogelijk op verzoek van de ambtenaar.

Op grond van deze nieuwe bepaling kan van deze regeling pas gebruik worden gemaakt als hierover met het Regionaal Georganiseerd Overleg (RGO) overeenstemming is bereikt. Het is niet mogelijk om af te zien van de aanspraak op verlof om andere redenen dan specifieke regelingen waarover afspraken met de belastingdienst worden gemaakt.

In de regeling die met het RGO wordt afgesproken, dienen ook afspraken te worden gemaakt over een datum waarvoor het verzoek moet worden ingediend en de waarde van een verlofuur.

Onderdeel G (artikel 64)

Door de verruiming van de definitie van «werkgebied» kan de ambtenaar ook worden verplaatst naar een functie of plaats van tewerkstelling die weliswaar valt onder het gezagsbereik van het eigen bevoegd gezag, maar waarbij de feitelijke plaats van tewerkstelling ligt buiten de geografische grenzen van de regio. De bepaling dat de ambtenaar bij een verplaatsing op grond van dit artikel geen financieel nadeel mag ondervinden, blijft gehandhaafd.

Onderdeel H (artikel 65)

In het gewijzigde artikel 65 is opgenomen dat de ambtenaar op zijn verzoek een andere functie kan worden opgedragen of een andere plaats van tewerkstelling kan worden aangewezen, met behoud van ten minste dezelfde salarisschaal.

Ook voor dit artikel geldt dat de ambtenaar kan worden verplaatst naar een functie of plaats van tewerkstelling die weliswaar valt onder het gezagsbereik van het eigen bevoegd gezag, maar waarbij de feitelijke plaats van tewerkstelling ligt buiten de geografische grenzen van de regio.

Onderdeel I (artikel 65a)

In dit nieuwe artikel is de mogelijkheid opgenomen om in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld personeels- en organisatiebeleid de ambtenaar een andere functie op te dragen of een andere plaats van tewerkstelling aan te wijzen. Een combinatie van beide is ook mogelijk. Van dit afgesproken personeels- en organisatiebeleid kan deel uit maken een functieroulatiebeleid (waaronder begrepen de minimum- of maximumtermijn gedurende welke een functie kan worden uitgevoerd) of beleid ten aanzien van capaciteitsbeheersing.

De verplaatsing heeft geen gevolgen voor de status van de ambtenaar (executief of AT).

De kaders van het personeels- en organisatiebeleid dienen overeenkomstig artikel 13 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (BOM) te worden vastgesteld in overeenstemming met het RGO. De nadere uitwerking hiervan vindt plaats in overleg met de ondernemingsraad.

Indien eventueel gekozen wordt voor een overgangsregime voor zittend personeel, ligt het in de rede dat hierover in het RGO nadere afspraken worden gemaakt. Indien ten behoeve van reeds bestaand personeels- en organisatiebeleid toepassing wordt gegeven aan artikel 65a, dient dit beleid ten aanzien van deze nieuwe verplaatsingsmogelijkheid eerst nog te worden vastgesteld.

Voor extra reistijd en reiskosten worden voorzieningen getroffen. In dit verband is een nieuw artikel 30a in het BBP opgenomen (artikel II, onderdeel K).

Tevens zal in de Regeling vergoeding verplaatsingskosten politie een nieuw artikel 12b worden opgenomen, waarmee de hoogte van de vergoeding zal worden vastgesteld.

De afstand waarover de verplaatsing plaatsvindt, mag niet bovenmatig zijn.

Alles omvattende criteria zijn daarover op voorhand niet te geven. Wat als bovenmatig moet worden beschouwd, hangt af van de concrete situatie. Afgesproken is dat een uitbreiding van de reistijd met een half uur enkele reis niet als bovenmatig wordt beschouwd.

Evenals voor een verplaatsing op grond van artikel 64, geldt voor een verplaatsing op basis van dit artikel dat de ambtenaar kan worden verplaatst naar een functie of plaats van tewerkstelling die weliswaar valt onder het gezagsbereik van het eigen bevoegd gezag, maar waarbij de feitelijke plaats van tewerkstelling ligt buiten de geografische grenzen van de regio.

Onderdeel J (artikel 90)

In het nieuwe tweede lid van artikel 90 wordt bepaald dat de tijdelijke aanstelling, bedoeld in artikel 4a van het BARP, van rechtswege eindigt als de vooraf vastgestelde duur van de tijdelijke aanstelling afloopt. Daarna wordt de ambtenaar weer in vaste dienst aangesteld door het korps waar hij direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling werkzaam is geweest. Gezien deze terugkeergarantie kan geen sprake zijn van het van rechtswege omzetten van de tijdelijke aanstelling in een aanstelling voor onbepaalde tijd.

In het toegevoegde tiende lid is bepaald dat de ambtenaar met een tijdelijke aanstelling en terugkeergarantie tussentijds kan worden ontslagen. Gezien de terugkeergarantie keert betrokkene dan terug naar het korps waar hij direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling in vaste dienst werkzaam was, tenzij sprake is van een strafontslag. Over de mogelijkheid van het eventueel vroegtijdig beëindigen van de tijdelijke aanstelling met terugkeergarantie, dienen voorafgaande aan deze aanstelling door alle betrokken partijen afspraken te worden gemaakt.

Onderdeel K (artikel 98)

Bij een tijdelijke aanstelling met een terugkeergarantie naar het korps waar de ambtenaar direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling werkzaam was, wordt beoogd dat geen situatie van werkloosheid ontstaat. De Uitkeringsregeling 1966 houdt echter geen rekening met een dergelijke situatie en kent in beginsel een uitkering toe. Omdat door de terugkeergarantie nimmer is beoogd dat een situatie van werkloosheid ontstaat, dient de Uitkeringsregeling 1966 buiten toepassing te worden verklaard. Om dit gestalte te geven is artikel 98 aangepast. Hetzelfde geldt voor artikel 90 BARP (beëindiging van rechtswege).

Artikel II. Wijziging Besluit bezoldiging politie

Onderdeel A (artikel 1 )

De toevoeging van een nieuw onderdeel s aan het eerste lid van artikel 1 geeft de mogelijkheid om de politie-flexibiliteitstoelage per uur toe te kennen.

Vanwege de mogelijkheid dat een eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering door de minister tot de bezoldiging wordt gerekend, wordt de omschrijving van het begrip bezoldiging in het tot v verletterde onderdeel van het eerste lid van artikel 1 aangepast.

Onderdeel B (artikel 4)

Indien de detacheringtoelage en de politie-flexibiliteitstoelage moeten worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, dient het bedrag per dag te worden vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand. Dit is conform de hoofdregel.

Onderdeel C (artikel 6)

Het introduceren van de detacheringstoelage betekent dat aan artikel 6 een nieuw achtste lid is toegevoegd. Hierin wordt bepaald dat in geval van detachering naar een functie waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, van het BBP een hogere salarisschaal is verbonden, deze hogere salarisschaal ook daadwerkelijk geldt, tenzij op grond van artikel 17b een detacheringstoelage wordt toegekend. Dit geldt voor alle detacheringen in het kader van artikel 62 van het BARP.

Onderdeel D (artikel 6a)

Voor de ambtenaar die op grond van artikel 4a van het BARP een tijdelijke aanstelling met terugkeergarantie heeft, geldt gedurende de periode waarin hij tijdelijk is aangesteld artikel 6 van het BBP. In artikel 6a van het BBP is de mogelijkheid opgenomen om een hogere salarisschaal te behouden.

Is sprake van een duur langer dan vier jaren, dan geniet de ambtenaar bij terugkeer naar het politiekorps of -organisatie waar hij direct voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling werkzaam was, ten minste deze hogere salarisschaal (eerste lid). Bij de inschaling moet dan rekening worden gehouden met de hoogte van de inschaling in de hogere schaal. Voor alle duidelijkheid, voor het vaststellen van bovengenoemde termijn van langer dan vier jaar dient te worden gekeken naar de periode waarin daadwerkelijk een hogere salarisschaal is genoten. Indien de ambtenaar langer dan vier jaar meer hogere schalen heeft genoten, dan geldt bij terugkeer de laatst genoten hogere salarisschaal.

Indien de hogere salarisschaal feitelijk niet langer is genoten dan vier jaren, geldt als uitgangspunt dat de hogere salarisschaal niet wordt behouden. Wel wordt bij terugkeer in het korps van oorsprong bij de inschaling rekening gehouden met de fictief doorgelopen periodieken, als zou de ambtenaar in dat korps in dienst zijn gebleven (tweede lid). Dat betekent bijvoorbeeld dat een ambtenaar in schaal 8.3 na ommekomst van een tijdelijke aanstelling van drie jaar ten minste terugkeert in schaal 8.6.

Daarnaast geldt ten aanzien van deze ambtenaar een inspanningsverplichting voor de werkgever om een passende functie aan te bieden op het functieniveau welke voor betrokkene gold tijdens de tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 4a van het BARP. De duur van de inspanningsverplichting is gelijk aan de periode gedurende welke tijdelijk een hogere salarisschaal is toegekend en bedraagt derhalve maximaal vier jaren.

De inspanningsverplichting kan ertoe leiden dat bepaalde korpsspecifieke procedurele vereisten worden doorkruist (zoals het bij een interne sollicitatie voorrang geven aan medewerkers met een gelijkwaardig functieniveau), zonder dat overigens sprake is van een inhoudelijke voorkeurspositie ten opzichte van andere kandidaten. Uitgangspunt blijft derhalve steeds de meest geschikte kandidaat. Bij de passendheid van de functie wordt gekeken naar niveau, aard en inhoud van de functie, en de persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten van de ambtenaar.

Als de ambtenaar na afloop van de tijdelijke aanstelling, binnen de periode die gelijk is aan de duur van de tijdelijke aanstelling, wordt geplaatst op een functie met een niveau dat overeenkomt met het niveau van de functie tijdens de tijdelijke aanstelling, dient bij de inschaling van de ambtenaar rekening te worden gehouden met de hoogte van de gedurende de tijdelijke aanstelling genoten hogere salarisschaal. Het is niet de bedoeling dat een werkgever op grond van deze financiële reden betrokkene een passende functie onthoudt.

Indien de functie van betrokken ambtenaar met een tijdelijke aanstelling als bedoeld in artikel 4a van het BARP opnieuw wordt gewaardeerd, dient bij het vaststellen van de duur van vier jaren rekening te worden gehouden met een eventueel hogere salarisschaal. Dat geldt ook indien de hogere salarisschaal met terugwerkende kracht plaatsvindt. Artikel 6, tweede lid, van het BBP is immers onverkort van toepassing. Van deze rechten kan door de ambtenaar geen afstand worden gedaan. Indien een herwaardering van de functie voorzienbaar is, dan is het van belang dat alle betrokken partijen hiervan zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling op de hoogte worden gesteld.

Onderdeel E (artikel 10)

Door het nieuwe tweede lid van artikel 10 wordt geregeld, dat in geval van bevordering, ten minste een gelijk financieel voordeel – wat betreft de som van het salaris en de nieuw ingevoerde politie-flexibiliteitstoelage – wordt bewerkstelligd als bij een periodieke verhoging in de salarisschaal vóór de bevordering.

Onderdeel F (artikel 16a)

De politie-flexibiliteitstoelage (PFT) is een toelage die is overeengekomen voor de laatste vijf salarisnummers van de salarisschalen 7 en 8.

De hoogte van de PFT bedraagt:

schaal 7, salarisnummer 8: f 35,– per maand

schaal 7, salarisnummer 9: f 50,– per maand

schaal 7, salarisnummer 10: f 75,– per maand

schaal 7, salarisnummer 11: f 85,– per maand

schaal 7, salarisnummer 12: f 85,– per maand

schaal 8, salarisnummer 9: f 50,– per maand

schaal 8, salarisnummer 10: f 75,– per maand

schaal 8, salarisnummer 11: f 100,– per maand

schaal 8, salarisnummer 12: f 150,– per maand

schaal 8, salarisnummer 13: f 200,– per maand

Deze bedragen zullen op grond van artikel 50a van het BBP worden gepubliceerd in bijlage I van dit besluit.

Onderdeel G (artikel 17)

In geval van waarneming dient onder salaris mede te worden verstaan de politie-flexibiliteitstoelage. De detacheringstoelage dient daarentegen niet onder het salaris te worden verstaan, teneinde een cumulatie van een waarnemingstoelage en detacheringstoelage te voorkomen.

Onderdeel H (artikel 17b)

Met dit artikel is de detacheringstoelage mogelijk geworden. De mogelijkheid van een tijdelijke detacheringstoelage komt tegemoet aan de wens tot meer flexibiliteit en biedt de politiefunctionaris voldoende zekerheid. De toelage – die behoort tot de bezoldiging – wordt toegekend indien de ambtenaar in het kader van een detachering gedurende maximaal vier jaar een functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden dan aan de functie die de ambtenaar uitoefende direct voorafgaande aan de detachering.

Indien een detachering naar een functie met een hogere salarisschaal langer duurt dan vier jaar, wordt de ambtenaar na afloop van de periode van vier jaar bevorderd naar deze hogere schaal. Hierbij moet rekening worden gehouden met de hoogte van de detacheringstoelage.

De detacheringstoelage wordt berekend op basis van het verschil van het salaris dat de gedetacheerde ambtenaar ontvangt op grond van de functie die hij direct voorafgaand aan de detachering vervulde, en het salaris dat verbonden is aan de functie waarop hij gedetacheerd is. Hierdoor moet, afhankelijk van zijn functioneren, bij elke periodieke verhoging binnen de voor de ambtenaar geldende salarisschaal steeds opnieuw de hoogte van de detacheringstoelage worden vastgesteld. Dat leidt ertoe dat rekening dient te worden gehouden met de fictieve periodieken die de ambtenaar zou krijgen in die hogere salarisschaal, inclusief de eventueel toe te kennen politie-flexibiliteitstoelage.

Indien de gedetacheerde ambtenaar het maximum van zijn salarisschaal heeft bereikt en aldus niet meer in aanmerking komt voor periodieke verhogingen in zijn eigen salarisschaal, dan wordt afhankelijk van zijn functioneren de detacheringstoelage verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de fictief te maken periodiek(en) in die hogere salarisschaal, inclusief de eventueel toe te kennen politie-flexibiliteitstoelage. Zo zal de toelage van een gedetacheerde ambtenaar met salarisschaal 7.12 (f 5121 + f 85) na 1 jaar detachering in een functie in schaal 8.9 (f 5291 + f 50) worden verhoogd van f 135 (f 5341 – f 5206) naar f 268 (f 5474 – f 5206). Dit komt overeen met schaal 8.10 (f 5399 + f 75).

Indien de detachering naar een functie waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, niet langer heeft geduurd dan ten hoogste vier jaren, rust op de werkgever na de detachering, voor een periode die gelijk is aan de duur van de detachering, de inspanningsverplichting om de ambtenaar voor een passende functie in aanmerking te laten komen op het niveau van de functie waarvoor de detacheringstoelage werd toegekend. Ten aanzien van deze inspanningsverplichting en passendheid van de functie gelden dezelfde uitgangspunten die hiervoor reeds in de toelichting op artikel 6a zijn genoemd.

Als de ambtenaar na afloop van de detachering, binnen de periode die gelijk is aan de duur van de detachering, wordt geplaatst op een functie met een niveau dat overeenkomt met het niveau van de functie tijdens de detachering, dient bij de inschaling van de ambtenaar rekening te worden gehouden met de hoogte van de detacheringstoelage. Het is niet de bedoeling dat een werkgever op grond van deze financiële reden betrokkene een passende functie onthoudt.

Onderdeel I

Door de mogelijkheid van het toekennen van een eindejaarsuitkering of een eenmalige uitkering in hoofdstuk 7, dient het opschrift van dit hoofdstuk te worden aangepast.

Onderdeel J (artikel 25a)

In 1998 is een eindejaarsuitkering toegekend op basis van artikel XV van het Besluit van 2 september 1997 (Stb. 497). Het BBP kende echter geen grondslag voor een eindejaarsuitkering. Met dit artikel is een grondslag gecreëerd voor het toekennen van overeengekomen eindejaarsuitkeringen en andere eenmalige uitkeringen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt nadere regels vast ten aanzien van een eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het tijdstip van uitbetaling. Ook wordt door hem vastgesteld of een eindejaarsuitkering en andere eenmalige uitkeringen al dan niet behoren tot de bezoldiging, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van het BBP en al dan niet behoren tot het ambtelijk inkomen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Op grond van artikel 31a kan de ambtenaar in het kader van een fiscale regeling tussen het bevoegd gezag en 's Rijks Belastingdienst, zoals bijvoorbeeld pc-privé projecten of fietsenplannen, op zijn verzoek geheel of gedeeltelijk afzien van een op grond van dit artikel toegekende eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering. Voorwaarde is wel dat de eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering niet behoort tot de bezoldiging dan wel tot het ambtelijk inkomen in de zin van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

In het kader van het arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Politie 1999–2000 is afgesproken dat in december 1999 een eindejaarsuitkering wordt toegekend ter grootte van 0,5% van het in 1999 feitelijk genoten salaris. De ambtenaar wordt niet als belanghebbende aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is en in verband daarmee de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

De eenmalige uitkering is geen ambtelijk inkomen in de zin van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Onderdeel K (artikel 30a)

Zoals in de toelichting op artikel 65a van het BARP reeds is opgemerkt, mag extra reistijd ten gevolge van een verplaatsing slechts in beperkte mate ten laste van de ambtenaar worden gebracht. Indien de extra reistijd (heen en terug gezamenlijk) per dienst een half uur overschrijdt, dan wordt het meerdere aan reistijd in tijd gecompenseerd. Dat betekent dat deze extra reistijd onderdeel uitmaakt van het aantal te werken uren per jaar. Voor het vaststellen van de reistijd kan gebruik worden gemaakt van de routeplanner die door het korps wordt gehanteerd.

Een voorbeeld ter verduidelijking. De ambtenaar heeft vóór de verplaatsing een totale reistijd van één uur per dienst. Na de verplaatsing bedraagt de totale reistijd 1 uur en drie kwartier. Op grond van dit nieuwe artikel dient de ambtenaar per dienst één kwartier reistijd in tijd te worden gecompenseerd.

Indien twee jaar of langer na de eerste verplaatsing opnieuw een verplaatsing plaatsvindt op grond van artikel 65a van het BARP, dient de extra reistijd boven een half uur te worden vastgesteld op basis van de reistijd die gold naar de eerste gewijzigde plaats van tewerkstelling.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Vóór de eerste verplaatsing bedroeg de totale reistijd 20 minuten. Ten gevolge van deze eerste verplaatsing ging de reistijd tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling in totaal 60 minuten bedragen. De extra reistijd bedroeg derhalve 40 minuten. Doordat alleen de extra reistijd boven 30 minuten wordt vergoed, werd betrokkene per dienst voor 10 minuten in tijd gecompenseerd.

Vervolgens wordt betrokkene na 2 jaar opnieuw verplaatst. De totale reistijd tussen de woonplaats en de nieuwe plaats van tewerkstelling gaat hierdoor 1 uur en 40 minuten bedragen. De totale reistijd ten gevolge van de voorgaande verplaatsing bedroeg 60 minuten. Het verschil in reistijd tussen beide plaatsen van tewerkstelling bedraagt derhalve 40 minuten. Doordat alleen extra reistijd boven een half uur wordt vergoed, wordt betrokkene opnieuw per dienst 10 minuten in tijd gecompenseerd.

Onderdeel L (artikel 31a)

Met de toevoeging van artikel 31a wordt het mogelijk om afspraken te maken over het afzien van bepaalde financiële arbeidsvoorwaarden, die niet behoren tot de bezoldiging. Van deze arbeidsvoorwaarden kan alleen worden afgezien in het kader van een fiscale regeling tussen het bevoegd gezag en 's Rijks Belastingdienst, zoals bijvoorbeeld pc-privé projecten of fietsenplannen.

Het afzien van de arbeidsvoorwaarden is alleen mogelijk op verzoek van de ambtenaar. Het is hierbij niet mogelijk dat om andere redenen dan specifieke regelingen waarvoor afspraken met de fiscus worden gemaakt, wordt afgezien van de desbetreffende arbeidsvoorwaarden.

Van dit artikel kan pas gebruik worden gemaakt als hierover met het RGO overeenstemming is bereikt. Afspraken over een datum waarvoor het verzoek moet worden ingediend en, voor zover van toepassing, over de waarde van de arbeidsvoorwaarden waarvan wordt afgezien, dienen onderdeel uit te maken van de met het RGO bereikte overeenstemming.

Onderdeel M (artikel 50a)

In verband met de introductie van de politie-flexibiliteitstoelage dient voortaan gesproken te worden over «bedragen».

Artikel III. Wijziging Besluit geneeskundige verzorging politie 1994

Onderdelen A en B (artikelen 2 en 9)

Indien een ambtenaar van politie gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard voor zijn functie, kan hij als er passende respectievelijk gangbare arbeid en tevens formatieruimte voorhanden is, gedeeltelijk worden herplaatst. In beginsel geschiedt herplaatsing binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag dat hem heeft aangesteld. Maar ook een combinatie van een WAO-uitkering met meer deeltijdaanstellingen is in principe mogelijk.

Het is ongewenst om betrokkenen die een WAO-uitkering genieten en een of meer deeltijdaanstellingen voor hun restverdiencapaciteit verkrijgen, te confronteren met de minimale heffingsgrondslag voor de premie geneeskundige verzorging politie, welke ingevolge artikel 9, derde lid, van het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 op 80% van een volledige betrekking staat. Door deze wijzigingen wordt deze groep betrokkenen op dezelfde wijze behandeld als de ouderen die hun carrière bij de politie voltooien met een gedeeltelijke FPU-uitkering in combinatie met een deeltijdbetrekking.

De wijziging van artikel 9, vierde lid, onderdeel e, betreft een technisch herstel.

Artikel IV. Extra periodieke verhoging

Met terugwerkende kracht tot en met 1 februari 1999 wordt aan het personeel dat op 1 februari 1999 in dienst is of was een extra periodieke verhoging toegekend, bovenop een eventuele reguliere verhoging. Om dit mogelijk te maken is aan alle salarisschalen een extra regel toegevoegd. Het bruto maandsalaris van de leeftijdschalen 1 tot en met 5 is vanwege deze maatregel per 1 februari 1999 met 2,5% verhoogd.

Artikel V. Inwerkingtreding

Eerste lid

De inwerkingtreding van de bepalingen die betrekking hebben op het vergroten van de mogelijkheden tot een flexibele bedrijfsvoering (verder: de flexbepalingen), is bepaald op de dag na publicatie van het onderhavige besluit in het Staatsblad. De overige bepalingen – in hoofdzaak betreffen die de financiële aspecten van de rechtspositie – werken terug tot en met 1 februari 1999. Tegen deze terugwerkende kracht behoeft geen bezwaar te bestaan, aangezien het voor de ambtenaar begunstigende bepalingen betreft en er reeds in algemene zin bekendheid aan is gegeven.

Tweede lid

In het akkoord is afgesproken dat de flexbepalingen drie jaar na hun inwerkingtreding vervallen. Het tweede lid bevat daartoe de noodzakelijke horizonbepaling: vanaf de eerste dag van het vierde jaar vervallen de flexbepalingen.

Derde lid

Dit lid bepaalt dat na het vervallen van de flexbepalingen, de voormalige bepalingen van het BARP en het BBP herleven. Tussentijdse wijzigingen worden hierbij meegenomen.

Vierde lid

Een beslissing die is genomen krachtens een van de – tijdelijke – flexbepalingen en een geldigheidsduur heeft die langer is dan de drie jaar van de geldigheid van de flexbepalingen, zou in beginsel vervallen op het moment waarop de grondslag daarvoor komt te vervallen. Dit kan voor de betrokken ambtenaar nadelig zijn. In verband hiermee is bepaald dat de beslissingen, genomen op grond van de tijdelijke flexbepalingen, in stand blijven ook nadat de flexbepalingen zijn vervallen.

Voorbeeld:

– Het Staatsblad waarin het onderhavige besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven op 31 juli 1999.

– De flexbepalingen treden dan in werking met ingang van 1 augustus 1999 (eerste lid).

– De flexbepalingen vervallen met ingang van 1 augustus 2002 (tweede lid).

– De bepalingen van het BARP en het BBP, naar de stand van 31 juli 1999, herleven (derde lid).

– Wijzigingen die tussen 1 augustus 1999 en 1 augustus 2002 zijn aangebracht in de artikelen die door de flexbepalingen waren gewijzigd, worden in de «oude» herlevende bepalingen verwerkt. Ter illustratie: indien in de periode tussen 1 augustus 1999 en 1 augustus 2002 een algemene (fictieve!) wijziging van het begrip detachering in «interim functievervulling» zou plaatsvinden dan wordt deze wijziging verwerkt in de flexbepalingen en ook in de «oude» herlevende bepalingen.

– Een beslissing, tussen 1 augustus 1999 en 1 augustus 2002 genomen op grond van een flexbepaling en met een geplande werking over 1 augustus 2002, blijft in stand na 1 augustus 2002 (vierde lid).

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper


XNoot
1

Stb. 1994, 214, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 juli 1999, Stb. 364.

XNoot
2

Stb. 1994, 215, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 juli 1999, Stb. 364.

XNoot
3

Stb. 1994, 338, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 juli 1999, Stb. 364.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven