Besluit van 28 juli 1999, houdende wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met het onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering brengen van overheidspersoneel in de sector Politie, alsmede in verband met enige andere aanpassingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juni 1999, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid, nr. EA99/U68566;

Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet en artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet;

De Raad van State gehoord (advies van 24 juni 1999, No. W04.99.0267/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 1999, Directoraat-Generaal Openbare orde en Veiligheid, nr. EA99/74900;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit algemene rechtspositie politie1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel a wordt na «Binnenlandse Zaken» ingevoegd: en Koninkrijksrelaties.

2. Onderdeel n komt te luiden:

n. Arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

3. Onderdeel o komt te luiden:

o. Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

4. Na onderdeel o worden onder verlettering van de onderdelen p tot en met v tot de onderdelen t tot en met x, twee nieuwe onderdelen p en q, ingevoegd, luidende:

p. (zijn) arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet;

q. arts: een in Nederland gevestigde arts, die als arts is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; .

B

In het opschrift van Hoofdstuk VII en van § 1 wordt «Bedrijfsgeneeskundige» telkens vervangen door: arbeidsgezondheidskundige.

De artikelen 49 tot en met 52 komen als volgt te luiden:

Artikel 49

  • 1. Het bevoegd gezag verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de bepalingen in dit hoofdstuk.

  • 2. Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

  • 3. De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.

  • 4. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, bepalen dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat het bevoegd gezag hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.

  • 5. De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat het bevoegd gezag hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.

  • 6. Het bevoegd gezag verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst nadat de Arbodienst een op de desbetreffende ambtenaar betrekking hebbend medisch advies heeft gegeven.

Artikel 50

  • 1. De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

    a. indien het bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    b. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid;

    c. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht;

    d. voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 51;

    e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, een aangifteplicht geldt;

    f. om te beoordelen of de ambtenaar die een functie vervult als bedoeld in artikel 88, eerste lid, lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;

    g. om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94, derde lid;

    h. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, zijn arbeid mag hervatten;

    i. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;

    j. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundige keuring is vereist als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 dan wel een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wanneer blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld, indien hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij aangemerkt als ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie van toepassing is.

Artikel 51

  • 1. Het advies dat door de Arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 50 van dit besluit, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en het bevoegd gezag bekendgemaakt.

  • 2. De ambtenaar kan de Arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij bedenkingen heeft tegen het medisch advies. Gedurende de behandeling van zijn bedenkingen, behoeft de ambtenaar aan het medisch advies geen gevolg te geven. De Arbodienst stelt het bevoegd gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

  • 3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie artsen plaats.

  • 4. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen kenbaar te maken.

  • 5. De kosten van het hernieuwde onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

Artikel 52

  • 1. De leden van de commissie bedoeld in artikel 51, derde en vierde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het bevoegd gezag. De arts die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

  • 2. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

    a. de ambtenaar,

    b. het bevoegd gezag, en

    c. de behandelend arts, bedoeld in artikel 51, vierde lid.

C

Artikel 54, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot het eerste lid.

D

In artikel 60 vervalt de zinsnede «door ziekte of anderszins».

E

In artikel 70 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «na positief advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst» vervangen door: na een positief medisch advies als bedoeld in hoofdstuk VII.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «bedrijfsgeneeskundige dienst» vervangen door: Arbodienst.

F

In artikel 88 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «onderzoek door een bedrijfsgeneeskundige dienst» vervangen door: arbeidsgezondheidskundig onderzoek door de Arbodienst.

2. In het vijfde lid, aanhef, wordt na «Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag» ingevoegd: zoals die luidde op 1 januari 1998, .

G

In het zesde lid wordt de zinsnede «van een door het FAOP aangewezen arts» vervangen door: van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.

H

In artikel 97 wordt na «Rijkswachtgeldbesluit 1959» telkens ingevoegd: zoals dat luidde op 1 januari 1998, .

I

In artikel 98, tweede lid, wordt na «Uitkeringsregeling 1966» ingevoegd: zoals die luidde op 1 januari 1998, .

J

Artikel 101 komt als volgt te luiden:

Artikel 101

De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen genoemd in dit besluit, met uitzondering van die, genoemd in artikel 51, tweede en derde lid.

ARTIKEL II

Het Besluit bezoldiging politie2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

Onder wijziging van de punt na het eerste lid, onderdeel u, in een puntkomma wordt toegevoegd:

v. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

w. Arbodienst: een deskundige dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

x. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

y. dienstongeval: een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

z. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

aa. herplaatsen: het opdragen van een andere functie op grond van artikel 64a van het Besluit algemene rechtspositie politie;

bb. herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement;

cc. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement;

dd. medisch advies: een advies van de Arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 18, 24a en 25 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 50 van het Besluit algemene rechtspositie politie;

ee. gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;

ff. Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

gg. passende arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet;

hh. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

ii. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

jj. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

kk. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

ll. ZW: de Ziektewet;

mm. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet;

nn. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet.

B

In artikel 23, vierde lid, wordt «artikel 39» vervangen door: artikel 38.

C

In artikel 30, tweede lid, wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid.

D

Onder vernummering van artikel 38 tot artikel 46c worden de artikelen 37a tot en met 45 vervangen door de artikelen 38 tot en met 45c, die als volgt luiden:

Artikel 38

  • 1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging.

  • 2. De ambtenaar die na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, op grond van zijn aanstelling aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 3. De bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt:

    a) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en

    b) daarna het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

  • 4. De ambtenaar geniet ook na afloop van het tijdvak van 26 weken de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering:

    a) voor zo lang hij zijn arbeid voor ten minste 45% verricht; dan wel

    b) indien hij in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidstijd; dan wel

    c) indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

  • 5. De ambtenaar die op grond van artikel 64a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:

    a) het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidstijd zijn eigen betrekking; en

    b) de som van zijn bezoldiging na herplaatsing, een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.

  • 6. De ambtenaar die is herplaatst op grond van artikel 64a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie heeft tevens aanspraak op een aanvullende uitkering nadat de termijn van twee jaar is verstreken, indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:

    a) een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken; en

    b) zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit de oorspronkelijke betrekking voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage.

  • 7. Het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer: 90,02%;

    65 tot 80%: 65,26%;

    55 tot 65%: 54,01%;

    45 tot 55%: 45,01%;

    35 tot 45%: 36,01%;

    25 tot 35%: 27,01%;

    15 tot 25%: 18,00%.

Artikel 39

  • 1. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, niet zijnde een ontslag op grond van artikel 87a, artikel 88 dan wel artikel 94, eerste lid, aanhef, onderdeel f, van het Besluit algemene rechtspositie politie nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:

    a) zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en

    b) indien hij na het tijdvak van 52 weken op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte maar niet langer dan een tijdvak van 26 weken, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen:

    i) zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en

    ii) de WAO-uitkering en in voorkomend geval een invaliditeitspensioen.

  • 2. De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang betrokkene ongeschikt is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.

  • 3. De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft aanspraak op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

  • 4. De in het derde lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het verschil tussen:

    a) een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en

    b) de som van de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, een hem toegekend invaliditeitspensioen, een hem toegekende herplaatsingstoelage dan wel in voorkomend geval een hem toegekende suppletie op grond van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie.

  • 5. Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer: 90,02%;

    65 tot 80%: 65,26%;

    55 tot 65%: 54,01%;

    45 tot 55%: 45,01%;

    35 tot 45%: 36,01%;

    25 tot 35%: 27,01%;

    15 tot 25%: 18,00%.

  • 6. De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 87a van het Besluit algemene rechtspositie politie met het oog op een uitkering op grond van een vut-overeenkomst als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, heeft slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor zover deze tezamen met de aanvullende uitkering in artikel 8.4 van het Pensioenreglement de laatstelijk genoten bezoldiging niet overschrijdt.

  • 7. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.

Artikel 40

  • 1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of een aanvullende uitkering als bedoeld in de artikelen 38 en 39, indien zij geen deelnemer zijn in de zin van het Pensioenreglement.

  • 2. De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte tijdens de duur van zijn dienstverband recht op:

    a) doorbetaling van zijn bezoldiging gedurende de eerste 52 weken of op een aanvulling tot zijn bezoldiging op een eventueel toegekende ZW-uitkering;

    b) gedurende de daaropvolgende 26 weken een aanvulling tot zijn bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering; en

    c) daarna een aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging op een hem eventueel toegekende WAO-uitkering en andere uitkeringen in verband met arbeidsongeschiktheid.

  • 3. Indien de ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, geen ZW-uitkering of WAO-uitkering kan worden toegekend ten gevolge van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, wordt bedoelde uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke ZW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten naar rato van zijn betrekking bij het bevoegd gezag.

  • 4. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, de ZW-uitkering of WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt bedoelde uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke ZW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 41

  • 1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering:

    a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;

    b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

    c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c respectievelijk artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit algemene rechtspositie politie en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid voor de desbetreffende functie ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

  • 2. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.

Artikel 42

  • 1. Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop:

    a) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;

    b) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;

    c) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt;

    d) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.

  • 2. Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging eindigt na 52 weken. Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 3. Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, vangt aan op de dag nadat het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Het tijdvak van 26 weken eindigt na 26 weken, vermeerderd met de tijdvakken waarin de ambtenaar gerekend vanaf de eerste ziektedag:

    a) zijn arbeid voor ten minste 45% heeft verricht;

    b) in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte andere arbeid heeft verricht, voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur.

  • 4. Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.

  • 5. Indien het bevoegd gezag de aangifte bedoeld in artikel 38, eerste lid van de ZW doet na de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, wordt:

    a) het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging vermeerderd met een tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop het bevoegd gezag de aangifte heeft gedaan; en

    b) het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar respectievelijk de gewezen ambtenaar aanspraak heeft op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering, verminderd met het tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop het bevoegd gezag de aangifte heeft gedaan.

Artikel 43

  • 1. De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 38, eerste tot en met het vierde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

    a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 64a van het Besluit algemene rechtspositie politie is herplaatst; of

    b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of

    c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

    d) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

  • 2. De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 38, vijfde en zesde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

    a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of

    b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend, waaronder het ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef, onderdeel f, van het Besluit algemene rechtspositie politie; of

    c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of

    d) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

  • 3. De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 39, eerste en tweede lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

    a) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar is herplaatst overeenkomstig artikel 64a van het Besluit algemene rechtspositie politie;

    b) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of

    c) met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

  • 4. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 39, derde en vierde lid, eindigt:

    a) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of

    b) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, of;

    c) met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

  • 5. De aanvulling tot zijn bezoldiging, bedoeld in artikel 40, tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

    a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of

    b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 64a van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt herplaatst; of

    c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of

    d) met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

    e) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar is overleden.

Artikel 44

  • 1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk gedurende de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

    b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

    c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

    d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

    e) verzuimt de Arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

    f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbodienst om te verschijnen;

    g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;

    i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;

    j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

    l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;

    m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    n) vóór de betaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

    o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    q) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

  • 3. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 4. Het bevoegd gezag kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 5. Voor zover het bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien de in artikel 51, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie bedoelde commissie van artsen ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft geoordeeld.

Artikel 45

  • 1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk na de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    a) weigert aangeboden gangbare arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;

    b) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    c) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO.

  • 2. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 3. Na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de artikelen 38, 39 en 40, is op de aanspraak die de ambtenaar en de gewezen ambtenaar heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de ambtenaar geniet een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door het bevoegd gezag zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast, op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de ambtenaar aanspraak heeft.

  • 5. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO- uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 45a

  • 1. Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk met een uitkering krachtens een wettelijke verzekering, wordt de aanspraak krachtens dit hoofdstuk verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de wettelijke verzekering, tenzij het betreft:

    a) een tegemoetkoming of een vergoeding die vergelijkbaar is met de tegemoetkoming of de vergoeding, bedoeld in de artikelen 53 en 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie;

    b) een WAO-uitkering ingeval van meer dan één betrekking. In dat geval wordt de WAO-uitkering naar rato van de bezoldiging toegerekend aan de betrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking of betrekkingen.

  • 2. De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze te samen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de WAO-uitkering, vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, de bezoldiging te boven gaan.

  • 3. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:

    a) de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds voor het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en

    b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.

Artikel 45b

  • 1. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:

    a) aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en

    b) eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 2. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

  • 3. De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:

    a) aanvangt op de datum van bevalling; en

    b) eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 4. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen op de eerste dag na de bevalling.

  • 5. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vierde lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

  • 6. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.

Artikel 45c

  • 1. De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende WAO-uitkering.

  • 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak op een WAO-uitkering hebben wegens de ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de WAO-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt berekend of geacht kan worden te zijn berekend.

E

In artikel 46 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de tweede volzin van het tweede lid wordt de zinsnede «die de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot» vervangen door: welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die dag aanspraak maakt op een WAO-uitkering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 10, zou hebben genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.

2. In het zevende lid wordt de zinsnede «overeenkomstig artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» vervangen door: op grond van artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

F

In artikel 46a, tweede volzin, wordt de zinsnede «overeenkomstig artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» vervangen door: op grond van artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

G

Artikel 46b komt als volgt te luiden:

Artikel 46b

  • 1. Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:

    a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 2. De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen.

  • 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, derde lid, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.

ARTIKEL III

Het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie3 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, aanhef, onderdeel c, komt te luiden als volgt:

c. WAO-uitkering: de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

B

In de artikelen 4, aanhef, onderdeel a, 8, eerste en tweede lid, en 19, wordt de zinsnede «WAO-conforme uitkering» telkens vervangen door: WAO-uitkering.

ARTIKEL IV

In artikel 1 van het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel a, wordt na «Binnenlandse Zaken» ingevoegd: en Koninkrijksrelaties.

2. Onderdeel l, aanhef, onder 4e, komt te luiden als volgt: 4e. indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de bezoldiging zoals die zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

ARTIKEL V

Het Besluit geneeskundige verzorging politie 19945 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid, onderdeel f, komt te luiden als volgt:

f. WAO-uitkering: uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

2. In het eerste lid, onderdelen h, i en k, wordt WAO-conforme uitkering telkens vervangen door: WAO-uitkering.

B

In artikel 3, tweede lid, wordt na «studiefinanciering» ingevoegd: of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

C

In artikel 4, tweede lid, onderdeel c, wordt «onder f, van toepassing is» vervangen door: onder e, van toepassing is.

ARTIKEL VI OVERGANGSRECHT

Indien de ambtenaar of gewezen ambtenaar een uitkering ontvangt krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, wordt deze uitkering voor de toepassing van de artikelen 96, 97 en 98 van het Besluit algemene rechtspositie politie aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid.

ARTIKEL VII INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998, met dien verstande dat artikel II, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 april 1997, artikel V, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 1997, en artikel I, onderdeel B op 1 november 1999 in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 28 juli 1999

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

Uitgegeven de eenendertigste augustus 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

In het kader van de normalisering, dat wil zeggen het marktconform maken van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel, heeft het kabinet besloten om het overheidspersoneel gefaseerd onder de werking van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen. Met de inwerkingtreding van de eerste fase van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Stb. 1997, 768) per 1 januari 1998 zijn de overheidswerknemers onder de werking van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gebracht. In een volgende fase zullen de overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet worden gebracht.

Dit besluit voorziet in aanpassingen van onder andere het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De hiermee samenhangende wijzigingen hebben een technisch karakter en zijn materieel dezelfde als de wijzigingen in de sector Rijk.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de terminologie van hoofdstuk VII van het Besluit algemene rechtspositie politie aan te passen aan die van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stb. 1999, 184).

De politievakorganisaties hebben ingestemd met dit besluit.

Artikel II, onderdeel B, betreft een technische wijziging.

2. Aanpassingen in verband met de Arbeidsomstandighedenwet 1998

In de sector Politie wordt gebruik gemaakt van een groot aantal mogelijkheden om de ambtenaar arbeidsgezondheidskundig te begeleiden. De basis voor die begeleiding is te vinden in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, enige andere wetten en regels zoals het Besluit beeldschermwerk en het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

De Arbeidsomstandighedenwet 1998 kent een drietal arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, te weten

1. de aanstellingskeuring, indien de werkgever deze laat verrichten (artikel 14, derde lid, onderdeel c, ten tweede);

2. het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) (artikel 18)

Het PAGO is erop gericht de risico's die de arbeid met zich meebrengt voor de gezondheid zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Werknemers kunnen op vrijwillige basis het PAGO ondergaan. De werkgever is verplicht om een dergelijke faciliteit in het leven te roepen of in stand te houden.

3. het arbeidsomstandighedenspreekuur (artikel 14, derde lid, onderdeel d)

Het spreekuur is erop gericht de risico's die de arbeid met zich meebrengt voor de gezondheid zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Het Barp, zoals dat voor het in werking treden van dit besluit gold, kende de volgende geneeskundige onderzoeken:

– het geneeskundig onderzoek voorafgaande aan de aanstelling (artikel 7, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel a);

– het vrijwillig bedrijfsgeneeskundig spreekuur (artikel 50, eerste lid);

– geneeskundig onderzoek op verzoek van de ambtenaar (artikel 50, eerste lid);

– periodiek bedrijfsgeneeskundig onderzoek (artikel 50, tweede lid);

– het geneeskundig onderzoek op verzoek van het bevoegde gezag bij twijfel aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar dan wel indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid (artikel 50, derde lid);

– het bedrijfsgeneeskundig onderzoek om te beoordelen of er sprake is van een situatie van ongeschiktheid gedurende een ononderbroken periode van twee jaar en herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden te verwachten is (artikel 50, vijfde lid);

– het bedrijfsgeneeskundig onderzoek in het kader van de Wet bestrijding infectieziekten (artikel 70);

– het bedrijfsgeneeskundig onderzoek dat vereist is voor het opschorten van het functioneel leeftijdsontslag (artikel 88, tweede lid).

Omwille van de duidelijkheid is in artikel 50 aangegeven in welke gevallen de ambtenaar – naast de mogelijkheden die de Arbeidsomstandighedenwet 1998 biedt – kan worden verplicht om zich te onderwerpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Voorts is de gebruikte terminologie in het Barp aangepast aan die van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. In het Barp werd voorts de term bedrijfsgeneeskundige dienst gehanteerd. Deze is thans vervangen door de term Arbodienst.

Daarnaast wordt de plicht van de ambtenaar opgenomen zich in voorkomend geval ziek te melden.

Het bevoegd gezag wordt verplicht om, alvorens toestemming tot werkhervatting te geven, medisch advies bij de Arbodienst in te winnen. Het spreekt voor zich dat het bevoegd gezag dat advies conform de Algemene wet bestuursrecht bij zijn beslissing betrekt.

Nauwkeuriger dan voorheen wordt aangegeven in welke gevallen de ambtenaar – naast de mogelijkheden die de Arbeidsomstandighedenwet 1998 biedt – kan worden verplicht om zich te onderwerpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.

In het kader van de ziekteverzuimbegeleiding gold tot het in werking treden van de Algemene wet bestuursrecht dat de ambtenaar van politie binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies bezwaar kon maken tegen de uitslag van een medisch onderzoek en het advies dat daarop werd gebaseerd van de bedrijfsarts. Bij het in werking treden van de Algemene wet bestuursrecht is van die mogelijkheid om bezwaar te maken bij de commissie van drie artsen een bedenkingenprocedure gemaakt. Dit laatste heeft ertoe geleid dat de bedenkingen tegen een medisch advies van de bedrijfsarts worden behandeld alsof er uiteindelijk ook beroep en hoger beroep tegen het advies van de bedrijfsarts openstaat. Dit laatste is echter geenszins het geval, omdat bezwaar, beroep en hoger beroep slechts openstaan tegen een op basis van het advies genomen besluit. Het «bezwaar» tegen het gegeven advies heeft – anders dan de formulering in artikel 51, tweede lid, van het Barp deed vermoeden – het karakter van een hernieuwd onderzoek door een commissie van drie artsen dat vervolgens tot een advies leidt aan het bevoegd gezag.

Met dit besluit wordt het Barp aldus aangepast dat de ambtenaar – indien hij het niet eens is met het advies – om een hernieuwd onderzoek kan vragen door de commissie van drie artsen. Het (hernieuwd) onderzoek door de Arbodienst heeft daarmee meer het karakter van het vinden van feiten die voor het bevoegd gezag bij het nemen van het besluit noodzakelijk zijn.

Om twijfel uit te sluiten wordt ook een bepaling opgenomen over reis- en verblijfkosten bij medische keuring.

3. Technische aanpassingen in verband met het onder de WAO brengen van overheidspersoneel

Het stelsel dat bij het Besluit van 10 juli 1996, houdende wijziging van onder andere het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de invoering van de WAO-conforme uitkering (Stb. 1996, 359) is ingevoerd wordt thans vervangen door het stelsel dat volledig aansluit bij de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO. Dat is een van de doelstellingen van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Een gevolg voor (gewezen) ambtenaren die tevens een (deeltijd)baan in de marktsector hebben (hadden) en deswege eveneens een arbeidsongeschiktheidsuitkering genieten kan zijn, dat zij met de samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden geconfronteerd; dat kan nadelig uitwerken.

Op hoofdpunten ziet het nieuwe stelsel er als volgt uit.

Gedurende de eerste 52 weken wordt 100% van de bezoldiging doorbetaald. Na 52 weken komt de ambtenaar in aanmerking voor een WAO-uitkering. Met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit besluit wordt uitsluitend bedoeld het verschil tussen de aanspraak op 100% of 80% van zijn bezoldiging. Deze bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering vult de WAO-uitkering gedurende 26 weken aan tot 100% van de bezoldiging en vervolgens tot het einde van de arbeidsverhouding tot 80% van de bezoldiging.

De aanspraken op de doorbetaling van de (laatstelijk genoten) bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn geregeld in hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).Schema rechten van de ambtenaar op doorbetaling van zijn bezoldiging, de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering en de aanvullende uitkering

De ambtenaar die ongeschikt is tot werken wegens ziekte (zie artikel 38 Bbp)De gewezen ambtenaar die voor zijn ontslag ongeschikt is tot werken wegens ziekte en dit nadien nog steeds is (zie artikel 39, eerste lid Bbp)De gewezen ambtenaar die binnen een maand na zijn ontslag ongeschikt is geworden tot werken wegens ziekte (zie artikel 39, tweede lid Bbp)
Gedurende 52 weken 100% van zijn bezoldiging Gedurende 52 weken 100% van zijn laatstelijk genoten bezoldigingGedurende 52 weken 100% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging
Gedurende 26 weken: – WAO-uitkering – aanvulling tot 100% van zijn bezoldigingGedurende 26 weken: – WAO-uitkering – aanvulling tot 100% van zijn laatstelijk genoten bezoldigingGedurende zijn ongeschiktheid tot werken: – WAO-uitkering – soms vermeerderd met een aanvullende uitkering
Na tijdvak van 52 weken, vermeerderd met 26 weken: – WAO-uitkering – aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging – evt. herplaatsingstoelage – soms vermeerderd met aanvullende uitkering Na tijdvak van 52 weken, vermeerderd met 26 weken: – WAO-uitkering – evt. vermeerderd met: – invaliditeitspensioen – herplaatsingstoelage – soms vermeerderd met een aanvullende uitkeringGedurende zijn ongeschiktheid tot werken: – WAO-uitkering – evt. vermeerderd met: – invaliditeitspensioen – herplaatsingstoelage – soms vermeerderd met een aanvullende uitkering

Voor de volledigheid wordt nog vermeld dat de wettelijke WAO-aanspraken afhankelijk zijn van het percentage van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 21 van de WAO.

4. Overige aanpassingen

Bij dienstongeval of beroepsziekte kan er sprake zijn van loonschade voor de ambtenaar van politie. Het Besluit bezoldiging politie (Bbp) kende reeds een aantal voorzieningen in de artikelen 39, vierde lid, 44 en 45, eerste lid. Dit betekende voor de ambtenaar dat zijn bezoldiging voor 100% wordt doorbetaald zolang hij nog in dienst is en dat via een aanvullende uitkering bovenop de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen na zijn uit dienst treden zijn loonschade wordt gecompenseerd. Daarnaast werd voorzien in de vergoeding van de noodzakelijk gemaakte, te zijnen laste gebleven, kosten wegens geneeskundige behandeling of verzorging.

Bij de invoering van de WAO-conforme regeling is de mogelijkheid gecreëerd om de ambtenaar te herplaatsen nog voordat sprake was van een mogelijkheid tot ontslag. Deze herplaatsing zou ook kunnen betekenen dat de ambtenaar in een lager gewaardeerde functie wordt herplaatst. Conform de systematiek, zoals die hiervoor is geschetst, kan door dit besluit ook in die situatie een aanvullende uitkering ter compensatie van loonschade worden verstrekt aan deze ambtenaar, indien de arbeidsongeschiktheid is ontstaan door een dienstongeval of een beroepsziekte. Aangezien er zich tot nu toe geen gevallen als hiervoor bedoeld hebben voorgedaan, is er geen behoefte aan terugwerkende kracht van die bepaling.

In artikel 46b Bbp is ten aanzien van de nabestaanden van de ambtenaar van politie een voorziening getroffen. Voor de nabestaanden van de ambtenaar wiens overlijden is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, leidde dit tot toeslag op het reguliere nabestaandenpensioen ter compensatie van nagenoeg de gehele loonschade. Het nabestaandenpensioen kan door dit besluit in de situatie dat het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte worden aangepast conform artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP. Dit laatste is overigens ook overeenkomstig de uitvoeringspraktijk en het uitgangspunt van bepalingen die sinds 1985 vigeerden. De wijziging van artikel 46b Bbp strekt ertoe om het voorgaande te formaliseren.

5. Financiële gevolgen

Dit besluit heeft geen financiële gevolgen.

6. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel B

In artikel 49 en 50 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is beoogd om tot uitdrukking te brengen dat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 op de ambtenaar onverkort van toepassing is, maar dat aanvullende bepalingen gelden. Deze aanvullende bepalingen hebben betrekking op

– een op de politie toegespitst ziekteverzuimbeleid en daarbij te hanteren procedures;

– de verplichting om arbeidsgezondheidskundige onderzoeken te ondergaan.

In artikel 50 Barp is geregeld dat de ambtenaar van politie kan worden verplicht een onderzoek te ondergaan om het medisch advies te verkrijgen van de Arbodienst in een aantal specifiek genoemde gevallen. Het gaat in de regel om beslissingen waarbij het voor de ambtenaar van belang is om mee te werken. Indien de ambtenaar aan dergelijke onderzoeken niet zou meewerken, zou het voor het bevoegd gezag niet mogelijk zijn besluiten te nemen in de volgende gevallen: op de aanvraag van de ambtenaar om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 51 Barp, de aanvraag van de ambtenaar om het functioneel leeftijdsontslag uit te stellen dan wel in de overige genoemde gevallen een preventief ziekteverzuimbeleid te voeren of de ambtenaar te begeleiden bij zijn voorspoedig herstel.

De arbeidsgezondheidskundige onderzoeken waaraan de ambtenaar van politie wordt onderworpen kunnen leiden tot een medisch advies van de Arbodienst aan het bevoegd gezag. Het negeren van dat advies kan een financieel risico voor het bevoegd gezag tot gevolg hebben. Het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP kan namelijk op grond van de artikelen 15.2 en 15.1, tweede lid, van het Pensioenreglement de kosten van het invaliditeitspensioen, de herplaatsingstoelage en het nabestaandenpensioen ten laste brengen van het bevoegd gezag dat de ambtenaar eervol ontslag heeft verleend. Dit laatste indien de ambtenaar in strijd met een ten aanzien van hem opgesteld medisch advies is of blijft tewerkgesteld en door deze tewerkstelling recht op een invaliditeitspensioen, een herplaatsingstoelage of een nabestaandenpensioen ontstaat.

In de artikelen 51 en 52 Barp is de procedure neergelegd die gevolgd dient te worden indien de ambtenaar van politie het niet eens is met het medisch advies dat voortvloeit uit een van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Het hernieuwd onderzoek dient te worden gezien als het vragen van een tweede opinie. Na herbeoordeling door de commissie van drie artsen geldt het medisch advies dat daaruit voortvloeit vervolgens als vaststaand feit bij de voor te bereiden beslissing ten aanzien van de betrokken ambtenaar.

Op grond van artikel 52, eerste lid, Barp worden de leden van de commissie aangewezen door het bevoegd gezag. Tot de inwerkingtreding van dit besluit werden de leden aangewezen door het hoofd van de bedrijfsgeneeskundige dienst.

Ingeval een privaatrechtelijke dienst wordt gecontracteerd, is deze geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht en daarom wordt de bevoegdheid om leden van de commissie aan te wijzen toegekend aan het bevoegd gezag. In de praktijk zal veelal de bevoegdheid worden gemandateerd aan het hoofd van de betreffende Arbodienst. Zowel de procedure zoals die in de artikelen 51 en 52 Barp is neergelegd als de wijze waarop de Arbodienst daarmee omgaat zullen met de Arbodienst moeten worden overeengekomen.

Onderdelen C tot en met J

Het betreft een technische wijziging van de artikelen 60, 70, 88, 94 en 101 van het Barp.

Wijziging van artikel 54 en invoeging van een datum in de artikelen 88, 97 en 98 Barp heeft tot doel tot uitdrukking te brengen, dat in de sector Politie ook met betrekking tot deze artikelen een eigen overleg wordt gevoerd; materiële wijziging ervan is per 1 januari 1998 door partijen niet beoogd. De dynamische koppeling met de sector Rijk is dus verlaten. Over aanpassing van deze regels wordt overlegd in de sector Politie zelf.

Artikel II

A

In artikel 1 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) zijn de begrippen, die voorheen verspreid stonden, samengevoegd en geactualiseerd.

B

Dit is een technische wijziging in verband met een omissie in Artikel II van het Besluit van 2 september 1997, Stb. 1997, 497, welk artikel per 1 april 1997 in werking is getreden.

D

In de artikelen 38, 39, 45b, vierde lid en 45c Bbp worden de aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid geregeld van:

– de ambtenaar van politie tijdens zijn dienstverband;

– de gewezen ambtenaar van politie; en

– de vrouwelijke gewezen ambtenaar van politie, die binnen vier maanden na haar ontslag bevalt (en aansluitend ongeschikt is tot werken).

Voor de volledigheid wordt nog vermeld dat de wettelijke WAO-aanspraken afhankelijk zijn van het percentage van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 21 van de WAO.

Onder de eerste ziektedag dient hetzelfde te worden verstaan als hetgeen daaronder wordt verstaan in de ZW. Dienaangaande wordt nog vermeld dat het Besluit algemene rechtspositie politie verschillende mogelijkheden kent om de ambtenaar onbetaald verlof te verlenen. Daarbij kan zich de vraag voordoen wat dient te worden verstaan onder eerste ziektedag. Dit is de eerste dag waarop de ambtenaar ongeschikt is tot werken en tegelijkertijd loon derft. Aangezien het onbetaalde verlof de verplichting om het loon van de ambtenaar door te betalen opschort, derft de ambtenaar bij onbetaald verlof, voor de tijd dat het onbetaald verlof voortduurt, geen loon. Dit laatste geldt ook voor situaties waarin de ambtenaar gedeeltelijk onbetaald verlof geniet, zoals ouderschapsverlof en partieel uittreden van ambtenaren van politie van 55 jaar en ouder. Voor het verlofdeel zal met andere woorden geen recht op loon bestaan voor de duur van het verlof. Dit laatste omdat het niet verrichten van de bedongen werkzaamheden niet wordt veroorzaakt door die ziekte, maar is gelegen in de afspraken die omtrent het verlof zijn gemaakt.

In de praktijk van alle dag zal bij onbetaald verlof de eerste ziektedag zijn de eerste dag waarop het onbetaalde verlof is afgelopen; bij partieel buitengewoon verlof, al dan niet zonder behoud van volledige bezoldiging, zal de eerste ziektedag veelal de eerste dag zijn waarop de ambtenaar voor het deel waarvoor geen buitengewoon verlof wordt genoten, ongeschikt is tot werken. Het voorgaande is overigens conform hetgeen volgens de ZW geldt.

Ingevolge artikel 38, vijfde lid, Bbp, heeft de ambtenaar van politie, die in de eerste 24 maanden na de eerste ziektedag wordt herplaatst, de aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging of de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering op gelijke wijze als in de situatie waarin hem zijn eigen betrekking zou zijn opgedragen.

Dit laatste betekent dat indien hij voor minder dan 45% van zijn oorspronkelijke arbeidstijd wordt herplaatst hij in de eerste 52 weken 100% van zijn bezoldiging in zijn oude functie krijgt doorbetaald en daarna een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het niveau van 80% van zijn oude bezoldiging.

Bij een herplaatsing voor ten minste 45% van zijn oorspronkelijke arbeidstijd geldt dat zijn loon wordt doorbetaald tot het niveau van 100% van zijn oude bezoldiging gedurende de eerste 78 (d.i. 52 + 26) weken van de ongeschiktheid tot werken en daarna tot het niveau van 80%.

Wellicht ten overvloede is op te merken, dat de ambtenaar die een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% heeft, als niet arbeidsongeschikt wordt aangemerkt in de zin van de WAO. Betrokkene kan in zo'n geval nog ziek zijn ten opzichte van zijn functie.

In artikel 40 Bbp worden de aanspraken geregeld van de ambtenaar van politie die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP. De ambtenaar heeft in dat geval tijdens het dienstverband uitsluitend aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging en aanvulling op een eventuele uitkering op grond van de ZW of de WAO. Na beëindiging van het dienstverband kan de betreffende ambtenaar uitsluitend aanspraak maken op een WAO-uitkering. Terzijde wordt opgemerkt dat de aanspraak op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

In artikel 41 Bbp wordt geregeld dat de ambtenaar van politie en de gewezen ambtenaar van politie geen aanspraak hebben indien ongeschiktheid wegens ziekte niet kan worden aangenomen, de ongeschiktheid wegens ziekte door de ambtenaar opzettelijk is veroorzaakt of bij de aanstellingskeuring door de ambtenaar informatie is verzwegen of niet is verstrekt waardoor blijkt dat de ambtenaar ten onrechte is aangesteld. Het laatste geldt overigens uitsluitend indien de ongeschiktheid tot werken zich voordoet binnen een half jaar na de aanstellingskeuring.

In artikel 42 Bbp wordt bepaald op welke wijze de tijdvakken van 52 en 26 weken beginnen, eindigen en worden opgeschort. In hoofdlijn komt de regeling er op neer dat de eerste ziektedag valt op de dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt en er sprake is van inkomstenderving. Perioden van ziekten of arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met tussenpozen korter dan vier weken worden conform de ZW en de WAO samengeteld voor de berekening van de tijdvakken van 52 en 26 weken. De periode van 52 vermeerderd met 26 weken wordt verlengd met de tijd waarin de ambtenaar van politie in die periode voor ten minste 45% van zijn arbeidstijd zijn arbeid of andere arbeid die in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht, verricht.

In artikel 43 Bbp wordt per aanspraak het einde van die aanspraak geregeld.

In artikel 44 Bbp wordt het vervallen van de aanspraak geregeld. Bij de redactie van dit artikel is aansluiting gezocht bij de redactie van artikel 45 ZW. Artikel 44, eerste lid, aanhef, onderdeel q, is opgenomen om te bewerkstelligen dat van de ambtenaar van politie kan worden verlangd dat hij een machtiging ondertekent om de WAO-uitkering tezamen met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering te doen uitbetalen door de werkgever. Daarmee wordt beoogd de uitvoeringslasten en eventuele negatieve fiscale consequenties zoveel mogelijk te beperken. De machtiging kan overigens niet worden geëist in de gevallen waarin de aanspraak op een WAO-uitkering voortvloeit uit de ongeschiktheid tot werken in meer dan een betrekking bij verschillende werkgevers. In die situatie zal de uitvoeringsinstelling voor de betaling van de WAO-uitkering en de onderscheiden werkgevers voor de betaling van eventuele bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dienen zorg te dragen.

In artikel 45 Bbp wordt geregeld dat ten aanzien van de aanspraak op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering het sanctieregime van de WAO van toepassing is.

Op grond van artikel 45a Bbp kunnen bij samenloop van de loondoorbetaling tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid met andere bronnen van inkomen, deze andere inkomsten worden verrekend. Uitgangspunt daarbij is dat de ambtenaar van politie van zijn ziekte niet financieel beter of slechter mag worden. Zo zal een tegemoetkoming of een vergoeding die vergelijkbaar is met de tegemoetkoming of vergoeding bedoeld in de artikelen 46a en 46b Bbp niet worden verrekend met de aanspraak op grond van hoofdstuk 10 Bbp. Het spreekt overigens voor zich dat bij de vaststelling van een tegemoetkoming of vergoeding op grond van de artikelen 46a en 46b Bbp met de uit anderen hoofde toegekende tegemoetkoming of vergoeding rekening wordt gehouden. Voorts zal een WAO-uitkering die op grond van verschillende dienstverbanden – uitsluitend met het oog op de aanspraak van de ambtenaar op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering – wordt toegekend naar rato van de bezoldiging aan die dienstverbanden dienen te worden toegerekend. De inkomsten die de ambtenaar geniet uit hoofde van het verrichten van andere in het belang van zijn genezing geachte arbeid mag er niet toe leiden dat de ambtenaar meer inkomsten heeft dan in het geval hij niet wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Deze inkomsten dienen derhalve te worden verrekend. Dit laatste geldt niet voor de andere inkomsten die de ambtenaar reeds genoot voor zijn ongeschiktheid tot werken; zelfs niet indien die inkomsten door een andere oorzaak dan de omvang van de arbeid toenemen.

In artikel 45b Bbp wordt de regeling overgenomen zoals die voorheen in artikel 42, vijfde en zesde lid, was opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de vrouwelijke ambtenaar van politie wier bevalling is te verwachten binnen vier maanden na het ontslag en de vrouwelijke ambtenaar van politie wier bevalling niet is te verwachten binnen vier maanden van het ontslag. De aanspraken van de vrouwelijke ambtenaar bij haar bevalling binnen vier maanden na het ontslag zijn als volgt:

 Bevalling te verwachten binnen 4 maanden na het ontslagDe vrouwelijke ambtenaar bevalt binnen vier maanden na het ontslag terwijl de bevalling niet was te verwachten binnen 4 maanden na het ontslag
Vanaf de 41e dag voor de vermoedelijke datum van de bevalling tot de datum van bevalling100% van de laatstelijk genoten bezoldiginggeen aanspraak
Datum van bevalling100% van de laatstelijk genoten bezoldiging 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging
Vanaf de datum van de bevalling tot en met de 70e dag na de datum van de bevalling100% van de laatstelijk genoten bezoldiging 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging
Nadien nog ongeschikt tot werken (naar aard en omvang soortgelijke functie)gedurende 52 weken te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling 100% van de laatstelijk genoten bezoldiginggedurende 52 weken te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging
Indien nog ongeschikt tot werken na 52 weken (gangbare functie)WAO-uitkering eventueel vermeerderd met – invaliditeitspensioen; – herplaatsingstoelage; – suppletie WAO-uitkering eventueel vermeerderd met – invaliditeitspensioen; – herplaatsingstoelage; – suppletie

E tot en met G

Dit betreft technische wijzigingen.

In artikel 46b Bbp wordt voorzien in een aan de nabestaande van de ambtenaar van politie en de gewezen ambtenaar te betalen toelage ter grootte van 18% van zijn bovenwettelijk pensioen (dus exclusief de inbouw van de AOW/ANW). De nabestaande heeft aanspraak op deze toelage indien het overlijden van de ambtenaar wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte. De uitkering eindigt op het moment dat de betrokken ambtenaar of gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, bij het hertrouwen van de nabestaande of – in het geval van een wees – bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd.

Artikelen III tot en met V

Deze artikelen betreffen allereerst technische wijzigingen van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie en het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 in verband met de invoering van de WAO voor de overheidswerknemers. De tweede reden is de volgende.

De Commissie belast met de algemene leiding en het beheer van de Dienst geneeskundige verzorging politie heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aandacht gevraagd voor het recht op medeverzekering van studenten die onder de Wet tegemoetkoming studiekosten vallen.

Met ingang van 1 januari 1997 vallen studenten van 18 jaar en ouder in het voortgezet (speciaal) onderwijs niet meer onder de Wet op de studiefinanciering, maar onder een andere wet, de Wet tegemoetkoming studiekosten.

In artikel 3, tweede lid, van het Besluit geneeskundige verzorging politie werd alleen de Wet op de studiefinanciering genoemd. Gelet op het oogmerk van deze bepaling – het medeverzekeren van studerende kinderen welke aanspraak maken op studiefinanciering – dient aan artikel 3, tweede lid, van voornoemd Besluit de Wet tegemoetkoming studiekosten toegevoegd te worden. In de uitvoeringspraktijk is in afwachting van deze wijziging al overeenkomstig gehandeld.

De wijziging van artikel 4 van het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 betreft het herstel van een foutieve verwijzing.

Artikel VI Overgangsrecht

De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vervallen per 1 januari 1998. Voorzover er na 1 januari 1998 door betrokken ambtenaren abusievelijk nog uitkeringen zijn ontvangen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dienen deze te worden aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid. Artikel VI strekt ertoe dit – bij wijze van overgangsrecht – te regelen.

Artikel VII Inwerkingtreding

Voorzien wordt in terugwerkende kracht voor de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 1 januari 1998, maar met enige uitzonderingen.

Artikel II, onderdeel B, herstelt een omissie per 1 april 1997.

Artikel V, onderdeel C, houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten per 1 januari 1997 en dient ter afdekking van in dat kader genomen beslissingen door de Dienst geneeskundige verzorging politie vanaf laatstgenoemde datum.

Artikel I, onderdeel B, treedt gelijktijdig met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in werking op 1 november 1999.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper


XNoot
1

Stb. 1994, 214, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 april 1999, Stb. 189.

XNoot
2

Stb. 1994, 215, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 juni 1998, Stb. 396.

XNoot
3

Stb. 1996, 359, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
4

Stb. 1994, 218, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
5

Stb. 1994, 338, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 januari 1999, Stb. 46.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven