Besluit van 10 augustus 1999 tot wijziging van het Overdrachtsbesluit Wet toezicht effectenverkeer 1995

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 11 juni 1999, BGW 99/1363-M, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Effectenwezen;

Gelet op artikel 40, eerste en derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 1999, nr. WO6.99 0301/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 5 augustus 1999, nr. BGW 99/1734-M, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Effecten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Overdrachtsbesluit Wet toezicht effectenverkeer 19951 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 3, achtste lid, onderdeel k wordt geletterd l.

2. Er wordt een nieuw onderdeel ingevoegd luidende:

k. het invoeren, wijzigen of intrekken van een regeling als bedoeld in artikel 28a, vierde lid, onderscheidenlijk zesde lid, van de wet;

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 10 augustus 1999

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de zesentwintigste augustus 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot aanpassing van het Overdrachtsbesluit Wet toezicht effectenverkeer 1995 aan de invoering van de Beleggers Compensatie Regeling van effecteninstellingen voor vorderingen van beleggers. Deze Beleggers Compensatie Regeling vormt samen met de Collectieve garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen het beleggerscompensatiestelsel. Het stelsel is op 21 september 1998 bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaard (Stb. 556).

Op grond van de richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84) dient er in Nederland een beleggerscompensatieregeling te zijn. De grondslag voor uitvoering van de richtlijn is neergelegd in artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Het opstellen en het uitvoeren van de regeling is op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wte 1995 en het daarop gebaseerde Overdrachtsbesluit Wte 1995 aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) overgedragen. Bij deze overdracht heeft de Minister van Financiën op grond van artikel 28a, vierde lid, Wte 1995 de bevoegdheid gehouden zelf een regeling te treffen als blijkt dat de regeling niet tijdig door zelfregulering tot stand komt of niet zijn instemming heeft. Dit geldt ook voor een eventuele intrekking of wijziging van de regeling.

Door de toevoeging van een nieuw onderdeel k aan artikel 3, achtste lid van het Overdrachtsbesluit Wte 1995 wordt erin voorzien dat de STE desgevraagd aan de Minister van Financiën alle inlichtingen dient te verstrekken waarover de STE beschikt of kan beschikken, die van betekenis kunnen zijn voor de goede vervulling van de bevoegdheid die de Minister van Financiën zich op grond van artikel 28a, vierde lid, respectievelijk zesde lid, van de Wte 1995 heeft voorbehouden. De uitwisseling van vorenbedoelde informatie tussen de toezichthouders STE en De Nederlandsche Bank (DNB) op grond van de vervulling door die laatste van de taken uit hoofde van de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen, was al zekergesteld door hetgeen bepaald is in de artikelen 33 Wte 1995 en het daarmee corresponderende artikel 24 Wet toezicht kredietwezen 1992. Hierdoor kan de Minister van Financiën ook voor het door DNB uitgevoerde deel van de regeling, via de STE altijd over de inlichtingen beschikken die noodzakelijk zijn om over te gaan tot een wijziging, intrekking en eventuele invoering van een (nieuwe) regeling.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XNoot
1

Stb. 1995, 624, gewijzigd bij besluit van 11 december 1997, Stb. 703.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven