Besluit van 28 juli 1999 tot wijziging van het Besluit
reserves verzekeraars
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 14 juni
1999, WDB99/113M;
Gelet op artikel 29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
De Raad van State gehoord (advies van 24 juni 1999 nr. W06.99.0289/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
12 juli 1999, WDB99/150 U;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
In artikel 13 van het Besluit reserves verzekeraars1
wordt onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, na het eerste lid
ingevoegd:
2. Ingeval een schadeverzekeraar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kredietschade
verzekert, wordt in afwijking in zoverre van:
a. artikel 3, tweede lid, het maximum van de egalisatiereserve gesteld
op 134 percent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren
jaarlijks geboekte premies, verminderd met de voorziening voor te betalen
schaden of voor te betalen uitkeringen bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994;
b. artikel 4, eerste lid, letter a, onder 2°, het aldaar bedoelde
maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve gesteld op 25
percent van het in letter a aan de reserve gestelde maximum;
c. artikel 4, eerste lid, letter b, het aldaar bedoelde maximum van de
jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve behoudens voor de toepassing
van artikel 5, eerste lid, letter a, onder 2°, gesteld op 75 percent van
de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst, berekend
zonder toepassing van artikel 5.
Artikel II
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2. Dit besluit vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing
over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1999.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift
zal worden gezonden aan de Raad van State.
histnootTavarnelle, 28 juli 1999
Beatrix
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend
Uitgegeven de zeventiende augustus 1999
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
NOTA VAN TOELICHTING
In vergelijking tot andere verzekeringsbranches heeft het bedrijf van
kredietverzekeraar een sterk cyclisch karakter waardoor de ruïneringskansen
voor dat bedrijf groter zijn. Globalisering van de markten heeft die risico's
(commerciële, financiële en politieke) nog versterkt. Een crisis
in het ene land blijkt ook sneller over te slaan naar andere landen zoals
recentelijk in Zuidoost-Azië te zien was.
Met het oog op deze risico's zijn binnen de Europese Unie indertijd strengere
solvabiliteitsmarges voor kredietverzekeraars ingevoerd.
Lange tijd is met de risico's van sterk wisselende resultaten die inherent
zijn aan kredietverzekering rekening gehouden door een ruime toepassing van
het tekenjarensysteem. Het tekenjaar- of fondssysteem houdt in dat een fonds
mag worden gevormd door eenvoudigweg alle premies voor schade te bestemmen.
Het fonds wordt een aantal jaren – bij kredietverzekering veelal 4 jaar –
open gehouden en in die tijd worden de schaden uit het fonds voldaan.
Van winst of verlies is in die jaren in principe geen sprake. Na afloop
van de periode van 4 jaar worden de dan nog resterende schaden afzonderlijk
geschat en wordt het resultaat bepaald. Dat systeem is echter niet bedoeld
voor het opvangen van sterk wisselende resultaten. Het ligt veel meer voor
de hand de daarmee samenhangende risico's onder te brengen in de egalisatiereserve.
De huidige regeling van de fiscale egalisatiereserve biedt daartoe echter
niet de benodigde ruimte; de reserve bedraagt maximaal 22,5% van de op het
jaar betrekking hebbende premies (de jaarlijkse dotatie kan op drie manieren
worden bepaald waarvan die met de laagste uitkomst beslissend is voor de omvang
van het in de reserve op te nemen bedrag. Kort gezegd bedraagt de jaardotatie
6% van het plafond of 22,5% van de voor opneming in de reserve beschikbare
over het jaar genoten winst dan wel het belastbare bedrag).
Het onderhavige wijzigingsbesluit bevat een wijziging van het Besluit
reserves verzekeraars om kredietverzekeraars de mogelijkheid te bieden deze
risico's onder te brengen in de egalisatiereserve in plaats van deze op te
vangen via een ruime toepassing van het tekenjarensysteem.
Voor het bepalen van het opbouwpercentage en het plafond van de reserve
is aangesloten bij de voorschriften die op grond van artikel 6 en bijlage
A van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 gelden
voor de jaarrekening. Zo vormt de door dat besluit geëiste minimumomvang
van de egalisatievoorziening het plafond voor de fiscale reserve. Dit betekent
dat ingevolge het nieuwe artikel 13, tweede lid, onderdeel a, de mogelijkheid
wordt geboden om tot ten hoogste 134 percent van het gemiddelde van de tijdens
de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies een egalisatiereserve
op te bouwen. Artikel 13, tweede lid, bevat tevens een regeling voor de verzekeraar
die vanwege het onduidelijke schadeverloop zijn winstresultaat pas na een
aantal jaren vaststelt door gebruikmaking van een voorziening voor toekomstige
schaden op grond van artikel 4, eerste lid, van het Besluit technische voorzieningen
verzekeringsbedrijf 1994. De regeling houdt in dat de egalisatiereserve
dient te worden gekort met de voorziening voor toekomstige schaden en uitkeringen.
Hiermee wordt voorkomen dat uitstel van winst door toepassing van het tekenjarensysteem
doubleert met uitstel van winst door dotatie aan de egalisatiereserve.
De opbouwpercentages (de zogenoemde dotatielimieten) zijn in verband met
de verruiming van het plafond verhoogd. In artikel 13, tweede lid, onderdeel
b, is het maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve, de
eerste dotatielimiet, gesteld op 25 percent van het plafond (voor dit percentage
is aangesloten bij de dotatielimiet die wordt gehanteerd voor storm- en hagelschadeverzekeraars).
De tweede dotatielimiet is in onderdeel c gesteld op 75 percent
van de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst.
Dit percentage is evenals het plafond, afgeleid van de voorschriften die gelden
voor de jaarrekening.
De wijziging houdt in dat een verruiming van de mogelijkheid om een egalisatiereserve
te vormen in de plaats komt van een ruime toepassing van het tekenjarensysteem
dat in wezen niet is bedoeld voor het opvangen van sterk wisselende resultaten.
Dit betekent dat de wijziging budgettair neutraal is.
De wijziging treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en wordt toegepast met betrekking
tot de heffing over boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 1999.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend
XNoot
1Stb. 1972, 414, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 november 1993,
Stb. 656.
XHistnoot
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet
op de Raad van State).