Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 1999, 276Wet

Wet van 3 juni 1999, houdende wijziging van enige bepalingen van de Waterschapswet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is, de Waterschapswet op een aantal punten te wijzigen vanwege bij de toepassing van die wet sinds haar inwerkingtreden gebleken onvolkomenheden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Waterschapswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt in het eerste lid de zinsnede «tot regeling van hun taken en inrichting en van de samenstelling van hun besturen» vervangen door: tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en categorieën van omslagplichtigen.

B

Na artikel 5 worden ingevoegd de nieuwe artikelen 5a en 5b, welke luiden:

Artikel 5a

  • 1. Bij of krachtens reglement worden in verband met de vaststelling of wijziging van de taak van een waterschap de waterstaatswerken aangewezen die op een daarbij bepaalde datum in beheer overgaan van de provincie, van een gemeente of van een onder toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam naar het waterschap.

  • 2. De oude en de nieuwe beheerder gaan, tenzij anders overeengekomen, binnen twee jaar na de in het eerste lid bedoelde datum over tot onvoorwaardelijke levering onderscheidenlijk aanvaarding van de desbetreffende onroerende goederen, voorzover deze daarvan niet bij of krachtens reglement zijn uitgezonderd.

  • 3. De oude en de nieuwe beheerder stellen, tenzij anders overeengekomen, binnen zes maanden na de in het eerste lid bedoelde datum gezamenlijk vast, of in verband met de overgang van rechten en verplichtingen een verrekening nodig is en tot welk bedrag. Bij gebreke van overeenstemming binnen die termijn beslissen, de oude en de nieuwe beheerder gehoord, gedeputeerde staten, dan wel – indien de provincie de oude beheerder is – Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 5b

  • 1. Indien provinciale staten besluiten een waterschap op te heffen en het gebied daarvan te doen overgaan naar een bestaand of gelijktijdig ingesteld waterschap, gaan de rechten en verplichtingen van het op te heffen waterschap op de datum van opheffing over naar het waterschap waarnaar zijn gebied overgaat, zonder dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd.

  • 2. Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een opgeheven waterschap als bedoeld in het eerste lid betrokken is, worden met ingang van de datum van opheffing voortgezet door en tegen het waterschap waarnaar zijn gebied is overgegaan. Ten aanzien van de rechtsgedingen zijn de artikelen 254-262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien ingevolge het eerste lid onroerende zaken overgaan, doen gedeputeerde staten de overgang onverwijld inschrijven in de openbare registers als bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien provinciale staten besluiten een gedeelte van het gebied van een waterschap te doen overgaan naar dat van een ander waterschap.

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt de zinsnede «het vaststellen of wijzigen van een reglement» vervangen door: het vaststellen van een reglement.

2. Tussen de eerste en de tweede zin wordt een nieuwe zin ingevoegd, welke luidt: Hetzelfde geldt voor het wijzigen van dat reglement, tenzij deze colleges bij reglement het vaststellen van wijzigingen die naar hun oordeel van beperkte strekking zijn opdragen aan één van hen.

D

In artikel 14 wordt het derde lid vervangen door een nieuw derde lid dat luidt:

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan bij reglement de zittingsduur worden gesteld op een ten hoogste twee jaren kortere of langere duur.

E

In artikel 18, eerste lid, wordt aan het slot vóór de zinsnede «de leeftijd van achttien jaren» ingevoegd: op de dag der kandidaatstelling.

F

Na artikel 15 wordt ingevoegd een nieuw artikel 15a dat luidt:

Artikel 15a

Indien ter vervulling van een door ontslag of overlijden van een lid van het algemeen bestuur opengevallen plaats niet een daartoe gekozen plaatsvervangend lid beschikbaar is, komen daarvoor in aanmerking degenen die bij de verkiezing voor de vertegenwoordigers van de desbetreffende categorie van belanghebbenden kandidaat waren voor de verkiezing tot lid, en wel in volgorde van de aantallen behaalde stemmen.

G

Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt vóór «opgenomen zijn» ingevoegd: op de dag der kandidaatstelling.

2. Het tweede lid wordt vervangen door een nieuwe bepaling die luidt:

  • 2. Bij reglement kan worden bepaald dat voor het bezit van het stemrecht tevens is vereist dat de belastingplicht aan het waterschap ten minste een daarbij te bepalen bedrag betreft, dan wel dat het een ongebouwde onroerende zaak van ten minste een daarbij te bepalen oppervlakte betreft.

H

Artikel 20 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt het cijfer 1 vóór de tekst geschrapt waarna in die tekst vóór «opgenomen zijn» wordt ingevoegd: op de dag der kandidaatstelling.

2. Na de zoals bovenbedoeld gewijzigde volzin, wordt een volzin toegevoegd welke luidt: Bij reglement kan worden bepaald dat voor het bezit van het stemrecht tevens is vereist dat de belastingplicht aan het waterschap ten minste een daarbij te bepalen bedrag betreft.

I

In artikel 21 wordt in het eerste lid vóór «werkelijk woonplaats te hebben» ingevoegd: op de dag van de kandidaatstelling.

J

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Vóór de tekst wordt het cijfer 1 geplaatst, waarna achter «Fabrieken» een punt wordt geplaatst. Daarachter wordt de tekst geschrapt.

2. Ingevoegd wordt een tweede lid dat luidt.

  • 2. Indien binnen het gebied van een waterschap meer dan een Kamer van Koophandel en Fabrieken bevoegd is, en de verhouding tussen het aantal leden van een der Kamers en het belang van deze bij de behartiging van de taken door het waterschap daartoe aanleiding geeft, kan bij reglement aan gedeputeerde staten worden opgedragen om met inachtneming van die verhouding de waarde vast te stellen van de stem van een lid van die Kamer.

K

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

Na vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid worden het eerste en tweede lid vervangen door een nieuw eerste lid dat luidt:

  • 1. Een stemgerechtigde bezit voor iedere categorie van belanghebbenden waarvoor hij die hoedanigheid heeft telkens één stem, behoudens het bepaalde in onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel en het tweede lid van artikel 22.

L

Artikel 26 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt na vernummering van het tweede lid tot derde lid vervangen door een nieuw eerste en tweede lid welke luiden:

  • 1. Niet bevoegd tot uitoefening van het stemrecht zijn zij die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht zijn ontzet.

  • 2. Niet bevoegd tot uitoefening van het stemrecht in de zin van artikel 21 zijn zij die blijkens de gemeentelijke basisadministratie krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten.

2. In het tweede lid dat is vernummerd tot derde lid wordt onderdeel c geschrapt en wordt onderdeel d geletterd onderdeel c.

M

Na artikel 30a wordt ingevoegd een artikel 30b dat luidt:

Artikel 30b

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een kiesreglement vastgesteld. Artikel 30a is van overeenkomstige toepassing op die algemene maatregel van bestuur.

N

Na artikel 32 wordt ingevoegd een artikel 32a dat luidt:

Artikel 32a

De leden van het algemeen bestuur die geen lid zijn van het dagelijks bestuur ontvangen een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten. Deze vergoeding en tegemoetkoming worden door het algemeen bestuur bij verordening vastgesteld naar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels.

O

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. Vóór de tekst wordt het cijfer 1 geplaatst.

2. In de eerste volzin van het aldus genummerde eerste lid wordt «bij reglement te bepalen» vervangen door: door het algemeen bestuur te bepalen.

3. Toegevoegd wordt een tweede lid dat luidt:

  • 2. Bij reglement kan worden bepaald welk aantal leden het dagelijks bestuur ten minste en ten hoogste telt.

P

In artikel 41 wordt het vierde lid gewijzigd als volgt:

1. Tussen de eerste en de tweede volzin wordt een volzin toegevoegd welke luidt: Bij toepassing van artikel 14, derde lid, is de zittingsduur dienovereenkomstig korter of langer.

2. De derde volzin vervalt.

Q

Aan artikel 44 wordt een volzin toegevoegd welke als volgt luidt: De regels met betrekking tot de bezoldiging worden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervangen door bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

R

Artikel 46 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «benoemd» ingevoegd: en herbenoemd.

2. Het derde en vierde lid worden vervangen door een nieuw derde, vierde en vijfde lid, welke luiden als volgt:

  • 3. Voor de benoeming maakt het algemeen bestuur een aanbeveling op. Bij de aanbeveling zijn de naar het oordeel van het algemeen bestuur voor de geschiktheid van belang zijnde overwegingen gevoegd. Het algemeen bestuur zendt de aanbeveling aan gedeputeerde staten, die deze vergezeld van hun beschouwingen zenden aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 4. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van oordeel is dat de op de aanbeveling geplaatste persoon of personen ongeschikt zijn, verzoekt hij om een nieuwe aanbeveling.

  • 5. Een voordracht van een niet op de aanbeveling geplaatste persoon geschiedt niet alvorens het algemeen bestuur en gedeputeerde staten zijn gehoord.

S

Na artikel 51 wordt ingevoegd een artikel 51a dat luidt:

Artikel 51a

  • 1. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter en – indien in de aanwijzing daarvan is voorzien bij het reglement – van de plaatsvervangend voorzitter wordt het ambt van voorzitter waargenomen door een, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, ander lid van dat bestuur.

  • 2. Bij verhindering of ontstentenis van alle leden van het dagelijks bestuur wordt het ambt waargenomen door het oudste lid in jaren van het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur een ander lid met de waarneming belast.

  • 3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter op de dag met ingang waarvan het zittende algemeen bestuur is afgetreden, wordt het ambt waargenomen door een, door de afgetreden leden van het dagelijks bestuur aan te wijzen, afgetreden lid van het dagelijks bestuur, of, bij ontstentenis van alle afgetreden leden van het dagelijks bestuur, door het oudste afgetreden lid in jaren van het algemeen bestuur, een en ander tot in de waarneming overeenkomstig het eerste en tweede lid is voorzien.

T

In artikel 60 wordt in het eerste lid «een afdeling» vervangen door «het bestuur van een afdeling» en «het afdelingsbestuur» door «dat bestuur».

U

In dat artikel 61 wordt in het vierde lid «een afdeling» vervangen door «het bestuur van een afdeling»

V

Artikel 86 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «in eerste aanleg» geschrapt.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «de aangevochten beslissing» vervangen door: het aangevochten besluit.

W

Artikel 75 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt vervangen door een nieuw lid dat luidt:

  • 1. In afwijking van artikel 74 treden besluiten tot vaststelling of wijziging van een keur niet eerder in werking dan nadat de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn is verstreken.

2. Het tweede lid vervalt.

3. In het derde lid, na vernummering tot tweede lid, wordt de zinsnede «met overeenkomstige toepassing van het eerste en tweede lid» geschrapt.

X

In artikel 77 wordt «een afdeling» vervangen door: het bestuur van een afdeling.

Y

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een afdeling» vervangen door: het bestuur van een afdeling. Vervolgens wordt na vervanging van de komma na «overdragen» door een punt, de bijzin geschrapt.

2. Na het eerste lid worden, na vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, een nieuw tweede en derde lid ingevoegd welke luiden:

  • 2. Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur niet overdragen de bevoegdheid tot:

    a. het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    b. het vaststellen van de rekening, als bedoeld in artikel 106;

    c. het vaststellen van regels als bedoeld in de artikelen 108 en 109;

    d. het heffen van belastingen of rechten;

    e. het vaststellen van verordeningen, behoudens het bepaalde in het vierde lid;

    f. het vaststellen van peilbesluiten;

    g. het vaststellen van plannen krachtens bijzondere wetten.

  • 3. Het algemeen bestuur kan aan het bestuur van een afdeling niet overdragen de in het tweede lid onder a tot en met e omschreven bevoegdheden.

Z

Van artikel 84 komt het eerste lid te luiden als volgt:

  • 1. Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van het waterschap.

AA

In artikel 87, eerste lid, wordt in het eerste lid «een afdeling» vervangen door: het bestuur van een afdeling.

BB

In artikel 100 wordt in het eerste lid «vóór 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar» vervangen door: «tijdig voor de in het vierde lid bedoelde vaststelling».

CC

Artikel 101 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «vaststelling» ingevoegd «of wijziging» en wordt «binnen vier weken» vervangen door: binnen twee weken.

2. Het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden welke luiden:

  • 2. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen en worden binnen twee weken na de vaststelling daarvan toegezonden aan gedeputeerde staten.

  • 3. Artikel 100, tweede lid, alsmede, behoudens in gevallen van dringende spoed, artikel 100, derde lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

DD

In artikel 109 wordt in het tweede lid «een of meer registeraccountants» vervangen door: een of meer accountants als bedoeld in artikel 2:393 van het Burgerlijk Wetboek.

EE

In artikel 117 wordt in het tweede lid, alsmede in onderdeel b van het derde lid de bijzin «voor zover de waarde daarvan op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdelen a, d, e en f van de Gemeentewet bij het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen buiten aanmerking wordt gelaten» vervangen door: voor zover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18, derde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten.

FF

Artikel 118 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het eerste tot en met vierde lid wordt «belastingjaar» telkens vervangen door: kalenderjaar.

2. Het derde lid wordt vervangen door een nieuw derde lid dat luidt:

  • 3. Voor de toepassing van artikel 116, onderdeel d, wordt aangemerkt:

    a. als ingezetene degene die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik heeft van woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap aan te wijzen lid van dat huishouden;

    b. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid zonder dat delen van die ruimte in gebruik worden gegeven.

GG

In artikel 119 wordt in het eerste lid na de volzin een volzin toegevoegd welke luidt:

Bij die verordening kan worden bepaald dat, in afwijking van de vorige volzin, kosten van heffing en invordering van waterschapsbelastingen en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van belanghebbenden.

HH

Artikel 120 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «het desbetreffende belastingjaar» vervangen door: het desbetreffende kalenderjaar.

2. In het zevende lid wordt in de tweede volzin de zinsnede «de vorige volzin» vervangen door «de eerste volzin» en wordt na de eerste volzin een zin ingevoegd welke luidt: Voorzover zodanige verschillen leiden tot een verschil in belang van meer dan 50% of van minder dan 25% wordt dat verschil in elk geval aangemerkt als onevenredig onderscheidenlijk niet onevenredig.

II

Artikel 124 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt in de aanhef «een van die waterschappen» vervangen door: één van die waterschappen.

2. In het vijfde lid wordt in de aanhef «één of meer waterschapsbelastingen» vervangen door: een of meer waterschapsbelastingen.

JJ

In artikel 151 wordt in het derde lid «artikel 120, vijfde lid» vervangen door: artikel 120, zevende lid.

KK

In artikel 153 vervalt het derde lid.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel FF, dat in werking treedt op 1 januari 2000 en van artikel I, onderdeel HH, dat in werking treedt op 1 januari 2001.

ARTIKEL III

De tekst van de Waterschapswet wordt in het Staatsblad geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 3 juni 1999

Beatrix

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. M. de Vries

Uitgegeven de zesde juli 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1991, 444, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1998/99, 26 235.

Handelingen II 1998/99, blz. 3713–3729; 3746.

Kamerstukken I 1998/99, 26 235 (224, 224a, 224b).

Handelingen I 1998/99, blz. 1504–1507.