Besluit van 31 mei 1999, houdende wijzigingen in het Besluit personenvervoer ter implementatie van verordening (EG) nr. 11/98 en verordening (EG) nr. 12/98

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 februari 1999, nr. CDJZ/WVW/1999–147, Centrale Directie Juridische Zaken;

Gelet op Verordening (EG) nr. 11/98 van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 684/92 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen (PbEG L 4), Verordening (EG) nr. 12/98 van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 4) zijn en artikel 64 van de Wet personenvervoer;

De Raad van State gehoord (advies van 11 maart 1999, nr. W09.99.0066/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 mei 1999, nr. CDJZ/WVW/1999-722, Centrale Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit personenvervoer1 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel d komt te luiden:

d. Richtlijn nr. 96/26/EG: richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde ondernemers (PbEG L 124).

2. Onderdeel e vervalt.

B. In artikel 24, tweede lid, wordt «het eerste, tweede en derde lid van artikel 3 van de Richtlijn 77/796/EEG» vervangen door: artikel 3, eerste en tweede lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.

C. Artikel 26 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «artikel 2, derde lid, van richtlijn nr. 74/562/EEG» vervangen door: artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.

2. In het vijfde lid wordt «artikel 4 van de Richtlijn 77/796/EEG» vervangen door: artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.

D. Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «artikel 2, vierde lid, vierde alinea, van Richtlijn 74/562/EEG» vervangen door: artikel 3, vierde lid, vierde alinea, van Richtlijn nr. 96/26/EG.

2. In artikel 28, vierde lid, wordt «artikel 5 van de Richtlijn 77/796/EEG» vervangen door: artikel 3, vierde lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.

E. Artikel 117a, onderdeel a, komt te luiden:

a. verordening (EG) nr. 12/98: verordening (EG) nr. 12/98 van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 4);

F. Artikel 117b wordt gewijzigd als volgt:

1. Onder toevoeging van de aanduiding 1. voor de bestaande tekst, wordt de zinsnede «verordening (EEG) nr. 2454/92» vervangen door: verordening (EG) nr. 12/98.

2. Een tweede lid wordt toegevoegd dat luidt:

  • 2. In afwijking van het eerste lid is Hoofdstuk II, paragrafen 2 tot en met 5, van toepassing op het cabotagevervoer, bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 12/98.

G. In artikel 117c wordt de zinsnede «verordening (EEG) nr. 2454/92» vervangen door: verordening (EG) nr. 12/98.

H. Artikel 117d komt te luiden:

  • 1. Reisbladenboekjes als bedoeld in artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr. 12/98 worden voor Nederland afgegeven door Onze Minister.

  • 2. De gebruikte reisbladen als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 12/98 worden teruggezonden aan Onze Minister.

I. Artikel 117e komt te luiden:

Artikel 117e

De in Nederland gevestigde vervoerder die cabotagevervoer verricht als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 12/98, verstrekt aan Onze Minister binnen een maand na ieder kalenderkwartaal de gegevens over dit cabotagevervoer dat tijdens het betreffende kwartaal door hem is verricht.

J. Artikel 125, onderdeel c, vervalt.

K. In artikel 144, onderdeel c, wordt de zinsnede «indien het vervoer door een in Nederland gevestigde vervoerder betreft» vervangen door: indien het vervoer betreft van en naar derde landen en het wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder.

L. In artikel 167 wordt «117d, derde lid» vervangen door: 117d, tweede lid.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op 11 juni 1999.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 31 mei 1999

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Uitgegeven de tiende juni 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Door middel van de onderhavige wijziging van het Besluit personenvervoer worden Verordening (EG) nr. 11/98 en Verordening (EG) nr. 12/98 geïmplementeerd. Verordening (EG) nr. 11/98 is reeds gedeeltelijk geïmplementeerd bij de wijziging van het Besluit personenvervoer van 11 december 1997. De onderhavige wijziging van het Besluit personenvervoer betreft het sluitstuk van de implementatie van die verordening: de introductie van de communautaire vergunning. De implementatie van Verordening (EG) nr. 12/98 regelt de verruiming van de voorwaarden waaronder cabotagevervoer verricht kan worden. Aangezien verordeningen rechtstreekse werking hebben, leidt de implementatie slechts tot de wijziging van uitvoeringsbepalingen in het Besluit personenvervoer zoals de aanwijzing van de autoriteit die bevoegd is tot afgifte van bepaalde documenten.

Communautaire vergunning

De meeste Lidstaten stellen als eis dat vervoerders naast de nationale vergunning nog een bewijs nodig hebben voor het verrichten van internationaal personenvervoer. Ter vergemakkelijking van de handhaving introduceert Verordening (EG) nr. 11/98 de communautaire vergunning. Deze vergunning vervangt de internationale bewijzen van de Lidstaten. De voorwaarde tot verkrijging van de communautaire vergunning is eenvoudig: de vervoerder dient «in de staat van vestiging gemachtigd te zijn tot het verrichten van vervoer met touringcars en autobussen, meer bepaald geregeld vervoer, met inbegrip van de bijzondere vorm van geregeld vervoer, of van ongeregeld vervoer.» (art. 3bis, eerste lid juncto artikel 3, eerste lid van de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 684/92). Alle Nederlandse vervoerders die internationaal vervoer binnen de Europese Unie verrichten moeten derhalve vanaf 11 juni 1999 in het bezit zijn van een communautaire vergunning. Op basis van artikel 120a, eerste lid, van het Besluit personenvervoer beslist de Minister op een aanvraag om een communautaire vergunning. De Rijksverkeersinspectie zal de aanvraag om een vergunning feitelijk in behandeling nemen. De vervoerders dienen zelf een aanvraagformulier voor een communautaire vergunning op te vragen bij de Rijksverkeersinspectie.

In eerste instantie zou de communautaire vergunning voor de Nederlandse vervoerder een extra document in de bus betekenen, omdat de vergunning voor openbaar vervoer en besloten busvervoer tevens als bewijs geldt voor de toelating tot het verrichten van internationaal personenvervoer. De onderhavige wijziging van het Besluit personenvervoer voorkomt dit door te bepalen dat de vervoerder alleen een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning in de bus dient te hebben en niet meer een vergunningbewijs voor besloten busvervoer. Immers, de vervoerder kan pas een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning hebben, indien hij een vergunning voor besloten busvervoer heeft.

Overzicht vergunningen en documenten

Voor de duidelijkheid volgt een overzicht van de vergunningen die voor de verschillende categorieën van het vervoer nodig zijn en de documenten die de vervoerder tijdens de rit in de bus moet hebben.

Geregeld vervoer

– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten busvervoer, communautaire vergunning, vergunning voor geregeld vervoer.

– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning en afschrift van vergunning voor geregeld vervoer.

Bijzondere vorm van geregeld vervoer

– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten busvervoer, communautaire vergunning, een contract of een vergunning voor geregeld vervoer.

– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning en afschrift van vergunning voor geregeld vervoer of contract.

Ongeregeld vervoer

– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten busvervoer, communautaire vergunning, reisblad.

– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning en reisblad.

Vervoer voor eigen rekening

– nodig voor het vervoer: vergunning besloten busvervoer (zogenaamde «beperkte» vergunning ex art. 5 Besluit personenvervoer), attest.

– aanwezig in de bus: vergunningbewijs voor besloten busvervoer, attest.

Uit dit overzicht blijkt dat de vervoerder die voor eigen rekening vervoer verricht, niet in het bezit hoeft te zijn van een communautaire vergunning. De reden hiervan is dat de vervoerder voor dit soort vervoer niet hoeft te voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. Dit vervoer is te vergelijken met het binnenlands vervoer waarvoor een zogenaamde «beperkte vergunning» is vereist ex artikel 5 van het Besluit personenvervoer. Indien een vervoerder soortgelijk grensoverschrijdend vervoer wil verrichten, zal hij, naast het attest, zijn nationaal vergunningbewijs in de bus moeten hebben.

Een communautaire vergunning, een vergunning voor het verrichten van geregeld vervoer, een reisblad en een attest worden op grond van artikel 120a van het Besluit personenvervoer door de Minister verleend.

Cabotagevervoer

Het Europese Hof van Justitie heeft Verordening (EG) nr. 2454/92 nietig verklaard bij arrest van 11 juni 1994 (zaak C-388/92, Parlement versus Raad, Jurisprudentie 1994, blz. I-2081). Overeenkomstig dit arrest blijven de bepalingen van de nietig verklaarde verordening hun geldigheid behouden totdat de Raad, na raadpleging van het Parlement, een nieuwe regeling zal hebben vastgesteld. Verordening (EG) nr. 12/98 voorziet in de nieuwe regeling ten aanzien van het cabotagevervoer en voorziet tegelijkertijd in een verdere liberalisatie. Per 11 juni 1999 heeft Verordening (EG) nr. 2454/92 dus geen geldigheid meer.

Er is een aantal belangrijke wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening. Zo is cabotage nu toegestaan voor alle vormen van ongeregeld vervoer en het bijzonder geregeld vervoer. Voor het geregelde vervoer geldt dat cabotage nu ook is toegestaan, mits dit wordt verricht in het kader van een internationale geregelde dienst overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 684/92 en met uitsluiting van stads- en voorstadsvervoer.

Verordening (EG) nr. 12/98 stelt vast dat de bepalingen die voor de nationale vervoerder gelden, eveneens van toepassing zijn op de vervoerder die geregeld cabotagevervoer verricht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld de bepalingen inzake de vaststelling van de dienstregeling, en inhoudelijke toets bij de afgifte van de vergunning inzake de wenselijkheid van het vervoer en het financieel belang van de provincie van overeenkomstige toepassing. Indien een vervoerder die niet in Nederland is gevestigd, in Nederland geregeld cabotagevervoer wil verrichten, zal hij dus bij gedeputeerde staten een vergunning voor het verrichten van openbaar vervoer moeten aanvragen. Er is voor gekozen om niet af te wijken van de ingezette decentralisatie ten behoeve van het grensoverschrijdend geregeld cabotagevervoer. Het beleid dat de provincies voeren ten opzichte van de nationale vervoerder in hun gebied, moet op grond van de verordening immers op dezelfde manier worden toegepast op de vervoerder die buiten Nederland is gevestigd. Dit kan het beste worden gewaarborgd indien gedeputeerde staten voor het grensoverschrijdend geregeld cabotagevervoer een vergunning voor het verrichten van openbaar vervoer afgeven.

OPV en de Europese Commissie

Het Overlegorgaan Personenvervoer heeft bij brief van 1 december 1998, kenmerk OPV-98/68, het rapport van bevindingen uitgebracht. In dit rapport is de vraag gesteld of de vervoerder voor eigen rekening eveneens een communautaire vergunning nodig heeft. Dit is niet het geval. Artikel 146b is om die reden ook niet aangepast. De tweede opmerking betrof het advies van de Raad van Verkeer en Waterstaat over de afschaffing van beperkte vergunningen. Dit advies betreft nationaal beleid en is in dit Besluit, dat strekt tot implementatie van een Europese verordening, niet aan de orde. Daarnaast heeft het OPV aangegeven dat zij praktische bezwaren heeft tegen het verlenen van een vergunning voor geregeld cabotagevervoer op decentraal niveau. Dat standpunt kan echter niet gedeeld worden. De bevoegdheden ten aanzien van het openbaar vervoer zijn immers gedecentraliseerd. Indien op centraal niveau een vergunning voor het geregeld cabotagevervoer afgegeven zou worden, zou toch weer advies ingewonnen dienen te worden op decentraal niveau. Het geregeld cabotagevervoer heeft immers invloed op het overige regionale vervoer. Tevens heeft het OPV aandacht gevraagd voor de relatie tussen «vervoer voor eigen rekening» en de «beperkte vergunning». Deze relatie is bij het overzicht vergunningen en documenten aangegeven. Tenslotte heeft het OPV gevraagd om een nadere toelichting over de invoering van een attest. Het attest is echter een bestaand document en heeft geen wijzigingen ondergaan. Om die reden behoeft het attest geen nadere toelichting.

Op 15 oktober 1998 is aan de Europese Commissie advies gevraagd op grond van het voorschrift van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 11/98. Bij brief van 9 december 1998, kenmerk D 90492(98), heeft de Commissie meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de wijze waarop de verordening is geïmplementeerd.

Transponeringstabel

In de onderstaande tabel is aangegeven op welke wijze de artikelen die uitvoering behoeven, geïmplementeerd zijn in het Besluit personenvervoer.

Transponeringstabel Verordening (EG) nr. 11/98 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 684/92

artikel 3bis, derde lidartikel 125, onderdeel c; 144, onderdeel c

Transponeringstabel Verordening (EG) nr. 12/98

Verordening 12/98Besluit personenvervoer
  
artikel 1artikel 117a
artikel 3artikel 117c
artikel 4artikel 117b
artikel 6artikel 117d
artikel 7artikel 117e
artikel 11artikel 167

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Onderdeel A tot en met D

Richtlijn nr. 74/562/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 89/438/EEG, en Richtlijn nr. 77/796/EEG zijn gecodificeerd in Richtlijn nr. 96/26/EG. Bij de inwerkingtreding van Richtlijn nr. 96/26/EG waren de verwijzingen in het Besluit personenvervoer naar de oude richtlijnen nog niet aangepast aan de nieuwe richtlijn. De juiste verwijzingen worden in de gewijzigde artikelen doorgevoerd.

Onderdeel F

Uit artikel 4 van Verordening (EG) nr. 12/98 blijkt welke nationale bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn op het geregeld cabotagevervoer. Voor de Wet personenvervoer betekent dit dat de bepalingen omtrent de vergunningverlenende instantie, de tarieven en de bepalingen voor de reiziger van overeenkomstige toepassing zijn op het geregeld cabotagevervoer. Artikel 117b, eerste lid, bepaalt welke bepalingen van de Wet personenvervoer niet van toepassing zijn op het cabotagevervoer in het algemeen. Dit zou dus ook gelden voor het geregeld cabotagevervoer. Omdat dit voor wat betreft de vergunningverlening niet geheel overeenkomt met hetgeen op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 12/98 geldt, is Hoofdstuk II, paragrafen 2 tot en met 5 van de Wet personenvervoer wel van toepassing verklaard op het geregeld cabotagevervoer. Uit artikel 117b blijkt nu dat de niet in Nederland gevestigde vervoerder die in Nederland geregeld cabotagevervoer wil verrichten, een vergunning voor het verrichten van openbaar vervoer bij gedeputeerde staten moet aanvragen en een dienstregeling moet overleggen. Een ander gevolg is dat reizigers die op dat traject met die vervoerder reizen, gebruik kunnen blijven maken van de nationale strippenkaart.

Voorbeelden van nationale bepalingen die Verordening (EG) nr. 12/98 van overeenkomstige toepassing verklaart op het geregeld cabotagevervoer maar die buiten het terrein van de Wet personenvervoer vallen, zijn bijvoorbeeld de bepalingen omtrent afmetingen en gewichten van bedrijfsvoertuigen (Voertuigreglement) en omtrent rij- en rusttijden (Arbeidstijdenbesluit vervoer).

Onderdeel H

Artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 2454/92 bepaalde dat een vervoerder bij de Lidstaat van vestiging een verzoek kon indienen tot het verkrijgen van een attest waaruit bleek dat zij gemachtigd waren tot het verrichten van internationaal personenvervoer over de weg. Dit artikel is in Verordening (EG) nr. 12/98 niet overgenomen omdat daarvoor in de plaats de verplichte communautaire vergunning is ingevoerd op grond van Verordening (EG) nr. 11/98. Artikel 117d, eerste lid, regelde de bevoegdheid tot afgifte en (tijdelijke) intrekking van het attest. Nu de vervoerder op grond van Verordening (EG) nr.12/98 geen attest meer kan aanvragen, is deze bepaling in artikel 117d eveneens vervallen. Het tweede en derde lid van artikel 117d zijn vernummerd tot het eerste en tweede lid.

De wijzigingen in het nieuwe eerste en tweede lid zijn het gevolg van de vervanging van Verordening (EEG) nr. 2454/92 in Verordening (EG) nr. 12/98. Tevens is niet meer de Inspecteur van het Verkeer, maar de Minister formeel aangewezen als degene aan wie de vervoerder de reisbladenboekjes moet terugzenden. De praktische uitvoering blijft wel bij de Rijksverkeersinspectie liggen, hetgeen door een mandaatregeling is bepaald.

Onderdeel I

De meldingsplicht van de vervoerder aan de Minister omtrent het door hem verrichte cabotagevervoer geldt alleen voor het bijzonder geregeld en het ongeregeld cabotagevervoer en niet meer voor het geregeld cabotagevervoer. Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 12/98 bepaalt voor het geregeld cabotagevervoer dat de Commissie jaarlijks een lijst moet toezenden van de door de Lidstaten afgegeven vergunningen tot het verrichten van geregeld cabotagevervoer. Een meldingsplicht van vervoerders is hiervoor niet nodig.

Onderdeel J en K

De vervoerder die internationaal personenvervoer verricht, behoort door de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 11/98 een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning in de bus te hebben. Omdat aan de vervoerder alleen een communautaire vergunning wordt verleend wanneer hij in het bezit is van een vergunning voor openbaar vervoer of besloten busvervoer, is de aanwezigheid in de bus van een vergunningbewijs voor besloten busvervoer, niet meer verplicht. Om die reden worden artikel 125 en artikel 144 gewijzigd. Daar artikel 144 niet alleen het ongeregeld vervoer van en naar lidstaten regelt, maar ook het vervoer van en naar derde landen, blijft de verplichting voor de aanwezigheid van het vergunningbewijs voor besloten busvervoer in artikel 144 wel gehandhaafd voor het vervoer van en naar derde landen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos


XNoot
1

Stb. 1987, 506, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 november 1998, Stb. 1998, 668.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven