Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 1999, 194Wet

Wet van 19 april 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten (reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een reorganisatie van het openbaar ministerie tot stand te brengen, teneinde het openbaar ministerie in staat te stellen zijn taken en bevoegdheden op adequate wijze uit te oefenen, alsmede dat het wenselijk is binnen het openbaar ministerie een landelijk parket in te stellen, teneinde de kwaliteit van de opsporing en de vervolging van ernstige vormen van criminaliteit te verbeteren, en dat het in verband daarmee gewenst is de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de rechterlijke organisatie1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Het opschrift «EERSTE AFDELING Algemene bepalingen» wordt vervangen door:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN.

B

Na artikel 1 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

  • 1. In deze wet wordt verstaan onder rechterlijke ambtenaren:

    a. de president van de Hoge Raad der Nederlanden, alsmede de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren in buitengewone dienst;

    b. de presidenten van de gerechtshoven, alsmede de coördinerende vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers;

    c. de presidenten van de arrondissementsrechtbanken, alsmede de coördinerende vice-presidenten, de vice-presidenten, de rechters en de rechters-plaatsvervangers;

    d. de kantonrechters en de kantonrechters-plaatsvervangers;

    e. de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, alsmede de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst;

    f. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen, bedoeld in artikel 130;

    g. de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal bij de ressortsparketten;

    h. de officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie bij de arrondissementsparketten en het landelijk parket.

    i. de gerechtsauditeurs;

    j. de griffiers en de substituut-griffiers.

  • 2. Waar in deze wet wordt gesproken over de leden van de rechterlijke macht, worden daaronder de in het eerste lid bedoelde rechterlijke ambtenaren verstaan, met dien verstande dat waar wordt gesproken over de met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, daaronder worden verstaan de in de onderdelen a, b, c en d bedoelde rechterlijke ambtenaren.

C

De artikelen 3 en 4 komen te luiden:

Artikel 3

  • 1. De rechterlijke ambtenaren moeten Nederlander zijn.

  • 2. Aan de bij of krachtens deze wet gestelde beroepsvereisten wordt tevens voldaan indien de betrokkene in het bezit is van een ten aanzien van het door hem uit te oefenen beroep afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

Artikel 4

  • 1. De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd, met inachtneming van het bepaalde in deze wet.

  • 2. De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen f tot en met j, worden met inachtneming van het bepaalde in deze wet benoemd bij koninklijk besluit of bij besluit van Onze Minister van Justitie, tenzij bij deze wet een andere wijze van benoeming is bepaald.

D

– Artikel 5 wordt vervangen door de tekst van artikel 29, onder aanduiding van die tekst als eerste lid. De daarin voorkomende zinsnede «alvorens in bediening te treden» wordt vervangen door: voorafgaand aan de datum van indiensttreding.

– Aan artikel 5 (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende als volgt:

  • 2. Zij worden na de datum van indiensttreding geïnstalleerd.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de beëdiging en de installatie en worden regels gesteld over het ambtskostuum van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Daarbij kunnen gevallen worden aangewezen waarin installatie achterwege blijft.

E

De artikelen 6 tot en met 6c vervallen.

F

Voor artikel 6d worden de volgende opschriften toegevoegd:

«HOOFDSTUK 2 RECHTSPRAAK

Eerste Afdeling Algemene bepalingen».

G

In artikel 11 wordt «De leden van de rechterlijke macht die voor hun leven zijn benoemd» vervangen door: De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht.

H

In artikel 11a, eerste lid, wordt «De voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht» vervangen door: De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht.

I

In artikel 11c, eerste lid, wordt «een voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht» vervangen door: een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht.

J

Artikel 13a, vijfde lid, vervalt.

K

Artikel 14 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt: , ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie,.

2. In het derde lid vervalt «, en de procureur-generaal bij de Hoge Raad ten aanzien van de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het openbaar ministerie».

L

In artikel 19 vervalt «de wijze van eedsaflegging, het kostuum der onderscheiden rechterlijke ambtenaren en der advocaten en procureurs,».

M

In artikel 22 vervalt «, mitsgaders de ambtenaren van het openbaar ministerie,.

N

In artikel 24 vervalt «en de gerechtsauditeurs».

O

In artikel 28 wordt «De leden van de rechterlijke macht» vervangen door: De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht en de griffiers van en de waarnemende griffiers bij de in artikel 1 bedoelde gerechten.

P

In artikel 28a wordt «De leden van de rechterlijke macht» vervangen door: De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht en de griffiers van en de waarnemende griffiers bij de in artikel 1 bedoelde gerechten.

Q

De artikelen 29 tot en met 29b vervallen.

R

Het opschrift van de Tweede Afdeling komt te luiden:

De kantongerechten.

S

In artikel 36a vervallen de zinsneden «de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket, en» en «en de procureur-generaal bij».

T

Het opschrift van de Derde Afdeling komt te luiden:

De arrondissementsrechtbanken.

U

In artikel 51, tweede lid, vervalt de zinsnede «ambtenaren van het openbaar ministerie,».

V

Artikel 52 komt te luiden:

Artikel 52

Wanneer een plaats van rechter, rechter-plaatsvervanger of griffier openvalt, zendt de rechtbank aan de president van het gerechtshof tot welks ressort zij behoort, een lijst van aanbeveling van drie kandidaten, welke lijst, alfabetisch ingericht, aan de Koning wordt aangeboden, om daarop zodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordelen.

W

De onderdelen A, B en C van de Derde Afdeling vervallen.

X

Het opschrift van de Vierde Afdeling komt te luiden:

De gerechtshoven.

Y

In artikel 62, tweede lid, vervalt de zinsnede «ambtenaren van het openbaar ministerie, de».

Z

In artikel 63 vervalt «, de procureur-generaal daaronder begrepen,».

AA

In artikel 64 vervalt «de procureur-generaal bij, de plaatsvervangende procureurs-generaal bij, de advocaten-generaal bij,».

BB

Het opschrift van de Vijfde Afdeling komt te luiden:

De Hoge Raad der Nederlanden.

CC

Artikel 84 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «, benevens de procureur-generaal bij die Raad,».

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

DD

Artikel 84a komt te luiden:

Artikel 84a

  • 1. De benoeming van de president van, een vice-president van of een raadsheer in de Hoge Raad kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, bij koninklijk besluit worden gewijzigd in een benoeming als raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. De wijziging wordt voor de vaststelling van aanspraken op en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag. Artikel 12a is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst.

  • 2. De raadsheren in buitengewone dienst verrichten, op de voet van een raadsheer, werkzaamheden voor zover zij daartoe door de president worden opgeroepen.

EE

In artikel 85, tweede lid, vervalt: bij dezelve,.

FF

In artikel 86 vervalt «de procureur-generaal bij, de plaatsvervangend procureur-generaal bij, de advocaten-generaal bij,».

GG

De Vijfde Afdeling A wordt vernummerd tot Zesde Afdeling.

HH

Aan artikel 110 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt:

  • 3. De artikelen 19, 24, 28 en 28a zijn op de gerechtsauditeurs van overeenkomstige toepassing.

II

Na artikel 110 worden vier hoofdstukken toegevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 3. DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD

Artikel 111
  • 1. Er is een parket bij de Hoge Raad, aan het hoofd waarvan de procureur-generaal bij de Hoge Raad staat.

  • 2. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met:

    a. de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen;

    b. het nemen van aan de Hoge Raad uit te brengen conclusies in de bij de wet bepaalde gevallen;

    c. de instelling van cassatie «in het belang der wet»;

    d. de instelling van vorderingen tot het nemen van beslissingen als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 13;

    e. de instelling van vorderingen tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 14a.

  • 3. In de gevallen waarin de Hoge Raad ten principale recht doet, neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.

  • 4. Bij de wet kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook met andere taken worden belast.

  • 5. De bevoegdheden van de procureur-generaal kunnen, tenzij de aard van de bevoegdheden zich daartegen verzet, mede worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal en door advocaten-generaal. Het aantal advocaten-generaal bedraagt ten hoogste twaalf.

Artikel 112
  • 1. De procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal moeten aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, hebben verkregen het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren, mits dit doctoraat of dit recht verkregen is op grond van het afleggen van een examen in het Nederlands burgerlijk en handelsrecht en strafrecht, alsmede in een van de drie volgende vakken: het Nederlands staatsrecht, administratief recht of belastingrecht.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de benoemingsprocedure ten aanzien van de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren.

Artikel 113
  • 1. De benoeming van de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, bij koninklijk besluit worden gewijzigd in een benoeming als advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. De wijziging wordt voor de vaststelling van aanspraken op en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag. Artikel 12a is niet van toepassing op de advocaten-generaal in buitengewone dienst.

  • 2. Het aantal advocaten-generaal in buitengewone dienst bedraagt ten hoogste zes.

  • 3. De advocaten-generaal in buitengewone dienst nemen, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.

Artikel 114
  • 1. De in artikel 111 genoemde rechterlijke ambtenaren worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.

  • 2. Bij het bereiken van de volle ouderdom van zeventig jaren wordt hun bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand.

Artikel 115
  • 1. De artikelen 11 tot en met 13b zijn op de in artikel 111 genoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien het ontslag of de non-activiteit van de procureur-generaal in het geding is, worden de in artikel 13a aan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal.

Artikel 116
  • 1. De procureur-generaal geeft leiding aan het parket bij de Hoge Raad.

  • 2. De procureur-generaal is bevoegd aan de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen of die zich schuldig maken aan een overtreding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de nodige waarschuwing te doen.

Artikel 117

In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de procureur-generaal vervangen door de plaatsvervangend procureur-generaal en, bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door de advocaat-generaal oudste in rang.

Artikel 118

Onze Minister van Justitie kan de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal belasten met de waarneming van het ambt van procureur-generaal.

Artikel 119
  • 1. Onze Minister van Justitie kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, als plaatsvervangend advocaat-generaal bij de Hoge Raad een lid van een kantongerecht, een arrondissementsrechtbank of een gerechtshof of een lid van het openbaar ministerie aanwijzen. De aanwijzing geschiedt voor een daarbij te bepalen termijn. Artikel 116, tweede lid, is op de plaatsvervangend advocaat-generaal van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Aanwijzing van een lid van een arrondissementsrechtbank of een gerechtshof tot plaatsvervangend advocaat-generaal geschiedt slechts met diens toestemming.

  • 3. Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.

  • 4. Artikel 12 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is niet van toepassing op de plaatsvervangende advocaten-generaal.

  • 5. De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, als waarnemend advocaat-generaal bij de Hoge Raad aanwijzen een lid of lid in buitengewone dienst van de Hoge Raad, die daarmee heeft ingestemd. Een waarnemend advocaat-generaal neemt, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Hij neemt in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.

Artikel 120

De artikelen 22 en 28a zijn op de in artikel 111 genoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.

Artikel 121

De procureur-generaal bij de Hoge Raad waakt in het bijzonder voor de handhaving en uitvoering van wettelijke voorschriften bij de Hoge Raad, de gerechtshoven, de arrondissementsrechtbanken en de kantongerechten.

Artikel 122
  • 1. Indien naar het oordeel van de procureur-generaal bij de Hoge Raad het openbaar ministerie bij de uitoefening van zijn taak de wettelijke voorschriften niet naar behoren handhaaft of uitvoert, kan hij Onze Minister van Justitie daarvan in kennis stellen.

  • 2. Op verzoek van de procureur-generaal worden hem vanwege het College van procureurs-generaal de inlichtingen verstrekt die hij nodig acht en worden hem de desbetreffende stukken overgelegd.

Artikel 123

Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal bij de Hoge Raad de bijstand van het openbaar ministerie, die deze ter uitvoering van de aan hem opgedragen taken verlangt.

HOOFDSTUK 4. HET OPENBAAR MINISTERIE

AFDELING 1. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 124

Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken.

Artikel 125

De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de wijze bij of krachtens de wet bepaald, uitgeoefend door:

a. het College van procureurs-generaal;

b. de officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie;

c. de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal.

Artikel 126
  • 1. De uitoefening van een of meer bevoegdheden van de officier van justitie of de advocaat-generaal kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

  • 2. De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, onderscheidenlijk de advocaat-generaal, uitgeoefend.

  • 3. De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, kan niet aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar worden opgedragen indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Daarvan is in elk geval sprake voor zover het gaat om het optreden ter terechtzitting in strafzaken en de toepassing van de dwangmiddelen als bedoeld in Titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld.

Artikel 127

Onze Minister van Justitie kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.

Artikel 128
  • 1. Onze Minister van Justitie stelt het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een concreet geval een aanwijzing geeft inzake de opsporing of vervolging van strafbare feiten.

  • 2. Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van het College wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

  • 3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

  • 4. Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen een week daarna op schrift gesteld. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van een voorgenomen aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze door het College.

  • 5. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, door de officier van justitie bij de processtukken gevoegd. Voor zover het belang van de staat zich naar het oordeel van Onze Minister daartegen verzet, blijft voeging bij de processtukken achterwege, met dien verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring wordt gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven.

  • 6. Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, voor zover het verstrekken van de desbetreffende stukken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 129
  • 1. Het College verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze nodig heeft.

  • 2. De leden van het openbaar ministerie verstrekken het College de inlichtingen die het College nodig heeft.

AFDELING 2. INRICHTING
Artikel 130
  • 1. Er is een College van procureurs-generaal.

  • 2. Het College staat aan het hoofd van het openbaar ministerie.

  • 3. Het College bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van ten minste drie en ten hoogste vijf procureurs-generaal. Bij koninklijk besluit wordt een van de procureurs-generaal benoemd tot voorzitter van het College voor een periode van ten hoogste drie jaar. Hij kan eenmaal worden herbenoemd.

  • 4. Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.

Artikel 131
  • 1. Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen indien niet ten minste drie leden aanwezig zijn.

  • 2. Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen.

  • 3. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

  • 4. Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Justitie. Het reglement of een wijziging daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 5. In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen de voorzitter een voorgenomen beslissing aan Onze Minister van Justitie voorlegt.

Artikel 132
  • 1. Het College van procureurs-generaal verdeelt de werkzaamheden onder de procureurs-generaal.

  • 2. Onze Minister van Justitie kan bepaalde werkzaamheden opdragen aan de voorzitter van het College.

Artikel 133
  • 1. Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  • 2. De uitoefening van een bevoegdheid door een procureur-generaal overeenkomstig het eerste lid geschiedt in naam en onder verantwoordelijkheid van het College.

  • 3. Het College kan ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid algemene en bijzondere aanwijzingen geven.

Artikel 134
  • 1. Het openbaar ministerie bestaat uit:

    a. het parket-generaal;

    b. de arrondissementsparketten;

    c. het landelijk parket;

    d. de ressortsparketten.

  • 2. De arrondissementsparketten en de ressortsparketten zijn gevestigd in de plaatsen van vestiging van de arrondissementsrechtbanken respectievelijk van de gerechtshoven.

Artikel 135
  • 1. Bij het parket-generaal zijn werkzaam:

    a. de procureurs-generaal die het College vormen;

    b. andere ambtenaren.

  • 2. Bij het parket-generaal kunnen ambtenaren werkzaam zijn in alle rangen, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 138.

  • 3. Aan het hoofd van het parket-generaal staat het College.

  • 4. De procureurs-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal bij de ressortsparketten, plaatsvervangend officier van justitie bij de arrondissementsparketten en plaatsvervangend officier van justitie bij het landelijk parket.

Artikel 136
  • 1. Bij een arrondissementsparket zijn werkzaam:

    a. officieren van justitie;

    b. plaatsvervangende officieren van justitie;

    c. andere ambtenaren.

  • 2. Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat een officier van justitie in de rang van hoofdofficier en met de titel hoofd van het arrondissementsparket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket.

  • 3. Bij een arrondissementsparket wordt tevens een officier van justitie benoemd hetzij – indien in het arrondissement twee politieregio's gelegen zijn – in de rang van fungerend hoofdofficier, hetzij – indien dat niet het geval is – in de rang van plaatsvervangend hoofdofficier. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het arrondissementsparket wordt hij vervangen door de fungerend onderscheidenlijk door de plaatsvervangend hoofdofficier.

  • 4. De overige officieren van justitie worden benoemd in de rang van officier eerste klasse, officier of substituut-officier.

  • 5. De officieren van justitie bij een arrondissementsparket zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie bij de overige arrondissementsparketten en bij het landelijk parket.

  • 6. Het College van procureurs-generaal kan een officier van justitie bij een arrondissementsparket benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal.

Artikel 137
  • 1. Bij het landelijk parket zijn werkzaam:

    a. officieren van justitie;

    b. plaatsvervangende officieren van justitie;

    c. andere ambtenaren.

  • 2. Aan het hoofd van het landelijk parket staat een officier van justitie in de rang van hoofdofficier en met de titel hoofd van het landelijk parket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket.

  • 3. Bij het landelijk parket wordt tevens een officier van justitie benoemd in de rang van plaatsvervangend hoofdofficier. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het landelijk parket wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier.

  • 4. De overige officieren van justitie worden benoemd in de rang van officier eerste klasse, officier of substituut-officier.

  • 5. De officieren van justitie bij het landelijk parket zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie bij de arrondissementsparketten.

  • 6. Het College van procureurs-generaal kan een officier van justitie bij het landelijk parket benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal.

Artikel 138
  • 1. Bij een ressortsparket zijn werkzaam:

    a. advocaten-generaal;

    b. plaatsvervangende advocaten-generaal;

    c. andere ambtenaren.

  • 2. Aan het hoofd van een ressortsparket staat een advocaat-generaal in de rang van hoofdadvocaat-generaal en met de titel hoofd van het ressortsparket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket.

  • 3. Bij een ressortsparket wordt tevens een advocaat-generaal benoemd in de rang van plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal. Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het ressortsparket wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal.

  • 4. De overige advocaten-generaal worden benoemd in de rang van ressorts-advocaat-generaal.

  • 5. De advocaten-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal bij de overige ressortsparketten.

  • 6. Het College van procureurs-generaal kan een advocaat-generaal benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie.

Artikel 139
  • 1. De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het College.

  • 2. De andere bij een parket werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het hoofd van het parket.

  • 3. De bij het parket-generaal werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het College.

AFDELING 3. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 140
  • 1. De procureurs-generaal, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal moeten aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, hebben verkregen het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren, mits dit doctoraat of dit recht verkregen is op grond van het afleggen van een examen in het Nederlands burgerlijk en handelsrecht en strafrecht, alsmede in een van de drie volgende vakken: het Nederlands staatsrecht, administratief recht of belastingrecht.

  • 2. De officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie moeten aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, hebben verkregen het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren, mits dit doctoraat of dit recht verkregen is op grond van het afleggen van een examen in het Nederlands burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.

  • 3. De procureurs-generaal, de advocaten-generaal en de officieren van justitie worden benoemd bij koninklijk besluit. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de benoemingsprocedure.

  • 4. De plaatsvervangende advocaten-generaal en de plaatsvervangende officieren van justitie worden benoemd door Onze Minister van Justitie, tenzij artikel 136, zesde lid, artikel 137, zesde lid, of artikel 138, zesde lid, van toepassing is.

Artikel 141

In afwijking van artikel 5, eerste lid, worden de plaatsvervangers van rechtswege en de door het College van procureur-generaal benoemde plaatsvervangers niet als zodanig beëdigd.

Artikel 142

Onze Minister van Justitie kan een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 140, belasten met de waarneming van een ander ambt bij het openbaar ministerie.

Artikel 143
  • 1. De in artikel 140 bedoelde rechterlijke ambtenaren zijn verplicht tot het geven van inlichtingen wanneer de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 122, tweede lid, daarom vraagt.

  • 2. Artikel 25 is op de in artikel 140 bedoelde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.

Artikel 144

Artikel 28a is op de in artikel 140 bedoelde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 5. RECHTERLIJKE AMBTENAREN IN OPLEIDING

Artikel 145
  • 1. Personen die de graad of hoedanigheid bezitten als bedoeld in artikel 48, eerste lid, kunnen door Onze Minister van Justitie worden aangesteld als rechterlijk ambtenaar in opleiding.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de selectie, de aanstelling, de opleiding en andere aangelegenheden, de rechtspositie van de rechterlijke ambtenaren in opleiding betreffende.

HOOFDSTUK 6. CITEERTITEL

Artikel 146

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de rechterlijke organisatie.

ARTIKEL II

De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren2 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. rechterlijke ambtenaren: de in de Wet op de rechterlijke organisatie als zodanig aangeduide ambtenaren.

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «artikel 59i, tweede lid,» vervangen door: artikel 145.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:

    a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een kantongerecht en de daarbij benoemde gerechtsauditeurs: de kantonrechter, oudste in rang van benoeming.

    b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een rechtbank, de daarbij benoemde gerechtsauditeurs, rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een rechtbank, alsmede de kantonrechters, oudste in rang van benoeming, binnen het rechtsgebied van de rechtbank: de president van die rechtbank.

    c. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een hof, de daarbij benoemde gerechtsauditeurs, alsmede de presidenten van de rechtbanken binnen het rechtsgebied van het hof: de president van dat hof;

    d. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van de Hoge Raad, de daarbij benoemde gerechtsauditeurs, alsmede de presidenten van de hoven: de president van de Hoge Raad;

    e. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal, de advocaten-generaal in buitengewone dienst, de plaatsvervangende en de waarnemende advocaten-generaal bij de Hoge Raad: de procureur-generaal bij de Hoge Raad;

    f. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een arrondissementsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een arrondissementsparket: het hoofd van dat arrondissementsparket;

    g. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van het landelijk parket: het hoofd van het landelijk parket;

    h. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een ressortsparket: het hoofd van dat ressortsparket;

    i. ten aanzien van de hoofden van de parketten: het College van procureurs-generaal;

    j. ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal: Onze Minister.

    k. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de buitenstage: de rector, bedoeld in het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren.

B

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «en plaatsvervangende officieren van justitie» vervangen door: , plaatsvervangende advocaten-generaal en plaatsvervangende officieren van justitie.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Zij kunnen voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door de president van het desbetreffende college, door de kantonrechter, oudste in rang van benoeming, bij het desbetreffende kanton, door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, onderscheidenlijk door het hoofd van het desbetreffende parket.

C

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «en plaatsvervangende officieren van justitie» vervangen door: , plaatsvervangende advocaten-generaal en plaatsvervangende officieren van justitie.

2. In het vijfde lid wordt «plaatsvervangende officieren van justitie» vervangen door: plaatsvervangende advocaten-generaal en plaatsvervangende officieren van justitie.

D

Artikel 7, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. De tekst achter categorie 3 komt te luiden: raadsheer in en advocaat-generaal bij de Hoge Raad; president van een gerechtshof; president van de arrondissementsrechtbanken te Amsterdam, 's-Gravenhage en Rotterdam; procureur-generaal, lid van het College van procureurs-generaal; hoofdofficier bij de arrondissementsparketten te Amsterdam, 's-Gravenhage en Rotterdam; hoofdofficier bij het landelijk parket.

2. De tekst achter categorie 4 komt te luiden: president van de overige arrondissementsrechtbanken; hoofdadvocaat-generaal; hoofdofficier bij de overige arrondissementsparketten;.

3. In de tekst achter categorie 5 vervalt «en plaatsvervangend procureur-generaal bij».

4. In de tekst achter categorie 6 wordt «fungerend hoofdofficier van justitie» vervangen door: fungerend hoofdofficier.

5. De tekst achter categorie 7 komt te luiden: vice-president van een gerechtshof; coördinerend vice-president van een arrondissementsrechtbank; plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal; plaatsvervangend hoofdofficier;.

6. De tekst achter categorie 8 komt te luiden: raadsheer in een gerechtshof; vice-president van een arrondissementsrechtbank; ressorts-advocaat-generaal; officier eerste klasse;.

7. In de tekst achter categorie 9 wordt «arrondissementsofficier van justitie» vervangen door: officier;.

8. In de tekst achter categorie 10 wordt «substituut-officier van justitie» vervangen door: substituut-officier.

E

Indien het bij koninklijke boodschap van 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (kamerstukken II, 25 404, 1996/97)3 tot wet wordt verheven en in werking treedt, komt in onderdeel D het zesde onderdeel te luiden:

6. De tekst achter categorie 8 komt te luiden: raadsheer in een gerechtshof; vice-president van een arrondissementsrechtbank; ressorts-advocaat-generaal; officier eerste klasse; kantonrechter in de niet in categorie 8a genoemde kantons;

F

Artikel 9 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «en plaatsvervangende officieren van justitie» vervangen door: , plaatsvervangende advocaten-generaal en plaatsvervangende officieren van justitie.

2. In het tweede lid wordt «en plaatsvervangende officieren van justitie» vervangen door: , plaatsvervangende advocaten-generaal en plaatsvervangende officieren van justitie.

3. Het derde lid wordt gewijzigd als volgt:

a. Onder verlettering van onderdeel c in onderdeel d wordt een nieuw onderdeel c ingevoegd, luidende:

c. wordt een plaatsvervangend advocaat-generaal gelijk gesteld met een advocaat-generaal bij hetzelfde ressortsparket;.

b. In onderdeel d (nieuw) wordt «arrondissementsparket» vervangen door: parket.

G

In artikel 13, derde lid, wordt «en een ander met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht, alle aangewezen door Onze Minister» vervangen door: en een andere met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, allen aangewezen door Onze Minister.

H

Artikel 17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «overgang in 's Rijks dienst naar een ander ambt» vervangen door: overgang naar een andere functie binnen de rijksoverheid.

2. In het vijfde lid wordt «één dertigste» vervangen door: 1/30.

I

Indien het bij koninklijke boodschap van 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (kamerstukken II, 25 404, 1996/97) tot wet wordt verheven en in werking treedt, vervalt het eerste onderdeel van onderdeel H.

J

Artikel 22, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het hoofd van het parket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren bij het parket en stelt, indien daartoe aanleiding bestaat, de tijden vast waarop de werkzaamheden worden verricht.

K

Indien het bij koninklijke boodschap van 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (kamerstukken II, 25 404, 1996/97) tot wet wordt verheven en in werking treedt, vervalt in onderdeel J de zinsnede «en stelt, indien daartoe aanleiding bestaat, de tijden vast waarop de werkzaamheden worden verricht».

L

Artikel 29, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de presidenten van de rechtbanken en de hoven, de kantonrechters, oudste in rang van benoeming, de leden van het College van procureurs-generaal en de hoofden van de parketten.

M

In artikel 33, tweede lid, wordt «is aangesteld of aangewezen» vervangen door: werkzaam is.

N

In artikel 40, eerste lid, wordt «gelegen» vervangen door: gevestigd.

O

Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid wordt «of parket» vervangen door: , het desbetreffende parket dan wel het parket-generaal.

2. Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd dat luidt:

  • 4. Onze Minister geeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad kennis van de betrekkingen die de leden van het College van procureurs-generaal buiten hun ambt vervullen.

P

Artikel 48, vijfde lid, vervalt.

Q

In artikel 54, tweede lid, onderdeel a, wordt «, behoudens voor zover het betreft de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad,» vervangen door: , behoudens de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren,.

R

Artikel 55 komt te luiden:

Artikel 55

Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

S

De artikelen 56 tot en met 66 vervallen.

ARTIKEL III

De Beroepswet4 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 15, vierde lid, wordt «24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110» vervangen door: 3, tweede lid, 5, eerste lid, 24, 28, 28a en 108 tot en met 110.

B

In artikel 16, zesde lid, wordt «28, 28a en 29» vervangen door: 5, eerste lid, 28 en 28a.

ARTIKEL IV

De Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie5 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 16, vierde lid, wordt «24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110» vervangen door: 3, tweede lid, 5, eerste lid, 24, 28, 28a en 108 tot en met 110.

B

In artikel 17, vijfde lid, wordt «28, 28a en 29» vervangen door: 5, eerste lid, 28 en 28a.

ARTIKEL V

In artikel 109a, vierde lid, van de Wet op de studiefinanciering6 wordt «24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110» vervangen door: 3, tweede lid, 5, eerste lid, 24, 28, 28a en 108 tot en met 110.

ARTIKEL VI

In artikel 1 van de Wet van 16 augustus 1951 (Stb. 386)7 tot openstelling van rechterlijke betrekkingen, advocatuur en notariaat voor bepaalde groepen van Indische juristen, notarissen en candidaat-notarissen wordt «29a» vervangen door: 3, eerste lid.

ARTIKEL VII

De Advocatenwet8 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

De procureurs oefenen hun functies uit overeenkomstig het bij en krachtens de Wet op de rechterlijke organisatie en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde.

B

Paragraaf 6 komt te luiden:

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 70

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het ambtskostuum van de advocaten en procureurs.

Artikel 71

Deze wet wordt aangehaald als: Advocatenwet.

C

Paragraaf 8 vervalt.

ARTIKEL VIII

Het Wetboek van Strafvordering9 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 2 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende categorie toegevoegd: die te Rotterdam, indien de officier van justitie bij het landelijk parket met de vervolging van het strafbare feit is belast.

2. In het tweede lid wordt «de rechtbank bij wie de vervolging het eerst is aangevangen» vervangen door: de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is ingesteld.

B

Het opschrift van het Eerste Boek, Titel I, Derde Afdeling, komt te luiden: Vervolging van strafbare feiten.

C

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Het College van procureurs-generaal waakt voor de richtige vervolging van de strafbare feiten waarvan de kantongerechten, de rechtbanken en de gerechtshoven kennisnemen. Het geeft daartoe de nodige bevelen aan de hoofden van de parketten.

D

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. De officier van justitie bij het arrondissementsparket is belast met de vervolging van strafbare feiten waarvan de rechtbank in het arrondissement of de kantongerechten binnen het arrondissement kennisnemen.

  • 2. De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de vervolging van de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

  • 3. De advocaat-generaal bij het ressortsparket is belast met de vervolging van de strafbare feiten waarvan het gerechtshof in het ressort kennis neemt.

E

Artikel 11 vervalt.

F

Aan artikel 12, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de beslissing tot niet vervolging is genomen door de officier van justitie bij het landelijk parket, is bevoegd het gerechtshof te 's-Gravenhage.

G

In de artikelen 12a, 12f, tweede lid, en 13, eerste lid, wordt «de procureur-generaal» telkens vervangen door: de advocaat-generaal.

H

In artikel 13a wordt «de leden en den procureur-generaal voorkomt» vervangen door: de leden en de advocaat-generaal voorkomt.

I

Artikel 140 komt te luiden:

Artikel 140

Het College van procureurs-generaal waakt voor de richtige opsporing van de strafbare feiten waarvan de kantongerechten, de rechtbanken en de gerechtshoven kennis nemen. Het geeft daartoe de nodige bevelen aan de hoofden van de parketten.

J

In artikel 142, eerste lid, onderdeel a, wordt «de procureur-generaal» vervangen door: het College van procureurs-generaal.

K

Na artikel 148 worden twee nieuwe artikelen toegevoegd, luidende als volgt:

Artikel 148a

  • 1. De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

  • 2. Artikel 148, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 148b

De officier van justitie verleent de advocaat-generaal op diens verzoek de nodige bijstand bij het opsporingsonderzoek in zaken die in hoger beroep bij het gerechtshof aanhangig zijn.

L

In de artikelen 412, eerste en tweede lid, 413, tweede lid, 414, eerste lid, 416, 419, 420, 422a, eerste lid, en 423, tweede lid, wordt «procureur-generaal» telkens vervangen door: advocaat-generaal.

M

Artikel 453 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid wordt vernummerd tot derde lid.

2. Na het eerste lid wordt een tweede lid (nieuw) ingevoegd, luidende:

  • 2. In het geval de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, is de advocaat-generaal tevens tot intrekking van het hoger beroep bevoegd. Van het gebruik van deze bevoegdheid doet de advocaat-generaal onverwijld mededeling aan de officier van justitie.

N

Artikel 454 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede, derde en vierde lid worden vernummerd tot derde, vierde en vijfde lid.

2. Na het eerste lid wordt een tweede lid (nieuw) ingevoegd, luidende:

  • 2. In het geval van artikel 453, tweede lid, wordt de verklaring afgelegd op de griffie van het gerechtshof. De griffier van het gerechtshof doet hiervan mededeling aan de griffier van het gerecht, bedoeld in het eerste lid.

O

In de artikelen 509w, tweede lid, en 511g, tweede lid, onderdelen a en d, wordt «procureur-generaal» telkens vervangen door: advocaat-generaal.

P

In artikel 552i, eerste lid, wordt aan het slot, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: dan wel aan de officier van justitie bij het landelijk parket.

Q

Artikel 552j komt te luiden:

Artikel 552j

De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. Indien handelingen in meer dan één arrondissement moeten worden verricht, is in elk van die arrondissementen de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het gehele verzoek bevoegd. De officier van justitie die het gehele verzoek in behandeling heeft genomen roept voor de uitvoering ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbare ministerie in andere rechtsgebieden. In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement.

ARTIKEL IX

De Politiewet 199310 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt «procureur-generaal: de procureur-generaal bij het gerechtshof binnen welks rechtsgebied de regio is gelegen» vervangen door: College: het College van procureurs-generaal, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

B

Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «De procureur-generaal ziet toe dat de politie in zijn ambtsgebied» vervangen door: Het College ziet toe dat de politie.

2. In het tweede lid wordt «Hij» vervangen door «Het College».

C

In de artikelen 20, eerste en tweede lid, 25, tweede lid, 29, eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, en 56, eerste lid, wordt «de procureur-generaal» telkens vervangen door: het College.

D

In artikel 43, eerste lid, wordt «De procureur-generaal» vervangen door: Het College.

E

In artikel 54, tweede lid, wordt «de betrokken procureur-generaal» vervangen door: het College.

F

Artikel 56 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «De procureur-generaal» vervangen door: Het College.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig is, brengt het College de aanvrage van de korpsbeheerder om bijstand ter kennis van Onze Minister van Justitie, die de nodige voorzieningen treft en het College daarvan in kennis stelt.

3. Het derde lid vervalt en het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.

G

In artikel 57, tweede lid, wordt «de procureur-generaal», alsmede «de betrokken procureurs-generaal», telkens vervangen door: het College.

ARTIKEL X

In artikel 85, tweede lid, van de Arbeidswet 191911 wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal bij het gerechtshof.

ARTIKEL XI

In artikel 133, eerste lid, van de Pachtwet12 wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XII

In artikel 4, vierde lid, van de Vreemdelingenwet13 wordt «De procureurs-generaal, fungerende directeuren van politie, zien toe» vervangen door: In ondergeschiktheid aan het College van procureurs-generaal zien de hoofden van de arrondissementsparketten toe.

ARTIKEL XIII

Artikel 3, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften14 komt te luiden:

  • 4. Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op de bij deze wet geregelde handhaving van verkeersvoorschriften. Het geeft daartoe bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten.

ARTIKEL XIV

In artikel V, eerste lid, van de Wet bescherming staatsgeheimen 195115 wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XV

De Algemene wet op het binnentreden16 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal.

B

In artikel 5, tweede lid, wordt «procureur-generaal bij de gerechtshof» vervangen door: advocaat-generaal bij het gerechtshof.

C

In artikel 5, tweede en derde lid, wordt «procureur-generaal» telkens vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XVI

Artikel 61 van de Wet op de economische delicten17 vervalt.

ARTIKEL XVII

In artikel 13, eerste lid, van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag18 wordt «de procureurs-generaal bij de gerechtshoven» vervangen door: het College van procureurs-generaal.

ARTIKEL XVIII

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten19 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 22, eerste lid, wordt «de procureur-generaal» vervangen door: het College van procureurs-generaal.

B

In artikel 22, derde lid, wordt «de betrokken procureur-generaal» vervangen door: een lid van het College van procureurs-generaal.

ARTIKEL XIX

De Wet oorlogsstrafrecht20 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 15, eerste lid, onder 1°, vervalt: procureur-generaal of.

B

In artikel 36, tweede lid, wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XX

In artikel 2 van de Wet tarieven in strafzaken21 wordt «de procureur-generaal bij het gerechtshof» vervangen door: de advocaat-generaal bij het gerechtshof.

ARTIKEL XXI

In de artikelen 345, tweede lid, 348, 349, 349a, tweede lid, 353, tweede lid, 355, eerste lid, en 357, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek22 wordt «procureur-generaal» telkens vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XXII

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering23 wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 56, vierde lid, 59, eerste lid, 415, tweede lid en 429, eerste lid wordt «het openbaar ministerie» telkens vervangen door: de procureur-generaal bij de Hoge Raad.

B

In artikel 999, tweede lid, wordt «procureur-generaal» vervangen door: advocaat-generaal.

ARTIKEL XXIII

Het Wetboek van Strafrecht24 wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 13b, derde en vijfde lid, 13c, 15b, eerste, vierde en vijfde lid, en 15c, derde lid, wordt «procureur-generaal» telkens vervangen door: advocaat-generaal.

B

Artikel 74c, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. De ambtenaren bekleed met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maken hiervan gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van procureurs-generaal.

ARTIKEL XXIV

De Wet op de samenstelling op de burgerlijke gerechten25 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 2, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde tot tweede lid.

B

Artikel 3, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

C

In artikel 4 vervallen het tweede en vijfde lid onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

ARTIKEL XXV

In artikel 72, onderdeel d, van de Wet militaire strafrechtspraak26 wordt de zinsnede «het parket van de Procureur-Generaal bij het gerechtshof» vervangen door: het ressortsparket.

ARTIKEL XXVI

Artikel 2, tweede lid, van de Ambtenarenwet27 komt te luiden:

  • 2. De artikelen 125, 125bis, 125a, 125c, 125d, 125f en 126 zijn niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, g en h, en 108, en de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

ARTIKEL XXVII

Indien dit voorstel van wet tot wet wordt verheven en in werking treedt, voordat artikel III van de Wet van 2 november 1994 (Stb. 803), houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten houdende verbeteringen en aanvullingen van overwegend technische aard, in werking treedt, dan wordt in die wet artikel III als volgt gewijzigd:

A

De onderdelen C en D vervallen.

B

In onderdeel E vervalt «de procureurs-generaal bij, de plaatsvervangend procureurs-generaal bij, de advocaten-generaal bij,».

C

In onderdeel F vervalt «de procureur-generaal bij, de plaatsvervangend procureur-generaal bij, de advocaten-generaal bij,».

D

Na onderdeel G worden drie nieuwe onderdelen toegevoegd die luiden als volgt:

H

Artikel 112, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal moeten op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.

I

In artikel 140 worden onder vernummering van het derde en vierde lid tot het tweede en derde lid het eerste en tweede lid vervangen door een nieuw eerste lid dat luidt als volgt:

  • 1. De procureurs-generaal, de advocaten-generaal, de plaatsvervangende advocaten-generaal, de officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie moeten op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.

J

Artikel 145, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Onze Minister van Justitie kan rechterlijke ambtenaren in opleiding aanstellen. De rechterlijke ambtenaren in opleiding moeten op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.

ARTIKEL XXVIII

Artikel 59, derde lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht28 komt te luiden:

  • 3. De bevelvoerende militairen bekleed met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maken hiervan gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van procureurs-generaal.

ARTIKEL XXIX

De tekst van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren worden in het Staatsblad geplaatst.

ARTIKEL XXX

  • 1. De benoemingen van de procureurs-generaal bij de gerechtshoven worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot procureur-generaal, lid van het College van procureurs-generaal. Zij worden als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd.

  • 2. De benoemingen van de plaatsvervangende procureurs-generaal bij de gerechtshoven worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot advocaat-generaal in de rang van hoofdadvocaat-generaal en met de titel hoofd van het ressortsparket. Zij worden als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd.

ARTIKEL XXXI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te Hongkong, 19 april 1999

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de zevenentwintigste mei 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

1 Stb. 1972, 463, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

2 Stb. 1996, 590, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

3 Stb. 1998, 120.

4 Stb. 1994, 3, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 744.

5 Stb. 1994, 4, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 oktober 1998, Stb. 610.

6 Stb. 1997, 254, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

7 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 juni 1992, Stb. 278.

8 Stb. 1994, 418, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

9 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

10 Stb. 1994, 145, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 september 1998, Stb. 535.

11 Stb. 1930, 388A, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1997, Stb. 660.

12 Stb. 1958, 37, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

13 Stb. 1965, 40, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

14 Stb. 1997, 275, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

15 Stb. 1951, 92, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1996, Stb. 366.

16 Stb. 1994, 572, gewijzigd bij de wet van 26 april 1995, Stb. 250.

17 Stb. 1950, K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1999, Stb. 190.

18 Stb. 1955, 395, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 februari 1997, Stb. 63.

19 Stb. 1987, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1996, Stb. 525.

20 Stb. 1952, 408, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

21 Stb. 1963, 130, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 december 1993, Stb. 725.

22 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 1999, Stb. 184.

23 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

24 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 februari 1999, Stb. 110.

25 Stb. 1978, 565, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 november 1998, Stb. 630.

26 Stb. 1990, 370, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 november 1996, Stb. 590.

27 Stb. 1994, 5, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1999, Stb. 190.

28 Stb. 1964, 9, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1997, Stb. 660.


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/97, 1997/98, 25 392.

Handelingen II 1997/98, blz. 4788–4815; 4817–4843; 5564–5573; 5644.

Kamerstukken I 1997/98, 25 392 (330); 1998/99, 25 392 (46, 46a, 46b, 46c, 46d).

Handelingen I 1998/99, blz. 1169–1179; 1183–1196.