Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 1999, 185Wet

Wet van 27 maart 1999 tot wijziging van de Ziekenfondswet, de Wet tarieven gezondheidszorg en de Wet ziekenhuisvoorzieningen in verband met wijzigingen in de taak, samenstelling en werkwijze van de in die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede wijziging van andere wetten in verband daarmee (uitvoeringsorganen volksgezondheid)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de algehele herziening van het adviesstelsel aanleiding geeft de taak, samenstelling en werkwijze van een aantal bestuursorganen op het terrein van de volksgezondheid te wijzigen en dat het derhalve wenselijk is daartoe de Ziekenfondswet, de Wet tarieven gezondheidszorg en de Wet ziekenhuisvoorzieningen alsmede enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. WIJZIGING VAN DE ZIEKENFONDSWET

ARTIKEL I

De Ziekenfondswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. het College: het College, bedoeld in artikel 1a;.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

i. algemene verzekering bijzondere ziektekosten: de verzekering, ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

j. Algemene Kas: de kas, bedoeld in artikel 1q, eerste lid.

B. Na artikel 1 worden drie nieuwe hoofdstukken ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IA. HET COLLEGE VOOR ZORGVERZEKERINGEN

Artikel 1a
  • 1. Er is een College voor zorgverzekeringen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

  • 2. Het College is belast met de taken die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet financiering volksverzekeringen, de Overgangswet verzorgingshuizen, de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998, de Wet tarieven gezondheidszorg, de Wet ziekenhuisvoorzieningen, een andere wet of een internationale overeenkomst.

  • 3. De taken van het College worden, tenzij anders bepaald, uitgevoerd door het bestuur. Het College wordt, behoudens voor zover het betreft taken van de Commissie, genoemd in artikel 1u, eerste lid, in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Artikel 1b
  • 1. Het bestuur van het College bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter.

  • 2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het College.

  • 4. Bij de samenstelling van het bestuur van het College wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

  • 5. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar.

    Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

  • 6. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van het bestuur van het College en leden van commissies vastgesteld en kunnen nadere regels over hun rechtspositie worden vastgesteld.

Artikel 1c
  • 1. Het College stelt een bestuursreglement vast. Daarin worden in ieder geval regels gesteld omtrent de wijze waarop besluiten worden voorbereid, genomen en uitgevoerd.

  • 2. In het bestuursreglement kan het College voorzien in de instelling van commissies, in welk geval in het bestuursreglement tevens regels worden gesteld omtrent de samenstelling en taken van de ingestelde commissies. In commissies kunnen ook personen deelnemen die geen lid van het College zijn.

  • 3. Vergaderingen van het bestuur en van commissies van het College zijn openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

  • 4. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 1d
  • 1. Het College benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

  • 2. Het College stelt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel regels vast.

Artikel 1e

Het College zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Het werkprogramma behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het werkprogramma aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het werkprogramma algemeen verkrijgbaar.

Artikel 1f

Het College zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een begroting van zijn beheerskosten voor het volgende kalenderjaar, alsmede een meerjarenraming. De begroting en de meerjarenraming behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 1g

Het College zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een verslag van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder, alsmede gegevens omtrent de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 1h
  • 1. Het College brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een financieel verslag over zijn beheerskosten over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van de ontvangsten en uitgaven, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financiële beheer.

  • 2. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het financieel verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het financieel verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 1i

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 1j

De beheerskosten van het College worden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels tot ten hoogste de in de begroting aangegeven bedragen gedekt uit de Algemene Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen.

Artikel 1k

Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening van de taken van het College.

Artikel 1l
  • 1. Een besluit van het bestuur van het College of van de commissie, bedoeld in artikel 1u, kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

  • 2. Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 1m

Het College geeft aan de ziekenfondsen en aan de rechtspersonen, bedoeld in artikel 14, aan de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen, bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan de rechtspersonen, bedoeld in artikel 16 van die wet, aan personen en instellingen die vormen van hulp of zorg kunnen verlenen, alsmede op verzoek van Onze Minister aan verzekerden voorlichting omtrent het beleid op het terrein van de ziektekostenverzekering.

Artikel 1n
  • 1. Het College rapporteert desgevraagd aan Onze Minister omtrent de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid op het terrein van de ziekenfondsverzekering of de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

  • 2. Het College signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de ziekenfondsverzekering of de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

Artikel 1o

Het College bevordert de afstemming van de uitvoering van de ziekenfondsverzekering en van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en bevordert de afstemming van de uitvoering van die verzekeringen met de uitvoering van het beleid op andere terreinen van sociale zekerheid.

Artikel 1p
  • 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het College ten laste van de Algemene Kas dan wel ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen, overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt:

    a. voor voorzieningen, ten aanzien waarvan het voornemen bestaat deze te doen opnemen in de aanspraken ingevolge deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    b. voor voorzieningen die aan verzekerden ingevolge deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden geboden in plaats van een voorziening waarop ingevolge die wetten aanspraak bestaat;

    c. voor activiteiten welke ten doel hebben verbetering van de zorgverlening te bevorderen;

    d. ten behoeve van verzekerden ingevolge deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten om hen de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak ingevolge die wetten zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven;

    e. voor onderzoek met betrekking tot de uitvoering van deze wet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    f. voor andere bij die regeling aan te wijzen doeleinden, verband houdende met de verzekering ingevolge deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de volksgezondheid in het algemeen.

  • 2. In een regeling als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald dat daarbij aan te wijzen bevoegdheden met betrekking tot de verstrekking van subsidies worden uitgeoefend door een of meer door het College aan te wijzen rechtspersonen als bedoeld in artikel 14 van deze wet of artikel 16 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

  • 3. Onze Minister maakt jaarlijks voor elke categorie van subsidies het subsidieplafond voor het komende jaar bekend.

Artikel 1q
  • 1. Er is een Algemene Kas, waarin gestort worden de gelden, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onder a, met uitzondering van de nominale premies, bedoeld in de artikelen 17 en 18, tweede lid, alsmede de gelden, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onder b, en tweede lid.

  • 2. Het College is belast met het beheer van de Algemene Kas.

  • 3. De middelen van de Algemene Kas worden aangewend:

    a. ten behoeve van gehele of gedeeltelijke dekking van de kosten van de ziekenfondsverzekering;

    b. ten behoeve van uitgaven voor de ziekenfondsverzekering, voortvloeiende uit enige andere wettelijke regeling of uit overeenkomsten;

    c. ten behoeve van het verstrekken van subsidies als bedoeld in artikel 1p;

    d. ten behoeve van het vormen van een reserve, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 4. Indien personen onder de werking van deze wet vallen, op wie de regeling van artikel 415 van het Wetboek van Koophandel van toepassing is, en krachtens artikel 5, eerste lid, een ziekenfonds wordt aangewezen, waarbij bedoelde personen zich bij uitsluiting aanmelden, wordt bij algemene maatregel van bestuur een afzonderlijke kas ingesteld, waarin de gelden worden gestort, welke zijn opgebracht voor bij dit ziekenfonds verzekerde personen. Bij of krachtens die algemene maatregel worden regelen gesteld omtrent het beheer, de verantwoording, de verslaglegging en de rekenplichtigheid aan Onze Minister alsmede omtrent de aanwending van de middelen van de in de eerste volzin bedoelde kas.

Artikel 1r
  • 1. Het College houdt de financiële middelen die deel uitmaken van de Algemene Kas, in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën.

  • 2. Het College kan, voor de uitvoering van zijn wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die hij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën houdt.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan het College een deel van de in het eerste lid bedoelde financiële middelen buiten de in het eerste lid bedoelde rekening-courant houden.

  • 4. Onze Minister van Financiën stelt in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met het College, de omvang van het in het derde lid bedoelde deel van de financiële middelen vast.

  • 5. Bij een tekort aan financiële middelen maakt het College gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën worden verleend.

  • 6. Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het College ten aanzien van de rekening-courant, in elk geval met betrekking tot:

    a. de slotstanden per dag;

    b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de rekening-courant.

  • 7. Het College informeert Onze Minister van Financiën ten aanzien van de rekening-courant in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de rekening-courant.

  • 8. Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de rekening-courant geen kosten in rekening.

  • 9. Onze Minister van Financiën stelt in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met het College, regels omtrent de rente die over de saldi van de in het eerste lid bedoelde rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.

  • 10. Onze Minister van Financiën kan in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met het College, regels stellen omtrent het eerste, zesde en zevende lid.

Artikel 1s
  • 1. Het College zendt met betrekking tot de Algemene Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen, jaarlijks voor 31 december aan Onze Minister een financieel verslag over de uitgaven en ontvangsten in het voorafgaande kalenderjaar en de toestand van die kas en dat fonds per 31 december van dat jaar. Artikel 1i is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het financieel verslag gaat vergezeld van:

    a. een verklaring over de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    b. een verklaring van de accountant over de rechtmatigheid van het beheer met betrekking tot de uitgaven en ontvangsten van de Algemene Kas en van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten;

    c. een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financieel beheer;

    d. een rapport over de mate waarin de uitgaven en ontvangsten van de Algemene Kas en van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten zijn gedekt door rechtmatigheidsverklaringen of rechtmatigheidsrapportages van derden.

  • 3. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het financieel verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het financieel verslag algemeen verkrijgbaar.

  • 4. Het College rapporteert Onze Minister gevraagd en ongevraagd omtrent:

    a. de benodigde omvang van de ten laste van de Algemene Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen, besteedbare middelen voor de ziekenfondsverzekering onderscheidenlijk de algemene verzekering bijzondere ziektekosten;

    b. de hoogte van de premie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, en van de premie, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder a, van de Wet financiering volksverzekeringen.

Artikel 1t
  • 1. Het College is tegenover personen of instellingen, die terzake van aan verzekerden verleende verstrekkingen op grond van deze wet vorderingen hebben op een ziekenfonds, aansprakelijk voor de betaling daarvan, wanneer dat ziekenfonds verkeert in de toestand, dat het heeft opgehouden te betalen.

  • 2. Het Rijk is tegenover het College aansprakelijk voor de betalingen, bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK IB. TOEZICHT

Artikel 1u
  • 1. Het College heeft een Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie, verder te noemen: Commissie. De Commissie bestaat uit ten hoogste vijf leden, waaronder de voorzitter, die geen deel uitmaken van het bestuur van het College. Artikel 1b, tweede tot en met zevende lid, en de artikelen 1e en 1g zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De Commissie is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door de ziekenfondsen en de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet financiering volksverzekeringen door de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen alsmede op het functioneren van de genoemde organisaties.

  • 3. De Commissie wijst de ambtenaren aan, die zijn belast met het uitvoeren van het toezicht; van het besluit tot aanwijzing van ambtenaren wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 4. In een krachtens deze wet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet financiering volksverzekeringen of een andere wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan het nemen van een voor de toepassing van die wetten te nemen besluit, voor zover dat voor een goede uitoefening van taken door de Commissie wenselijk is, worden opgedragen aan de Commissie.

  • 5. De Commissie wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter van de Commissie.

Artikel 1v
  • 1. Bij besluit van de Commissie kan worden vastgesteld dat een besluit of een handeling van een ziekenfonds of van een ziektekostenverzekeraar of uitvoerend orgaan als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of het achterwege blijven van een zodanig besluit of een zodanige handeling in strijd is met:

    a. daarbij aangegeven wettelijke voorschriften, voorschriften van het College daaronder begrepen;

    b. het belang van de ziekenfondsverzekering, de algemene verzekering bijzondere ziektekosten of de gezondheidszorg.

  • 2. Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt door de Commissie niet genomen indien tegen het besluit, de handeling of het achterwege blijven van een besluit of handeling van het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan een wettelijke voorziening openstaat.

  • 3. Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt onverwijld ter kennis van het daarbij betrokken ziekenfonds, de daarbij betrokken ziektekostenverzekeraar of het daarbij betrokken uitvoerend orgaan gebracht.

  • 4. Het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan handelt overeenkomstig het besluit van de Commissie en maakt, voor zover zulks mogelijk is, ongedaan hetgeen in strijd met dat besluit is geschied, een en ander binnen vier weken nadat het besluit hem ter kennis is gebracht.

  • 5. Beslissingen tot toekenning van verstrekkingen of vergoedingen aan verzekerden worden niet ingevolge het vierde lid ingetrokken of gewijzigd.

  • 6. De Commissie is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de in het vierde lid bedoelde verplichtingen.

Artikel 1w
  • 1. Indien naar het oordeel van de Commissie bij een ziekenfonds sprake is van wanbeheer of een toestand dreigt te ontstaan waarin het ziekenfonds zijn taak niet naar behoren vervult, kan de Commissie besluiten dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van dat ziekenfonds hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen met toestemming van een of meer door de Commissie aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen. De Commissie brengt een zodanig besluit onverwijld ter kennis van Onze Minister.

  • 2. Het ziekenfonds is verplicht de door de Commissie aangewezen personen alle medewerking te verlenen. Artikel 39 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De Commissie of de door haar aangewezen personen kunnen de betrokken organen van het ziekenfonds, al dan niet onder beperkingen, toestaan bepaalde handelingen zonder de in het eerste lid bedoelde toestemming te verrichten.

  • 4. De door de Commissie aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende een bij het besluit aan te geven tijdvak van ten hoogste twee jaren vanaf het tijdstip, bedoeld in het eerste lid. De Commissie is bevoegd deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen.

  • 5. De Commissie kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door andere vervangen.

  • 6. Voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van het ziekenfonds hebben verricht, persoonlijk aansprakelijk tegenover het ziekenfonds. Het ziekenfonds kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste toestemming ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn.

Artikel 1x

De Commissie is bevoegd, optredende voor een ziekenfonds of voor een ziektekostenverzekeraar of uitvoerend orgaan als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een schadevergoeding te vorderen van een bestuurder of gewezen bestuurder voor schade, veroorzaakt door diens nalatigheid of wanbeheer. De Commissie neemt een hiertoe strekkend besluit niet dan met een meerderheid van ten minste tweederde der uitgebrachte stemmen. De eerste en tweede volzin zijn ten aanzien van ziekenfondsen eveneens van toepassing ten aanzien van degenen, bedoeld in artikel 1w, zesde lid, eerste volzin, voor schade als in dat lid bedoeld.

HOOFDSTUK IC. HET VERSTREKKEN VAN GEGEVENS EN INLICHTINGEN AAN ONZE MINISTER EN AAN ANDERE UITVOERINGSORGANEN

Artikel 1y
  • 1. Het College verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 2. Indien de inlichtingen die het College Onze Minister desgevraagd verstrekt over een ziekenfonds, zulks naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk maken, kan Onze Minister door boekenonderzoek of anderszins de nadere inlichtingen over dat ziekenfonds, welke hij behoeft, bij dat ziekenfonds doen inwinnen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten opzichte van ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 1z

Het College verstrekt desgevraagd aan het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, en aan het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. De bedoelde colleges kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

C. In de artikelen 3, vierde lid, 8, eerste lid, 8c, onder a, 9, tweede lid, en 45, eerste lid, onder b, vervallen telkens de Staatsbladaanduidingen.

D. In de artikelen 5, eerste lid, 13, tweede lid, 38, 40, vierde lid, 73b, eerste lid, 73c, vierde lid, 74, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en 79 wordt telkens «De Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «de Ziekenfondsraad» vervangen door «Het College» onderscheidenlijk «het College».

E. Artikel 8a wordt gewijzigd als volgt:

1. De tweede volzin van het tweede lid vervalt.

2. Het derde lid komt als volgt te luiden:

  • 3. Het College beslist op aanvragen om toelating.

F. Artikel 8e vervalt.

G. In artikel 8f wordt «de ingevolge artikel 8a, vierde lid, verstrekte gegevens» vervangen door: de gegevens, verstrekt bij de aanvraag om toelating.

H. In artikel 8h wordt «Onze Minister» vervangen door: het College.

I. In artikel 8i, tweede volzin, vervalt: , aanhef en onder a,.

J. In artikel 11a, tweede lid, vervalt de tweede volzin.

K. Artikel 14 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de eerste volzin wordt «naar regelen, gesteld door de Ziekenfondsraad en onder verantwoordelijkheid aan dat college» vervangen door: overeenkomstig door het College vast te stellen beleidsregels.

2. In de tweede volzin wordt «De Ziekenfondsraad» vervangen door «Het College» en vervalt: , bedoeld in artikel 71.

L. In de artikelen 14a, tweede lid, en 15, vijfde lid, vervalt: , bedoeld in artikel 71.

M. De artikelen 34 tot en met 37 komen te luiden als volgt:

Artikel 34

  • 1. Een rechtspersoon welke als ziekenfonds werkzaam is, moet daartoe zijn toegelaten door het College.

  • 2. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

  • 3. Toelating als ziekenfonds wordt verleend indien de aanvrager een stichting of onderlinge waarborgmaatschappij is:

    a. die ingevolge haar statuten ten doel heeft in een daarin aangegeven werkgebied het ziektekostenverzekeringsbedrijf uitsluitend uit te oefenen ter uitvoering van deze wet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,

    b. die direct noch indirect beoogt winst te maken,

    c. die in haar statuten waarborgen biedt voor een redelijke mate van invloed van de verzekerden op het bestuur,

    d. die voldoet aan de overige bij of krachtens deze wet aan ziekenfondsen gestelde eisen, en

    e. waarvan ook overigens is te verwachten dat zij de taak van een ziekenfonds naar behoren zal uitoefenen.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de mate van invloed die verzekerden ten minste op het bestuur van een ziekenfonds dienen te hebben.

Artikel 35

  • 1. Bij de beschikking tot toelating als ziekenfonds kunnen aan het ziekenfonds met het oog op een goede uitvoering van deze wet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verplichtingen worden opgelegd.

  • 2. Ook op een later tijdstip kunnen aan het ziekenfonds met het oog op een goede uitvoering van deze wet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verplichtingen worden opgelegd.

    Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin treedt niet in werking dan na verloop van vier weken na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 36

  • 1. De toelating wordt ingetrokken indien het ziekenfonds:

    a. niet meer voldoet aan de eisen, vervat in artikel 34, derde lid, of de aan hem opgelegde verplichtingen, of

    b. in ernstige mate handelt in strijd met de bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van ziekenfondsen gestelde eisen of anderszins zijn taak niet naar behoren vervult.

  • 2. Op aanvraag van het ziekenfonds wordt de toelating met ingang van een daarbij te bepalen datum ingetrokken.

  • 3. Het College regelt de gevolgen van de intrekking van de toelating en de afwikkeling der lopende zaken.

Artikel 37

Van beschikkingen ingevolge de artikelen 34, 35, tweede lid, en 36 wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, onder vermelding van het werkgebied van het betrokken ziekenfonds.

N. Na artikel 38a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38b

  • 1. De toestemming van het College is vereist voor de overdracht van verbintenissen van een ziekenfonds aan een ander ziekenfonds.

  • 2. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

  • 3. Bij de samenvoeging van ziekenfondsen tot een nieuw ziekenfonds gaan alle rechten, welke derden hebben jegens elk der ziekenfondsen welke ophouden te bestaan, over op het nieuwe ziekenfonds.

O. Artikel 39, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. De woorden «de Ziekenfondsraad» worden vervangen door: het College

2. De vermelding «artikel 62a» wordt vervangen door: artikel 1y, tweede lid.

P. Artikel 41 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en vierde lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

2. Het derde lid, onder c, vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt.

Q. Artikel 42 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vijfde lid worden «de Ziekenfondsraad» en «De Ziekenfondsraad» vervangen door «het College» en «Het College».

2. Het zevende lid, onder c, vervalt; de puntkomma aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een punt.

3. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. Van besluiten als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

R. In artikel 43b, eerste lid, vervalt: , bedoeld in artikel 71.

S. Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vijfde lid wordt «Onze Minister kan, gehoord de Ziekenfondsraad,» vervangen door: Het College kan.

2. In het tiende lid wordt «Onze Minister» vervangen door: het College.

T. Artikel 44a komt te luiden:

Artikel 44a

  • 1. Het College stelt ten behoeve van te sluiten overeenkomsten als bedoeld in artikel 44, eerste lid, voor categorieën van personen of instellingen een modelovereenkomst vast.

  • 2. Alvorens een modelovereenkomst vast te stellen, hoort het College de daarbij betrokken organisaties van ziekenfondsen en van personen en instellingen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het overleg tussen de organisaties, bedoeld in artikel 46, eerste lid, binnen de termijn van zes maanden, bedoeld in artikel 44, achtste lid, heeft geleid tot de in artikel 46, tweede lid, bedoelde overeenstemming en de uitkomst daarvan voldoet aan artikel 45, eerste lid, en deze uitkomst de goedkeuring van het College heeft verkregen.

U. Artikel 46 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onverminderd artikel 44, derde lid, wordt omtrent de inhoud van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde overeenkomsten overleg gepleegd tussen de betrokken organisaties van ziekenfondsen en van personen en instellingen.

2. In het tweede lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

V. Artikel 46a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties» vervangen door: betrokken organisaties.

2. In het tweede lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

W. Artikel 47 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid worden «De Ziekenfondsraad» en «artikel 42, achtste lid, » vervangen door «Het College» onderscheidenlijk «artikel 42, vijfde lid,».

2. In het derde lid wordt «Onze Minister, gehoord de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

X. In artikel 49, eerste lid, vervalt de zinsnede «dan wel indien deze overeenkomsten niet de vereiste goedkeuring verwerven, of indien het besluit tot goedkeuring door Ons wordt vernietigd».

Y. Hoofdstuk V en de artikelen 50 tot en met 73a vervallen; het opschrift van Hoofdstuk VA wordt vervangen door:

HOOFDSTUK V. HET VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN VOOR DE UITVOERING VAN DEZE WET

Z. Het opschrift van Hoofdstuk VI komt te luiden:

HOOFDSTUK VI. BEZWAAR EN BEROEP.

Tevens vervalt de vermelding: §1. Recht van bezwaar en beroep

AA. Artikel 77 komt te luiden:

Artikel 77

Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, kan een belanghebbende tegen beschikkingen van Onze Minister, van het bestuur van het College, van de commissie, bedoeld in artikel 1u, en van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1p, tweede lid, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BB. Na artikel 79 vervallen de vermelding «2. schorsing en vernietiging van besluiten» en artikel 81.

CC. In artikel 86 vervalt: door Onze Minister.

DD. In artikel 87 wordt «het eerste lid van artikel 39 of het vierde lid van artikel 41 dan wel het tweede lid van artikel 68a» vervangen door: artikel 1w, tweede lid, artikel 39, eerste lid, of artikel 41, vierde lid,.

EE. Artikel 93a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid vervalt telkens: Ons.

2. In het derde lid vervalt: en 101, tweede lid,.

FF. Na artikel 93a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 94

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 95

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit artikel en vervolgens telkens na vier jaar aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het College.

GG. Artikel 107 komt te luiden:

Artikel 107

Deze wet wordt aangehaald als: Ziekenfondswet.

HOOFDSTUK II. WIJZIGING VAN DE WET TARIEVEN GEZONDHEIDSZORG

Artikel II

De Wet tarieven gezondheidszorg2 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

a. Onderdeel b komt te luiden:

b. het College: het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in artikel 18; .

b. Onderdeel c vervalt.

c. Onderdeel d komt te luiden:

d. het College van Beroep: het College van Beroep voor het bedrijfsleven, bedoeld in artikel 2 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie; .

d. In onderdeel e, onder 1, vervalt de Staatsbladaanduiding.

2. Het zesde lid vervalt.

B. In artikel 2 vervalt de aanduiding «1» voor het eerste lid. Tevens vervalt het tweede lid.

C. Artikel 2a wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

a. De zinsnede «en Onze Minister van Economische Zaken kunnen» wordt vervangen door: kan.

b. Het woord «hun» wordt vervangen door: zijn.

2. In het tweede lid wordt « , Onze Minister van Economische Zaken, en Onze Minister die het op grond van zijn verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van een categorie van organen voor gezondheidszorg of daarmee gelijkgestelde voorzieningen of instellingen mede aangaat, kunnen» vervangen door: kan.

D. In de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

E. Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

2. Het derde lid wordt gewijzigd als volgt:

a. De vermelding «Centraal orgaan» wordt telkens vervangen door: College.

b. De zinsnede «aan Onze Minister van Economische Zaken, aan Onze Minister die het op grond van zijn verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van een categorie van organen voor gezondheidszorg of daarmee gelijkgestelde voorzieningen of instellingen mede aangaat,» vervalt.

3. In het vierde lid wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

F. In artikel 7 wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

G. In artikel 8, eerste tot en met vierde lid, wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

H. Het opschrift van titel 4 en de artikelen 11 tot en met 14 komen te luiden:

TITEL 4. BELEIDSREGELS

Artikel 11
  • 1. Het College stelt beleidsregels vast omtrent de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van een tarief of van onderdelen van een tarief. Het College kan in een beleidsregel opnemen aan wie een tarief in het onderlinge verkeer tussen organen voor gezondheidszorg in rekening dient te worden gebracht.

  • 2. Beleidsregels als bedoeld in het eerste lid kunnen gericht zijn op het tot stand brengen van afhankelijkheid tussen de hoogte van een tarief of tarieven en het totaal van in enige periode in rekening gebrachte, dan wel te brengen tarieven.

Artikel 12
  • 1. Een beleidsregel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Een zodanige beleidsregel wordt daartoe gezonden aan Onze Minister.

  • 2. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.

  • 3. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na verzending bekendgemaakt. Het nemen van een besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

  • 4. Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn geen besluit tot goedkeuring of verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is genomen, wordt een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen.

  • 5. De beleidsregels liggen voor een ieder bij het College ter inzage. Het College doet van de terinzagelegging mededeling in de Staatscourant en in één of meer dag- of nieuwsbladen die landelijk worden verspreid.

Artikel 13
  • 1. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de onderwerpen, waaromtrent ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, door het College beleidsregels worden of kunnen worden vastgesteld.

  • 2. Onze Minister kan in de beleidsregels bepalen dat het College ter vervanging van een reeds goedgekeurd of vastgesteld tarief ambtshalve een ander tarief dient vast te stellen.

  • 3. Onze Minister kan in de beleidsregels bepalen dat de kosten van door hem aangewezen rechtshandelingen waaruit financiële verplichtingen voor een orgaan voor gezondheidszorg kunnen voortvloeien, bij de beoordeling van een verzoek om goedkeuring of vaststelling van een tarief niet in aanmerking worden genomen, indien het verzoek niet vergezeld gaat van een verklaring van het College dat het met het verrichten van de rechtshandeling heeft ingestemd.

  • 4. In het geval, bedoeld in het derde lid, worden tevens door Onze Minister beleidsregels gesteld over de wijze waarop een verzoek om een verklaring als in dat lid bedoeld, wordt ingediend en over de procedure volgens welke het College op een zodanig verzoek beslist.

Artikel 14

Alvorens overeenkomstig artikel 13 een beleidsregel wordt vastgesteld, wordt de zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit schriftelijk medegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. Het besluit wordt niet eerder vastgesteld dan nadat 10 dagen zijn verstreken na die mededeling. Van de vaststelling wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

I. De artikelen 16 en 17 vervallen.

J. In artikel 17a vervalt de aanduiding «1» voor het eerste lid. Tevens vervalt het tweede lid.

K. Artikel 17b, derde lid, vervalt.

L. In de artikelen 17c en 17d wordt «Centraal orgaan» telkens vervangen door: College.

M. In artikel 17e wordt «17» vervangen door: 14.

N. In artikel 17f, tweede lid, wordt «Centraal orgaan» vervangen door: College.

O. Het opschrift van Hoofdstuk III komt te luiden:

HOOFDSTUK III. HET COLLEGE TARIEVEN GEZONDHEIDSZORG

P. De artikelen 18 tot en met 29 worden vervangen door de artikelen 18 tot en met 29c, luidende:

Artikel 18

  • 1. Er is een College tarieven gezondheidszorg, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

  • 2. Het College is belast met de taken die hem bij of krachtens deze wet of een andere wet zijn opgedragen.

  • 3. Het College wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Artikel 19

  • 1. Het College bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter.

  • 2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College.

  • 4. Bij de samenstelling van het College wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

  • 5. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar.

    Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

  • 6. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van het College en leden van commissies vastgesteld en kunnen nadere regels over hun rechtspositie worden vastgesteld.

Artikel 20

  • 1. Het College stelt een bestuursreglement vast. Daarin worden in ieder geval regels gesteld omtrent de wijze waarop besluiten worden voorbereid, genomen en uitgevoerd.

  • 2. In het bestuursreglement kan het College voorzien in de instelling van commissies, in welk geval in het bestuursreglement tevens regels worden gesteld omtrent de samenstelling en taken van de ingestelde commissie. In commissies kunnen ook personen deelnemen die geen lid van het College zijn.

  • 3. Vergaderingen van het College en van commissies van het College zijn openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

  • 4. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 21

  • 1. Het College benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

  • 2. Het College stelt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel regels vast.

Artikel 22

Het College zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Het werkprogramma behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het werkprogramma aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het werkprogramma algemeen verkrijgbaar.

Artikel 23

Het College zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een begroting van zijn beheerskosten voor het volgende kalenderjaar, alsmede een meerjarenraming. De begroting en de meerjarenraming behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 24

Het College zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een verslag van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder, alsmede gegevens over de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 25

  • 1. Het College brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een financieel verslag over zijn beheerskosten over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid van de ontvangsten en uitgaven, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financiële beheer.

  • 2. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het financieel verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het financieel verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 26

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 27

De beheerskosten van het College komen tot ten hoogste het in de begroting aangegeven bedrag ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen. Op grond van de begroting worden maandelijks uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voorschotten verleend.

Artikel 28

Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening van de taken van het College.

Artikel 29

  • 1. Een besluit van het College kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

  • 2. Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 29a

  • 1. Het College rapporteert desgevraagd aan Onze Minister omtrent de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid met betrekking tot tarieven op het gebied van de gezondheidszorg.

  • 2. Het College signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de tarieven voor de gezondheidszorg.

Artikel 29b

Het College verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 29c

Het College verstrekt desgevraagd aan het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, en aan het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. De bedoelde colleges kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Q. Artikel 30 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het derde lid wordt gewijzigd als volgt:

a. De vermelding «Centraal orgaan» wordt vervangen door:

College.

b. De zinsnede «, Onze Minister van Economische Zaken of aan Onze Minister die het op grond van zijn verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van een categorie van organen voor gezondheidszorg of daarmee gelijkgestelde voorzieningen of instellingen mede aangaat,» vervalt.

2. In het vierde en vijfde lid vervallen de woorden «in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken».

3. Het achtste lid vervalt.

R. Artikel 33 wordt gewijzigd als volgt:

1. De Staatsbladaanduiding vervalt.

2. Na «College» wordt toegevoegd: van Beroep.

3. «Centraal orgaan» wordt vervangen door: College.

S. In artikel 34, eerste lid, wordt «Centraal orgaan» vervangen door: College.

T. Artikel 35 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt «Centraal orgaan» vervangen door: College.

2. Onderdeel c wordt gewijzigd als volgt:

a. «17, eerste lid,» wordt vervangen door: 13, derde lid,

b. Na «College» wordt toegevoegd: van Beroep.

U. De artikelen 37 tot en met 40 vervallen.

V. In artikel 41, tweede lid, vervalt: in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat,.

W. In artikel 43, vierde lid, wordt «13» vervangen door: 11.

X. In artikel 44 wordt «Centraal orgaan» vervangen door: College.

Y. De artikelen 45 en 46 komen te luiden als volgt:

Artikel 45

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 46

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit artikel en vervolgens telkens na vier jaar aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het College.

Z. De artikelen 47 tot en met 54 vervallen.

AA. Artikel 55 komt te luiden:

Artikel 55

Deze wet wordt aangehaald als: Wet tarieven gezondheidszorg.

HOOFDSTUK III. WIJZIGING VAN DE WET ZIEKENHUISVOORZIENINGEN

ARTIKEL III

De Wet ziekenhuisvoorzieningen3 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 1, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. het College bouw: het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2;.

2. Onderdeel e komt te luiden:

e. bed of plaats: capaciteitsmaat waarmee wordt uitgedrukt het aantal patiënten dat gelijktijdig in het kader van een klinische behandeling of verpleging in een ziekenhuisvoorziening kan worden opgenomen;.

3. In onderdeel f wordt na «werkweek» een punt geplaatst. De daaropvolgende tekst van het eerste lid vervalt.

B. Artikel 2 wordt vervangen door de artikelen 2 tot en met 20:

Artikel 2

  • 1. Er is een College bouw ziekenhuisvoorzieningen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College bouw is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

  • 2. Het College bouw is belast met de taken die hem bij of krachtens deze wet of een andere wet zijn opgedragen.

  • 3. Het College bouw wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Artikel 2a

  • 1. Het College bouw bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter.

  • 2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College.

  • 4. Bij de samenstelling van het College wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

  • 5. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar.

    Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

  • 6. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van het College en leden van commissies vastgesteld en kunnen nadere regels over hun rechtspositie worden vastgesteld.

Artikel 2b

  • 1. Het College bouw stelt een bestuursreglement vast. Daarin worden in ieder geval regels gesteld omtrent de wijze waarop besluiten worden voorbereid, genomen en uitgevoerd.

  • 2. In het bestuursreglement kan het College voorzien in de instelling van commissies, in welk geval in het bestuursreglement tevens regels worden gesteld omtrent de samenstelling en taken van de ingestelde commissie. In commissies kunnen ook personen deelnemen die geen lid van het College zijn.

  • 3. Vergaderingen van het College en van commissies van het College zijn openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

  • 4. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 2c

  • 1. Het College bouw benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

  • 2. Het College bouw stelt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel regels vast.

Artikel 2d

Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Het werkprogramma behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het werkprogramma aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het werkprogramma algemeen verkrijgbaar.

Artikel 2e

Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een begroting van zijn beheerskosten voor het volgende kalenderjaar, alsmede een meerjarenraming. De begroting en de meerjarenraming behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 2f

Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een verslag van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder, alsmede gegevens omtrent de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 2g

  • 1. Het College bouw brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een financieel verslag over zijn beheerskosten over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid van de ontvangsten en de uitgaven, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financiële beheer.

  • 2. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het financieel verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het financieel verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 2h

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 2i

De beheerskosten van het College bouw komen tot ten hoogste het in de begroting aangegeven bedrag ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen. Op grond van de begroting worden maandelijks uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voorschotten verleend.

Artikel 2j

Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening van de taken van het College bouw.

Artikel 2k

  • 1. Een besluit van het College bouw kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

  • 2. Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 2l

  • 1. Het College bouw:

    a. rapporteert desgevraagd aan Onze Minister omtrent de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid met betrekking tot ziekenhuisvoorzieningen;

    b. geeft aan de provincies op hun verzoek inlichtingen met betrekking tot de bouwkundige en functionele staat van de ziekenhuisvoorzieningen;

    c. geeft aan Onze Minister desgevraagd advies over aanvragen om een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a.

  • 2. Het College signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de infrastructuur van de gezondheidszorg.

Artikel 2m

  • 1. Er is een College sanering ziekenhuisvoorzieningen, verder te noemen: het College sanering, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College sanering is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

  • 2. Het College sanering is belast met de taken die hem bij of krachtens deze wet, de Wet ambulancevervoer of een andere wet zijn opgedragen.

  • 3. De artikelen 2a tot en met 2k, met uitzondering van artikel 2d, zijn ten aanzien van het College sanering van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2n

Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 2o

Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan elkaar en aan het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, en het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. De bedoelde colleges kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

C. In de artikelen 3, derde en vierde lid, 4, eerste lid, 5, eerste lid, 5a en 23, tweede lid, wordt telkens «Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen» vervangen door: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

D. Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het zevende lid vervalt en het achtste lid wordt vernummerd tot zevende lid.

2. In het zesde en zevende lid (nieuw) wordt telkens «College» vervangen door: College bouw.

E. Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid, onder a, komt te luiden:

a. een ziekenhuisvoorziening te bouwen zonder vergunning van het College bouw;.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «kennis is gegeven aan Onze Minister» vervangen door: kennis is gegeven aan het College bouw.

F. Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onder b, wordt «artikel 10, zevende lid» vervangen door: artikel 10, zesde lid.

2. In het eerste lid, onder b en c, en tweede lid, wordt telkens «Onze Minister» vervangen door: het College bouw.

G. In artikel 9, tweede lid, wordt «College» vervangen door: College bouw.

H. Artikel 10 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid wordt telkens «College» vervangen door: College bouw.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Indien het algemeen belang dit vereist, kan Onze Minister bij het afgeven van de verklaring bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een aanvraag om goedkeuring van stukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b of c, of om een vergunning als bedoeld in artikel 6, niet in behandeling wordt genomen.

3. Het achtste lid wordt vernummerd tot zevende lid. In het zevende lid (nieuw) wordt «Onze Minister van Onderwijs, en Wetenschappen» vervangen door: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

4. Een nieuw achtste lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 8. Onze Minister kan de verklaring in bijzondere gevallen onder beperkingen verlenen. In bijzondere gevallen kunnen aan de verklaring voorschriften worden verbonden.

I. Artikel 11 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, wordt «artikel 10, vijfde lid» vervangen door: artikel 10, vijfde en achtste lid.

2. In het eerste en derde lid wordt «College» vervangen door: College bouw.

J. Artikel 12 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid wordt «College» vervangen door: College bouw.

2. In het vierde lid wordt «artikel 10, vierde en vijfde lid» vervangen door: artikel 10, vierde en achtste lid.

K. Artikel 13 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «Onze Minister» vervangen door:

Het College bouw.

2. In het derde lid wordt «College» vervangen door: College bouw.

L. Artikel 14 vervalt.

M. Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het vierde lid vervalt.

2. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid; in het vierde lid (nieuw) wordt na de tweede volzin de volgende volzin ingevoegd: Aan een vergunning is in elk geval het voorschrift verbonden dat de eindafrekening ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het College bouw.

3. Het zesde lid vervalt.

N. Na artikel 15 wordt een artikel 15a ingevoegd, dat luidt als volgt:

Artikel 15a

  • 1. Het College bouw stelt bouwmaatstaven vast, inhoudende een nadere omschrijving van de in artikel 15, tweede lid, genoemde criteria.

  • 2. De bouwmaatstaven behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het College bouw zendt daartoe de vastgestelde bouwmaatstaven aan Onze Minister.

  • 3. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.

  • 4. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na verzending bekendgemaakt. Het nemen van een besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

  • 5. Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn geen besluit tot goedkeuring of verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is genomen, wordt een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen.

  • 6. De bouwmaatstaven liggen voor een ieder bij het College bouw ter inzage. Het College bouw doet van de terinzagelegging mededeling in de Staatscourant en in één of meer dag- of nieuwsbladen die landelijk worden verspreid.

O. Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

  • 1. Van een beschikking, houdende weigering of verlening van een vergunning, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 2. Tevens wordt van de beschikking mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan Onze Minister en aan gedeputeerde staten van de provincies die omtrent de verklaring advies hebben uitgebracht of deze hebben afgegeven.

P. Artikel 17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede: , dan wel, bij toepassing van artikel 15, zesde lid, met de bouw mocht worden begonnen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een vergunning vervalt door intrekking van de verklaring ingevolge artikel 13, derde lid.

Q. Na artikel 17 wordt een artikel 17a ingevoegd, dat luidt als volgt:

Artikel 17a

  • 1. Het bestuur van een ziekenhuisvoorziening dat voornemens is om gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de ziekenhuisvoorziening te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het College sanering.

  • 2. Het College sanering kan binnen acht weken na ontvangst van de mededeling beslissen dat het bestuur van de ziekenhuisvoorziening de gebouwen of terreinen niet kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen zonder zijn goedkeuring. Daarbij kan het College sanering bepalen dat bij verkoop het boekresultaat wordt gestort in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

  • 3. Een rechtshandeling die is verricht in strijd met dit artikel, is vernietigbaar. De vernietigbaarheid kan worden ingeroepen door het College sanering.

R. Artikel 18a wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister kan bepalen:

    a. dat een ziekenhuisvoorziening moet worden gesloten;

    b. dat het aantal bedden of plaatsen in een ziekenhuisvoorziening moet worden verminderd met een door hem aan te geven aantal;

    c. dat de uitoefening van door hem aan te geven medische specialismen in een ziekenhuisvoorziening moet worden verminderd met een door hem aan te geven aantal functie-eenheden dan wel dient te worden beëindigd, indien een en ander niet past in een plan voor ziekenhuisvoorzieningen.

2. In het tweede lid wordt «College» vervangen door: College bouw.

3. In het derde lid wordt «Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen» vervangen door: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

S. Artikel 18b komt te luiden als volgt:

Artikel 18b

  • 1. Een ziekenhuisvoorziening wendt zich tot het College sanering binnen zes weken na het onherroepelijk worden van een beslissing tot:

    a. intrekking van een verklaring op grond van artikel 13, derde lid;

    b. wijziging van beperkingen of voorschriften dan wel het stellen van nieuwe beperkingen of voorschriften op grond van artikel 15, vierde lid;

    c. beëindiging van de uitvoering van bijzondere medische verrichtingen of beëindiging van het gebruik van apparatuur op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen;

    d. sluiting van de ziekenhuisvoorziening dan wel vermindering van het aantal bedden of plaatsen van de ziekenhuisvoorziening of van het aantal functie-eenheden van een medisch specialisme dan wel de beëindiging van de uitoefening van een medisch specialisme op grond van artikel 18a, eerste lid.

  • 2. Het College sanering stelt de financiële gevolgen van sanering vast ter zake van een beslissing als bedoeld in het eerste lid alsmede ter zake van de uitvoering van een voornemen als bedoeld in artikel 17a.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde vaststelling kan inhouden dat het College sanering subsidie verstrekt ter voorziening in de financiële gevolgen van de sanering.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

    a. hetgeen onder financiële gevolgen van sanering moet worden verstaan;

    b. de hoogte, de opbouw en wijze van berekening van de subsidie;

    c. de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover;

    d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

    e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

    f. de vaststelling van de subsidie;

    g. de betaling en terugvordering van de subsidie en het verlenen van voorschotten.

  • 5. In de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het College sanering nadere regels stelt over daarbij aangewezen onderwerpen. De door het College sanering gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 6. Een beschikking tot subsidievaststelling wordt niet genomen dan nadat het College voor zorgverzekeringen is gehoord.

  • 7. De betaling van de subsidie of het voorschot geschiedt door het College voor zorgverzekeringen ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Onze Minister kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 8. Indien het College sanering vaststelt dat de financiële gevolgen van de sanering een positief saldo voor de betrokken ziekenhuisvoorziening inhouden, is die ziekenhuisvoorziening verplicht dat saldo te storten in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

  • 9. Van besluiten als bedoeld in het tweede lid doet het College sanering mededeling aan Onze Minister.

  • 10. Onze Minister doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal omtrent de door het College sanering ingevolge het tweede lid genomen besluiten.

  • 11. Het College sanering is tevens belast met het toezicht op de sanering. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

T. Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

1. De zinsnede «15, vijfde lid» wordt vervangen door: 15, vierde lid, 17a, tweede lid.

2. De zinsnede «18b, tweede lid, onderdeel d en vijfde lid» wordt vervangen door: 18b, zesde lid.

U. In artikel 22, eerste lid, wordt de punt aan het slot vervangen door een komma en wordt toegevoegd: behoudens wat betreft de gegevens betreffende de bouwkundige en functionele staat van de ziekenhuisvoorziening, welke gegevens aan het College bouw worden verstrekt.

V. Artikel 27 vervalt.

W. In artikel 29, eerste lid, onder e, vervalt het zinsdeel «, onder a».

X. Na artikel 29 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 29a

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College bouw dan wel het College sanering uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 29b

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het College bouw en het College sanering.

HOOFDSTUK IV. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

ARTIKEL IV

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten4 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel f komt te luiden:

f. het College: het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet; .

2. In onderdeel g wordt «bedoeld in artikel 51» vervangen door: , bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen.

B. In de artikelen 4, 7, derde lid, 14, tweede lid, 37, 40, aanhef en onder b, 56, eerste lid, 58, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en 64 wordt telkens «De Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «de Ziekenfondsraad» vervangen door «Het College» onderscheidenlijk «het College» .

C. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. De tweede volzin van het tweede lid vervalt.

2. Het derde lid komt als volgt te luiden:

  • 3. Het College beslist op aanvragen om toelating.

3. Het vierde lid vervalt; het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

D. In de artikelen 8b, onder a, en 43, eerste lid, onder b, vervallen de Staatsbladaanduidingen.

E. Artikel 8d wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste en tweede lid vervallen.

2. Het zesde en zevende lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

F. In artikel 8e wordt «de ingevolge artikel 8, vierde lid, verstrekte gegevens» vervangen door: de gegevens, verstrekt bij de aanvraag om toelating.

G. In artikel 8g wordt «Onze Minister» vervangen door: het College.

H. In artikel 8h, tweede volzin, vervalt: , aanhef en onder b,.

I. In artikel 12a, tweede lid, vervalt de tweede volzin.

J. De artikelen 33 tot en met 36 komen te luiden als volgt:

Artikel 33

  • 1. Een rechtspersoon welke als ziektekostenverzekeraar werkzaam is, moet daartoe zijn toegelaten door het College.

  • 2. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

  • 3. Toelating als ziektekostenverzekeraar wordt verleend indien de aanvrager een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is:

    a. die ingevolge haar statuten ten doel heeft in een daarin aangegeven werkgebied het ziektekostenverzekeringsbedrijf uit te oefenen,

    b. die voldoet aan de overige bij of krachtens deze wet aan ziektekostenverzekeraars gestelde eisen, en

    c. waarvan ook overigens is te verwachten dat zij de taak van een ziektekostenverzekeraar naar behoren zal uitoefenen.

Artikel 34

  • 1. Bij de beschikking tot toelating als ziektekostenverzekeraar kunnen aan de ziektekostenverzekeraar met het oog op een goede uitvoering van deze wet verplichtingen worden opgelegd.

  • 2. Ook op een later tijdstip kunnen aan de ziektekostenverzekeraar met het oog op een goede uitvoering van deze wet verplichtingen worden opgelegd. Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin treedt niet in werking dan na verloop van vier weken na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 35

  • 1. De toelating wordt ingetrokken indien de ziektekostenverzekeraar:

    a. niet meer voldoet aan de eisen, vervat in artikel 33, derde lid, of de aan hem opgelegde verplichtingen, of

    b. in ernstige mate handelt in strijd met de bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van ziektekostenverzekeraars gestelde eisen of anderszins zijn taak niet naar behoren vervult.

  • 2. Op aanvraag van de ziektekostenverzekeraar wordt de toelating met ingang van een daarbij te bepalen datum ingetrokken.

  • 3. Het College regelt de gevolgen van de intrekking van de toelating en de afwikkeling der lopende zaken.

Artikel 36

Van beschikkingen ingevolge de artikelen 33, 34, tweede lid, en 35 wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, onder vermelding van het werkgebied van de betrokken ziektekostenverzekeraar.

K. In artikel 38, eerste en tweede lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: het College.

L. Na artikel 38 wordt ingevoegd artikel 38a, luidende als volgt:

Artikel 38a

Artikel 38b van de Ziekenfondswet is ten aanzien van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen van overeenkomstige toepassing.

M. Artikel 39, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. De woorden «de Ziekenfondsraad» worden vervangen door: het College.

2. De vermelding «bedoeld in het in artikel 49, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 62a van de Ziekenfondswet» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 1y, tweede lid, van de Ziekenfondswet.

N. Artikel 41 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vierde lid worden «de Ziekenfondsraad» en «De Ziekenfondsraad» vervangen door «het College» en «Het College».

2. In het zesde lid vervalt onderdeel c; de puntkomma aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een punt.

3. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Van besluiten als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

O. Artikel 42 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het zesde lid wordt «Onze Minister kan, gehoord de Ziekenfondsraad,» vervangen door: Het College kan.

2. In het elfde lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

P. Artikel 42a komt te luiden:

Artikel 42a

  • 1. Het College stelt ten behoeve van de te sluiten overeenkomsten als bedoeld in artikel 42, eerste lid, voor categorieën van personen of instellingen een modelovereenkomst vast.

  • 2. Alvorens een modelovereenkomst vast te stellen, hoort het College de daarbij betrokken organisaties van ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars en een vertegenwoordiging van de uitvoerende organen enerzijds en organisaties van personen en instellingen anderzijds.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het overleg tussen de organisaties, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen de termijn van zes maanden, bedoeld in artikel 42, negende lid, heeft geleid tot de in artikel 44, tweede lid, bedoelde overeenstemming en de uitkomst daarvan voldoet aan artikel 43, eerste lid, en deze uitkomst de goedkeuring van het College heeft verkregen.

Q. Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onverminderd artikel 42, vierde lid, wordt omtrent de inhoud van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde overeenkomsten overleg gepleegd tussen de betrokken organisaties van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en een vertegenwoordiging van de uitvoerende organen enerzijds en van personen en instellingen anderzijds.

2. In het tweede lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

R. Artikel 44a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties» vervangen door: betrokken organisaties.

2. In het tweede lid wordt «de Ziekenfondsraad» vervangen door: het College.

S. Artikel 45 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervallen de vierde, vijfde en zesde volzin.

2. In het derde lid wordt «De Ziekenfondsraad» vervangen door: Het College.

3. In het vijfde lid wordt «Onze Minister» vervangen door «het College».

T. In artikel 47, eerste lid, vervalt de zinsnede «dan wel indien deze overeenkomsten niet de vereiste goedkeuring verwerven, of indien het besluit tot goedkeuring bij koninklijk besluit wordt vernietigd».

U. Het opschrift van Hoofdstuk VII komt te luiden:

HOOFDSTUK VII. BEHEER VAN HET ALGEMEEN FONDS BIJZONDERE ZIEKTEKOSTEN

V. De artikelen 48 en 49 komen te luiden:

Artikel 48

De Rijksbelastingdienst biedt jaarlijks voor 1 november een verklaring aan het College aan omtrent de rechtmatigheid van ontvangsten over het afgelopen kalenderjaar betreffende de ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen geheven premies Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 49

  • 1. Het College is tegenover personen of instellingen, die ter zake van aan verzekerden verleende verstrekkingen op grond van deze wet vorderingen hebben op een ziekenfonds of een ziektekostenverzekeraar, aansprakelijk voor de betaling daarvan, wanneer dat ziekenfonds of die ziektekostenverzekeraar verkeert in de toestand, dat hij heeft opgehouden te betalen.

  • 2. Het Rijk is tegenover het College aansprakelijk voor de betalingen, bedoeld in het eerste lid.

W. De artikelen 50, 51 en 55 vervallen.

X. Het opschrift van Hoofdstuk IX komt te luiden:

HOOFDSTUK IX. BEZWAAR EN BEROEP

Tevens vervalt de vermelding: § 1. Recht van bezwaar en beroep

Y. Artikel 62 komt te luiden:

Artikel 62

Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, kan een belanghebbende tegen beschikkingen van Onze Minister, van het bestuur van het College en van de commissie, bedoeld in artikel 1u, van de Ziekenfondswet, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Z. Na artikel 64 vervallen de vermelding «§ 2. Schorsing en vernietiging van besluiten» en artikel 65.

AA. In artikel 68 wordt de passage, beginnende met «bedoeld in» en eindigende met «van de Ziekenfondswet» vervangen door: bedoeld in de artikelen 39 en 56 en in artikel 1w, tweede lid, van de Ziekenfondswet.

BB. In artikel 76a, eerste en tweede lid, vervalt telkens: Ons.

CC. Ingevoegd worden artikel 78 en artikel 79, luidende:

Artikel 78

Artikel 94 van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79

Deze wet wordt aangehaald als: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

DD. De artikelen 97 en 98 vervallen.

ARTIKEL V

De Wet financiering volksverzekeringen5 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, onder b en d, vervalt de Staatsbladaanduiding.

B. In artikel 38 wordt «De Ziekenfondsraad» vervangen door:

Het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, verder te noemen: het College.

C. Artikel 39 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid wordt ingevoegd een onderdeel f, luidende:

f. subsidies, verstrekt ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet en subsidies verstrekt ingevolge artikel 7 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen, voor zover zulks ingevolge die artikelen is bepaald.

2. De onderdelen g en h van het derde lid vervallen en de onderdelen i en j worden verletterd tot onderdelen g en h.

3. Het vierde lid vervalt.

4. Het zesde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

5. Het zevende lid, dat wordt vernummerd tot vijfde lid, wordt voorts gewijzigd als volgt:

a. in de eerste volzin wordt de zinsnede «de regeling die de Ziekenfondsraad ter vervanging van die regeling overeenkomstig het derde lid, onder h, en het vierde lid, vaststelt.» vervangen door: de regeling die ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet ter vervanging van die regeling is vastgesteld.;

b. de vierde en vijfde volzin komen te luiden:

Het College neemt een specificatie van de ontvangsten en uitgaven op in het financieel verslag, bedoeld in artikel 1s van de Ziekenfondswet. Onze Minister voornoemd stelt de bijdrage uiterlijk drie maanden na ontvangst van het financieel verslag vast.

D. In artikel 40 wordt «De Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «de Ziekenfondsraad» telkens vervangen door «Het College» onderscheidenlijk «het College».

E. In artikel 41 wordt «De Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «de Ziekenfondsraad» telkens vervangen door «Het College» onderscheidenlijk «het College».

F. Artikel 42 vervalt.

G. In artikel 47 wordt «de Ziekenfondsraad» telkens vervangen door: het College.

H. Artikel 51 komt te luiden:

Artikel 51

Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen beschikkingen van het bestuur van het College, genomen krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 40, eerste of tweede lid, beschikkingen van het bestuur van het College, genomen krachtens artikel 40, derde en vierde lid, alsmede tegen beschikkingen van de commissie, bedoeld in artikel 1u, van de Ziekenfondswet.

ARTIKEL VI

De Overgangswet verzorgingshuizen6 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 1, eerste lid, onder g, komt te luiden:

g. het College: het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet.

B. In de aanduiding van Hoofdstuk II, alsmede in de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, 3, eerste, tweede en derde lid, 6, eerste en tweede lid, 7, eerste en tweede lid, 8, 9, 10, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14, 15, eerste lid, 16, eerste, derde en zesde lid, 17, 19, 20, eerste en derde lid, 23, 31 en 69, tweede lid, onder a en b, wordt telkens «de Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «De Ziekenfondsraad» vervangen door «het College» onderscheidenlijk «Het College».

C. Artikel 57, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In het derde lid wordt de puntkomma aan het eind van onderdeel g vervangen door een punt en vervalt onderdeel h.

ARTIKEL VII

Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 3, onder a, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen7 komt te luiden:

a. door het College voor zorgverzekeringen op grond van de Ziekenfondswet.

ARTIKEL VIII

Artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet8 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel r komt te luiden:

r. de voorzitter en de leden van het bestuur van het College voor zorgverzekeringen en van de commissie, bedoeld in artikel 1u van de Ziekenfondswet, en het personeel van het bedoelde college; .

2. Onderdeel s komt te luiden:

s. de voorzitter en de leden van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, en het personeel van de bedoelde colleges; .

3. Onderdeel u komt te luiden:

u. de voorzitter en de leden van het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, en het personeel van het bedoelde college;.

ARTIKEL IX

In de navolgende wetten wordt in de daarbij genoemde onderdelen, artikelen en artikelonderdelen telkens «de Ziekenfondsraad» onderscheidenlijk «De Ziekenfondsraad» vervangen door «het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet» onderscheidenlijk «Het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet»:

a. Algemene Arbeidsongeschiktheidswet9: artikel 45, eerste en derde lid;

b. Algemene bijstandswet10: artikel 122, eerste lid, onder b, en artikel 125, eerste lid, onder e;

c. Algemene militaire pensioenwet11: artikel V2, tweede lid;

d. Algemene nabestaandenwet12: artikel 57, tweede lid;

e. Algemene Ouderdomswet13: artikel 20, eerste en derde lid;

f. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers14: artikel 119, tweede lid;

g. Liquidatiewet ongevallenwetten15: de tekst boven paragraaf 3 en artikel 30;

h. Organisatiewet sociale verzekeringen 199716: artikel 80, derde lid, artikel 84, tweede lid, en artikel 95, onder a;

i. Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening17: artikelen 3 en 17;

j. Toeslagenwet18: artikel 22;

k. Toeslagwet Indonesische pensioenen 195619: artikel 31, tweede lid;

l. Werkloosheidswet20: artikel 39, eerste en derde lid;

m. Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps21: artikel 27a, eerste lid;

n. Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf22: artikel 20, onder b;

o. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen23: artikel 45, eerste lid, onder b, en artikel 48, eerste lid, onder e;

p. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers24: artikel 45, eerste lid, onder b, en artikel 48, eerste lid, onder e;

q. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering25: artikel 54, eerste en derde lid;

r. Wet van 11 december 1997, houdende wijziging van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en enige andere wetten in verband met het integreren van het middelenbeheer van de sociale fondsen (geïntegreerd middelenbeheer): artikel V;

s. de Wet van 20 december 1995 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige andere wetten in verband met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten aanzien van de kosten van AWBZ-verstrekkingen (Stb. 1995, 681): artikel VI, tweede, derde, vierde en vijfde lid;

t. Ziektewet:26 artikel 40, eerste en derde lid;

u. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen27: artikel 57, eerste en derde lid;

v. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten28: artikel 49, eerste en derde lid.

ARTIKEL X

In de Wet ambulancevervoer29 wordt na artikel 12 een artikel 12a ingevoegd, dat luidt als volgt:

Artikel 12a

Het College sanering zorgvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, kan subsidie verstrekken ter voorziening in de financiële gevolgen van:

a. wijziging of opheffing van de vestigingsplaats van een centrale post ingevolge artikel 4;

b. sanering van ambulancevervoer ingeval een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 12, eerste lid.

Artikel 18b, vierde tot en met elfde lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XI

Artikel 7 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen30 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede tot en met vijfde lid komen te luiden:

  • 2. Het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, is belast met het verstrekken van subsidies voor ontwikkelingsgeneeskundige projecten die passen in het in het eerste lid bedoelde overzicht.

  • 3. Subsidie wordt slechts verstrekt indien het project wordt uitgevoerd door, of overeenkomstig een samenwerkingsovereenkomst met, een academisch ziekenhuis, een universiteit of een andere gelijkwaardige onderzoeksinstelling.

  • 4. De subsidies worden verstrekt overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te stellen regels.

  • 5. Onze Minister en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen maken voor 1 november van ieder jaar bekend welk bedrag in totaal beschikbaar is ten behoeve van subsidieverstrekking, bedoeld in het tweede lid, gedurende het daarop volgende jaar; zij bepalen daarbij welk deel van dat bedrag ten laste van het Rijk wordt gebracht en welk deel ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen.

2. Het zesde en zevende lid vervallen.

ARTIKEL XII

In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten31 wordt:

a. in de zinsnede met betrekking tot de Wet ziekenhuisvoorzieningen «15, vijfde en zesde lid, 18a» vervangen door: 15, vierde lid, 18a, 18b, eerste en achtste lid;

b. in de zinsnede met betrekking tot de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten «de artikelen 5a, tweede lid, en 41b,» vervangen door: artikel 5a, tweede lid,.

ARTIKEL XIII

Artikel 76 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen32 wordt gewijzigd als volgt:

1. in onderdeel A, onder a, wordt de zinsnede «achter de zinsnede «(Stb. 1977, 492)» » vervangen door: aan het slot;

2. in onderdeel B komt de aanhef te luiden «Aan het slot van artikel 3 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: » en wordt het cijfer «10» vervangen door: 11.

HOOFDSTUK V. OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XIV

  • 1. De Ziekenfondsraad, bedoeld in artikel 50 van de Ziekenfondswet, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

    Besluiten krachtens delegatie genomen door een orgaan van de Ziekenfondsraad worden na inwerkingtreding van deze wet toegerekend aan het bevoegde orgaan van het College.

  • 2. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, bedoeld in artikel 18 van de Wet tarieven gezondheidszorg, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

  • 3. Het College voor ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

  • 4. De Commissie sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 18b van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

ARTIKEL XV

  • 1. Een toelating van een instelling door Onze Minister ingevolge artikel 8a van de Ziekenfondswet of artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met toelating door het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, ingevolge artikel 8a van de Ziekenfondswet onderscheidenlijk artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet zijn komen te luiden.

  • 2. Een aanvraag om toelating, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij Onze Minister ingediend ingevolge artikel 8a van de Ziekenfondswet of artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, wordt gelijk gesteld met een aanvraag, ingediend bij het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet zijn komen te luiden.

ARTIKEL XVI

  • 1. Een toelating van een ziekenfonds onderscheidenlijk ziektekostenverzekeraar door Onze Minister ingevolge artikel 34 van de Ziekenfondswet onderscheidenlijk artikel 33 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met toelating door het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, ingevolge artikel 34 van de Ziekenfondswet onderscheidenlijk artikel 33 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet zijn komen te luiden.

  • 2. Een aanmelding van een uitvoerend orgaan bij Onze Minister ingevolge artikel 38 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met aanmelding bij het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, ingevolge artikel 38 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

  • 3. Een aanvraag om toelating als ziekenfonds onderscheidenlijk ziektekostenverzekeraar, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij Onze Minister ingediend ingevolge artikel 34 van de Ziekenfondswet onderscheidenlijk artikel 33 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, wordt gelijkgesteld met een aanvraag, ingediend bij het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

ARTIKEL XVII

  • 1. Een richtlijn, door het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg goedgekeurd of vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een beleidsregel als bedoeld in artikel 11 van de Wet tarieven gezondheidszorg, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

  • 2. Een aanwijzing, door Onze Minister gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een beleidsregel als bedoeld in artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

ARTIKEL XVIII

  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, afgegeven door Onze Minister wordt gelijkgesteld met een vergunning afgegeven door het College bouw ziekenhuisvoorzieningen.

  • 2. Een goedkeuring van het programma van eisen of van het schetsontwerp als bedoeld in artikel 7 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, afgegeven door Onze Minister wordt gelijkgesteld met zodanige goedkeuring afgegeven door het College bouw ziekenhuisvoorzieningen.

  • 3. De bouwmaatstaven, door Onze Minister vastgesteld op grond van artikel 15, vierde lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden gelijkgesteld met door Onze Minister goedgekeurde bouwmaatstaven op grond van artikel 15a van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals deze door de inwerkingtreding van deze wet is komen te luiden.

ARTIKEL XIX

  • 1. Rechtsgedingen die zijn ingesteld door of tegen Onze Minister worden voor zover het betreft bevoegdheden van Onze Minister die samenhangen met de vervulling van de taken die door deze wet zijn overgegaan naar het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, met ingang van de inwerkingtreding van deze wet voortgezet door of tegen dat College.

  • 2. Rechtsgedingen die zijn ingesteld door of tegen Onze Minister worden voor zover het betreft bevoegdheden van Onze Minister die samenhangen met de vervulling van de taken die door deze wet zijn overgegaan naar het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, met ingang van de inwerkingtreding van deze wet voortgezet door of tegen dat College.

ARTIKEL XX

  • 1. De vaststelling door het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, van een bestuursreglement als bedoeld in artikel 1c onderscheidenlijk een werkprogramma als bedoeld in artikel 1e en een begroting als bedoeld in artikel 1f van die wet, vindt plaats zo spoedig mogelijk onderscheidenlijk vindt voor het eerst plaats ten aanzien van het kalenderjaar na dat waarin deze wet in het Staatsblad is geplaatst.

  • 2. De vaststelling door het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, van een bestuursreglement als bedoeld in artikel 20 onderscheidenlijk een werkprogramma als bedoeld in artikel 22 en een begroting als bedoeld in artikel 23 van die wet, vindt plaats zo spoedig mogelijk onderscheidenlijk vindt voor het eerst plaats ten aanzien van het kalenderjaar na dat waarin deze wet in het Staatsblad is geplaatst.

  • 3. De vaststelling door het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, van een bestuursreglement als bedoeld in artikel 2b onderscheidenlijk een werkprogramma als bedoeld in artikel 2d en een begroting als bedoeld in artikel 2f van die wet, vindt plaats zo spoedig mogelijk onderscheidenlijk vindt voor het eerst plaats ten aanzien van het kalenderjaar na dat waarin deze wet in het Staatsblad is geplaatst.

  • 4. Onze Minister stelt voor het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet, het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, een voorlopig bestuursreglement vast. Het voorlopig reglement geldt totdat het bestuursreglement van het betrokken college de goedkeuring van Onze Minister heeft verkregen.

ARTIKEL XXI

Voor zover de artikelen XIV tot en met XX daarin niet voorzien, stelt Onze Minister regels met betrekking tot de gevolgen van de inwerkingtreding van deze wet. Deze regels gelden tot en met 31 december van het kalenderjaar na dat waarin zij inwerking zijn getreden. Van het vaststellen van deze regels wordt kennis gegeven aan de beide kamers der Staten-Generaal.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL XXII

  • 1. De tekst van de Ziekenfondswet, de Wet tarieven gezondheidszorg, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet ziekenhuisvoorzieningen wordt in het Staatsblad geplaatst.

  • 2. Voor de plaatsing van de tekst van de Ziekenfondswet, de Wet tarieven gezondheidszorg, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet ziekenhuisvoorzieningen in het Staatsblad stelt Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de nummering van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen van deze wetten opnieuw vast en brengt hij de in deze wetten voorkomende aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

ARTIKEL XXIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen verschillend kan zijn.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 27 maart 1999

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de negenentwintigste april 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

1 Stb. 1992, 391, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

2 Stb. 1980, 646, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 juli 1998, Stb. 405.

3 Stb. 1971, 268, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

4 Stb. 1992, 392, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

5 Stb. 1989, 129, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 724.

6 Stb. 1996, 478, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

7 Stb. 1996, 204, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

8 Stb. 1994, 5, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

9 Stb. 1990, 127, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 april 1998, Stb. 290.

10 Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 724.

11 Stb. 1988, 284, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1997, Stb. 773.

12 Stb. 1995, 690, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 742.

13 Stb. 1990, 129, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 724.

14 Stb. 1979, 519, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

15 Stb. 1967, 99, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 1995, Stb. 355.

16 Stb. 1997, 95, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 1999, Stb. 184.

17 Stb. 1975, 157, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

18 Stb. 1987, 91, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 742.

19 Stb. 1957, 319, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 1997, Stb. 162.

20 Stb. 1999, 21.

21 Stb. 1965, 550, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 1997, Stb. 162.

22 Stb. 1995, 158, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 1997, Stb. 580.

23 Stb. 1995, 206, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, Stb. 724.

24 Stb. 1995, 205, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

25 Stb. 1999, 23.

26 Stb. 1999, 22, gewijzigd bij de wet van 18 maart 1999, Stb. 184.

27 Stb. 1999, 24.

28 Stb. 1999, 25.

29 Stb. 1971, 369, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

30 Stb. 1997, 515, gewijzigd bij de wet van 4 december 1997, Stb. 580.

31 Stb. 1950, K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 1999, Stb. 184.

32 Stb. 1997, 768, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1997/98, 1998/99, 26 011.

Handelingen II 1998/99, blz. 1260–1269; 1592.

Kamerstukken I 1998/99, 26 011 (86, 86a, 86b, 86c).

Handelingen I 1998/99, blz. 1087–1097.