Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatsblad 1999, 18 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatsblad 1999, 18 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 1998, nummer AD98/U672, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;
Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 14 september 1998, nummer W04.98.0311);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 januari 1999, nummer AD1998/U62624, directoraat-generaal Management en Personeelbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. ambtenaar: de ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, die werkzaam is bij een ministerie of bij een onderdeel van een ministerie dan wel bij een Hoog College van Staat, waar een proef plaatsvindt als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
b. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie dan wel het daarmee overeenkomende bevoegde gezag bij het betrokken Hoge College van Staat;
c. Sectorcommissie overleg rijkspersoneel: de commissie, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. bijzondere commissie: de commissie, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
e. salaris: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
f. bezoldiging: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
g. vakantie-uitkering: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken wijst op verzoek van Onze Minister en na overeenstemming met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel bij besluit aan bij welk ministerie of onderdeel van een ministerie of bij welk Hoog College van Staat een proef plaats kan vinden met individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket en verklaart daarbij dit besluit geheel of gedeeltelijk van toepassing.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt pas ingediend nadat daarover overeenstemming is bereikt met de desbetreffende bijzondere commissie.
3. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven voor welke periode de proef kan gelden.
1. De ambtenaar kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar meer uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 21, derde en vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement dan wel op grond van artikel 34, derde en vierde lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal voor hem is vastgesteld. Voor de ambtenaar die een volledige werktijd heeft, bedraagt het aantal uren dat meer gewerkt mag worden maximaal 80 per jaar. Voor de ambtenaar die een onvolledige werktijd heeft, geldt een in evenredigheid lager aantal uren als maximum.
2. Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet kan Onze Minister een aanvraag als bedoeld in het eerste lid toewijzen.
3. Onze Minister stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend.
4. Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens het derde lid vastgestelde datum.
1. De ambtenaar kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 21, derde en vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement dan wel artikel 34, derde en vierde lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal voor hem is vastgesteld. Voor de ambtenaar die een volledige werktijd heeft, bedraagt het aantal uren dat minder gewerkt mag worden maximaal 80 per jaar. Voor de ambtenaar die een onvolledige werktijd heeft, geldt een in evenredigheid lager aantal uren als maximum.
2. Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet kan Onze Minister een aanvraag als bedoeld in het eerste lid toewijzen.
3. Onze Minister stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend.
4. Per minder te werken uur wordt een inhouding op het salaris van de ambtenaar toegepast ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens het derde lid vastgestelde datum.
1. Onze Minister kan op aanvraag van de ambtenaar op zijn bezoldiging of vakantie-uitkering, dan wel op een vergoeding als bedoeld in artikel 22, veertiende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, een toeslag als bedoeld in artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 of de in artikel 3, vierde lid, genoemde vergoeding, een bedrag doen inhouden voor door Onze Minister vastgestelde bestedingsmogelijkheden.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties a.i.,
R. H. L. M. van Boxtel
Uitgegeven de zesentwintigste januari 1999
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
In de op 12 mei 1997 met de Centrales van Overheidspersoneel gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997–1999 is de afspraak opgenomen dat de partijen overleg zullen voeren over de verdere modernisering van het arbeidsvoorwaarden- en beloningsbeleid. In de overeenkomst is aangegeven dat bij het te voeren overleg onder meer de aanbevelingen zullen worden betrokken van een op korte termijn te verwachten rapport over vergroting van de mogelijkheden voor ambtenaren om zelf voorstellen te doen voor invulling van hun pakket secundaire arbeidsvoorwaarden.
In augustus 1997 is het bovenbedoeld rapport verschenen («Beter benutten van arbeidsvoorwaarden Een nadere uitwerking van het IKAP-model (Individuele Keuzemogelijkheden in het Arbeidsvoorwaardenpakket)», Twijnstra & Gudde). In dit IKAP-rapport wordt aangegeven dat het geven van meer keuzevrijheid aan ambtenaren bij het samenstellen van hun pakket secundaire arbeidsvoorwaarden een belangrijk instrument kan zijn om het arbeidsvoorwaardenpakket aantrekkelijker te maken voor de medewerkers. Het rapport geeft aan welke secundaire arbeidsvoorwaarden zich lenen voor de invoering van meer keuzevrijheid. Bij invoering van een dergelijk model zou op korte termijn een beperkt keuzepakket kunnen worden aangeboden; op langere termijn zou dit pakket uitgebreid kunnen worden. In het rapport is de aanbeveling opgenomen om alvorens tot invoering voor de gehele sector Rijk over te gaan eerst een pilot te laten plaatsvinden bij een onderdeel van de sector.
Het overleg met de centrales heeft geleid tot de afspraak om bij meerdere onderdelen van de sector Rijk pilots te laten plaatsvinden. Het gaat daarbij om tijdelijke experimenten voor een periode tot uiterlijk 1 januari 2001. Aan de hand van de ervaringen zal vervolgens worden besloten of het wenselijk is om een dergelijk model voor de gehele sector Rijk in te voeren.
De uitvoering van pilots is overgelaten aan het decentrale niveau.
Ministeries (of onderdelen daarvan) of Hoge Colleges van Staat besluiten zelf of een pilot wenselijk is. Ook bepalen zij zelf (binnen de grenzen van de regelgeving en van het bovengenoemde IKAP-rapport) de inhoud van een dergelijke pilot. Over een pilot-voorstel moet overleg worden gevoerd met het departementale georganiseerde overleg. Na afronding van dat overleg dient een pilot-voorstel ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
Op diverse punten bieden de rechtspositieregelingen van de sector Rijk reeds keuzevrijheid aan de ambtenaar (bijvoorbeeld de mogelijkheid tot uitbetaling van een beperkt aantal vakantie-uren, zoals opgenomen in artikel 22, twaalfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de mogelijkheid deel te nemen aan de Spaarloonregeling rijkspersoneel en de mogelijkheid om gebruik te maken van de regeling voor (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof, zoals opgenomen in artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement). Op andere onderdelen is een dergelijke keuzemogelijkheid nog niet aanwezig. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, is met de centrales afgesproken om te experimenteren met tijdelijke pilots waarbij de ambtenaar ten aanzien van een aantal arbeidsvoorwaarden ruimere keuzemogelijkheden worden geboden. Om invoering van deze pilots mogelijk te maken is het noodzakelijk voor deze ruimere keuzemogelijkheden een juridische grondslag te creëren. Het onderhavige besluit voorziet daarin.
Om het systeem zo flexibel mogelijk te doen zijn en geen (praktische) barrières op te werpen is het wenselijk dat een bepaalde keuze van de ambtenaar zo min mogelijk rechtspositionele neveneffecten heeft. Dit uitgangspunt is bepalend geweest bij de vormgeving van de regeling. De rechtspositionele aanspraken die behoren bij het reguliere aantal arbeidsuren van de ambtenaar blijven gehandhaafd. Het betreft dan zaken als het aantal vakantie-uren, het aantal uren ouderschapsverlof en de tegemoetkoming in ziektekosten. De consequenties voor pensioenen en sociale zekerheid vormen hierbij een specifiek aandachtspunt. Tijdelijk meer of minder uren werken zou ook voor deze aspecten geen consequenties moeten hebben. Bij de inwerkingtreding van dit besluit is op dit punt van de desbetreffende instanties echter nog geen definitieve duidelijkheid verkregen. Deze onduidelijkheid is met name bezwaarlijk bij de keuze om minder uren te werken. In dat geval loopt de ambtenaar namelijk het risico dat zijn keuze leidt tot lagere aanspraken. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is het ongewenst als er keuzes gemaakt worden zonder dat de consequenties helder zijn. Dit heeft er toe geleid om in artikel 2 de bepaling op te nemen dat de Minister van Binnenlandse Zaken kan bepalen dat bepaalde artikelen van het onderhavige besluit buiten toepassing blijven.
Zolang over bedoelde consequenties nog geen helderheid is ontstaan zal de minister van deze bevoegdheid gebruik maken en in het aanwijzingsbesluit de bepaling opnemen dat artikel 4 van de regeling niet van toepassing is.
Vermoedelijk zal de noodzaak daartoe uitsluitend aanwezig zijn voor pilots die medio 1998 van start gaan (waarschijnlijk slechts één geval). Bij de start van andere pilots zal die duidelijkheid inmiddels wel aanwezig zijn, zodat in die gevallen aan een uitzondering geen behoefte meer zal zijn.
Voor pilots waarbij artikel 4 wordt uitgezonderd zal die uitzondering vermoedelijk uitsluitend nodig zijn voor 1998.
Over het besluit is overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
De bevoegdheid om te besluiten om een pilot te laten plaatsvinden is op decentraal niveau gelegd. Een ministerie of een onderdeel van een ministerie kan een pilot-voorstel ontwikkelen. Over dit voorstel zal overeenstemming bereikt moeten worden met het decentraal georganiseerd overleg. Het kan wenselijk zijn een pilot-voorstel voor te leggen aan de ondernemingsraad. Gelet op artikel 27, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is het overeenstemmingsvereiste daarbij niet van toepassing. De Sectorcommissie overleg rijkspersoneel zal eveneens met het voorstel moeten instemmen. De formele aanwijzing geschiedt vervolgens door de Minister van Binnenlandse Zaken. Daarbij kan worden bepaald dat de regeling slechts gedeeltelijk van toepassing is.
De looptijd van de regeling is van 1 januari 1998 tot 1 januari 2001.
Pilots kunnen van start gaan op een latere datum dan 1 januari 1998 of eerder aflopen dan 1 januari 2001. Derhalve is in het derde lid opgenomen dat het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken tevens vermeldt voor welke periode de proef geldt.
Het ruilen van tijd en geld is een van de belangrijkste elementen van een model met meer keuzevrijheid. Dit artikel maakt het mogelijk dat een ambtenaar meer uren werkt dan het aantal waarvoor hij is aangesteld in ruil voor een bepaalde vergoeding. Het aantal extra te werken uren is daarbij conform de aanbevelingen uit het IKAP-rapport beperkt tot maximaal 80 uur per jaar. Indien een ambtenaar in een bepaald jaar extra uren wenst te werken dient hij daartoe een schriftelijk verzoek in. Het bevoegd gezag beoordeelt vervolgens of het belang van de dienst zich niet verzet tegen inwilliging van het verzoek. Bij deze afweging kunnen onder andere financiële en organisatorische motieven een rol spelen. Voor de te werken extra uren wordt een vergoeding toegekend, berekend op basis van het uursalaris van de ambtenaar. Deze vergoeding wordt niet aangemerkt als salaris of bezoldiging en telt derhalve niet mee voor zaken als de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Het bevoegd gezag bepaalt de wijze van uitbetaling (bijvoorbeeld eenmalig of maandelijks) en het moment waarop dit gebeurt.
Dit artikel is de tegenhanger van artikel 3. Door middel van dit artikel wordt het de ambtenaar mogelijk gemaakt om in een bepaald jaar minder uren te werken dan het aantal waarvoor hij is aangesteld. Ook hier geldt een maximum van 80 uur. Rechtspositioneel gezien blijft er sprake van handhaving van het aantal arbeidsuren. De verrekening geschiedt door middel van een inhouding. Conform hetgeen bij artikel 3 is opgemerkt zijn er geen consequenties voor zaken als vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en wordt de wijze van inhouding door het bevoegd gezag bepaald.
Dit artikel biedt de mogelijkheid om ondermeer de bezoldiging, de vakantieuitkering of de vergoeding voor extra te werken uren niet uit te betalen in geld maar op een andere manier. Te denken valt aan zaken als PC-projecten en kinderopvang. Dit kan een fiscaal voordeel voor de ambtenaar opleveren.
Aangezien het per ministerie of onderdeel kan verschillen welke bestedingsmogelijkheden men in een pilot wenst te gebruiken, worden de concrete bestedingsmogelijkheden niet limitatief opgesomd in dit besluit maar wordt het aan de desbetreffende minister overgelaten om deze bestedingsmogelijkheden vast te stellen.
Daarbij gelden de in het IKAP-rapport opgesomde mogelijkheden als richtinggevend kader.
Aangezien sprake is van pilots is gekozen voor een tijdelijke regeling die geldt van 1 januari 1998 tot 1 januari 2001. Na 1 januari 2001 zal voor ambtenaren op wie de regeling van toepassing is verklaard, de reguliere rechtspositie weer gaan gelden.
Indien aan de hand van de met de pilots opgedane ervaringen in het Sectoroverleg rijkspersoneel wordt besloten tot rijksbrede invoering van een model met meer keuzevrijheid, zal structurele regelgeving noodzakelijk zijn. Daarbij ligt integratie in de bestaande rechtspositieregelingen voor de hand.
De in het besluit opgenomen terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 is noodzakelijk om het mogelijk te maken dat pilots desgewenst kunnen gelden voor het kalenderjaar 1998.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 februari 1999 nr. 27.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1999-18.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.